vladyslav melnyk 5Z2zgqFZWBg unsplash 1


De meer dan negentig jaar oude Duitse filosoof vreest dat de emoties de bovenhand gaan voeren in de steun van Europa aan Oekraïne en roept op tot rationeel beleid. ‘Het Westen staat voor een dilemma: een nederlaag voor Oekraïne of de escalatie van een beperkt conflict tot een derde wereldoorlog.’

Keuze uit het archief

Het was een veelbewogen week: de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk gaven Oekraïne toestemming om langeafstandsraketten op Russisch grondgebied af te vuren, wat nieuwe dreigementen van het Kremlin uitlokte. Verder heeft de oorlog in Oekraïne de grens van duizend dagen overschreden. De vraag hoe lang het conflict nog zal duren en hoe het moet worden opgelost, wordt met de dag nijpender.
In dit artikel uit Süddeutsche Zeitung, dat twee maanden na het begin van de Russische invasie werd gepubliceerd, beschrijft de 95-jarige Duitse filosoof Jürgen Habermas het immense dilemma waar Europa voor staat: laten we ons chanteren door de nucleaire retoriek van Poetin zodat hij zijn gang kan blijven gaan, of zetten we de steun aan Oekraïne voort met het gevaar dat het conflict uitgroeit tot een wereldoorlog?

Na zevenenzeventig jaar zonder oorlog en drieëndertig jaar na het beëindigen van een weliswaar bedreigde vrede die alleen behouden bleef door de ‘zekerheid van wederzijdse vernietiging’, zijn de aangrijpende beelden van een oorlog terug. Vlak voor onze deur en door Rusland willekeurig ontketend. Als nooit tevoren wordt ons dagelijks leven beheerst door de aanwezigheid van deze oorlog in de media. Een Oekraïense president die alles weet van de kracht van beelden, zorgt voor boodschappen die diepe indruk maken. Dagelijks vinden nieuwe beelden van rauwe verwoesting en schokkend leed een zichzelf versterkende echo in de westelijke sociale media. Het nieuwe van de publiciteit en het gecalculeerde effect van de onvoorspelbare oorlogsgebeurtenissen op de publieke opinie maken op ons ouderen misschien nog meer indruk dan op jongeren die aan de media gewend zijn.

Maar kundige enscenering of niet, het zijn feiten die ons niet onberoerd laten, en ook het besef dat deze oorlog zo dichtbij is, draagt daaraan bij. Zo neemt bij de toeschouwers in het Westen de ongerustheid bij elke dode, de schok bij elke moord toe, en wordt de verontwaardiging bij elke oorlogsmisdaad groter, evenals de wens daar iets tegen te ondernemen. De rationele achtergrond waartegen deze emoties in het hele land opwellen, is de vanzelfsprekende stellingname tegen Poetin en de Russische regering, die deze grootscheepse aanvalsoorlog hebben ontketend en met hun systematisch mensonterende wijze van oorlogvoeren het humanitaire volkenrecht schenden.

Hevige controverse

Ondanks deze unanieme reactie neigen de regeringen van de westerse alliantie tot een gedifferentieerde aanpak. En is er in Duitsland, aangewakkerd door de pers, een hevige controverse ontstaan over aard en omvang van de militaire hulp aan het bedreigde Oekraïne. De eisen van het onschuldig bedreigde Oekraïne, dat de politieke misvattingen en het verkeerde beleid van vorige Duitse regeringen zonder aarzelen in morele chantage omzet, zijn even begrijpelijk als de emoties, het medeleven en de behoefte om te helpen die bij ons allemaal worden opgewekt, vanzelfsprekend zijn.

