hyperpresidentialisme


Volgens socioloog Adrián Acosta Silva ligt de overweldigende steun voor president Andrés Manuel López Obrador verankerd in de geschiedenis van Mexico.

Alles, van de federale verkiezingen tot het ritueel spektakel rondom de installatie van de nieuwe president en zijn regering wijst erop: Mexico is op de terugweg naar het ‘hyperpresidentialisme’. De machtsconcentratie ligt weer bij de president, met volledige controle over de uitvoerende macht, de dominantie van één politieke partij in beide kamers van het parlement en de uitgesproken intentie om de rechterlijke macht te beïnvloeden.

Voeg daarbij de neiging van de nieuwe president om systematisch zijn tegenstanders te beschimpen en organisaties, nieuwsmedia en journalisten verdacht te maken, plus de openlijke bijval die hij van parlementariërs en veel burgers ontvangt, en de zaak wordt klip en klaar, we zijn weer helemaal terug bij een oude bekende: de president die zijn macht gebruikt als instrument van onderwerping en overheersing.

Generaal Porfirio Diaz, de 29ste president van Mexico. – Wikimedia
Generaal Porfirio Diaz, de 29ste president van Mexico. – Wikimedia

Het is een oud fenomeen dat diep in onze geschiedenis verankerd ligt. 
De figuur van een sterke man als president kreeg voor het eerst gestalte in 
de negentiende eeuw, met president Benito Juárez (1858-1872), en werd in beton gegoten tijdens de dictatuur van Porfirio Díaz (1876-1880 en 1884-1911). Als Porfirio Díaz al iets van Benito Juárez ter harte nam, dan was het wel deze belangrijke les: om orde te kunnen scheppen in een roerige, rebelse en corrupte republiek als Mexico, moet je met harde hand optreden en niet aarzelen je tegenstanders onder de duim te houden met een meerderheid in het Congres, manipulatie van de rechterlijke macht en controle over 
de diverse plaatselijke machthebbers.

Voor dat doel diende je een kongsi aan te gaan met politieke en economische sleutelfiguren: de top van het bedrijfsleven, grootgrondbezitters en plaatselijke potentaten, die voor hun belangen konden opkomen in een politiek stabiel en duurzaam verbond, dat gecentraliseerd opereerde onder supervisie van een krachtige leider. De negentiende-eeuwse wortels van het Mexicaanse superpresidentialisme groeiden uit tot de bestendige dictatuur van Porfirio Díaz, die in Mexico de twintigste eeuw inluidde.

Maar toen kwam de Mexicaanse Revolutie (1910-1917), een opstand van de grote massa’s die zuchtten onder een despotische oligarchie die alle exportbaten van de toenmalige landbouweconomie naar zich toe trok. Boeren 
en arbeiders legden een bom onder het systeem: ze begonnen een gewapende revolutie, met steun van een opkomende middenklasse die zich keerde tegen het centralistische en repressieve regime van Porfirio Díaz.

Vanuit het platteland kwam de nostalgische roep om volledig herstel van het federalisme, dat in de grondwet van 1857 verankerd was, maar dat in de ogen van de bevolking door het bewind van Porfirio Díaz aan de kant was gezet. De uitkomst van al die protesten en opstanden was een revolutionaire beweging die een einde maakte aan het bewind van Porfirio Díaz en de weg vrij maakte voor een Mexicaanse utopie, met als kernpunten: effectief federalisme, ambitieuze en diepgaande socio-economische hervormingen, de vestiging van een waarlijk democratisch bestel dat inclusief, participatief en representatief was.

Nationale partij

Ervaring en praktische overwegingen leerden de revolutionaire voormannen dat de weg naar de utopie langs een aantal onvermijdelijke distopieën leidde. De Grondwet van 1917 was te vuur en te zwaard tot stand gekomen, en om die in praktijk te brengen, om 
de constitutionele orde te vertalen in een stabiele socio-economische en politieke orde, was een metaconstitutioneel instrumentarium vereist, dat goedschiks of kwaadschiks aan het land moest worden opgelegd.

