mijn vader de verrader


Als kind merkte Manuela Polaszczyk dat er vreemde dingen om haar heen gebeurden. Vrienden die wilden vluchten werden bijvoorbeeld kort nadat ze thuis over hen had verteld gearresteerd. Dertien jaar geleden kwam ze erachter dat ze al die tijd het hulpje was van een Stasi-spion: haar vader.

» Hier leest u dit verhaal op Blendle

Drie jaar geleden heeft Manuela Polaszczyk haar moeder voor het laatst gezien, in Cottbus, op een verjaardagsfeestje. Moeder en dochter zaten aan dezelfde tafel, twee plaatsen bij elkaar vandaan. Ze hebben elkaar begroet, en aan het eind van de avond gedag gezegd. Tot een gesprek is het niet gekomen. Al 51 jaar niet. Manuela Polaszczyk weet tot op de dag van vandaag niet waarom haar moeder het contact met haar heeft verbroken. De broers en zusters zeggen: Mama heeft een slecht geweten. Omdat haar nieuwe man Manuela niet wilde. Omdat ze Manuela op haar tweede aan haar vader heeft overgelaten. Omdat zij, de moeder, van papa’s baan bij de Stasi afwist. De moeder zwijgt, al 51 jaar.

Aan haar vader kan Manuela Polaszczyk het niet meer vragen. Hij ligt begraven in Rheinzabern, een stad bij Karlsruhe. Bij de begrafenis in 2002 heeft de dochter gehuild. Ze wist niet dat hij haar bespioneerd en verraden had. ‘Hij was mijn beschermer, mijn held,’ zegt ze, ‘de enige mens die ik blind vertrouwd heb.’ Nu gaat ze nog maar één keer per jaar naar het graf, om te kijken of er aarde bijgevuld moet worden. Sinds 2006, het jaar dat ze inzage kreeg in haar Stasi-dossier, rouwt ze niet meer om Manfred Polaszczyk, haar vader.

Oorvijg

Manuela Polaszczyk heeft haar moeder vele brieven geschreven. ‘Ik wil het alleen maar begrijpen’, schreef ze. Begrijpen hoe een vader zijn eigen dochter kan verraden. Ze kreeg geen antwoord. Bij het verjaardagsfeestje in Cottbus zei de moeder ‘Tot ziens’, en nog een standje toe: ‘Je had ook wel eens kunnen lachen!’

Ooit, legt Manuela Polaszczyk uit, had ze een baantje in een hotel in Sindelfingen, dat na de proeftijd stopte. De personeelschef had gezegd dat ze nooit lachte. Kamermeisjes moesten ook wel eens glimlachen. Na het verjaardagsfeestje reed Manuela Polaszczyk terug naar Rülzheim, Rheinland-Pfalz, waar ze nu woont. Ze huilde. Waarom was haar moeder van haar vader gescheiden toen ze twee jaar oud was? Waarom moest ze als enige van de vier kinderen bij de vader opgroeien? Wat wist de moeder over de vader?

‘Ik ben verbaasd dat ik zo’n verzoek krijg’, schreef ze in haar eerste e-mailtje. Hoezo zou iemand zich interesseren voor haar verhaal?

De vrouw aan de telefoon waarschuwt haar: “Ik raad u aan om onze post pas na de kerst te openen”

Ze doet de voordeur van haar woning open. Flocke, de Yorkshire-terriër, blaft. Twee jaar geleden heeft ze de hond genomen. Zo heeft ze een reden om haar woning te verlaten. Op de tafel in de woonkamer brandt een kaars. Manuela Polaszczyk serveert mineraalwater en koffie. Dan vertelt ze over haar leven. Een leven in twee Duitse staten.

Haar gelaatstrekken lijken bevroren. Gevoelens laat ze niet zien. Het tonen van je gevoel, zo heeft ze in de DDR geleerd, ‘wordt alleen maar als zwakte gezien’. Haar stem klinkt monotoon. Alleen als ze met Flocke praat, krijgt haar stem een warmere klank.

