Nu de prijzen maar blijven dalen, en de meeste olie is opgepompt, lijken de dagen van de olie-industrie op de Noordzee geteld.
Het eerste wat Stuart Fraser ziet wanneer hij op zijn werk komt is de reusachtige, hoge vlam die zich achter het raampje van de helikopter in zijn blikveld brandt. De propeller gaat langzamer draaien en de helikopter daalt, weg van de continu brandende gasfakkel boven op het Kittiwake-olieplatform in de Noordzee.
Fraser, een stevige, kalende man van zevenenveertig, met een ontspannen glimlach, wordt uit de helikopter geholpen door de mensen van het olieplatform, waarna hij wordt meegetroond over een metalen trapje naar de prefab onderkomens met neonverlichting, die de komende drie weken zijn thuis zullen zijn.
In die weken zal hij éénentwintig twaalfuursdiensten draaien zonder ook maar één dag vrij. Hij deelt de benauwde ruimte met vijfenzeventig collega’s, dicht op elkaar, met onder hen vele kilometers pijpleiding, die elke dag opnieuw meer dan tienduizend vaten olie oppompen uit de zeebodem.
Van de 63 miljard vaten die uit de Noordzee te winnen zouden zijn, zijn er 43 miljard opgepompt
Fraser is een van de ongeveer 31 duizend mensen – voornamelijk mannen – die werkzaam zijn in de Engelse offshore-oliewinning. Deze bedrijfstak, die vorig jaar veertig jaar oud was, heeft meer dan 40 miljard vaten olie en gas opgeleverd en de Engelse staatskas gespekt met 330 miljard aan belastinginkomsten.
Het is tevens een bedrijfstak waarvan de dagen zijn geteld. Van de 63 miljard vaten olie die uit de Noordzee te winnen zouden zijn, zijn er al 43 miljard opgepompt. De resterende olie is lastig te bereiken en daarmee duur – en de waarde is nu nog maar een derde van twee jaar geleden. In de afgelopen twintig maanden heeft de prijs van een vat olie een spectaculaire daling doorgemaakt, van 115 dollar in de zomer van 2014 tot zo’n 33 dollar op het moment dat dit artikel ter perse gaat – de laagste prijs in elf jaar.
Ontmanteling
‘Of ik het ooit erger heb meegemaakt in deze bedrijfstak?’ zegt Fraser, een operations supervisor die al tweeëntwintig jaar in de offshore-industrie werkt. ‘We hebben eerder meegemaakt dat de olieprijs daalde tot onder de 20 (dollar per vat), maar meestal ging de prijs daarna weer snel omhoog en werd er weer geïnvesteerd.’
Er is al begonnen met het ontmantelen van in onbruik geraakte olieplatforms. Van de 330 velden in het Engelse deel van de Noordzee zal de komende vijf jaar meer dan een derde worden gesloten, als we olieconsultant Wood Mackenzie mogen geloven – zelfs wanneer de olieprijs weer zou stijgen tot, laten we zeggen, 85 dollar per vat.
Shell heeft vorig jaar februari aangekondigd te stoppen met de productie in de legendarische Brent-olievelden. Het ontmantelen is een miljardenproject dat zeker tien jaar in beslag zal nemen. Het bedrijf begint nog dit jaar met het weghalen van de ‘topsides’ – de delen van de platforms boven het wateroppervlak. Daarvoor wordt een reusachtig vrachtschip gebruikt dat meer dan 100.000 ton staal naar de kust kan vervoeren. De betonnen poten en steunen, die elk evenveel wegen als het Empire State Building – blijven mogelijk op hun plaats, voorgoed verankerd aan de zeebodem. Die zouden dan het enige overblijfsel zijn van een platform dat ooit meer dan een half miljoen vaten olie per dag produceerde.
Aangezien er zulke gigantische kosten mee zijn gemoeid is het vrijwel onmogelijk om een half-afzinkbaar platform dat eenmaal is afgesloten, weer in gebruik te nemen. In de olie-industrie vrezen velen dat door de scherpe daling van de olieprijzen talloze internationale bedrijven er overhaast toe zullen overgaan velden af te stoten terwijl er nog olie in de zeebodem zit, waarmee het einde van de Noordzee als oliewingebied ineens heel dichtbij komt.
