koningskinderen


Ahmed en Alin zijn tien en elf jaar oud als hun ouders omkomen in Aleppo. Ze vluchten naar Turkije en werken daar, van elkaar gescheiden, als schrootverzamelaar en naaister. Soms dromen ze van een koningin die Merkel heet.

Op een vroege ochtend deze zomer loopt de dertienjarige Alin, een meisje met vermoeide ogen, zingend door de nog donkere straten van de stad Mersin. Met klepperende sandalen wandelt ze in haar eentje door de fabriekswijk, langs vervallen gebouwen, langs honden die nog slapen en langs lantaarns zonder licht. Het liedje dat ze zingt gaat over twee kinderen die geen leven hadden, maar nadat het ergste leed geleden was toch werden gered.

Er waren eens twee kinderen, zo gaat het liedje, een jongen en een meisje, die alles waren kwijtgeraakt, hun ouders, hun huis, hun vaderland. Ze kwamen uit een oude stad, en toen in hun land een oorlog uitbrak, vluchtten ze naar een ver rijk. Om hun beschermers daar van dienst te zijn, werkten ze zo hard dat hun rug er krom van werd en hun handen onder het bloed zaten. Bijna waren ze gestorven. Maar op een dag, Allah is groot, werden ze rijkelijk beloond voor hun leed. God gaf ze hun land terug en schonk ze goud en geluk. Volgens het liedje dat van Raqqa tot Damascus op de scholen werd geleerd, waren ze nu koning en koningin van Syrië.

Alin zingt met een dun stemmetje. Dan slaat ze een steegje in, waar links en rechts uit de huizen steeds luider het ratelen van honderden machines klinkt. Alin vertraagt haar pas, het lawaai overstemt haar gezang. Ze stopt met zingen, gaat bukkend een lage deur door, loopt langzaam een trap af, vijftien treden, en staat in een vochtige, raamloze kelder.

Er hangt een geur van zweet. Neonlicht straalt vanaf het plafond en valt fel op een twintigtal fijnbesneden gezichten. Negentien meisjes en vijf jongens zijn hier verzameld, allemaal nog kinderen. Enkelen steunen op krukken, drie van hen hebben maar één been. Als soldaten staan ze in een rij naast elkaar. Een man roept hun namen af, schreeuwt in het Arabisch ‘Jalla, jalla!’, ‘Opschieten, opschieten!’, en dan gaan de kinderen aan het werk. Alin gaat op een plastic stoeltje aan een van de tegen elkaar geschoven houten tafels zitten. Ze plant een kussen in haar rug, zet haar linkervoet op een pedaal en vist in een stapel kleding. Ze pakt een T-shirt, zwart van kleur, legt het op de naaimachine en begint te naaien, één zoom, twee, drie, vier. Vanavond, wanneer het boven in de straten van deze Turkse stad aan de Middellandse Zee weer donker wordt, zullen het er duizend zijn.

Later die dag, na een paar honderd zomen, zal ze kramp krijgen, in haar nek, in haar zitvlak, in haar schouders. Maar ze zal niets zeggen, geen woord. Ze zal doen wat ze moet doen. Na elf of twaalf uur werken zal ze alleen steels op een kleine wandklok kijken en aan haar broer Ahmed denken, voor wie op dat moment bij een sloperij in Gaziantep, 300 kilometer ten oosten van Mersin, de nachtdienst begint.

Ze kunnen elkaar niet ontmoeten en niet met elkaar praten. Maar Alin zal zich verbeelden hoe Ahmed, een halve kop kleiner dan zij, over bergen afval klautert, een jongen van twaalf in met olie besmeurde kleren, met dunne armen en brede handen. Alin zal zich voorstellen hoe die handen loodzware dingen tillen, autobanden en motoronderdelen, hoe haar broer Ahmed die stuk voor stuk verzamelt en op een kar achter zich aan trekt, gebogen, hongerig, kilometers door de stad, tot zijn lijf er zeer van doet.