En toch heb ik grote problemen met de zelfverzekerdheid waarmee de moreel verontwaardigde aanklagers optreden tegen een bedachtzame en terughoudende Bondsregering. In een interview in Der Spiegel vat de Bondskanselier zijn beleid samen in de zin: ‘Het leed dat Rusland in Oekraïne veroorzaakt, bestrijden we met alle middelen die ons ter beschikking staan, maar zonder dat er een oncontroleerbare escalatie ontstaat, die onmetelijk leed op het hele continent en misschien zelfs in de hele wereld tot gevolg heeft.’ Door het besluit van het Westen in dit conflict niet als oorlogsdeelnemer te interveniëren, is een risicodrempel ontstaan die een onbeperkte betrokkenheid bij het bewapenen van Oekraïne uitsluit. Dat is weer scherp in beeld gekomen door het sluiten van de rijen met de bondgenoten door onze regering tijdens het overleg in Ramstein, en ook door het hernieuwde dreigement van Lavrov om kernwapens te gebruiken. Wie in weerwil van die drempel de Duitse Bondskanselier op agressief zelfbewuste toon toch steeds verder in die richting wil duwen, begrijpt het dilemma niet – of ziet dat over het hoofd – waarvoor het Westen door deze oorlog is gesteld; want het Westen heeft met het ook moreel gefundeerde besluit om geen partij in deze oorlog te worden zichzelf de handen gebonden.

Wie garandeert dat een escalatie nog gestopt kan worden?

Het dilemma dat het Westen dwingt tot een risicovolle afweging tussen twee kwaden is duidelijk: een nederlaag van Oekraïne of een escalatie van een beperkt conflict tot een derde wereldoorlog. Enerzijds heeft de Koude Oorlog ons geleerd dat een oorlog tegen een kernmogendheid redelijkerwijs niet meer ‘gewonnen’ kan worden, althans niet door middel van militair geweld binnen het beheersbare tijdsbestek van een hooglopend conflict. Het nucleaire dreigingspotentieel heeft tot gevolg dat de bedreigde partij, of die nu zelf kernwapens heeft of niet, de hoe dan ook ondraaglijke vernietiging als gevolg van het gebruik van militair geweld niet kan beëindigen met een overwinning, maar hooguit met een compromis dat beide partijen in staat stelt het gezicht te redden. Geen van beide partijen hoeft dan een nederlaag te accepteren waarbij ze als verliezer het veld verlaat. De onderhandelingen over een staakt-het-vuren, die momenteel nog parallel lopen met de gevechten, zijn een uitdrukking van dit inzicht; op deze manier kunnen ze elkaar voorlopig als mogelijke onderhandelingspartner blijven zien. Het is waar dat het dreigingspotentieel van Rusland ervan afhangt of het Westen Poetin in staat acht massavernietigingswapens te gebruiken. Maar in feite heeft de CIA de afgelopen weken al gewaarschuwd voor het actuele gevaar van zogenaamde ‘kleine’ kernwapens (die blijkbaar alleen zijn ontwikkeld om een oorlog tussen kernmogendheden weer mogelijk te maken). Dat geeft de Russische kant een asymmetrisch voordeel ten opzichte van de NAVO, die vanwege de apocalyptische omvang van een wereldoorlog – met deelneming van vier kernmogendheden – geen oorlogspartij wil worden.

Nu is het Poetin die beslist wanneer het Westen de door het volkenrecht bepaalde drempel overschrijdt en het de westerse militaire steun aan Oekraïne ook formeel beschouwt als oorlogsdeelname. Met het oog op het risico van een ten koste van alles te vermijden wereldconflict, laat de onbepaaldheid van dit besluit geen ruimte voor een riskant spelletje poker. Zelfs als het Westen cynisch genoeg zou zijn om het risico van de ‘waarschuwing’ met een van deze ‘kleine’ kernwapens in te calculeren, dat wil zeggen in het ergste geval op de koop toe te nemen, wie garandeert dan dat een escalatie nog gestopt kan worden? Wat blijft is een speelruimte voor argumenten die in het licht van de noodzakelijke vakkennis en al de vereiste, niet altijd openbaar beschikbare informatie zorgvuldig moeten worden afgewogen om gefundeerde beslissingen te kunnen nemen. Het Westen, dat immers al vanaf het begin door het opleggen van drastische sancties geen twijfel heeft laten bestaan over zijn de facto deelname aan de oorlog, moet dus bij elke volgende stap van de militaire steun zorgvuldig overwegen of het daarmee niet ook de onbepaalde, want van Poetins definitiemacht afhankelijke, grens overschrijdt van een formeel deelnemen aan de oorlog.