‘De Noordzee verkeert momenteel in zwaar weer,’ zegt de man die aan het hoofd staat van een van grootste olieproducerende bedrijven in het Verenigd Koninkrijk en die alleen wil praten op voorwaarde van anonimiteit (in de betrekkelijk geïsoleerde oliewereld wordt het mensen niet in dank afgenomen wanneer ze zich ‘negatief uitlaten over de industrie’). ‘De meeste platforms draaien momenteel niet eens quitte.’
Een andere hooggeplaatste olie-executive, die ook niet bij naam genoemd wil worden, beaamt die zorgen. ‘Dit is het begin van het einde.’
Overvoerde markt
De problemen in de Noordzee zijn een heel direct uitvloeisel van mondiale trends, die hun oorsprong vinden ver weg van het noordoosten van Schotland. In de eerste helft van het afgelopen decennium deed de olie-industrie goede zaken, dankzij de toegenomen vraag uit groeiende economieën zoals China, in combinatie met een verminderde productie uit een door oorlog verscheurd Libië en een Iran dat door sancties aan banden was gelegd. De prijs bleef daardoor steken rond de 110 dollar per vat.
Maar hierdoor werden twee andere structurele factoren aan het zicht onttrokken, die normaal gesproken de prijs zouden hebben gedrukt: de markt werd overspoeld door nieuwe aanvoer uit de Amerikaanse schalievelden, en tegelijkertijd nam in het westen de vraag af omdat men minder afhankelijk wilde zijn van fossiele brandstoffen. Halverwege 2014, toen in veel landen de economische groei die de boom in de hand had gewerkt langzaam begon te stagneren, kregen die factoren de overhand en kelderde de olieprijs.
Die val is verergerd door de weigering van de Opec – het oliekartel dat zo ongeveer veertig procent van de wereldwijde productie in handen heeft – om minder olie op de markt te brengen. Deze groep, met Saoedi-Arabië als machtigste lid, is buiten de officiële kanalen om tot een werkzame overeenkomst gekomen met producenten die hoge productiekosten hebben, zoals de VS.
‘De oliemarkt is overvoerd,’ zegt Spencer Welch van het oliemarktteam van de onderzoeksorganisatie IHS. ‘Er komt wel weer een nieuw evenwicht in de markt, alleen duurt het langer dan we allemaal hadden verwacht.’
De effecten van deze geopolitieke crisisdiplomatie beginnen zich af te tekenen. Meer dan 100 miljoen vaten olie liggen doelloos op tankschepen over de hele wereld, aangezien de opslagcapaciteit vrijwel volledig is benut. Ondertussen voeren enkele van de grootste en meest winstgevende bedrijven drastische bezuinigingen door. BP, de Britse oliegigant, heeft in het vierde kwartaal van afgelopen jaar 2,2 miljard dollar verlies geleden – een inkomstendaling van 91 procent. Het bedrijf is voornemens om de jaarlijkse onkosten met 6 miljard terug te dringen en heeft in januari aangekondigd dat er vierduizend banen zullen verdwijnen. Het Franse Total gaat dit jaar 15 procent korten op investeringen in olie- en gasprojecten.
Natuurlijk is de gemiddelde werknemer weer de dupe
De Noordzee wordt het eerst, en het hardst, getroffen door de bezuinigingen. Niet alleen omdat ontwikkelingen een achteruitgang betekenen voor het gebied, maar ook omdat er nergens ter wereld zo veel kosten mee zijn gemoeid om een vat olie uit de grond te halen. Hoge lonen, strenge gezondheids- en veiligheidsvoorschriften en het feit dat het niet eenvoudig is om olie uit de zeebodem te halen hebben de gemiddelde prijs van de winning van een vat olie ter plekke opgedreven naar 17,80 pond, als we afgaan op de informatie van Oil & Gas UK, het samenwerkingsverband van de industrie. In Denemarken bedragen die kosten zo’n 16 pond. In Egypte 3 pond.
Dit werkt natuurlijk door in de bedrijfsresultaten. Volgens een analyse voor de Financial Times, uitgevoerd door Company Watch, een bedrijf dat financiële risico’s in kaart brengt, is inmiddels de helft van de oliewinnende bedrijven in de Noordzee verliesgevend, en de totale verliezen over het afgelopen jaar komen op 6,4 miljard pond.