En wanneer Alin na veertien uur achter de naaimachine de kelder weer uitloopt, ligt er geen liedje meer op haar lippen, alleen nog maar gebeden. Dan vouwt ze haar handen, sluit haar ogen en smeekt of er iemand kan komen om hen te redden, net als bij de twee kinderen uit haar liedje. Zij en haar broer, zoon en dochter van gedode ouders, gevlucht uit Aleppo, gevangen in het zuiden van Turkije.

De dag dat de oorlog kwam

Het verhaal van Ahmed en Alin is dat van twee kinderen, een jongen en een meisje, die gevlucht zijn voor de bommen in Syrië en nu als zwartwerkers in Anatolië overleven, die dromen van een koningin genaamd Merkel en van het verre eiland Europa, maar er geen weg naartoe kunnen vinden omdat er voor gevluchte kinderen – anderhalf miljoen zijn het er – geen weg uit Turkije meer is.

Ze vertellen hun verhaal gescheiden van elkaar, op verschillende momenten, op verschillende plaatsen. In een ondergrondse kledingfabriek in Mersin. Op de vuilnisbelten en schroothopen van Gaziantep. In eenvoudige woorden, nu eens luidkeels en dan weer zachtjes, soms bevend en soms stilletjes, zo levendig en oprecht als alleen kinderen kunnen vertellen.

De dag dat de oorlog kwam was een zomerdag, twee jaar geleden. Ahmed en Alin, de kinderen van een wasserij-eigenaar in Aleppo, waren tien en elf jaar oud. Een jongen met flaporen, die gek was op drop en liever ging fietsen of voetballen dan bidden. Een meisje dat graag haar huiswerk deed, dat op school heel goede cijfers haalde en leerde koken van haar moeder, die in een bakkerij werkte.

Ze zaten net aan het avondeten, moeder Adeeba had couscous met dadels klaargemaakt. Vader Mohammed zat over zijn werk te vertellen. Een Syrisch gezin, samen aan tafel, wanneer als uit het niets een explosie hen alle vier van hun stoel rukt. De bom, neergekomen op de woning ernaast, vernielde drie muren, legde hun woonkamer in puin. De kinderen gilden, vader riep om hulp. Alleen moeder, begraven onder stenen, was stil. ‘Ze lag daar maar,’ zegt Ahmed, ze ademde niet meer. En toen rook en stof langzaam optrokken zagen ze dat er bloed over haar voorhoofd liep. Het leek wel, aldus Alin, ‘rood water in een rivier’.

Een tante waste het lichaam. Ahmed en zijn vader begroeven moeder op de laatst overgebleven begraafplaats van Aleppo, niet ver van hun verwoeste woning.

Ze gingen bij een oom wonen. Mohammed, de vader, raakte kort na zijn vrouw ook zijn bedrijf kwijt. Bom na bom viel op hun wijk, maar hij wilde Aleppo niet verlaten. Alin en Ahmed zeggen dat hij Assad vervloekte, en ook de soldaten van de dictator die de halve stad omsingelden. De kinderen mochten het huis niet uit, weken-, maandenlang. Overdag zagen ze rook opstijgen boven de huizen van hun vriendjes en vriendinnetjes. ’s Nachts gingen ze bij hun vader in bed liggen, klampten zich aan hem vast bij elke klap die de muren deed trillen.

Op een warme ochtend een jaar geleden, vertellen beiden, ging hun vader de deur uit en kwam niet meer terug. Hij had eten willen halen, pide [Turks brood], meel en een jerrycan water. De laatste winkel in hun wijk bevond zich maar vier straten verderop, maar overal op de daken, zo hadden de buren later verteld, loerden scherpschutters. Volgens sommigen had een soldaat van het regime vader van achteren door het hoofd geschoten. Anderen waren ervan overtuigd dat het strijders van Islamitische Staat waren geweest. Alin en Ahmed zeggen dat ze hun vader niet meer te zien hebben gekregen.

