Het onlangs gelanceerde Georgetown Memory Project wil afstammelingen van slaven die in 1838 door de Universiteit van Georgetown werden verkocht, opsporen en vergoeden. Daarmee is de discussie of nazaten van slaven een financiële genoegdoening moeten krijgen weer aangezwengeld.
Keuze uit het archief
Het kabinet wil excuses aanbieden voor het slavernijverleden, maar dat blijkt zo simpel nog niet. En wat volgt er na excuses? Herstelbetalingen? In de VS werd hier al eerder een discussie over gevoerd, toen de Universiteit van Georgetown nazaten van op de universiteit verkochte slaven wilde compenseren. Twee standpunten belicht, een in The New York Times, de ander in The Guardian.
JA
Om tal van redenen heeft de beweging die schadeloosstelling eist voor de afstammelingen van Afro-Amerikaanse slaven zich niet als een olievlek uitgebreid. Voor de meeste Amerikanen staat slavernij symbool voor een ver verleden dat niets met de huidige tijd te maken heeft. Bankiers, kooplieden en industriëlen hebben allemaal van de slavenhandel geprofiteerd, evenals rederijen die voor de aanvoer van zwarte werkkrachten zorgden. En meer dan tien Amerikaanse universiteiten hebben inmiddels erkend banden met de slavernij te hebben gehad.
In het schrijnende geval van de Universiteit van Georgetown zijn ontkenningen simpelweg onmogelijk. In 1838 verkochten jezuïeten 272 Afro-Amerikaanse mannen, vrouwen en kinderen aan de hel van de suikerplantages in het zuiden om de oprichting van hun universiteit te financieren. Dankzij deze verkoop kon een van de meest prestigieuze katholieke universiteiten van het land ontstaan.
Degenen die naar de jezuïetenplantages in Maryland en naar New Orleans werden gestuurd zijn met naam en toenaam bekend. Het feit dat sommige van hun afstammelingen inmiddels ook bekend zijn is een argument te meer om zich over een van de ernstigste misdaden tegen de menselijkheid te buigen.
Georgetown heeft de morele plicht om het aangedane onrecht goed te maken
Georgetown heeft de morele plicht om het aangedane onrecht goed te maken en beurzen in het leven te roepen voor de afstammelingen van degenen die werden verkocht om de oprichting van de universiteit mogelijk te maken. In Georgetown waren slavernij en financiën verbonden. De universiteit was voor haar financiering aangewezen op haar plantages. Toen ze in de problemen kwam, werd ze voor de ondergang behoed door de verkoop van Afro-Amerikaanse mannen, vrouwen en kinderen. De zwarte families van Georgetown zouden waarschijnlijk vergeten zijn als de jezuïeten hun namen niet hadden geregistreerd.
Het Georgetown Memory Project is naar hun afstammelingen op zoek gegaan. Van de 272 slaven van toen zouden momenteel tussen de twaalf- en vijftienduizend afstammelingen in leven zijn. Na studentenprotesten heeft de universiteit de twee campusgebouwen die de naam van de twee organisatoren van de verkoop droegen omgedoopt. Tegelijkertijd doet een werkgroep onderzoek naar de mogelijkheden die de universiteit heeft om dit verleden te erkennen, maar ook om het onrecht goed te maken.
Volgens Richard Cellini, betrokken bij de oprichting van het Memory Project, barstten sommige afstammelingen in tranen uit toen ze hun familiegeschiedenis vernamen. Geen van de mensen met wie hij sprak had ooit ook maar een cent schadeloosstelling ontvangen. De afstammelingen willen dat hun voorouders blijvend herinnerd worden.

NEE
Als de geschiedenis van de dertienjarige Cornelius Hawkins, die samen met 271 andere zwarte slaven door de universiteit van Georgetown werd verkocht, ons zo fascineert, dan is het omdat het zo kortgeleden lijkt. Initiatieven als het Georgetown Memory Project, dat de afstammelingen van deze slaven wil terugvinden, tonen aan dat instellingen die momenteel bloeien zich vroeger aan onmenselijke praktijken hebben schuldig gemaakt. Praktijken waar het nageslacht de gevolgen nog van ondervindt.
Toch moeten we ons afvragen of dit soort projecten de aangewezen weg is. Hoewel de universiteit onder andere van plan is de afstammelingen van de slaven vrij te stellen van collegegeld, zal niets ooit opwegen tegen de schade die is aangericht. De wat gemakkelijke morele redenering dat de zwarte afstammelingen van de slaven recht hebben op genoegdoening wordt tegengesproken door een ingewikkelder vraag: hebben de afstammelingen van miljoenen andere verkochte slaven dan niet recht op eenzelfde genoegdoening?
Het heeft onmiskenbaar iets poëtisch om de afstammelingen van deze slaven op te sporen en hun gratis toegang tot de universiteit te bieden. Maar hoewel wij geneigd zijn ons voortdurend persoonlijk verantwoordelijk te voelen voor onze geschiedenis en het ‘raciale kapitalisme’, komen we daarbij dikwijls bedrogen uit.
De schuld jegens de Afro-Amerikanen hangt niet samen met een specifieke gebeurtenis
De schuld jegens de Afro-Amerikanen hangt niet samen met een specifieke gebeurtenis. Het notoire ontbreken van gedetailleerde informatie over de onderwerping van zwarten droeg zelfs bij aan de blanke suprematie. Namen werden vaak veranderd, familiebanden verbroken. De registers waar de namen van de slaven en hun kopers werden vastgelegd zijn nooit voldoende bijgehouden om er betrouwbare conclusies uit te trekken.Evenmin hangt de schuld jegens de Afro-Amerikanen samen met de financiële draagkracht van de schuldigen, die in het geval van Georgetown aanzienlijk is. Het feit dat het fortuin dat over de ruggen van de zwarte slaven is verdiend is verspild, witgewassen of verduisterd, maakt de schuld er niet minder op.
Toch verdienen de pogingen van Georgetown om het verleden goed te maken instemming, al was het alleen maar omdat de politiek daar niet in slaagt. Maar de les van het Memory Project is niet dat een achtenswaardige instelling zich vroeger aan een moreel schandaal heeft bezondigd, maar veel meer dat slavernij een alomaanwezig maatschappelijk verschijnsel was, waaraan zelfs humanistische instellingen als jezuïtische universiteiten meededen. Men liet zich leiden door een universele logica. In dat licht moeten de gevolgen worden bezien, en moet deze schuld worden ingelost.

