muziekgeschiedenis


De bouw van de nieuwe Elbphilharmonie in Hamburg kostte vijftien jaar en 789 miljoen euro, maar de concertzaal overtreft de stoutste verwachtingen, jubelt Die Zeit. ‘Dit is misschien wel het verbluffendste bouwwerk van de laatste decennia.’

Een gebouw op de grens van hemel en aarde, van haven en stad. Een gebouw dat in de rivier staat, zo aanlokkelijk omspoeld door eb en vloed dat het lijkt alsof het elk moment het anker kan lichten om de wijde wereld in te trekken. Een gebouw dat liever niet stilstaat. Dat voor ieders ogen verandert en beweegt, en ook zijn bezoekers wil verheffen en herscheppen.

Vijftien jaren van ontwerpen en bouwen moesten verstrijken. Groot was aanvankelijk de euforie, maar nog groter de ontsteltenis toen er geen einde kwam aan leugens, bedrog en bekrompenheid, en niemand meer wist te vertellen of er hier, in Hamburgs Elbphilharmonie, ooit iets anders te horen zou zijn dan klaagzangen over 789 verspilde miljoenen. Maar nu is het volbracht. Nu opent het machtige gebouw zijn uitkijkplatform en is het leed als bij toverslag verdwenen. Er is hier meer ontstaan dan een zaal voor muziek. En iets heel anders dan de gebruikelijke architectonische poeha die in Londen (reuzenaugurk), New York (reuzenrog) of Bilbao (reuzenkop-staartbotsing) voor spektakel zorgt.

Met de Elbphilharmonie breekt echter een nieuwe fase aan en misschien zelfs een nieuw tijdperk: deze architectuur viert de tegenstellingen

De Elbphilharmonie is werkelijk een verbluffend bouwwerk, misschien wel het verbluffendste van de afgelopen decennia. Het gebouw doet denken aan het legendarische Olympiapark in München en de Philharmonie in Berlijn, omdat ook daar het optimisme gestalte kreeg. Er moest iets nieuws beginnen, en dat gebeurde dan ook.

In Hamburg ging het evenwel van start met het einde van iets anders. In de haven had de globalisering haar intrede gedaan in de vorm van de standaardcontainer, die heel wat oude magazijnen overbodig maakte. Dat gold ook voor pakhuis A, een bakstenen gedrocht uit de jaren zestig van de vorige eeuw dat er zo stoïcijns, hoekig en gesloten bij stond dat het leek alsof de Hamburgse koopmansgeest er voor altijd in opgesloten zat. Hier was alles rationaliteit, tot er een andere geest in trok. Een die deining wilde veroorzaken, lekker irrationeel.

Spel van dubbelzinnigheden

Het kernidee is van architectenbureau Herzog & de Meuron uit Basel, dat het Tate Modern in Londen heeft ontworpen en in Berlijn de Neue Nationalgalerie mag uitbreiden. Het voorstel voor Hamburg was even eenvoudig als frappant: breek het bakstenen gebouw niet af, maar beschouw het als sokkel en bouw er iets nieuws op. Met andere woorden: dialectisch denken en elke tegenstelling uitputten tot die tot volle wasdom komt – en in de betovering van de ambivalentie voor onze ogen vervaagt.

De klassieke moderne architectuur verlangde iets anders: eenduidigheid. Nieuw moest nieuw zijn en oud oud, en vooral coherentie was belangrijk. Die denkwijze werd belachelijk gemaakt door de postmodernisten en niet veel later door de deconstructivisten gedemonteerd. Met de Elbphilharmonie breekt echter een nieuwe fase aan en misschien zelfs een nieuw tijdperk: deze architectuur viert de tegenstellingen, heeft een rode sokkel en een wit glinsterende opbouw, is van onderen dof en van boven levendig, gesloten en toch transparant. Ze houdt van duidelijke grenzen – en nog meer van grenzen die vervagen.

Wat aanvankelijk overkomt als twee duidelijke polen, gaat over in een spel van dubbelzinnigheden, waar iedereen die de Elbphilharmonie nadert in verwikkeld raakt. Komend vanuit het westen ziet het gebouw er slank, haast fragiel uit en ondanks de enorme hoogte – 110 meter – allesbehalve overweldigend. Het is machtig, maar niet overheersend.

