Eerst zat hij in de cel voor moord, toen studeerde hij af aan een prestigieuze rechtenfaculteit. Nu probeert Bruce Reilly aan de bak te komen als advocaat. Maar zeg eens eerlijk, zou u hem inhuren?
in het kort
• Bruce Reilly pleegde als 19-jarige een moord en werd veroordeeld tot 20 jaar cel, gevolgd door een proeftijd van 25 jaar.
• In 2005 kwam hij voorwaardelijk vrij. Hij doorliep Rhode Island College en studeerde rechten aan de Tulane-universiteit.
• Als jurist maakt hij zich nu hard voor hervorming van het strafrecht. Als activist trekt hij volle zalen, maar echt erkenning krijgen van de elite, met bijbehorende positie in de samenleving, blijft lastig.
September vorig jaar zat een groep academici en activisten bij elkaar op de Princeton-universiteit, om te praten over de grenzen van kunstmatige intelligentie in overheidsbeleid. Een groot deel van de discussie gaat over enkele van de gevoeligste kwesties in het rechtssysteem, zoals de vraag of iemand op borgtocht of met een proeftijd moet worden vrijgelaten. Veel aanwezigen zijn huiverig voor het gebruik van algoritmen om een verblijf in de gevangenis te bepalen – niet in het minst omdat misdaaddata nogal eens een vertekening vertonen op raciaal vlak. Vooral één conferentiedeelnemer is hier sceptisch over.
Zijn naam: Bruce Reilly. Als adjunct-directeur van VOTE, een in New Orleans gevestigde organisatie die opkomt voor voormalige gevangenen, is Reilly een beroemdheid op zijn terrein. Hij fungeerde als klankbord voor de leiding van de onlangs in Florida gevoerde campagne om 1,4 miljoen voormalige gevangenen hun kiesrecht terug te geven en heeft zijn diensten verleend bij vergelijkbare initiatieven in Rhode Island en Louisiana.
Reilly (45) heeft een humoristische uitstraling, een verweerde huid en een jongensachtige stem, en tijdens die bijeenkomst op Princeton draagt hij een donkere blazer – duidelijk niet zijn gebruikelijke uniform. Het is pas halverwege de ochtend, maar zijn overhemd dreigt al boven zijn broekband uit te komen, als hij zich omdraait om iets tegen de Princeton-wetenschapper naast hem te zeggen.
‘Statistisch gezien,’ zegt Reilly tegen haar, ‘is het het veiligst om een moordenaar uit de gevangenis vrij te laten.’ De academicus, Madelyn Sanfilippo, trekt een ongelovig gezicht.
‘Jij lijkt me iemand die statistieken belangrijk vindt,’ gaat Reilly verder, en hij zet uiteen dat mensen die voor minder ernstige misdaden zijn veroordeeld, vaak de gevangenis in- en uitgaan, terwijl iemand die een lange veroordeling uitzit voor moord, het criminele pad meestal achter zich heeft gelaten wanneer hij wordt vrijgelaten.
‘Dat klinkt logisch,’ zegt Sanfilippo, die nu duidelijk meer voor zijn bewering begint te voelen.
Ze zitten nog een paar minuten geanimeerd te praten. Als ze uitgepraat zijn, draait Reilly zich om en fluistert in mijn oor: ‘Ze moest eens weten.’
Zonder voorbedachten rade
In september 1992 pikt Charles Russell, leraar aan een middelbare school in Rhode Island, langs de snelweg een negentienjarige lifter op. De twee belanden bij Russell thuis, waar ze urenlang marihuana roken en over boeken praten.
Ongeveer een week later komt de lifter nog eens langs. Weer zitten de twee mannen te praten en te roken. Maar wanneer Russell hem oraal begint te bevredigen, slaan bij de jongeman de stoppen door. Hij pakt een mes en steekt Russell in zijn nek. Russell probeert zich te verdedigen met een pook, maar de jongen wringt die uit zijn hand en slaat hem ermee tot hij niet meer beweegt. Terwijl de jongeman zich aankleedt, komt Russell alsnog overeind, grijpt een beeldje en haalt uit. De jongen pakt hem het beeldje af en geeft hem nog een aantal klappen, zo hard dat Russells schedel breekt en hij sterft.