Russische roulette

Anderzijds kan het Westen zich door deze asymmetrie niet naar believen laten chanteren en dat weet de Russische kant ook. Als het Westen Oekraïne gewoon aan zijn lot zou overlaten, zou dat niet alleen uit politiek en moreel oogpunt een schandaal zijn, het is ook niet in zijn eigen belang. Want dan kan het erop wachten tot het dezelfde Russische roulette opnieuw moet spelen in het geval van Georgië of Moldavië. En wie is de volgende? Zeker, de asymmetrie die het Westen op lange termijn in een impasse kan brengen, bestaat alleen zolang het om goede redenen terugschrikt voor het risico van een nucleaire wereldoorlog. Bijgevolg wordt het argument weerlegd dat men Poetin niet in een hoek moet drijven omdat hij dan tot alles in staat is, omdat juist deze ‘politiek van de angst’ de tegenstander de vrije hand geeft om het conflict stap voor stap te laten escaleren (Ralf Fücks in de SZ). Maar ook dit argument bevestigt alleen hoe moeilijk berekenbaar de situatie is. Want zolang wij om goede redenen vastbesloten zijn ter bescherming van Oekraïne niet de volgende oorlogspartij te zijn, moeten aard en omvang van de militaire steun ook vanuit dat gezichtspunt beoordeeld worden. Wie zich op rationeel verantwoorde wijze tegen een ‘politiek van de angst’ keert, beweegt zich al binnen de argumentatiespeelruimte van de politiek verantwoorde en weloverwogen benadering waar kanselier Olaf Scholz terecht aan vasthoudt.

Het gaat daarbij om het in acht nemen van een naar onze mening voor Poetin aanvaardbare interpretatie van een juridisch gedefinieerde grens die we onszelf hebben opgelegd. De verhitte tegenstanders van de lijn van de regering zijn inconsequent als ze de implicaties van een door hen niet betwiste fundamentele beslissing ontkennen. Het besluit om niet deel te nemen, betekent niet dat het Westen Oekraïne up to the point of immediate involvement moet overlaten aan het lot van een strijd met een superieure tegenstander. De westelijke wapenleveranties kunnen uiteraard een gunstige invloed hebben op het verloop van een strijd die Oekraïne vastbesloten is voort te zetten, ook al gaat dat ten koste van grote offers. Maar is het geen vroom zelfbedrog zijn kaarten te zetten op een Oekraïense overwinning in deze door de Russen ontketende moorddadige oorlog zonder zelf de wapens op te nemen? Oorlogszuchtige retoriek gaat niet goed samen met de toeschouwersloge van waaruit ze zo eloquent wordt voorgedragen, want ze ontkracht niet de onvoorspelbaarheid van een tegenstander die wel alles op één kaart zou kunnen zetten. Het dilemma van het Westen is dat het grondbeginsel om vast te houden aan de integriteit van de Europese staatsgrenzen aan een zelfs tot nucleaire escalatie bereide Poetin alleen duidelijk kan worden gemaakt door Oekraïne een zichzelf beperkende militaire steun te verlenen, die de rode lijn van een door het volkenrecht gedefinieerde oorlogsdeelname niet overschrijdt.

Onze toonaangevende media verspreiden wilde speculaties

De koele afweging van een zichzelf beperkende militaire hulp wordt verder bemoeilijkt door de inschatting van de motieven die de Russische zijde tot haar kennelijk verkeerd gecalculeerde besluit hebben bewogen. De concentratie op de persoon van Poetin leidt tot wilde speculaties, die onze toonaangevende media nu uitdragen als in de beste dagen van de speculatieve Kremlinologie. Het nu overheersende beeld van een vastberaden revisionistische Poetin, moet op zijn minst naast een rationele inschatting van zijn belangen worden geplaatst. Ook al beschouwt Poetin de ontbinding van de Sovjet-Unie als een grote vergissing, dan nog kan het beeld van de losgeslagen visionair die met de zegen van de Russisch-Orthodoxe Kerk en onder invloed van de autoritaire ideoloog Aleksandr Doegin het stapsgewijze herstel van het Groot-Russische Rijk als zijn politieke levenswerk ziet, moeilijk de hele waarheid over zijn karakter zijn. Maar op zulke projecties is wel de wijdverbreide veronderstelling gebaseerd dat de agressieve bedoelingen van Poetin verder reiken dan Oekraïne, namelijk tot Georgië en Moldavië en daarna tot de NAVO-leden in de Baltische staten en tenslotte tot ver op de Balkan.