Nog altijd kunnen ze er nauwelijks over praten. Doen ze het toch, dan worden hun zachte trekken star en beginnen hun ogen te dwalen. Over hun laatste dagen en weken in Aleppo weten ze niet veel meer. Alleen nog dat ze op een gegeven moment, misschien pas maanden later, de stad hebben verlaten. ‘Onze oom zei dat we weg moesten,’ zegt Ahmed. ‘Hij is gebleven,’ zegt Alin, ‘maar wij moesten vertrekken.’

Ze zagen Syrische meisjes, ouder dan zijzelf, onder de zon bezwijken. Zelf werkten ze verder, tot het seizoen ten einde liep

Een broer van hun overleden vader betaalde met zijn laatste geld twee mensensmokkelaars. De eerste bracht de kinderen de stad uit, verstopt in de kofferruimte van een auto. De tweede stak met hen en andere Syriërs te voet de grens over. Alin en Ahmed weten niet waar ze de kilometerslange afrastering van prikkeldraad zijn gepasseerd en Turkse bodem hebben betreden. Ze weten alleen nog dat hun mars twee nachten en twee dagen duurde, en dat het vrijwel onafgebroken regende.

Het eerste wat ze van het vreemde land zagen, vertelt Alin, waren mannen met geweren. Net over de grens werden ze opgepakt door soldaten, de mensensmokkelaar had hen alleen gelaten. De mannen spraken een hard klinkende taal, die Alin en Ahmed niet begrepen. Ze brachten de kinderen naar een perceel bos in de provincie Hatay, het zuidelijkste puntje van Turkije, alsof ze hen weg wilden houden van de rest van het land. Hier zouden maanden later de wegen van broer en zus scheiden. Het was de plek waar Ahmed en Alin zonder het te beseffen misschien wel voor altijd uit elkaar zouden gaan.

Eerst woonden ze daar met honderden vluchtelingen in een kamp onder bomen, in hutten van karton en plasticfolie, zonder bedden en zonder eten. De enige stroom kwam van de accu van een kapotte tractor, zegt Ahmed, het water om je te wassen uit een smerig kanaal, zegt Alin. Artsen, hulpverleners, mensen die naar hen omkeken hebben Alin en Ahmed niet gezien.

Om geld te verdienen voor eten sloten ze zich algauw aan bij andere vluchtelingen. Ze volgden hen naar de omliggende velden, plukten katoen voor Turkse boeren, oogstten watermeloenen, tien uur per dag, zeven dagen per week. Ze zagen Syrische meisjes, ouder dan zijzelf, onder de zon bezwijken. Zelf werkten ze verder, tot het seizoen ten einde liep.

Toen kwam de winter. De volwassenen gingen op zoek naar nieuw werk en een dak boven hun hoofd, ter bescherming tegen de kou. De mannen en vrouwen splitsten zich, en met hen de jongens en de meisjes. Het zou van korte duur zijn, zo werd gezegd, en de kinderen stelden geen vragen. Alin, die van haar moeder naaien had geleerd, klom de laadruimte van een vrachtwagen in. Ze reed met de vrouwen langs de kust van de Middellandse Zee naar de textielfabrieken van Mersin, 300 kilometer verder naar het noordwesten. Ahmed trok met de mannen naar het noordoosten, twee uur in een raamloze veewagen, tot in de ver uitgedijde buitenwijken van de miljoenenstad Gaziantep.