Een jaar later arresteert de politie Bruce Reilly na een tip. Hij bekent dat hij die avond op tilt is geslagen tijdens de seksuele ontmoeting en dat het gevecht uit de hand liep toen Russell ging terugvechten.
‘Ik reageerde, ik had allerlei dingen in me opgekropt,’ zegt Reilly nu. Om aan een levenslange gevangenisstraf te ontkomen, bekent hij schuld aan moord zonder voorbedachten rade. Een rechter veroordeelt hem tot 20 jaar cel, gevolgd door een proeftijd van 25 jaar.
Reilly is dé test voor de bereidwilligheid van de VS om ex-gedetineerden te laten re-integreren
Veel schoolvrienden van Reilly waren geschokt toen ze dit hoorden, al waren ze ook weer niet echt verbaasd. Hij was altijd vroegrijp geweest en zijn gezinssituatie was een puinhoop: zijn moeder ging psychiatrische instelling in, psychiatrische instelling uit en hij had als jong kind jarenlang in pleeggezinnen gewoond. Als tiener had hij in drugs gehandeld en kentekenplaten gestolen. Hij werd toegelaten tot de universiteit, maar was te laat met het invullen van de benodigde papieren om in aanmerking te komen voor een studiebeurs. Hij viel voortdurend van het ene uitzichtloze baantje en miserabele appartementje in het andere, tot hij op een avond terechtkwam in het huis van de man die hij zou vermoorden.
In de gevangenis werd Reilly een soort asceet. Hij zat elke dag urenlang te lezen of te schrijven en keek zo weinig mogelijk televisie. Hij bouwde een kleine kring op van vrienden die hem zagen als iemand met een speciaal inzicht in het overleven van gevangenschap. Zij ontwikkelden de gewoonte om essays over een bepaald onderwerp te schrijven, bijvoorbeeld over de vraag of democratie de beste regeringsvorm is, en die vervolgens aan elkaar voor te leggen.
Als ze over hervormingen in het gevangenissysteem discussieerden, waren hun ideeën een mengeling van oudtestamentisch en modern recht. Ze raakten ervan overtuigd dat hun zware straf de kern van hun rehabilitatie was. ‘Je moet kapot zijn,’ zegt Greg Tovmasian, een lid van deze groep. ‘Je moet volkomen eerlijk tegenover jezelf zijn over de reden waarom je daar zit. Als je voortdurend aan de telefoon zit, met mensen buiten praat, is je hoofd nog steeds in de maatschappij.’ Op die manier zou er, zo geloofden zij, voor iemand die zijn straf had uitgediend en erdoorheen was gekomen, niet langer reden zijn om hem opgesloten te houden.
Vaak was Reilly de nuttigste juridisch adviseur die zijn medegevangenen ooit hadden geraadpleegd. Hij zat honderden uren in de gevangenisbibliotheek jurisprudentie te bestuderen en schreef duizenden verzoekschriften en pleitnota’s. Dankzij zijn hulp wisten minstens twee medegevangenen hun veroordeling met een aantal jaren verkort te krijgen. ‘Het was voor mensen net een soort tovenarij,’ zegt zijn vriend Steven Parkhurst, die nog steeds in de gevangenis zit.
In 2005 kwam Reilly voorwaardelijk vrij. Hij schreef zich in bij Rhode Island College, nam een paar slechtbetaalde baantjes aan en werd actief in een plaatselijke burgerrechtengroep, die nu bekendstaat als OpenDoors. De organisatie voerde campagne voor een volksraadpleging over de vraag of veroordeelden na hun vrijlating hun kiesrecht terug moesten krijgen. Reilly werkte uiteindelijk als strateeg en vrijwillig coördinator voor deze succesvolle campagne.
Om zijn werk voor de voormalige gevangenen te kunnen voortzetten, probeerde Reilly zich bij zo’n twintig rechtenfaculteiten aan te melden. Bij de standaardtoelatingstest hoorde hij qua score bij de beste 7 procent, maar hij had geen bachelordiploma en er was uiteindelijk maar één universiteit die hem wilde toelaten. In het najaar van 2011 arriveerde Reilly op de campus van de Tulane-universiteit en hij stortte zich vrijwel meteen op de kwestie die hem nog steeds bezighoudt.