Binnenkort is het kerst. Ze heeft een hekel aan de feestdagen. Dertien jaar geleden, op de avond voor kerst, lag er een pakket in de brievenbus uit het Stasi-archief in Frankfurt aan de Oder. Een medewerkster had haar aan de telefoon gewaarschuwd. Men had het dossier gevonden, de kopieën gingen op de post, zei de vrouw, en nog iets: ‘Ik raad u aan onze post pas na de kerstdagen te openen.’

Manuela Polaszczyk scheurt het pakje open en begint te lezen. Ze gaat door de grond. Ze zit alleen in de woonkamer, ze heeft op dat moment geen partner en ze heeft ook geen kinderen. Alleen buren die boodschappen voor haar doen en haar was ophangen sinds ze weten dat ze multiple sclerose heeft en bewegen veel pijn doet. Maar die pijn is niks vergeleken bij wat ze voelt als ze het dossier leest. Sinds haar twaalfde jaar wordt een Stasi-dossier over haar bijgehouden. En degene die haar bespioneerd en verraden heeft, is haar vader. Manfred Polaszczyk heeft alles wat zijn dochter hem heeft verteld, doorgebriefd aan de Stasi-officieren. Ze had veel vrienden die de DDR wilden ontvluchten, die zich niet wilden aanpassen aan het socialistische regime. Dat interesseerde de Stasi. Voor het verraden van zijn dochter kreeg de vader geld. Een rijtjeshuis. Tussen de akten liggen rekeningen: nu eens kreeg hij 50 DDR-mark, dan weer 100. ‘Mijn vader,’ zegt Manuela, ‘heeft me aan de Stasi verkocht.’

Kerstavond, dertien jaar geleden. Manuela Polaszczyk probeert de pijn met alcohol te verdoven. Het kerstdiner bij haar buurvrouw zegt ze af.

Ze heeft maar een paar foto’s waarop zij samen met haar vader te zien is. Op een daarvan is ze 21 of 22 jaar oud, en slaat haar vader op oudejaarsavond een arm om haar heen. Ze zwijgt wanneer ze de foto nu bekijkt. Op een andere, ongeveer twee jaar later genomen, vlijt ze zich tegen haar vader aan op een witte fauteuil in haar eerste woning. Hij legt zijn hoofd op haar schouder. ‘Deze man,’ zegt Manuela, ‘heeft het vertrouwen dat ik in de mensen had, kapot gemaakt.’ Destijds, op kerstavond en de dagen daarna, las ze dat ze ook door haar stiefmoeder bespioneerd werd. Haar vader was in 1971 met haar getrouwd. Hij trok met de zevenjarige Manuela bij haar in op een boerderij bij Cottbus. Woord voor woord heeft de stiefmoeder doorgegeven wat Manuela met vrienden aan de telefoon besprak.

‘Al die jaren was ze meer moeder dan mijn eigen moeder,’ zegt Manuela. ‘Ze heeft me te eten gegeven, me in haar armen genomen en ze kwam ertussen als mijn vader me sloeg.’

Manuela en haar vader. Ze noemt hun relatie in vroeger tijden ‘symbiotisch’. – © Privat / Bert Bostelmann
Manuela en haar vader. Ze noemt hun relatie in vroeger tijden ‘symbiotisch’. – © Privat / Bert Bostelmann

Manuela heeft wel gemerkt dat er iets niet klopte. Ze vroeg zich af waarom ze door de Stasi verhoord werd. Waarom vrienden die wilden vluchten, gearresteerd werden kort nadat ze haar vader of haar stiefmoeder over deze vrienden verteld had. Haar vrienden vonden het indertijd cool dat haar vader met ze naar de kroeg ging. Nu weet zij dat hij over deze avonden berichten schreef en naar zijn leidinggevende stuurde. Een van haar bekenden kwam in de gevangenis bij Bautzen terecht, vlak nadat zij met haar vader over hem gesproken sprak. Ze weet niet of haar vader die informatie aan de Stasi heeft doorgegeven. Maar ze weet wel dat die bekende zich in zijn cel heeft opgehangen.