Tegenover de karakterschets van een door waanzin gedreven historische nostalgicus staan zijn sociale mobiliteit en de carrière van een in de KGB gevormde, rationeel calculerende machtswellustige, die door de draai naar het Westen van Oekraïne en door de politieke verzetsbeweging in Belarus gesterkt is in zijn ongerustheid over het politieke protest in de steeds liberaler denkende kringen in zijn eigen samenleving.

Gefrustreerde reactie

Vanuit deze optiek zou Poetins herhaalde agressie eerder gezien moeten worden als een gefrustreerde reactie op de weigering van het Westen over zijn geopolitieke agenda te onderhandelen. En dan met name over de internationale erkenning van zijn met het volkenrecht strijdige verovering van een geneutraliseerde ‘gordel’ die ook Oekraïne zou moeten omvatten. De baaierd van speculaties vergroot alleen de onzekerheid over een dilemma dat ‘tot uiterste voorzichtigheid en terughoudendheid noopt’ (aldus de conclusie van een leerzame analyse van Peter Graf Kielmansegg in FAZ van 19 april 2022).

Maar hoe valt dan het verhitte binnenlandse debat te verklaren over kanselier Scholz’ herhaaldelijk bevestigde beleid van solidariteit met Oekraïne, zoals dat in samenspraak met de EU- en NAVO-partners tot stand is gekomen? Om de zaken te ontwarren, laat ik het geschil buiten beschouwing over een voortzetting van het beleid van detente tegenover een onberekenbaar geworden Poetin, dat tot het einde van de Sovjet-Unie en ook nog daarna succes had maar nu een dure fout is gebleken; en ook de fout van Duitse regeringen zich mede onder economische druk afhankelijk te maken van de goedkope invoer van Russische olie. Over het korte geheugen van de huidige controverses zullen ooit de historici oordelen. 

Anders is het gesteld met het debat dat zich, onder de veelzeggende naam van een ‘nieuwe Duitse identiteitscrisis’, nu al bezighoudt met de gevolgen van het ‘keerpunt in de geschiedenis’, en dat aanvankelijk nuchter betrekking had op de Duitse Ostpolitik en de defensiebegroting. Want dit debat, dat vooral is ontstaan door voorbeelden van de verbazingwekkende bekering van vredelievende geesten, moet een historische verandering inluiden van de door rechts steeds weer openlijk veroordeelde en inderdaad moeizaam genoeg bevochten naoorlogse Duitse mentaliteit, en daarmee ook van het einde van een op dialoog en vredeshandhaving gerichte Duitse politiek.

Baerbock is de tot icoon geworden minister van Buitenlandse Zaken

Deze interpretatie is nauw verbonden met het voorbeeld van de groep jongeren die is opgevoed om gevoelig te zijn voor normatieve vragen en om hun emoties niet te verbergen en die het hardst roepen om meer engagement. Ze geven de indruk dat de volkomen nieuwe realiteit van de oorlog hen uit hun pacifistische illusies heeft weggerukt. Dat doet ook denken aan de tot icoon geworden minister van Buitenlandse Zaken, die onmiddellijk na het begin van de oorlog haar ontsteltenis met geloofwaardige gebaren en belijdenisretoriek een authentieke indruk verleende. Niet dat ze daarmee niet ook stond voor het medeleven en de impuls om te helpen die onder een groot deel van onze bevolking leven. Maar ze personifieerde bovendien op overtuigende wijze de spontane identificatie met het onstuimig moraliserende aandringen van de Oekraïense leiding, die vastbesloten is de oorlog te winnen. Daarmee raken we de kern van het conflict tussen degenen die empathisch maar onverwachts het perspectief overnemen van een natie die vecht voor haar vrijheid, haar recht en haar leven, en degenen die uit hun ervaringen met de Koude Oorlog een andere lering hebben getrokken en – net als overigens degenen die bij ons op straat protesteren – een andere mentaliteit hebben ontwikkeld. De ene groep kan zich een oorlog alleen voorstellen met als uitkomst een overwinning of een nederlaag, de andere weet dat oorlogen tegen een kernmogendheid niet meer in de traditionele betekenis ‘gewonnen’ kunnen worden.