De handen van Ahmed. – © Emin Ozmen / Der Spiegel
De handen van Ahmed. – © Emin Ozmen / Der Spiegel

Op een avond in mei van dit jaar, wanneer warme lucht de zomer aankondigt, trekt de nog geen anderhalve meter lange Ahmed een kar achter zich aan. Op zijn kapotte gymschoenen loopt hij langs garagebedrijven en verlaten, bouwvallige fabriekscomplexen, gevolgd door straatkatten. Dit is zijn moment, nu het gaat schemeren. Hij zoekt naar alles wat van niemand is en wat nog te gebruiken is: hier een weggegooide cilinder van een automotor, daar een oude blikken kuip. Om de paar honderd meter bukt hij zich en tilt de buit op zijn kar, die aan het einde van de nacht zo zwaar is dat hij hem nauwelijks meer kan trekken. Van zijn Turkse baas krijgt hij vijf kuruş per kilo, anderhalve cent. In goede nachten, zegt Ahmed, komt hij tot 300 kilo, vierenhalve euro. Wanneer de dag aanbreekt, gaat hij slapen, zijn vieze kleren nog aan; op hetzelfde moment dat zijn zus Alin in Mersin naar de kelder afdaalt.

Maanden na de vlucht is dit het vijfde baantje van Ahmed. De bloeduitstortingen op zijn schouders zijn van het zware dragen, zegt hij, de krassen op zijn buik van de scherpe kantjes van de metalen vondsten, de littekentjes op zijn hals van de gloeiende vonken die zijn huid hebben verbrand.

Toen hij net in Gaziantep was aangekomen, sliep hij ’s nachts in een tent met zes mannen en tien jongens, slaapzakken en dekens dicht tegen elkaar aan. Ze werkten samen, lasten staal op een werkplaats, bakten klinkers in een cementfabriek, zeulden stenen op bouwplaatsen waar nu huizen van vijf verdiepingen staan. De volwassenen legden elke Turkse lira opzij, zeiden dat ze er een plaatsje op een boot mee wilden betalen, een overtocht naar Europa. In Duitsland, zo vertelden ze hun kinderen, zouden ze het allemaal beter hebben. Maar afgelopen voorjaar ontdekten politieagenten hun tent aan de rand van de stad, trapten die kapot en ranselden hen af. De mannen werden als vee een vrachtwagen ingeduwd. Alleen de jongens mochten blijven. Ze werden nergens naartoe gebracht. Ze bleven gewoon op straat.

Nu het dag wordt in Gaziantep loopt Ahmed van de sloperij naar zijn huidige slaapplaats, die hij deelt met de andere kinderen. Het is een hutje van golfplaten en planken, aaneengespijkerd op een van de aardebruine heuvels die zich in het zuiden van de stad verheffen, richting Mekka en Aleppo. Vanaf de hoogte, een uurtje rijden van de Syrische grens, reikt de blik ver over donkere huizen en vlaggen met een halve maan. Bijna twee miljoen mensen wonen hier, van wie bijna een op de zes voor de oorlog naar Gaziantep is gevlucht.

Ahmed gaat in kleermakerszit op de grond zitten en zegt dat ze hun hut helemaal zelf hebben gebouwd, met gereedschap dat ze ergens hebben gevonden of gestolen. Ze, dat zijn negen jongens uit Homs en Aleppo, uit platgebombardeerde steden en dorpen, op zichzelf aangewezen in een land waarvan voorheen niemand van hen wist waar het lag. Ze gooien afvalzakken en een paar latten en takken op een hoop, maken een vuur en zetten een pot zoete thee, als volwassenen.

Ieder heeft zijn taak, ieder zijn eigen verhaal. Mahmud, de oudste, is vijftien en al lang voor de oorlog wees geworden. Mohammed, de jongste, is elf en heeft zijn ouders op de vlucht verloren. Ze kenden elkaar niet, vonden elkaar op de bouwplaatsen. Omdat er niemand was die op hen lette, stichtten ze hun eigen gezin, een gezin met alleen kinderen. Ze staan samen op en gaan samen aan het werk. Ze bidden samen en delen hun brood.

Het enige wat Ahmed nog van thuis heeft, is een rugzak. Daarin zitten een T-shirt met de tekst ‘I love Syria’, een broek, sokken, een zakje chocoladesnoepjes, een kleine speelgoedrobot en een gehavend mobieltje. Soms, als hij ’s ochtends na het werk niet in slaap kan komen omdat het dan al te warm is, pakt hij de telefoon en gaat oude foto’s bekijken, van zijn ouders, van Aleppo, van Alin.