Manuela Polaszczyk staat op, vertrekt haar gezicht, haar rechterbeen doet pijn. Ze werd gek van de vragen waarop ze geen antwoord kreeg. Tot een bekende haar adviseerde: schrijf alles op. Drie autobiografische boeken heeft ze geschreven; ze zijn door een kleine uitgeverij gepubliceerd. Ze haalt ze van de boekenplank in de woonkamer. Dan warmt ze de pompoensoep op die haar vriend heeft gemaakt. ‘Ik heb u gewaarschuwd,’ roept ze uit de keuken, ‘dat u veel tijd met me door moest brengen.’

De betrekkingen tussen dochter en vader waren symbiotisch, maar Manuela gebruikt een ander woord: ‘Ik was de noodhulp voor mijn vader. Ik wou dat alles goed was.’ Als haar vader een slechte bui had, kreeg ze slaag. Als hij uit wilde huilen, was ze zijn vriendin. Had hij een schouderklopje nodig, dan nam ze hem in de armen.

Manuela vindt het vreemd dat ze op school altijd een punt minder krijgt dan degene die naast haar zit en van haar afkijkt

Haar vader was een onofficieel medewerker (IM), met de naam ‘Paul’.

Het ministerie voor Staatsveiligheid bestond uit de geheime politie, de rijksrecherche en Inlichtingendienst Buitenland. Het beschikte over eigen gevangenissen en wapens. Wie afweek, de SED afwees [Sozialistische Einheitspartei Deutschlands, de voormalige regeringspartij van de Duitse Democratische Republiek], de DDR wilde verlaten, was een ‘staatsvijand’. Ongeveer 91.000 mensen werkten voltijds voor de staatsveiligheid, ongeveer 180.000 mensen als onofficieel medewerker. Een van hen was ‘Paul’.

In de dagen en weken na ontvangst van haar dossier spreekt Manuela met haar drie broer en zussen. Die willen niets meer weten van de DDR. Ze belt haar moeder op, en haar stiefmoeder. Beiden zijn afwerend. Eén keer rijdt ze naar Calau bij Cottbus, belt aan bij de boerderij waar ze met haar vader en stiefmoeder gewoond heeft. De stiefmoeder jaagt haar weg. Manuela Polaszczyk klampte zich indertijd vast aan de enige hoop die ze had: dat haar vader gedwongen werd om voor de Stasi te werken. Vier jaar lang koesterde ze die. Tot ze in 2010 toestemming krijgt om de akten van haar vader in te zien. ‘Niemand heeft hem gedwongen. Mijn vader heeft zich vrijwillig aan de Stasi verbonden,’ vertelt ze. Hij heeft zijn eigen dochter, vrienden, buren uitgehoord, seminars bezocht over ondermijningsmaatregelen. Als hij nog zou leven, zegt Polaszczyk, ‘zou ik hem in zijn eigen stront laten verrekken’.

Ze haatte de DDR, was er ook niet geboren. Ze was een half jaar oud toen haar moeder haar vader van Sindelfingen naar Cottbus volgde, waar hij een goede baan had gevonden. Na twee jaar liep het huwelijk stuk en werden de broers en zussen van elkaar gescheiden. Manuela bleef bij haar vader. Omdat haar moeder het wilde.

Manuela en haar vader woonden nog een poosje in hetzelfde huurhuis als de moeder en haar broer en zusjes, in de Schillerstrasse in Cottbus, boven op zolder. Ze sliep met haar vader in hetzelfde bed. Als hij een vriendin mee naar huis bracht, moest ze op een matras voor de deur slapen. Indertijd dacht ze: dat hoort zo, dat is normaal. ‘Ik wist dat mijn moeder me niet wilde,’ zegt ze, ‘dus was er alleen mijn vader. Hij was mijn houvast.’

Haar vader bood zich aan bij het ministerie voor Staatsveiligheid. Overdag werkte hij in het Mitropa-restaurant of als bode voor de burgemeester van Calau. Soms haalde hij zijn dochter op om tussen de middag met haar te eten. Terug in haar zolderwoning keek ze uit het raam, en als ze haar broer en zusjes op de binnenplaats zag spelen, rende ze verheugd naar beneden. Tot haar moeder haar weer wegjoeg.

