Metropool New York produceert dagelijks 12.000 ton afval. Hoe je omgaat met loodzware afvalbakken, roekeloze automobilisten en ‘discorijst’ (maden) leer je op de academie van de stadsreinigingsdienst.
De witte olifant, zoals hij soms liefkozend wordt genoemd, is de standaard vuilniswagen van het Department of Sanitation, de reinigingsdienst. De dienst heeft momenteel 2100 witte olifanten rijden, van 3,5 meter hoog en 10 meter lang. De achterlader, de overhangende achterkant die wordt gekanteld als de wagen afval stort, wordt op zijn plek gehouden met twee pinnen, als scharniergewrichten in een immens lichaam. Hydraulische olie wordt door aderachtige cilinders gepompt, en het zenuwstelsel bestaat uit kleurgecodeerde hendels: rood, rood, zwart.
‘Er gaat afval in, en wat komt eruit?’ We antwoorden in koor: ‘Sap!’
Op een woensdagochtend in augustus, om half zeven, als bij [voormalig vliegveld] Floyd Bennett Field de zon de damp boven de oceaan wegbrandt, sta ik naast een handvol mensen die in de hopper van de witte olifant turen – de bekende gapende muil waar de vuilniszakken in worden gegooid. Langzaam sluit de hopper, met een bevredigende klonk. Het reusachtige blad dat het afval samenperst, maakt één enkele vegende beweging. We kijken zwijgend en geconcentreerd toe. De man die de wagen bestuurt, met een donkere zonnebril en een kort kapsel, roept boven het geluid van het roestige metaal uit: ‘Er gaat afval in, en wat komt eruit?’ We antwoorden in koor: ‘Sap!’
Afvalsap, het smerige brouwsel dat in elke vuilniswagen ontstaat en de gewoonte heeft in het rond te sproeien als de zakken worden samengeperst, is een belangrijk thema bij de Ronald F. DiCarlo Training Academy van de reinigingsdienst. Twee dagen lang mag ik me aansluiten bij New York’s Strongest, om te leren hoe de 12.000 ton afval die de stad dagelijks produceert wordt opgehaald, gesorteerd en geloosd. ‘In New York drinkt niemand zijn koffiebeker leeg,’ vertelt onze instructeur, een gedreven oudgediende met een borstelige baard die vermoedelijk veel kennis herbergt. ‘Je gaat de smaak van de maand herkennen en haten.’ Om die opmerking kracht bij te zetten, roept Joe O’Hare, een instructeur die bij dezelfde garage werkt: ‘Pumpkin spice latte!’
Denkbeeldig afval
De cursisten met wie ik meeloop zijn vrijwel allemaal gekleed in een groen shirt met het logo van de reinigingsdienst (en met de verplichte reflectiestrepen voor de zichtbaarheid). Het uniform is uitgegroeid tot felbegeerde vrijetijdskleding; als ik me die ochtend meld, verwacht ik ook een shirt uitgereikt te krijgen. Maar in plaats daarvan krijg ik een reusachtig oranje vest waarin ik eruitzie als een baby – maar dan wel, zo houd ik mezelf dan maar voor, een baby met een heel belangrijke taak.
De groep waarvan ik deel uitmaak vormt slechts een klein onderdeel van de 141 cursisten die deze maand de afvalopleiding doorlopen. We worden op verschillende posities geplaatst, voornamelijk vuilniswagens, gegroepeerd rond wat ooit de eerste burgerluchthaven van de stad was. Omdat er geen echt afval op het trainingsterrein ligt, moeten we doen alsof we denkbeeldige vuilniszakken en kapot meubilair in de wagens laden. We rouleren tussen vier verschillende voertuigen: een voorlader die containers takelt, een strooiwagen om ijzel te bestrijden, een truck met twee verschillende compartimenten voor recyclebakken, en de eerder genoemde witte olifant. Als mijn medecursist Lynn Haynes aan de beurt is, luistert ze braaf naar alle aanwijzingen van de instructeur. We overleggen even, en zijn het erover eens dat de strooiwagen het makkelijkst is. Als we bij de vuilniswagen komen, haalt iemand de hendel over en de achterkant kantelt. Ineens golft er een onsmakelijk bocht naar buiten, met de structuur van speeksel, en we doen allemaal een stap naar achteren om het niet over ons heen te krijgen. ‘Sap,’ zegt Haynes, die ernaar wijst. ‘Sap,’ herhaal ik ernstig.
Alles komt aan de orde, van anticiperend rijgedrag tot het omleggen van sneeuwkettingen
De test voor de reinigingsdienst vindt normaal gesproken elke vier of vijf jaar plaats, maar door een pauze aan het begin van de pandemie is hij voor het laatst afgenomen in 2015, toen er tachtigduizend mensen aan meededen; onder hen ook alle cursisten met wie ik nu om zeven uur ’s ochtends zogenaamd vuilniswagens vol gooi, terwijl het tegen de 30 graden loopt. Sommige cursisten, vertelt een instructeur me, zijn helemaal vergeten dat ze die test ooit hebben gedaan.