Niet meer bang voor de dood

Deze ochtend gaat Ahmed met een duim over het apparaat en bekijkt foto’s van zijn oude school, waarop jongens met gelkapsels en meisjes met bonte hoofddoeken te zien zijn, arm in arm. Ahmed weet niet waar zijn vrienden nu zijn of hoe het met hen gaat. Hij stuurt hun berichtjes, maar ze antwoorden niet meer. Soms denkt hij dat ze nog altijd in Aleppo zijn. En soms beeldt hij zich in dat ze al dood zijn, ‘misschien in het paradijs’.

Ahmed zegt dat hij niet bang meer is voor de dood. Hij heeft al veel mensen zien sterven. Hij vertelt dat hij net in de tweede klas zat, net had leren lezen, toen hij samen met anderen niet ver van school zag hoe een man door een andere man werd onthoofd. Hij scrolt verder over het display van zijn telefoon en vindt uiteindelijk een wiebelige video. Op het filmpje, ruim twee jaar geleden opgenomen, is een geblinddoekte man te zien die geknield in een plas donker bloed zit. Naast de man staat een andere man in een zwart gewaad, en om hen heen staan mensen toe te kijken. De man in het gewaad heeft een groot zwaard in zijn hand, dat hij tegen de nek van de knielende man houdt. Hij roept Allahu akbar, God is groot. Dan slaat hij hem het hoofd af.

Ahmed zegt dat hij het filmpje zelf heeft gemaakt, op een marktplein in Aleppo. Zijn vader had hem toegeschreeuwd, hem opgedragen het te wissen, er nooit meer naar te kijken, maar Ahmed heeft hem niet gehoorzaamd. Nu laat hij het aan iedereen zien; de jongens kijken er met grote ogen naar. Mahmud, de oudste, fronst zijn voorhoofd en kijkt als een wolf naar de nachtelijke hemel. ‘Er zijn oorlogen,’ zegt hij, ‘omdat er boze mensen zijn.’ Mohammed, de jongste, vraagt hoe je die kunt herkennen, hoe je die van goede mensen onderscheidt.

Na werktijd is Ahmed vaak met zijn mobiel in de weer. Hij stuurt berichtjes aan zijn oom, die een paar maanden geleden uit Aleppo is gevlucht, maar de grens niet meer over komt. De oom is vrijwel altijd aan het foeteren. Hij schrijft dat Ahmed zijn zus moet gaan zoeken, maar Ahmed zegt dat hij niet weg wil, ‘nooit meer op reis wil’.

Ooit groeiden Alin en hij op zoals de meeste broers en zussen, dicht bij elkaar. Tot zijn negende sliepen ze op één kamer, met knuffeldieren in bed en zelfgemaakte tekeningen aan de muren. Ze pestten elkaar, trokken aan elkaars haar. Soms vertelden ze elkaar tot diep in de nacht verhaaltjes of moppen, dan schoven ze hun bedden dicht tegen elkaar zodat hun ouders hen niet konden horen. Maar nu de oorlog hen verdreven heeft, worden ze gescheiden door honderden kilometers vreemd land. Op hen moet het overkomen als een hele wereld.

Hun enige contact bestaat uit berichtjes via de mobiele telefoon, vrijwel elke avond. Alin schrijft dan hoeveel kleren ze die dag heeft gezoomd. En af en toe stuurt ze foto’s van de kamer waar ze de nacht doorbrengt, een krappe ruimte met kapotte matrassen waarop nog een stuk of tien kinderen slapen. Ze schrijft dat ze na het werk vaak honger heeft, maar geen geld omdat haar hele loon alleen maar een plekje in deze kamer is. Als Ahmed zijn zus vraagt wat ze het meest mist, dan antwoordt ze ‘school’. Als Alin haar broer dezelfde vraag stelt, dan weet hij het niet.