Maar naar het oosten toe verandert het beeld: wat zich zojuist nog uitstrekte, verliest aan hoogte. Het gebouw loopt af, 30 hoogtemeters, en rust nu breeduit op zijn sokkel. Dat zou er plomp hebben uitgezien als het sierlijke dak er niet was geweest, want dat brengt de rigide ordening van de glazen voorgevel – de ene rechthoek na de andere – in beweging. Eigenlijk mag in dit geval niet van een dak worden gesproken. Het sluit niets buiten (nou ja, hopelijk wel de regen), het breekt iets open. En de strenge gevels ademen luchtigheid.

Het interieur van de Elbphilharmonie, met beneden de kolossale hoofdzaal met 2150 zitplaatsen. – © Jörg Modrow / HH
Het interieur van de Elbphilharmonie, met beneden de kolossale hoofdzaal met 2150 zitplaatsen. – © Jörg Modrow / HH

Je wilt naar binnen, je wilt naar boven! Er is geen echte, trotse ingang, zoals je bij een gebouw als dit, met maar liefst drie concertzalen en bovendien een hotel, bars, restaurants, appartementen en nog veel meer zou verwachten. Er zijn niet eens deuren, alleen tourniquets en een vlak laadluik, dat de bezoeker zonder veel omhaal verzwelgt, en dan ben je al in de Tube beland, een witte en fonkelende buis waarvan de muren bekleed zijn met talloze ronde glasplaatjes. Hier gaat het naar boven, een rol- nee een glijtrap voert zachtjes en plechtig omhoog naar het onzichtbare. De trap beschrijft namelijk een boog, waardoor wat aan het einde wacht aanvankelijk niet is te zien. De verrassing is groot: vrachtvaarders, zeilschepen, klotsende golven, de haven ligt als het ware in een etalage en de blik wil steeds dieper in het levendige beeld doordringen, zou het liefst tot achter de horizon willen reiken, want daarachter, niet ver weg, moet toch de open zee liggen.

Een fantasie natuurlijk, maar dat is juist waar het in dit bouwwerk vooral om draait: vol verbazing je eigen verlangens naspeuren en een andere werkelijkheid binnengaan, die van de kunst.

In die werkelijkheid gaat het er ietwat onbehaaglijk aan toe, want een paar treden verder ben je alweer in een tussenwereld beland, met onder je voeten de bakstenen van het oude magazijn en boven je hoofd de massieve nieuwbouw met de grote en de kleine concertzaal, die gewoonweg van de last van het aardse bestaan bevrijd lijken te zijn. Er zijn maar een paar schuine steunpilaren, met ertussen een open ruimte met een zacht golvend plafond en aan weerszijden, naar het noorden en het zuiden toe, weidse bogen die uitzicht bieden. Andermaal beproeft de architectuur haar verbindende kracht: wie zijn hoofd naar links draait, ziet het stadhuis, de binnenstad en alle rederijkantoren van het oude Hamburg. Wie naar rechts kijkt, ziet tal van silo’s, kranen, barakken, ongesorteerd, vormeloos, met op de achtergrond een bunker. Het gespleten Hamburg, gescheiden door de Elbe, vloeit hierboven zo krachtig samen dat het lijkt of ook de stedelijke tegenstelling kortgesloten moet worden om de stad onder de spanning te zetten die ze zo vaak ontbeert.

De mooiste metaforen

Om het gieren van de wind zo veel mogelijk tegen te gaan, hebben de architecten aan beide kanten een scherm geplaatst, van glas en golvend, in een heerlijk maniërisme. Rondom de Plaza presenteert het panorama zich evenwel onbeschut, en Hamburg is uitgenodigd om een blik op zichzelf te werpen. Een zeldzaam moment van verhevenheid, zelfs op grijze dagen. Er is namelijk vrijwel geen andere stad waar het bonte mensenwerk en de machtige rivier zich zo vermengen als hier. En het is lastig kiezen wat aantrekkelijker is, cultuur of natuur.

De Elbphilharmonie heeft hier haar eigen antwoord op gevonden. Het is geen toeval dat ze de mooiste metaforen losmaakt: sommigen zien in haar architectuur de kabbelende golven van de zee, anderen een drijvende ijsberg, weer anderen hebben het over een gletsjerlandschap. En wie de Plaza achter zich heeft gelaten en de foyers van de concertzalen betreedt, waant zich algauw op een bergtocht door de Alpen, ook al is het een tocht over mooi parket en langs witte muren. Door de buikige vorm van de zaal wordt al het andere naar de marge gedrukt, garderobes, bars, toiletten. De gangpaden zijn zo opwindend gepositioneerd dat je blij bent als je helemaal bovenin zit. Dan loop je namelijk steeds verder omhoog de Piranesi-achtige canyon in, een avontuur met verrassende uitzichten alle kanten op.