Wie bij Floyd Bennett Field terechtkomt, is geslaagd voor de test en behoort tot het selecte gezelschap dat tijdens de laatste selectieronde is uitgenodigd door de gemeente – de laatste uit het huidige klasje die in dienst is genomen, was nummer 11.080 op de lijst. De basistraining duurt een maand en vindt meerdere keren gedurende de zomer plaats. Alles komt aan de orde, van anticiperend rijgedrag tot het omleggen van sneeuwkettingen. Ik mag alles doen, behalve op de wagens rijden, daar is het hoofd van de opleiding heel stellig in, en tijdens de 48 uur dat ik meeloop, lukt het me niet hem van mening te doen veranderen.
De andere cursisten, die wel allemaal op de wagen mogen, zijn voormalige gevangenbewaarders, docenten, fotojournalisten en mensen uit de techsector. De verhalen over hoe ze hier terecht zijn gekomen klinken bekend: te weinig uren, slechte betaling, ontslag. Iemand vertelt dat hij zijn zoon ook de test had laten doen en dat ze nu allebei bij de reiniging werken. Iemand anders had de test al op de middelbare school gedaan, omdat zijn vader bij de reinigingsdienst werkte. (Een kwart van de cursisten heeft familie bij de reinigingsdienst.) Haynes lijkt een van de weinigen te zijn die het werk doet omdat ze dol is op afval (en dan met name compost). Ze laat me foto’s zien van haar tuin – een vijgenboom, peperplanten – terwijl we tot in detail het rottingsproces van organisch materiaal doornemen.
Onvoorstelbaar goor
Het werk kan soms onvoorstelbaar goor zijn. De instructeurs vertellen vol bravoure over de weerzinwekkendste dingen die ze op hun route zijn tegengekomen: een varkenskop, een heel lam, ‘discorijst’ – een verraderlijk smakelijke benaming voor krioelende maden. Maar het is ook een baan met een cao en een opstapje naar een middenklassebaan in de stad. Het startsalaris is 40.622 dollar, wat na vijfenhalf jaar dienstverband meer dan verdubbeld wordt. Er is een pensioenregeling, overuren worden uitbetaald en er zijn groeimogelijkheden. Ik hoor van instructeurs dat het zwaarste deel van het werk de roosters zijn, die in het begin nogal wisselend kunnen zijn, wat lastig valt te combineren met een gezin; maar iedereen is blij te zijn toegelaten.
De mensen van de reinigingsdienst hebben tientallen jaren veel minder verdiend dan de politie en de brandweer, terwijl ze eveneens onder gevaarlijke omstandigheden werken, zonder doorbetaling bij ziekteverlof, en met een slechtere pensioenregeling. Maar in februari 1968 hielden de tienduizend geüniformeerde medewerkers van de dienst een wilde staking, geleid door de oprichter en voorzitter van hun vakbond, John DeLury. Tienduizenden kilo’s afval hoopten zich op, en een zware sneeuwstorm dreigde alles te bedekken. De toenmalige burgemeester John Lindsay wilde niet zwichten voor de eisen van het reinigingspersoneel, met als argument dat er dan ‘nooit meer een contract met de gemeente zou worden gesloten op grond van verdienste; het enige wapen zou grove macht zijn, gevoed door eigenbelang.’ De vakbond won, wat resulteerde in betere lonen en betere secundaire arbeidsvoorwaarden. Een medewerker herinnert zich dat hij onder luid applaus zijn werk in de South Bronx weer oppakte.
‘En over 22 jaar zit ik lekker aan een mai tai’
Meer dan een halve eeuw van stakingen later betekent werken bij de dienst nu dat je kunt sparen voor een huis, dat je goed bent verzekerd, dat je een respectabele baan hebt. 22 jaar – het aantal werkzame jaren waarna de medewerkers aan hun pensioen kunnen beginnen – is uitgegroeid tot een soort mantra. ‘Ik heb nog niet één rotdag gehad,’ zegt Serrano tijdens de bakkentraining. ‘En over 22 jaar zit ik lekker aan een mai tai.’
De vuilniswagenhindernisbaan lijkt het onderdeel waarop iedereen zich het meest heeft verheugd. Er zijn oranje pylonnen neergezet om een smalle straat na te bootsten. Er staat een aantal witte olifanten klaar en de cursisten staan rondom de instructeurs. Derick Rodas, een voormalig mecanicien die ook instructeur is, bereidt ons voor. Hij zegt dat we niet tegen de pylonnen op mogen rijden, die hij ‘mijn kinderen en toekomstige Nobelprijswinnaars’ noemt.
Omdat ik niet op de vuilniswagen mag, enkel en alleen omdat ik niet het juiste rijbewijs heb (een onbeduidend detail, als je het mij vraagt), word ik voor de hindernisbaan gekoppeld aan Matt Prevosti, die al drie jaar bij de reinigingsdienst werkt en in zijn vrije tijd honkbalcoach is. We zitten hoog boven de grond en bij elke hobbel in de weg schiet ik omhoog van mijn stoel. Elke wagen heeft twee sets sturen en remmen, maar er kan maar één persoon tegelijk rijden (en dat ben ik niet, benadruk ik nog maar eens). Prevosti vertelt dat we wel allebei kunnen remmen, omdat de wagen dode hoeken heeft. Ik vraag hem of hij en zijn collega ooit de remmen hebben gebruikt om een geintje met elkaar uit te halen. Hij zwijgt even en zegt dan: ‘Nee.’ Waarna hij glimlacht.