Alin vraagt zich niet af hoe de Duitsers rijk en mooi kunnen zijn terwijl zij, een kind, in een raamloze kelder zit. Ze denkt dat er in Duitsland gewoon al genoeg kinderen zijn

Een paar weken geleden, toen Angela Merkel naar Gaziantep reisde, toen de Duitse kanselier zich daar voor de camera’s liet rondleiden door een opgepoetst vluchtelingenkamp, schreef Alin aan haar broer: ‘De meisjes hier zeggen dat de koningin van Europa bij jou is. Ze komt je halen!’ Ahmed begreep het niet. Hij had geen idee wie Angela Merkel was, had haar naam nog nooit gehoord. Nog altijd weet hij niet waar Duitsland ligt, alleen dat het op een of andere manier bij Europa hoort en dat Europa veilig is en kinderen daar niet werken. Ahmed zegt dat hij het werk haat en dat hij het haat als zijn armen pijn doen. Hij zou liever voetballen, maar dan zou hij verhongeren, dat weet hij.

De enige Duitser die Ahmed meent te kennen, is Arjen Robben. Dat is een Nederlander, maar een lichte huid staat voor Ahmed gelijk aan Duits. Vroeger in Aleppo, zegt hij, keek hij in een theehuis bij hen in de straat wel eens een wedstrijd van Bayern München. Het elftal in de rode shirts won altijd en de man zonder haar scoorde altijd, zegt Ahmed. Sindsdien gelooft Ahmed dat Duitsland ‘een goed land’ is. Al zijn vrienden geloven dat, alle acht jongens op de heuvel. Maar geen van hen weet hoe je in Duitsland moet komen. En weken geleden was Merkel, in de ogen van de kinderen een koningin die hen wilde helpen, nog maar net aangekomen in dat kamp in de buurt of ze was alweer vertrokken.

Ahmed en Alin hebben geen idee van vluchtelingenquota. Ze weten niets over Turkije, over een president genaamd Erdogan of over een overeenkomst met de EU. Het enige wat ze weten is dat ze niet terug mogen naar Syrië omdat het daar te gevaarlijk is en dat ze niet door mogen reizen naar een ander land omdat de andere landen hen niet willen.

In Alins verbeelding is Europa een eilandje, omgeven door een zee, ‘ergens in het noorden’. En in haar dromen, zo zegt ze, is Angela Merkel geen mevrouw in een broekpak, maar een jongedame in een wit gewaad, met een supergladde huid en lang, goudachtig haar. Ze heeft nog nooit een echte foto van haar gezien, maar enkele meisjes met wie ze kleding naait, hebben gezegd dat alle Duitsers ‘rijk en mooi’ zijn. Alin vraagt zich niet af hoe de Duitsers rijk en mooi kunnen zijn terwijl zij, een kind, in een raamloze kelder zit. Ze denkt dat er in Duitsland gewoon al genoeg kinderen zijn.

13-jarige Alin: ‘Alle Duitsers zijn rijk en mooi.’ – © Claas Relotius / Der Spiegel
13-jarige Alin: ‘Alle Duitsers zijn rijk en mooi.’ – © Claas Relotius / Der Spiegel

In de fabriek in Mersin zit Alin achter de naaimachine kleine krokodillen op witte poloshirts te naaien. Lacoste, Adidas, Puma, Nike, in een minuut naait ze een logo op sportbroekjes en T-shirts, op vervalste merkkleding die van Mersin naar Istanboel gaat, van Istanboel naar Bulgarije en van daaruit naar Duitsland. Dat vertelt Nasser, een man met een slecht gebit en een hemd dat nat van het zweet is. Hij is 34 jaar oud en net als de kinderen die voor hem werken afkomstig uit Syrië. Hij kwam hier vier jaar geleden aan, ook uit Aleppo, waar hij als kleermaker werkte. Na zijn vlucht verkocht hij zijn auto, schafte ruim twintig naaimachines van het merk JUKI aan en begon in een wijk waar zich al lange tijd geen politieagent meer vertoont zijn fabriek.