De politieke houding tegenover de vraag of voormalig veroordeelden terug moeten keren in de gewone maatschappij, is de afgelopen tien jaar sneller veranderd dan ooit in de moderne geschiedenis. Eind vorig jaar tekende president Trump een belangrijke wet om de gevangenisstraffen voor een aantal misdaden te verlagen, met steun van een brede coalitie, uiteenlopend van de American Civil Liberties Union tot de gebroeders Koch. Veel steden en staten hebben ‘Ban the Box’-wetten ingevoerd, die werkgevers verbieden op een sollicitatieformulier naar iemands criminele verleden te vragen. In Florida, waar Reilly adviseur van de campagne was, werd het wetsvoorstel met een tweederdemeerderheid aangenomen.
Meestal ging het bij deze recente successen echter over veroordeelden die geen geweld hadden gebruikt. Maar hoe staat het met de rehabilitatie van mensen die een gewelddaad hebben gepleegd? ‘Als cultuur moeten wij nog leren omgaan met de kwestie van vergeving voor iemand die een misdaad heeft begaan die we allemaal afschuwelijk vinden,’ zegt Reilly. ‘Die drugsgebruiker, tja, die hoort niet eens in de gevangenis thuis. De moeilijke vragen gaan over re-integratie van de mensen voor wie het strafrechtsysteem oorspronkelijk was bedoeld.’ Mensen zoals hij.
Ik volg zijn carrière nu sinds 2013 en in die tijd ben ik Reilly, die door justitie ooit een manipulatief ‘roofdier’ is genoemd, gaan zien als de grootste test voor de bereidwilligheid van Amerika om ex-gedetineerden te laten re-integreren. Reilly maakt de strijd voor dat doel tot zijn levenswerk, maar is zelf het levende bewijs van de beperkingen daarvan. Dat komt enerzijds doordat zijn misdaad zo zwaar was en anderzijds doordat hij het niet genoeg vindt om alleen huisvesting en een baan te krijgen. Hij verlangt naar vertrouwen en erkenning bij de elite, in de vorm van diploma’s en functies in de universitaire wereld, en hij wil werken aan belangrijke juridische vraagstukken.
Afgelopen zomer was ik met Reilly op een conferentie voor rechtswetenschappers in New Orleans. Hij was uitgenodigd om zitting te nemen in een panel over eenzame opsluiting. De organisatie achter deze conferentie wordt gefinancierd door miljardair George Soros en is een van de grootste financiële steunpilaren van de hervorming van het strafrecht. Terwijl hij zijn naamplaatje van een tafel oppakte, wierp Reilly een blik op de andere namen en hij begon op te noemen wie daarvan verschillende fellowships, beurzen en prijzen hadden ontvangen. ‘Ik heb daar ook allemaal naar meegedongen, en er niet een gekregen,’ zei hij. En vervolgens verwees hij met enige trots naar zijn werk in Louisiana en Rhode Island: ‘Maar kennelijk heb je geen fellowship nodig om kiesrecht voor elkaar te krijgen.’
Niet in onze achtertuin
Toen Reilly in 2011 aan de rechtenfaculteit van Tulane begon, trok hij aanvankelijk op met studenten die geïnteresseerd waren in burgerrechten en zich niet druk maakten om zijn verleden. ‘Hij vertelde me meteen dat hij veroordeeld was geweest voor moord,’ vertelt klasgenoot Allyson Page. ‘Ik dacht: oké. Het was niet iets wat je verwachtte, maar het maakte me niet zoveel uit.’