In de jaren twintig, geplaagd door lokale opstanden, gewapende conflicten, moordaanslagen en wraakoefeningen, kwamen de revolutionaire voormannen, onder aanvoering van Plutarco Elías Calles, met een geniale oplossing, die zowel praktisch uitvoerbaar als duurzaam was: de oprichting van een nationale politieke partij waarin alle revolutionaire groeperingen verenigd werden en die via diverse overlegstructuren tussen belangengroeperingen 
de economische baten en de openbare ambten verdeelde, onder auspiciën 
van een figuur die boven alle partijen stond: de president van de Republiek.

Die formule zorgde voor een autoritaire gezagsstructuur, maar wel een die gelegitimeerd en effectief was, omdat hij zowel op ‘verkiezingen’ (voornamelijk voor de vorm) als op politieke onderhandelingen steunde. De in de Grondwet vastgelegde machtsstructuren, plus de bovengrondwettelijke macht van de president, slaagden er zeventig jaar lang 
in deze met symbolen en gevestigde praktijken bijeengehouden constructie overeind te houden.

Hoewel het stelsel na de studentenrevolte van 1968 aan legitimiteit en effectiviteit inboette, bleef het Mexicaanse hyperpresidentialisme tot aan het begin van de jaren negentig springlevend. Daarna nam 
de macht van de president en zijn vermogen om het land effectief te besturen door een combinatie van economische crises en de politiek van liberalisering – de grote transities van de eeuwwisseling – geleidelijk aan af.
De wisseling van de wacht door de PAN, die duurde van 2000 tot 2012, markeerde in Mexico de overgang van het hyper- naar het hypopresidentialisme.

De figuur van de president verloor zijn vroegere symbolische en politieke functie van boven de partijen staande entiteit, en er traden nieuwe politieke krachten en facties in de politieke arena. Tijdens de daaropvolgende wisseling van de wacht, toen de PRI weer aan de macht kwam, met Peña Nieto als president en boegbeeld van het Pact voor Mexico, werd de onstuitbare neergang van de presidentiële macht alleen maar bevestigd door de talloze corruptieschandalen, de hausse in de drugshandel, de versterking van plaatselijke machthebbers en het overwicht in het Congres van politieke facties die de regeringskliek vijandig gezind waren. Met de treurige, en in zekere zin meelijwekkende val van Peña Nieto, na een dramatische verkiezingsnederlaag in juli van dit jaar, was de erosie van de presidentiële macht voor iedereen zichtbaar.

President Benito Juárez. – © Wikimedia
President Benito Juárez. – © Wikimedia

Misschien is dat de verklaring voor Obradors inschatting van het probleem waar Mexico mee kampt en de oplossing die hij ervoor gekozen heeft: het probleem van Mexico, volgens hem, is dat het land geen sterke leider met een krachtig mandaat heeft, die de ongelijkheid, de corruptie en het onrecht met wortel en tak kan uitroeien. Dat spoorde heel mooi met de wensen van de dertig miljoen kiezers die hun stem op hem en zijn partij, MORENO, uitbrachten, hoogstwaarschijnlijk omdat ze genoeg hadden van de PAN en de PRI en de PRD, die tot de harde kern van 
de Mexicaanse politiek waren gaan behoren.

In deze epische ontwikkeling draait alles om de formele en informele macht van de president – dat wil zeggen zijn legale en zijn gelegitimeerde, of grondwettelijke en bovengrondwettelijke macht – dát is au fond de verklaring voor deze nieuwe cyclus 
van het Mexicaanse hyperpresidentialisme. Deze transitie bevat een element van heimwee en verlangen naar wat verloren is gegaan, van een overtuiging dat het beste voor de toekomst in het verleden te vinden is, dat de president en het volk één en ondeelbaar zijn, dat de ware democratie aan de macht is gekomen, dat het probleem de vijanden van de president en het volk zijn. Dat is voor mij de grondtoon van deze nieuwe nationale metamorfose.

Auteur: Adrián Acosta Silva

President Andrés Manuel López Obrador tijdens zijn inhuldiging op 
1 december in het Huis van Afgevaardigden in Mexico-Stad. – 
© Eduardo Verdugo / HH

Nexos
Mexico | maandblad | oplage 17.500

Een van de belangrijke tijdschriften in Mexico. Houdt de vinger aan de politieke pols. Referentie in het maatschappelijke debat.


Deel dit artikel


Recent verschenen