Aanvankelijk zaten er nog Turken aan zijn naaitafels, vrijwel alleen volwassenen. Maar gaandeweg, zegt Nasser, kwamen er steeds meer Syriërs, gevluchte kinderen ‘die half zo duur waren’. Nasser loopt de trap op, schuift de kelderdeur open en kijkt de straat in, waar zich tientallen fabrieken bevinden. Volgens hem zijn het allemaal kelders als de zijne, waar duizenden jongens en meisjes zitten, alleen is hij, zelf een vluchteling, de enige Syrische eigenaar. Nasser trekt aan zijn sigaret, zegt dat hij zelf vier kinderen heeft en geen andere keus.

Beneden bij de naaitafels heeft hij een cd-speler neergezet, waarvan de luidsprekers veertien uur per dag Arabische liedjes produceren. Een heldere vrouwenstem zingt over hoop en geluk. De muziek stimuleert de kinderen, zegt Nasser, ‘houdt hen in het ritme’. Hij loopt langs de rijen, de armen kruiselings achter de rug, als een leraar door het klaslokaal. De kinderen mogen niet met elkaar praten. Praten, roept Nasser hen toe, is slecht voor de productie en kost geld. Overdag hebben ze maar één pauze, veertig minuten waarin ze warme limonade drinken, linzensoep eten en pal naast de werkruimte achter een oud gordijn boven een gat in het beton hun behoefte doen.

In de vastentijd, zegt Alin tijdens een pauze, mag ze overdag helemaal niets eten en nog geen slokje drinken. Ze zit gehurkt op de grond tussen bergen rode en zwarte stoffen. Tegen de middag is ze al zo uitgeput dat ze nauwelijks meer op haar benen kan staan. Ze probeert aan iets leuks te denken en zegt dat ze het liefst met de kleine krokodil bezig is. Ze vindt krokodillen leuk omdat krokodillen sterke dieren zijn. Als het kon, zegt Alin, zou ze zelf gewoon wegzwemmen, naar Europa, zoals andere vrouwen en meisjes gedaan hebben toen ze hier in Mersin geen onderdak en geen werk hadden kunnen vinden. Ze kochten een buskaartje en reden langs de kust naar Bodrum. Daar stapten ze in een rubberboot en daarna, zegt Alin, heeft ze nooit meer iets van hen gehoord.

Ze weet dat er mensen in de Middellandse Zee verdrinken. Maar ze weet ook dat veel mensen de overkant wel bereiken. Ze is jaloers op de kinderen die het hebben gered, zegt Alin, omdat die niet hoeven te werken en naar school kunnen gaan. Alin vertelt dat het altijd haar droom is geweest om arts te worden en dat ze nu bang is dat ze haar hele leven in de kelder moet blijven. Ze is al twee jaar niet meer naar school geweest. Haar broer Ahmed, zegt ze, ‘heeft geen idee hoeveel twaalf keer twaalf is’.

Aanplakbiljetten

Kinderen als Ahmed en Alin, de straten van Gaziantep en Mersin zijn er inmiddels vol mee. En aan de muren in die steden – Alin en Ahmed lopen er elke dag langs – hangen behalve reclames voor Coca-Cola en Erdogan grote aanplakbiljetten met Arabische teksten. Islamitische Staat laat die ophangen, lonkt met zakgeld en eten, met een ‘grote familie’ die zich om jongeren bekommert.

Alin weet niet precies wat Islamitische Staat is. Ze kent alleen de beelden van gemaskerde strijders die mensen het hoofd afsnijden of levend verbranden. Wanneer ze ’s avonds vanuit de fabriek naar haar slaapadres loopt, ziet ze wel eens andere kinderen die verkleed executies naspelen.