Binnen een paar weken begon een andere student het verhaal van Reilly’s veroordeling op de campus rond te bazuinen. Sommige klasgenoten klaagden dat zijn aanwezigheid hun veiligheid in het geding zou brengen en het voor hen moeilijker zou maken om later een baan te vinden. Het verhaal – ex-moordenaar op exclusieve rechtenfaculteit! – werd opgepikt door de populaire juridische blog Above the Law. Een anonieme student vroeg zich af of Reilly, ‘wanneer hij in een van de stressvolste omgevingen van de Verenigde Staten wordt geplaatst, opnieuw zijn kantelpunt bereikt en zijn gewelddadige verleden weer bovenkomt’. Een ander kwam met een soort NIMBY-isme [acroniem van Not In My Back Yard]: ‘Ik vind ook dat ex-gedetineerden een tweede kans moeten krijgen. Maar waarom op Tulane? Zijn wij soms de universiteit voor moordenaars?’
Tv-ploegen verschenen in de buurt van Reilly’s huis. Een redacteur van Dr. Phil belde Reilly op zijn mobiele telefoon; een verslaggever van Inside Edition ging posten voor zijn appartement. In het openbaar reageerde rector David Meyer principieel; het toelatingsbeleid van Tulane ‘biedt de mogelijkheid tot vergeving, zelfs in uitzonderlijk tragische en problematische omstandigheden’, zei hij tegen Above the Law. Maar privé bleek Meyer even panisch als vele anderen. Susan Krinsky, het toenmalige hoofd van het toelatingsbureau, vertelde in een interview dat Meyer tegen haar had gezegd: ‘Je hebt deze hele gemeenschap in gevaar gebracht.’ (Krinsky vertrok ongeveer een jaar later bij Tulane en Meyer weigert commentaar te geven.)
Reilly was bang dat Tulane zijn toelating zou terugdraaien en hield zich aanvankelijk gedeisd. Maar al snel begreep hij dat hij moest zorgen dat zijn studiegenoten hun informatie niet langer uit de tweede hand kregen, van internet. En hij ging zijn best doen om zijn medestudenten er stuk voor stuk van te overtuigen dat hij erbij hoorde. ‘Bruce ging met iedereen om, hij was bevriend met mensen die conservatief waren, met mensen die liberaal waren,’ vertelt Tony Viviani, een goede vriend van hem uit die tijd. ‘Een van de meest uitgesproken conservatieve types was een student uit Alabama. Met hem praatte hij over football.’
Toen ik twee jaar later in New Orleans moest zijn om een lezing te houden, maakte ik een afspraak met Reilly om samen een kop koffie te gaan drinken. Ik was gefascineerd door de vraag hoe iemand in twee totaal verschillende werelden kon leven, één wereld die ik kende en een die ik me niet kon voorstellen. Maar naarmate de afspraak dichterbij kwam, begon ik ertegen op te zien. Ik had een dochter, een vrouw. Was het wel zo’n goed idee om met een moordenaar te gaan praten? Toen we elkaar dan toch ontmoetten, zaten we bijna een uur te praten over schrijven en het vaderschap. (Reilly heeft een dochter in Rhode Island.) Hij bleek bescheiden en bedachtzaam, en ik schaamde me voor de vage scenario’s die ik in mijn hoofd had gevormd.
Toch vind ik het soms nog steeds lastig om het beeld van zijn misdaad uit mijn hoofd te zetten. En ik blijf me afvragen: stel dat Reilly bij een topadvocatenkantoor zou werken, hoeveel partners zouden dan het kantoortje naast het zijne willen hebben? Met hem op een kamer willen slapen tijdens een bedrijfsuitje? Hem voorstellen aan hun vrouw en kinderen?
Reilly heeft in 1996, op de dag dat zijn vonnis werd uitgesproken, weliswaar zijn excuses aangeboden aan de familie Russell, maar je hoeft niet veel moeite te doen om erachter te komen hoe rauw de wond van zijn misdaad nog is. De schoonzus van zijn slachtoffer, Marilyn Rodriguez, vertelt dat zij en haar twee kinderen een speciale band met Russell hadden en dat diens dood ‘onze hele familie overhoop heeft gegooid’. ‘De pijn is er nog steeds. Die kan niet ongedaan gemaakt worden.’
Reilly is in 2014 afgestudeerd aan Tulane en wil graag als advocaat werken, maar de kans is zeer klein dat hij kan voldoen aan de eis van ‘onbesproken gedrag’ die voor de advocatuur geldt. Hij heeft belangstelling voor vraagstukken rond data- en internetprivacy, maar het is zeer de vraag of hij op die terreinen voet aan de grond zal krijgen.