In verval
Aan boord van Kittiwake, een platform dat honderd mijl van Aberdeen aan de zeebodem is verankerd, duwt Stuart Fraser de metalen veiligheidsdeur dicht, waarmee het geluid wordt gedempt van de golven die in de diepte tegen de poten van het platform slaan. ‘De Noordzee is in verval,’ zegt hij, terwijl hij zijn blik door zijn felverlichte, spartaans ingerichte werkkamer laat glijden. ‘Grote bedrijven verdienen hun geld elders, waar de kosten lager zijn. Natuurlijk is de gemiddelde werknemer weer de dupe, of het nou offshore of onshore is.’
De gemiddelde werknemer in de Noordzee heeft lange tijd goed verdiend – in 2014 was het gemiddelde salaris 80 duizend pond, drie keer het landelijk gemiddelde. Maar de afgelopen maanden zijn de salarissen teruggeschroefd, bij sommige contracten zelfs met een kwart.
Het grootste probleem voor de mannen die nog op de olieplatforms werken (de afgelopen twee jaar hebben zeker 5500 van de 36.000 mensen hun baan verloren) is niet de achteruitgang in inkomsten, maar het feit dat ze steeds langer van huis zijn. Het kost geld om de mensen van en naar de platforms te vliegen, dus werden de mannen al van oudsher voor telkens een paar weken ingehuurd; de afgelopen jaren, toen de olieprijs hoog was, ging het telkens om twee weken op het platform gevolgd door drie weken thuis. Nu wordt het personeel gevraagd diensten te draaien van drie weken op, drie weken af – zoals in de begintijd van deze bedrijfstak.
‘Nu we weer terug zijn bij drie om drie vragen veel jongens zich af of dit wel echt iets voor hen is,’ aldus Fraser. ‘Want het gaat niet alleen om ons, het gaat ook om de mensen die we achterlaten. Om zomaar drie weken weg te gaan als je kleine kinderen hebt…’ Hij zoekt naar de juiste woorden. ‘Dat is zwaar.’
Het leven op een olieplatform kent, net als het leven in actieve militaire dienst, lange perioden van verveling, afgewisseld met potentieel zeer gevaarlijke situaties. Misschien verklaart dat waarom er relatief veel ex-militairen in deze bedrijfstak werkzaam zijn.
Een platform is net een gevangenis, met beter eten en zonder tralies
Wie op het platform werkt mag pas door de luchtsluis als hij zijn dikke overall, laarzen en reflectiehesje heeft aangetrokken, zijn veiligheidsbril en helm heeft opgezet en zijn oordoppen heeft ingedaan. Zeer goed opgeleide technici zijn vaak de hele dag bezig met het installeren of onderhouden van grote en dure machines – dat kunnen motoren zijn om olie op te pompen uit de grond, machines om het zeewater eruit te filteren of pijpleidingen om het naar de wal te transporteren. Wat lager in de hiërarchie heb je mensen die de gevaarlijkste klussen doen, in steigers klimmen om alles opnieuw in de verf te zetten, of zich in een harnas naar beneden laten zakken om de ontoegankelijkere delen van de stellage te inspecteren.
Met mooi weer, als de zon schijnt en je mijlenver kunt kijken, is er geen mooier werk denkbaar, zeggen de mannen. Wanneer het hard waait en regent, kan het een rotbaan zijn. Wanneer je nachtdiensten draait en weken achtereen geen zonlicht ziet, is het soms gekmakend.
Er zijn ook mensen aan boord die vrijwel de gehele tijd lekker binnen zitten, in de onderkomens, waar ze het papierwerk doen, de naleving van de veiligheidsvoorschriften in het oog houden of het contact met de wal onderhouden. Maar wat voor diensten je ook draait, het zwaarste aan dit werk is misschien nog wel de invulling van je vrije tijd. ‘Je leeft op een platform ter grootte van een half voetbalveld,’ zegt Fraser. ‘We hebben een kleine crew en ’s avonds – nou ja, je kunt ’s avonds gewoon nergens heen.’
‘Het is net een gevangenis, maar dan met beter eten en zonder tralies voor de ramen,’ grapt Steve Miller, de vijfenvijftigjarige arts op het platform.