Nog niet zo lang geleden, zegt Alin, ving ze een gesprek op tussen Nasser en andere mannen, die het erover hadden dat in Gaziantep, waar Ahmed woont, een autobom was ontploft voor een politiebureau. Twee mensen waren omgekomen, tweeëntwintig gewond geraakt, en de chauffeur van de auto zou een jonge, minderjarige Syriër zijn geweest, een kind nog.

Toen Alin dat hoorde, leek het wel alsof de schrik van Aleppo haar weer had ingehaald. Ahmed schreef dat hem niets was overkomen, maar dat was voor Alin niet voldoende. Zij, de oudere zus, besloot haar broer te gaan halen, hem persoonlijk te beschermen. De volgende ochtend stapte ze met al het geld dat ze had, vijftig lira, in de bus naar Gaziantep.

De rit duurde vijf uur. Alin keek uit het raam, zag de katoenvelden van Adana waar ze zelf ooit had gewerkt, en de steengroeven bij Gaziantep, waar nu ook kinderen werkten. Na aankomst op het busstation belde ze haar broer, maar Ahmed nam niet op. Ze bleef het urenlang tevergeefs proberen, net zo lang tot het donker werd, en nam toen de laatste bus terug naar Mersin.

Tijdens die rit, zegt Alin, heeft ze heel lang gebeden voor haar broer en dat ze elkaar ooit zullen terugzien. Ze moest ook aan het liedje over de twee kinderen denken dat ze vroeger, in een ander leven, op school had geleerd. De kinderen uit dat liedje werden gered. Toen de oorlog voorbij was, mochten ze terug naar hun geboorteland. Alin begon te piekeren. Ze kwam tot de conclusie dat Allah misschien twee kinderen zou kunnen redden, maar waarschijnlijk geen honderden en al helemaal geen honderdduizenden. En toen, zegt Alin, stelde ze zich voor wat er met Ahmed en haar zou gebeuren als het geluk hen niet vond, als hun lot niet dat van die twee kinderen uit het liedje zou zijn en het slecht met hen zou aflopen.

Toen kwam er een berichtje van Ahmed binnen. Hij schreef: ‘Hallo zus, we zijn dag en nacht aan het werk geweest. Binnenkort heb ik genoeg geld, binnenkort heb ik genoeg voor jou en mij samen.’

De ochtend nadat ze was teruggekeerd uit Gaziantep ging Alin zoals altijd voor zonsopgang weer aan het werk, vijftien treden omlaag de vochtige, naar zweet ruikende kelder in. Nasser, de baas, ontving haar met een paar stevige verwensingen omdat ze een hele dag niet was komen opdagen, omdat duizend zomen niet waren genaaid. Zwijgend liep ze naar haar plaats, plantte het kussen in haar rug, zette haar linkervoet op het pedaal en legde haar rechterhand op de naaimachine. Maar toen biggelden de tranen over haar wangen. Ze schaamde zich, sloeg haar handen voor het gezicht, maar ze kon niet stoppen met huilen. Het was niet om haar dode ouders. Niet om de pijn in haar lijf. Het kwam, zo vertelt ze, doordat Nasser, een volwassene, tegen haar tekeer was gegaan. Ze had zich voor heel eventjes kind gevoeld.

Auteur: Claas Relotius
Vertaler: Pieter Streutker

Beeld bovenaan: De 12-jarige Ahmed in de sloperij waar hij werkt. – © Emin Ozmen / Der Spiegel

schermafbeelding 2017 04 05 om 11 04 58 am

Claas Relotius

Claas Relotius (1985) studeerde politieke en culturele wetenschappen in Bremen en Valencia en journalistiek aan de Hamburg Media School. Hij liep tijdens deze studie stage bij het journaal van het ZDF en de Deutsche Welle in Berlijn. Hij werkt sinds 2011 als freelancer en schrijft zowel in het Duits als in het Engels. Publicaties van zijn hand verschenen in Die Zeit, Weltwoche, Neue Zürcher Zeitung, The Guardian en Los Angeles Times.

Der Spiegel
Duitsland | weekblad | oplage 976.000

Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.


Deel dit artikel


Recent verschenen