De afgelopen jaren heeft hij tevergeefs gesolliciteerd op banen die bij zijn kwalificaties pasten: beleidsfuncties in Washington, juridische projecten in de wereld van entertainment in Los Angeles, een baan bij het Tribeca Film Institute in New York. Hij is maar twee keer voor een gesprek uitgenodigd en merkte daar dat het lastig is om met een potentiële werkgever over zijn strafblad te praten: ‘Laat je het gesprek eenmaal die kant op gaan, dan zien ze meteen voor zich hoe jij iemand vermoordt.’
Eindelijk, na bijna een halfjaar waarin hij creditcardschulden op zijn studieschuld stapelde, bemachtigde hij in New Orleans een baan als juridisch medewerker bij het Capital Appeals Project, een organisatie ter ondersteuning van mensen in de dodencel, die geen geld hebben voor bijstand. Vervolgens stapte hij over naar een andere organisatie voor de hervorming van het strafrecht, en uiteindelijk naar VOTE.
Afgelopen zomer maakte Reilly deel uit van een klein team activisten dat een ontmoeting had met Roger Goodell, voorzitter van de National Football League, en topmensen van de New Orleans Saints. Hij vertelde in het kort zijn eigen verhaal en legde uit hoe hij als impulsieve tiener zijn misdaad had begaan maar als volwassene de gevangenis uit was gekomen. Hij pleitte ervoor dat de Saints en de footballbond hun steun zouden geven aan initiatieven die re-integratie zouden vergemakkelijken. De topmensen knikten instemmend.
Reilly maakt snel indruk met zijn intellect. Zo had hij als rechtenstudent al na een paar uur onderzoek door dat het verbod op kiesrecht voor veroordeelden die voorwaardelijk vrij zijn in Louisiana, een schending was van de grondwet van die staat, en een bredere groep wetenschappers was dat met hem eens. Maar het feit dat Reilly zijn professionele leven heeft gewijd aan de rechten van voormalige gevangenen – en niet aan een minder persoonlijk onderwerp zoals genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen – bewijst tegelijkertijd hoe zijn verleden hem beperkt.
In sommige opzichten beperkt hij ook zichzelf. Reilly heeft de neiging aan te schuren tegen het stereotype van een misdadigers, bijna als politiek protest, en ik vraag me soms af of hij zichzelf daarmee niet in de wielen rijdt. De T-shirts die hij graag draagt, doen weinig om zijn tatoeages te verhullen en als hij praat, doorspekt hij zijn betoog met gevangenistaal. Hij heeft het geregeld over ‘bids’ (aantal keren in de gevangenis), ‘guys in the yard’ (medegevangenen) en ‘shankings’ (steekpartijen met een zelfgemaakt wapen).
Ook het feit dat hij een witte man is, maakt zijn weg omhoog extra ingewikkeld, op een ongemakkelijke manier. Reilly is de eerste om toe te geven dat hij bepaalde voordelen geniet ten opzichte van voormalige gevangenen die zwart of latino zijn. ‘Ik kan, als witte man, incognito optreden,’ zegt hij. Dan is er de voortdurende bedreiging van zijn vrijheid, waarbij zelfs een op het oog onbeduidende politieke onenigheid rampzalig kan eindigen. In december oordeelde een juridische toezichthoudende commissie in New Orleans dat een kandidaat voor een plaatselijke rechtersfunctie valse verklaringen had afgelegd over Reilly’s werkgever VOTE. Op de dag dat dit besluit viel, diende deze kandidate, Marie Williams, een verzoek in voor een tijdelijk contactverbod tegen Reilly, omdat die haar zou hebben lastiggevallen via sociale media, ongegronde klachten tegen haar had ingediend en haar tegenstander had gesteund. Het tijdelijke contactverbod werd toegewezen – in Louisiana is de drempel voor dat soort maatregelen laag – en een rechter oordeelde dat er reden was om aan te nemen dat Reilly dat verbod had overtreden, toen zijn advocaat contact opnam met mevrouw Williams, om haar te vragen of ze het wilde intrekken. Nu hangt hem een arrestatiebevel boven het hoofd dat hem weer in de gevangenis kan doen belanden. Reilly’s advocaat hoopt dat hij de kwestie deze maand kan oplossen, wanneer een rechtbank zich over de zaak buigt.