Een groot deel van de tijd gaat heen met het verdrijven van verveling. Sommigen maken gebruik van de twee kleine ruimten vol fitnessapparaten – in een van die ruimten is zelfs een sauna. Anderen biljarten of lezen de krant. Velen zitten in een beleggingsclub en komen samen om tips uit te wisselen en financiële resultaten te bespreken – al is dat de laatste tijd een nogal deprimerende aangelegenheid voor wie in de eigen industrie heeft belegd.
De uitersten van dit werk leiden tot hevig wisselende stemmingen. David Oliver, een vierendertigjarige systeemspecialist van ConocoPhillips, heeft op verschillende platforms in de Noordzee gewerkt. ‘In een koude nacht, als het hele platform staat te schudden in de wind, is het moeilijk om er niet aan te denken dat je huis in feite een opgewaardeerde Portakabin op poten is, boven op een levensgevaarlijke koolwaterstofinstallatie,’ zegt hij.
Gevaren
Doordat het werk voor zo’n groot deel uit routine bestaat, is het makkelijk om te vergeten hoeveel gevaren het met zich meebrengt om honderd mijl uit de kust, op een onstuimige zee, naar olie en gas te boren. In december is iemand omgekomen nadat een olieplatform in Chinese handen, voor de kust van Noorwegen, werd getroffen door een veertien meter hoge golf, die ook in de onderkomens enkele ruiten aan diggelen heeft geslagen.
De mensen aan boord van Kittiwake worden constant herinnerd aan de gevaren door de aanwezigheid van een veiligheidsschip dat altijd stand-by is, op een halve mijl van het platform. Wanneer het noodzakelijk is om over te gaan tot evacuatie kunnen de mensen op deze manier snel van het platform worden gehaald.
De procedures zijn aangepast na 1988, toen het Piper Alpha-platform van Occidental Petroleum de lucht in vloog ten gevolge van een gaslek. Daarbij kwamen 167 van de 228 mensen die er werkten om het leven. Sindsdien is men erin geslaagd om zelfs het aantal kleinere ongevallen terug te dringen – Kittiwake gaat er prat op dat er al tien jaar geen ongeluk of ongeval heeft plaatsgevonden waarmee productietijd verloren is gegaan. In de gehele Noordzee is het aantal olie- en gaslekken teruggebracht tot een historisch minimum.
De vrees bestaat echter dat de bedrijven, in deze financieel moeilijke tijden, weer meer de grenzen zullen opzoeken. Uit cijfers die zijn verzameld door Oil & Gas UK en die de Financial Times ter inzage heeft gekregen blijkt dat het achterstallige onderhoud aan veiligheidsvoorzieningen binnen de bedrijfstak – zoals door de bedrijven zelf in kaart gebracht – vier keer zo groot is als in 2009.
De veranderingen in het leven op de platforms zijn ook duidelijk voelbaar aan land, met name in Aberdeen, ooit een rustig vissersplaatsje, nu uitgegroeid tot een van de grootste oliecentra van de westerse wereld. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen de economische liberalisatie onder Margaret Thatcher de groei van de City in Londen aanwakkerde, was het noordoosten van Schotland getuige van een ander succesverhaal. Al sinds de negentiende eeuw werd aan de Noordzeekust olie geproduceerd.
Een van de pioniers in deze bedrijfstak was James Young, die een van de eerste commerciële olieraffinaderijen in Schotland opzette. Maar pas halverwege de jaren zestig, toen de technologie was verbeterd en de Britse regering de zeebodem had verkaveld en verkocht, werd ernst gemaakt met de oliewinning.
De ontdekking in 1970 door BP van een gigantisch olieveld ten oosten van Aberdeen – ‘Forties’ genaamd, naar de ligging – was het startschot van een oliekoorts waar Aberdeen niet op was voorbereid. Ineens werd de kale, grauwe omgeving van de ‘granietstad’ overspoeld door Texanen met cowboyhoed, met hun pioniersgeest en de belofte van ongekende rijkdom.
In Westminster plukte een nieuwe conservatieve regering hier de vruchten van. In 1978, een jaar voordat Thatcher aan de macht kwam, leverde de olieproductie 565 miljoen pond aan belastinginkomsten op. Het jaar daarop was dit bedrag opgelopen tot 2,3 miljard. Tijdens Thatchers gehele premierschap zou de olie-industrie de schatkist 67,3 miljard opleveren.