Vervolgens trouwt haar vader met de stiefmoeder. Manuela gaat naar school en vindt het vreemd dat ze altijd een punt minder krijgt dan degene die naast haar zit, en bovendien van haar afkijkt. Het verwondert haar ook dat ze uit de klas wordt gehaald en in de Stasi-centrale van Calau wordt verhoord. Wat willen die lui? Hoe weten ze wie ze gesproken heeft? Ze mag niet naar het voortgezet onderwijs, ze doet een opleiding tot textielarbeidster, leert dekzeilen voor vrachtwagens aan elkaar naaien. Nadat haar vader de stiefmoeder voor de zoveelste keer verlaten heeft, betrekken ze samen een rijtjeshuis. Zo’n huis krijgen alleen verdienstelijke Stasimedewerkers, maar de dochter heeft geen argwaan.

Archiefgebouw van de voormalige Oost-Duitse politie.
Archiefgebouw van de voormalige Oost-Duitse politie.

Februari 1984. Haar vader krijgt een uitreisverlof voor vier dagen om verwanten in West-Duitsland te bezoeken. Hij komt niet terug. Zijn dochter, 18 jaar, is haar held, haar houvast kwijt. Samen met een vriendin besluit ze te vluchten. Ze reizen naar de Oostzee, naar Warnemünde. Manuela wil naar haar vader. Op 23 juli 1984, in de ochtendschemering op het strand van Boltenhagen, gaan ze de zee in en zwemmen weg. Ze willen naar de Lübecker Bucht. Maar een patrouilleboot van de DDR zet koers in hun richting. Ze maken rechtsomkeert en gaan in de strandstoelen liggen, gedragen zich als toeristen die per ongeluk de verkeerde kant op zwommen. De grenssoldaten geloven hen niet. Ze worden gearresteerd. Een paar maanden later volgt het vonnis: twee jaar en vier maanden in de vrouwengevangenis Hoheneck bij Chemnitz. Bijna negen maanden zit Manuela vast tussen moordenaressen, republiekontvluchters en dievegges. Het is er zo vol dat ze tot op heden geen grote mensenmassa’s verdraagt. Wie protesteert, zoals zij indertijd, wordt in een cel geplaatst die met ijskoud water wordt gevuld. Er zijn momenten waarop ze denkt dat de dood een verlossing zou zijn. Maar dan denkt ze aan haar vader, en hoopt dat hij haar eruit haalt.

Van de bewaaksters hoort ze dat hij haar een brief heeft geschreven. Ze mag die pas lezen als ze zich ‘beter gedraagt’. De bewaakster drukt haar een lepel in de hand, waarmee ze boenwas van de vloer moet schrapen. Haar eenentwintigste verjaardag brengt ze in de gevangenis door.

In haar Stasidossier vond Polaszczyk dertien jaar geleden ook een brief die ze indertijd aan haar stiefmoeder heeft geschreven. De stiefmoeder heeft hem nooit ontvangen. ‘Vandaag, woensdag, hebben ze me gezegd dat ik de brief van mijn vader niet krijg. Na bijna een jaar schrijft mijn vader me een paar regels, die ik niet eens mag lezen. De enige mens die ik op deze klotewereld heb. Zo’n onrecht is niet te verdragen. Ik moet de gevangenis in, alleen maar omdat ik bij mijn vader wil wonen. Hebben die mensen hier eigenlijk wel menselijke gevoelens?’

In de Stasi-akten ligt ook de brief van haar vader, die de bewaaksters haar onthouden hebben. ‘Schat’, schrijft hij op 10 april 1984, ‘ik ben ook alleen, zonder jou voel ik me heel verlaten.’