Ze zien hem als bron van informatie of als iemand met een nuttige visie, maar zelden als mogelijke collega of vriend
Reilly voelt zich gesterkt door het groeiende aantal voormalige gevangenen dat toegang weet te krijgen tot eliteberoepen en hoge sociale kringen. Trots noemt hij zijn vriend Andres Idarraga, die in de gevangenis heeft gezeten wegens drugshandel, later als jurist afstudeerde aan Yale en nu voor de gerenommeerde advocatenfirma Boies Schiller Flexner werkt. En Reginald Dwayne Betts, die een bekend dichter is geworden, met een diploma van Yale, nadat hij had gezeten wegens autodiefstal. Maar deze twee waren niet veroordeeld voor moord.
Zelfs een enkeling uit die groep begint zich na de gevangenis een weg te banen naar de gewone wereld. Michelle Jones, die historisch onderzoek publiceerde terwijl ze een straf van meer dan twintig jaar uitzat voor de moord op haar jonge zoon, had bijna een promotieplek gekregen aan Harvard, toen de universiteit een beslissing van de eigen geschiedenisfaculteit terugtrok. (Ze is wel toegelaten tot de New York-universiteit.)
Reilly’s vriend uit de gevangenis, Greg Tovmasian, die is veroordeeld voor doodslag, trok zijn inschrijving voor de Universiteit van Rhode Island in, toen hij hoorde dat hij eerst een gesprek met een functionaris van de universiteit moest hebben om beoordeeld te worden. ‘Ik was er emotioneel gewoon nog niet aan toe om weer voor een beoordelingscommissie te staan,’ zegt hij. Inmiddels heeft hij wel een economiestudie afgerond aan het kleinere Rhode Island College.
Reilly gelooft dat hij, door zijn verhaal te vertellen, kan helpen de onberedeneerde angst die een veroordeling voor moord kan wekken, te verminderen. Maar terwijl hij meer toehoorders à la Princeton en de New Orleans Saints heeft gekregen, staan organisaties buiten het terrein van het strafrecht duidelijk niet te trappelen om voor langere perioden nauw met hem samen te werken. Ze zien hem als bron van informatie of als iemand met een nuttige visie, maar zelden als mogelijke collega of vriend.
Op de Princeton-conferentie over kunstmatige intelligentie heeft Reilly een lang en zo te zien goed gesprek over het leven na de gevangenis met Chuck Howell, een man met een imposante functie bij een overkoepelende organisatie van federale onderzoeks- en ontwikkelingscentra. Maar als de beide mannen later nog doorpraten over politiebureaus en de kwestie van het straffen van corrupte agenten, komt Reilly op de proppen met een uitgebreide gevangenismetafoor. Als een bendelid in de gevangens een lid van een andere bende iets heeft misdaan, zegt hij, zullen de bendeleiders van de schuldige meestal besluiten hem zelf te straffen. Howell, die aan het begin van hun gesprek nog een betrokken en open indruk maakte, begint nu ongemakkelijk te ogen.
‘Het probleem met de politie is dat ze dat daar niet doen,’ gaat Reilly verder, om aan te geven dat politiediensten foute agenten niet terugfluiten. ‘Als je een echte bende was, zou je die kerel afmaken. Ik zeg niet: maak hem af, maar doe er iets aan.’
Howell valt stil. Het gesprek wordt nooit meer wat het geweest is.
Auteur: Noam Scheiber
The New York Times
VS | dagblad | oplage 1.120.402
De krant der kranten. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium. Het motto ‘All the news that’s fit to print’ wordt sinds 1896 bewaakt door de familie Ochs Sulzberger en gekielhaald door de Britse filosoof Alain de Botton, die de correctie: ‘Some news that’s fit to print’ voorstelt.