Deze boom was ook lucratief voor de Engelse industrie, aangezien er geen duurdere olie meer uit het buitenland geïmporteerd hoefde te worden. Anderzijds heeft het Verenigd Koninkrijk zich in 2013, nu het de olie-industrie niet langer voor de wind gaat, voor het eerst sinds 1984 (toen een staking van mijnwerkers leidde tot een tekort aan kolen) genoodzaakt gezien om ruwe olie te importeren. Zoals elke belangrijke speler in de olie-industrie heeft Aberdeen hoogtijdagen en mindere tijden gekend, afhankelijk van de mondiale prijsfluctuaties. Maar volgens veel voorspellingen zal aan deze baisse niet snel een einde komen.
Het afgelopen jaar zijn de prijzen van een hotelkamer met twintig procent gekelderd. De taxichauffeurs in de stad – die bijna net zo veel verstand hebben van de jaarverslagen van de olieproducenten als van het wegennetwerk van Aberdeen – zeggen dat er minder boekingen zijn, en er is duidelijk minder verkeer op de weg. De huizenprijzen, die de afgelopen jaren sneller waren gestegen dan het gemiddelde binnen het Verenigd Koninkrijk, gaan nu ook eindelijk dalen. Als je het derde kwartaal van 2015 afzet tegen het derde kwartaal van 2014, zie je een daling van 2,2 procent.
Energievoorziening
De malaise in de olie-industrie zal gevolgen hebben voor het hele land, niet alleen op het gebied van energievoorziening, maar ook op het gebied van de overheidsbegrotingen. Het onafhankelijke Office for Budget Responsibility heeft de verwachtingen bijgesteld voor de belastingopbrengsten uit de bedrijfstak in de komende jaren. In 2014-2015 hebben de olie- en gasindustrie de schatkist 2,2 miljard pond opgeleverd. De verwachting voor de komende zes jaar is 0,9 miljard pond in totaal.
Ondertussen zit het Verenigd Koninkrijk in de klem op het gebied van elektriciteitsvoorziening. Engeland neemt steeds meer afstand van de kolencentrales en de regering hoopt dat gas een goed alternatief is, met een lagere CO2-uitstoot. Maar als het land eerder dan verwacht een belangrijke gasbron dreigt kwijt te raken, kon die hoop wel eens de bodem in worden geslagen.
Er is nog altijd de mogelijkheid dat er een groot nieuw veld wordt ontdekt
We moeten de olie-industrie op de Noordzee echter niet te vroeg afschrijven, want daarmee gaan we voorbij aan de inventiviteit van de mensen die er al in zijn geslaagd de levensduur van het gebied te verlengen tot een periode die in 1970 onvoorstelbaar had geleken. Er worden nieuwe technieken ontwikkeld om olie te winnen op de meest ontoegankelijke plekken, evenals innovatieve manieren om gebieden te onderzoeken die voorheen aan de aandacht waren ontsnapt.
En dan is er nog altijd de mogelijkheid dat er een groot nieuw veld wordt ontdekt. Vijf jaar geleden ontdekte Lundin, een onafhankelijke en niet al te grote olie-onderzoeker, een reusachtig nieuw olieveld in het Noorse deel van de Noordzee – het Johan Sverdrup-olieveld. Het Noorse staatsoliebedrijf, Statoil, dat het olieveld nu ontgint, zegt te geloven dat er 3 miljard vaten olie kunnen zitten.
Voor de mensen in de offshore-industrie nemen dergelijke abstracte voorspellingen zeer concrete vormen aan. ‘Werknemers van halverwege de twintig hebben waarschijnlijk nog voldoende tijd om hun hypotheek af te lossen,’ zegt Mal Hunter, de 62-jarige installatiemanager van Kittiwake, terwijl we buiten zijn werkkamer het gestommel en geroezemoes horen van een ploeg die van het platform naar binnen komt. ‘Maar de generatie na hen? Die kan misschien maar beter op zoek gaan naar ander werk.’
Auteur: Kiran Stacey
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Financial Times
Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 448.000
Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