Ze kon niet vatten dat zoiets bestond: huizen die niet grijs zijn

Manuela Polaszczyk krabt Flocke in haar nek; de hond is ingedommeld. Geluk is altijd maar een ogenblik, zegt ze. Een ogenblik dat haar gelukkig maakte, was er op 11 september 1985. Ze zat in een bus die haar naar het centrale opvangkamp voor DDR-vluchtelingen in Giessen zou brengen. Ze had net negen maanden vrouwengevangenis achter de rug. Ze was 21 jaar, keek vanuit de bus naar buiten, zag bontgekleurde huizen en kon niet vatten dat zoiets bestond: huizen die niet grijs zijn. De buschauffeur riep: Nu mogen jullie allemaal schreeuwen, jullie zijn in de Bondsrepubliek. Iedereen schreeuwde.

Daarna passeerde de bus met de passagiers die door West-Duitsland waren vrijgekocht de slagboom. ‘Dat was het beste ogenblik van mijn leven,’ zegt Manuela. ‘Beter zal het niet worden.’

’s Avonds komt de bus aan in Giessen, ze kust de West-Duitse bodem. Ze zou graag haar vader op willen bellen zodat hij haar op kan komen halen, maar het nummer klopt niet. Ze belt met een oom die belooft dat hij er achteraan gaat. Ze blijft de halve nacht wakker om het telefoontje van haar vader niet te missen. De volgende dag, even voor elf uur, klopt hij op haar schouder. Vader en dochter vallen elkaar in de armen. Manuela is niet bang meer. ‘Ik was toch bij mijn vader?’

Het bonte West-Duitsland vliegt langs de autoruiten voorbij. Haar vader wil weten hoe de uitreis was, hoe ze de tijd in de gevangenis heeft overleefd. Hij zegt haar dat er nu niks meer kan gebeuren. De dochter heeft maar één wens: ze zou graag een uur lang in een bad liggen.

Haar vader zegt dat hij alleen een douche heeft.

Vergif

Kort voor zijn dood zaten ze samen in zijn keuken, Manfred Polaszczyk en zijn dochter. Zij wilde antwoorden, zegt ze nu, in de woonkamer in Rülzheim, tussen alle porseleinen engelen die haar moeten beschermen. Papa, waarom heb je me geslagen? Waarom wil mijn moeder tot op vandaag niets van me weten? Maar de vader doet het onderwerp af met: ‘Ik heb je nooit iets aangedaan, ik ben altijd goed voor je geweest.’

Als de muur valt, wordt ze door een kennis gebeld. Ze krijgt opdracht de tv aan te zetten. Manuela is op weg naar haar werk als kamermeisje in een hotel in de Pfalz. Op tv ziet ze mensen die van de DDR naar West-Duitsland wandelen. Ze denkt: Ze hadden de boel vijf jaar eerder open moeten zetten, dan was mij een hoop bespaard gebleven.

De ordners met akten die Polaszczyk voor ons gesprek uit de kelder heeft gehaald, moeten nog diezelfde dag terug naar beneden. Ze wil die duizend bladzijden niet in de woonkamer hebben. Het is vergif. Dat terugblikken doet haar geen goed. Ze wil graag vooruit kijken. Ze is toch pas 55 jaar.

Er zijn ook lichtere momenten. Manuela Polaszczyk heeft een vriend die weet dat ze van pompoensoep houdt en die alles uit zijn handen laat vallen wanneer ze even niet van zich laat horen. En sinds kort heeft ze een nieuwe hobby. Tweemaal per maand ontmoet ze andere MS-patiënten in de indoor klimhal in Landau. Ze haalt haar mobieltje tevoorschijn en laat een video zien. Daar is ze op twintig meter hoogte en klimt langs een steile wand omhoog. Met de kracht van haar armen redt ze het tot helemaal bovenaan. Een ‘jonge kerel’ zekert haar vanaf de grond. Ze vertrouwt hem.

Auteur: Thorsten Schmitz
Vertaler: Piet Meeuse

Openingsbeeld: De archieven van de Stasi. – © Getty

Süddeutsche Zeitung Magazin
Duitsland | Weekblad | oplage 494.544

Het vrijdagsupplement van de SZ, en daarmee een van de grootste tijdschriften van Duitsland, samen met dat van Die Zeit. Veel interviews en veel (populaire) cultuur.


Deel dit artikel


Recent verschenen