Grofweg vormen de meer nationaal dan postnationaal gevormde mentaliteiten van bevolkingen de achtergrond voor hun verschillende houdingen tegenover oorlog in het algemeen. Dat verschil wordt duidelijk wanneer we het bewonderde, heroïsche verzet en de vanzelfsprekende opofferingsgezindheid van de Oekraïense bevolking vergelijken met wat we van ‘onze’, laten we veralgemeniserend zeggen, West-Europese bevolkingen in een vergelijkbare situatie zouden kunnen verwachten. Onze bewondering is een mengeling van een zekere verbazing over de zekerheid van de overwinning en de ongebroken moed van de soldaten en de voor de strijd opgeroepen lichtingen, die verbeten hun vaderland verdedigen tegen een militair superieure vijand. In het Westen daarentegen vertrouwen we op beroepslegers die we betalen, zodat we wanneer dat nodig is niet onszelf gewapenderhand hoeven te verdedigen maar door beroepsmilitairen verdedigd worden.

‘Van oorlog kun je alleen leren dat je vrede moet sluiten’

Deze post-heroïsche mentaliteit heeft zich, als ik dat zo te generaliserend mag zeggen, in de tweede helft van de twintigste eeuw in West-Europa onder de nucleaire paraplu van de VS kunnen ontwikkelen. Met het oog op de mogelijke verwoestingen van een atoomoorlog zijn de politieke elite en de overgrote meerderheid van de bevolking tot het inzicht gekomen dat internationale conflicten in principe alleen door diplomatie en sancties opgelost kunnen worden, en dat in geval van het uitbreken van een militair conflict de oorlog zo snel mogelijk moet worden bijgelegd, omdat die naar menselijke maatstaven, gezien het moeilijk te berekenen risico van een dreigend gebruik van massavernietigingswapens, niet meer in klassieke zin met een overwinning of nederlaag kan worden beëindigd. ‘Van oorlog kun je alleen leren dat je vrede moet sluiten’, zegt Alexander Kluge.

Die oriëntatie impliceert geen fundamenteel pacifisme, dus vrede tot elke prijs. De oriëntatie om zo snel mogelijk een einde te maken aan destructie, mensenoffers en decivilisatie is niet hetzelfde als de eis een politiek vrij bestaan op te offeren louter om te overleven.

De scepsis tegen het middel oorlogsgeweld vindt op het eerste gezicht zijn grens bij de prijs van een autoritair gesmoord leven: een bestaan waaruit zelfs het bewustzijn dat gedwongen normaliteit en een zelfbepaald leven met elkaar in strijd zijn, is verdwenen.

De door de rechtse interpreten van de nieuwe tijd toegejuichte bekering van onze vroegere pacifisten verklaar ik uit de verwarring van die twee gelijktijdig botsende, maar historisch ongelijktijdige mentaliteiten. Deze markante groep deelt het vertrouwen van de Oekraïners in de overwinning en doet met grote vanzelfsprekendheid een beroep op het geschonden internationale recht. Na Boetsja deed prompt de slogan ‘Poetin naar Den Haag!’ de ronde. Dit geeft de algemene vanzelfsprekendheid aan van de normatieve maatstaven die wij tegenwoordig op internationale betrekkingen toepassen, dus van de daadwerkelijke mate waarin de verwachtingen en humanitaire gevoeligheden van de bevolking op dat terrein zijn veranderd.

