De Belgische kunstenaar Jan Fabre veroorzaakte ophef in Rusland door dode dieren te exposeren in de Hermitage. Maar hij laat ontegenzeggelijk een frisse wind waaien door het museum, oordeelt Le Monde.
Een nog nooit vertoonde eer, tot tweemaal toe: was de Belg Jan Fabre al de eerste hedendaagse kunstenaar die in 2008 een grote persoonlijke expositie mocht presenteren in het Louvre, nu is hij de eerste die hetzelfde mag doen in de Hermitage in Sint-Petersburg. Waarom hij, en alleen hij op deze schaal, in twee van de meest prestigieuze musea ter wereld?
Allereerst omdat de Hermitage zich er door de ervaringen van het Louvre toe heeft laten overhalen om zich te lenen voor dit confrontatiespel tussen een hommage aan oude meesters en een retrospectief. Daarnaast omdat het een avontuur is dat een combinatie vergt van dwaze trots en een flinke dosis nederigheid, twee tegenpolen waartussen de veelzijdige Jan Fabre (58) zich met natuurlijk gemak beweegt.
Op de binnenplaats wordt de Hermitagebezoeker ontvangen door een Jan Fabre van verguld brons, ‘De man die de wolken meet’, die gewoonlijk veel hoger wordt opgesteld maar hier bijna is teruggebracht tot menselijke hoogte. Deze kopie van de kunstenaar lijkt dus vooral zichzelf te meten met deze kunsttempel. Verwarrend voor het Russische publiek dat zijn werk ontdekt (het is zijn eerste expositie in het land) is de aanblik van een andere avatar bij een van de ingangen van het expositiegebouw: deze lijkt met zijn neus tegen een werk te zijn gelopen, zodat het bloed druppel voor druppel op zijn blote voeten valt. ‘Dat is mijn zelfportret als dwerg,’ zegt de kunstenaar over dit kleine alter ego van was. ‘Ik ben een dwerg die is geboren in een land van reuzen. Wij Vlamingen moeten zien om te gaan met de grandeur van ons verleden, met een uitzonderlijke traditie.’
Net als in Parijs heeft de kunstenaar ervoor gekozen zich te concentreren op de afdeling van het museum die hij het beste kent: die van de Vlaamse meesters van de zestiende en zeventiende eeuw. ‘Ik ben met deze werken opgegroeid, ze zijn een inspiratiebron voor mijn werk,’ aldus de Belg, die zijn tentoonstelling van meer dan tweehonderd werken, waaronder een aantal installaties, de vorm van een ‘dramaturgie’ heeft gegeven.
In de Snyders-zaal laat hij tussen de monumentale stillevens en jachttaferelen zwarte en iriserende schedels ronddraaien, gemaakt van een van zijn fetisjmaterialen: dekschildjes van mestkevers. Elk ervan heeft een dier tussen zijn kaken: een haas, een fazant… Te midden van deze warboel van pluimen en haar, echt of geschilderd, werken andere skeletten penselen naar binnen om de functie van ‘ijdelheden’ op deze schilderijen te benadrukken. IJdelheden die ook in de Jordaens-zaal flonkeren, waar Jan Fabre grote mestkevermozaïeken heeft aangebracht.
De Rubens-zaal is uitgevoerd in schemerblauw, indachtig het uur tussen hond en wolf wanneer het leven van de dag plaatsmaakt voor het nachtleven dat een nachtvogel als Jan Fabre zo dierbaar is. Raadselachtige donkerblauwe foto’s onthullen ternauwernood mythologische taferelen. Overal kijken uilen, totemfiguren van de kunstenaar, de bezoekers vorsend aan, terwijl tekeningen die zijn gemaakt met een doodgewone blauwe ballpoint het schemerblauw duizelingwekkend laten oplossen in monumentale installaties.
In de vleugel van de Hermitage die aan moderne kunst is gewijd presenteert de kunstenaar een keus uit zijn installaties. Een ervan heeft sinds de opening van de expositie in Rusland tot discussies geleid: in een carnavaleske sfeer zijn honden en katten opgehangen waarvan de kunstenaar de lijken langs autosnelwegen heeft verzameld en waaraan hij op zijn manier een ‘hommage’ brengt. Deze installatie dateert van 2007. Ze past goed in zijn oeuvre, waarin het leven van mens en dier, skeletten en dekschilden, zich om het hardst vermengt en metamorfoseert tot droomvisioenen die de tijd uitdagen.
Op 21 oktober, de dag van de opening, trad de Russische pers dit universum van verontrustende vreemdheid en verwrongen humor enigszins terughoudend tegemoet: ‘Is dit niet gewelddadig/erg radicaal/kitscherig/choquerend… walgelijk?’ De kunstenaar bestrijdt dit: ‘Wat u gewelddadig voorkomt, roept voor mij de energie van het leven op. Het is een ode aan wat de natuur ons geeft.’ Vooruitlopend op de discussies, waaraan hij gewend is, benadrukt hij bovendien dat ‘geen enkel dier in naam van de kunst is gedood’.
Het idee van een ode neemt nog vrolijker vormen aan in de majestueuze Van Dyck-zaal. Als een echo van de schilderijen van de hofschilder presenteert Jan Fabre daar een nieuwe serie getiteld Mijn koninginnen, levenslustige portretten van zijn medewerksters die zijn uitgehouwen in grote plakken Carrara-marmer. ‘Hiermee wil ik eer bewijzen aan de vrouwen die een leidende rol hebben in mijn atelier en mijn leven. Ik ben trots op dit stuk dat is gewijd aan de macht van vrouwen, het is mijn belangrijkste kanttekening bij een fallocratische samenleving,’ aldus de kunstenaar.
Dit feestelijke thema zet hij voort in een serie kleine carnavaleske tekeningen die een dialoog aangaan met de rurale feesttaferelen van de Vlaamse primitieven. ‘Carnaval is verankerd in de Belgische cultuur. Bij de Vlaamse schilders gaat het om drinken, dansen, je amuseren. Oftewel om vreugde, om extase, om ondermijning en ironie,’ licht de Antwerpenaar toe, die zichzelf in deze zin als een ‘erg provinciaalse kunstenaar’ omschrijft.
Wat voor het Louvre gold, geldt ook voor de Hermitage: of het publiek nu gevoelig is voor het woeste bestiarium en de verve van Jan Fabre of niet, hij laat ontegenzeglijk een frisse wind waaien in de luisterrijke zalen waar het publiek zich gewoonlijk zelden verdringt.
Auteur: Emmanuelle Jardonnet
Le Monde
Frankrijk | dagblad | oplage 345.000
Links-liberaal dagblad. In 1944 opgericht nadat Duitse troepen Parijs verlieten. Journalisten die voor de krant werken zijn ook aandeelhouder.