De andere wagens beginnen ook te rijden, als de traagste go-kartrace ter wereld. Ik zie dat de meesten wel een of twee pylonnen raken en in stilte een traan plengen voor Rodas’ gesneuvelde Nobelprijswinnaars. In de loop van de training, die een maand duurt, wordt de hindernisbaan steeds lastiger, om zo steeds beter een drukke en chaotische straat na te bootsen. (Om het geheel een realistisch tintje te geven worden er auto’s van de sloop gehaald.) Het is bijzonder lastig manoeuvreren; zelfs Prevosti rijdt uiteindelijk een pylon omver.
En probeer je nu voor te stellen, zegt de instructeur, dat je dit vierhonderd keer tijdens een rit moet doen
Dan volgt de bakkentraining, waarbij we leren om de gemeentelijke afvalbakken op te tillen en te legen. Het lijkt een betrekkelijk eenvoudige manoeuvre – een afvalbak pakken, omkiepen, een paar keer schudden om het afval onderin los te krijgen, vervolgens de laadbak sluiten door een hendel over te halen. Ik probeer een bak op te tillen. Zelfs leeg weegt hij al zeker 15 kilo. Mijn hart gaat als een bezetene tekeer en mijn armen trillen. Nadat ik de bak in de truck heb geleegd, moet ik hem niet zozeer neerzetten als wel laten vallen, om minder energie te verbruiken. Daarbij verbrijzel ik bijna mijn tenen, iets waar ik nog zo voor ben gewaarschuwd, maar wat ik even was vergeten. En probeer je nu voor te stellen, zegt de instructeur, dat je dit vierhonderd keer tijdens een rit moet doen (iets wat ik me helemaal niet wil voorstellen).
Vervolgens nemen we alles door waarvoor je op je hoede moet zijn tijdens het werk: een verbogen nummerbord kan je knieën openhalen, je kunt je schenen stoten aan een trekhaak. Ons wordt aangeraden om geen schoenen met metalen neus te dragen, want zo’n neus kan niet voorkomen dat er een wagen over je voet rijdt, terwijl het metaal wel je tenen kan amputeren. Op zeker moment laat Serrano zijn telefoon rondgaan, met een smerige foto van een enorme jaap in zijn been, die hij ooit heeft opgelopen door een scherp voorwerp dat in een vuilniszak verstopt zat.
Het werk scoort hoog op de lijst met banen met een groot risico op dodelijke ongelukken. Afgezien van de zware machinerie is er de onvoorspelbaarheid van de straten van New York, waar automobilisten soms roekeloos rijgedrag vertonen. Daarnaast is er de geleidelijke fysieke achteruitgang door het zware werk. In de loop der jaren zal een lichaam dat zo veel gewicht moet optillen en dragen – dat moet buigen, draaien en lopen – onvermijdelijk slijten. Misschien nog wel meer dan om afvalsap draait de training om veiligheid. De reinigingsmedewerkers werken vaak in tweetallen en in onze training wordt benadrukt dat kameraadschap een van de uitgangspunten is binnen de dienst. Je wordt niet altijd gekoppeld aan dezelfde collega, maar je bent evengoed verantwoordelijk voor elkaar. Dit zijn mensen die elkaar uiteindelijk gezond willen houden, en voor een bedrijfstak die voor 90 procent bestaat uit mannen, is de sfeer opmerkelijk gemoedelijk en solidair.
Strooiwagen
Op de laatste dag van de cursus mag ik samen met Rodas een ritje maken op de strooiwagen, als beloning voor het succesvol verwisselen van één band (dat was niet makkelijk, dat doe ik nooit meer). Rammelend rijden we over de wegen rondom Floyd Bennett, het wegdek vol bandensporen van wat dragraces van de vorige avond lijken te zijn, en passeren kajakkers in de glinsterende Jamaica Bay. We praten wat over de ochtend, het werk, het weekend. Rodas komt weer terug op het concept kameraadschap, dat betrekking heeft op de hele stad, of mensen zich daar nu van bewust zijn of niet. New York produceert een hoop afval, en dat moet allemaal worden opgehaald. (In de meeste gevallen, zo is me inmiddels duidelijk, door mannen die carpoolen vanaf Staten Island.) Dit werk impliceert een relatie, zegt hij, ‘waarbij iemand anders jouw vuilniszak ophaalt’. En daarna wordt er weer wat gedold. Ik stel voor dat we de rest van de dag vrij nemen en met de wagen naar het strand rijden. ‘Waarom niet,’ lacht Rodas, en als hij de neus van de wagen naar de middagzon draait, denk ik heel even dat hij het meent. Op het strand ligt ook genoeg afval.