Opgewonden identificatie

Op mijn leeftijd kan ik een zekere verbazing niet verhelen: hoe diep moet de bodem van de culturele vanzelfsprekendheden waarop onze kinderen en kleinkinderen nu leven zijn omgeploegd, als zelfs de conservatieve pers oproept tot vervolging door een Internationaal Strafhof dat noch door Rusland en China, noch door de VS wordt erkend. Helaas verraden zulke realiteiten ook de nog steeds hol klinkende bodem van een opgewonden identificatie met de steeds scheller klinkende morele aanklachten tegen de Duitse terughoudendheid. Niet dat de oorlogsmisdadiger Poetin het niet verdient voor zo’n rechtbank te staan, maar hij bezet nog steeds een zetel met vetorecht in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en hij kan zijn tegenstanders met kernwapens dreigen. Over een einde aan de oorlog, althans een staakt-het-vuren, moet nog met hem onderhandeld worden. Ik zie geen overtuigende rechtvaardiging voor de eis om een beleid dat – bij de martelende en elke dag ondraaglijker aanblik van de slachtoffers – het toch goed gefundeerde besluit niet aan deze oorlog deel te nemen, de facto op het spel zet.

De bondgenoten moeten elkaar geen politiek-mentale verschillen verwijten die verklaard kunnen worden uit ongelijktijdige historische ontwikkelingen; ze moeten die als feiten ter kennis nemen en er bij hun samenwerking op een intelligente manier rekening mee houden.

Maar zolang deze perspectiefvormende verschillen op de achtergrond blijven, veroorzaken ze – zoals in het geval van de reactie van de afgevaardigden op de morele terechtwijzingen van de Oekraïense president in zijn videotoespraak tot de Bondsdag – alleen maar emotionele verwarring: een chaos van half doordachte instemmende reacties, van louter begrip voor het perspectief van de ander en van het zelfrespect dat geboden is. Het verwaarlozen van de historische verschillen in de waarneming en interpretatie van oorlogen leidt niet alleen, zoals in het geval van de botte afwijzing van de Duitse Bondspresident, tot verstrekkende fouten in de omgang met elkaar. Erger nog, het leidt tot een wederzijds misverstand over wat de ander werkelijk denkt en wil.

De EU zal alleen politiek slagvaardig kunnen zijn als ze ook militair op eigen benen kan staan

Dit besef plaatst ook de bekering van de voormalige pacifisten in een ontnuchterend licht. Want zowel de verontwaardiging als de afschuw en het medelijden, die de motieven achter hun onlogische eisen zijn, worden immers niet verklaard door het verwerpen van de normatieve oriëntatie waarover de zogenaamde realisten zich altijd vrolijk hebben gemaakt. Maar eerder door een veel te pregnante interpretatie van juist die beginselen.

Ze hebben zich niet tot realisten bekeerd, maar lopen bijna over van realisme: zeker, zonder morele gevoelens geen morele oordelen; maar het generaliserende oordeel corrigeert van zijn kant ook de beperkte reikwijdte van de van dichtbij gestimuleerde gevoelens.

Het is geen toeval dat de aanjagers van de Zeitenwende juist de linkse en liberale mannen en vrouwen zijn die tegenover een drastisch veranderde constellatie van grote mogendheden – en in de schaduw van trans-Atlantische onzekerheden – serieus werk willen maken van een dringend noodzakelijk inzicht: een Europese Unie die haar sociale en politieke levensvorm niet van buitenaf wil laten destabiliseren, noch van binnenuit wil laten uithollen, zal politiek alleen slagvaardig kunnen zijn als ze ook militair op eigen benen kan staan. De herverkiezing van Macron geeft even respijt. Maar eerst moeten we een constructieve uitweg uit ons dilemma zien te vinden. De hoop dat dat zal lukken, komt tot uiting in de voorzichtige formulering dat Oekraïne de oorlog niet mag verliezen.

Jürgen Habermas, geboren in 1929, is een van de invloedrijkste filosofen van onze tijd.

Lees ook:


Deel dit artikel


Recent verschenen