Berg en zee zijn hier geen opgeplakte metaforen, ze zijn in het gebouw te ondervinden: als natuurlijke cultuur, als culturele natuurlijkheid en in elk geval als een tegenstelling die andermaal vervaagt. Kon je de klassieke moderne architectuur nog verwijten dat ze alle geheimzinnigheid heeft verdreven en de architectuur van haar betovering heeft ontdaan, in de Elbphilharmonie komt een element van betovering terug. Ook daarmee is ze haar tijd vooruit.

De top van de ijsberg en de schuimkop op de golven zijn voorbehouden aan de mensen die er tot wel tien miljoen euro voor kunnen neertellen

Maar vooral in het interieur, in de kolossale hoofdzaal met 2150 zitplaatsen, blijkt wat de drijfveer van de architecten is: een verlangen naar integratie en overzicht. Als het niet zo’n flauwe woordspeling was, dan zou je de Philharmonie zonder meer Veelharmonie kunnen noemen, want in het imposante grottenlandschap van de zaal, als ware het geërodeerd door de stromen der eeuwen, lijkt het gebruikelijke onderscheid tussen voor en achter, nabijheid en afstand passé. Eeuwenlang accentueerden concertzalen maatschappelijke hiërarchieën – met de rangen –, maar hier wordt het orkest door het publiek omspoeld, zonder dat direct duidelijk is welke plaatsen de beste zijn. Verdeeld over halve nissen en vooruitstekende gedeelten – als rotsplateaus –, vrij smal, heel steil, zitten alle toehoorders dicht bij elkaar. Niemand hoeft zich achtergesteld te voelen. Integendeel, wie halfhoog in de zaal zit, of het nu voor of achter het orkest is, zal nog intenser ervaren waar deze architectuur op uit is: dat iedereen zich verbonden voelt, in de klinkende buik van muziek.

Hiermee is niet gezegd dat de macht van de kunst alle verschillen tenietdoet, elke vervreemding overwint. De Elbphilharmonie is namelijk gemaakt van louter unicums. Al het in massa gemaakte en geconformeerde is haar vreemd. Zo zijn de tienduizend zandgrijze gipsplaten waarmee de zaal is bekleed stuk voor stuk verschillend van vorm. Alleen op die manier, waarbij elk uitgefreesd kuiltje en elk vuistgroot kratertje een andere vorm heeft, kan het geluid zich zodanig door de ruimte verspreiden dat alle toehoorders zich er evenzeer door omhuld voelen. Ook dat laat zich lezen als een metafoor, zelfs als politieke boodschap: dat een gemeenschappelijk geheel alleen weerklinkt als het individu zijn andersoortigheid bewaart.

In de Elbphilharmonie behoren daartoe overigens niet alleen de immateriële waarden die bij een concert klinken. Ook de materiële luxe maakt deel uit van de grote enscenering, want pal naast de cultuur worden zaken gedaan: een hotel met bijna 250 kamers voor de veeleisendste gasten (zwembad van 20 meter!) en meer dan veertig appartementen (conciërge!) die zich nog hoger en magnifieker boven de Elbe en de stad verheffen dan de concertzaal.

De toegang tot het mooiste uitkijkpunt blijft dus een privéaangelegenheid. De top van de ijsberg en de schuimkop op de golven zijn voorbehouden aan de mensen die er tot wel tien miljoen euro voor kunnen neertellen. Waar de concertzaal nog gelijke rechten voor iedereen in scène zet, zijgt achter haar rug de ongelijkheid in zachte bedden; zelfs vanuit de badkuip is de Sint-Michielskerk te zien. De mooiste appartementen staan echter nog te koop. Als de burgers wilden, dan zouden ze kunnen terugkopen wat zonder hun geld nooit was ontstaan. Hoger wonen voor iedereen! De mooiste locatie voor allemaal! Ook dat zijn onoplosbare tegenstellingen. Maar de Elbphilharmonie getuigt ervan hoe het schier ondenkbare voorstelbaar wordt.

Auteur: Hanno Rauterberg
Vertaler: Pieter Streutker

Die Zeit
Duitsland | dagblad | oplage 540.000

De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.


Deel dit artikel


Recent verschenen