opkomst en ondergang van de europese meritocratie


Waarom botert het zo slecht tussen de Europese elite en een groot deel van de kiezers? Omdat ze weinig of niets meer met elkaar gemeen hebben, schrijft de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.

Als je niet begrijpt waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen, kun je jezelf er maar beter van overtuigen dat mensen niet weten wat ze doen. Dat hebben de leiders van de Europese politiek, zakenwereld en nieuwsmedia gedaan als reactie op de populistische golf die het oude continent overspoelt. Ze zijn geschokt dat zo veel landgenoten op onverantwoordelijke demagogen stemmen. Ze kunnen de oorzaak van de woede jegens de meritocratische elites, waarvan de goed opgeleide, competente ambtenaren in Brussel het meest sprekende symbool zijn, maar moeilijk begrijpen.

Waarom staan mensen met een goede opleiding in zo’n kwaad daglicht in een tijd waarin de complexiteit van de wereld erop duidt dat die het hardste nodig zijn? Waarom weigeren mensen die hard werken om hun kinderen te laten afstuderen aan de beste universiteiten ter wereld mensen te vertrouwen die al aan deze universiteiten zijn afgestudeerd? Hoe kan iemand het eens zijn met Michael Gove, de pro-Brexit-politicus, die zei dat mensen ‘genoeg hebben van deskundigen’?

Het zou duidelijk moeten zijn dat meritocratie – een systeem waarin de meest getalenteerde en capabele, best opgeleide mensen die het hoogste scoren bij examens – beter is dan plutocratie, gerontocratie, aristocratie en misschien zelfs de macht van de meerderheid, democratie.

Maar de meritocratische elites van Europa worden niet alleen gehaat vanwege de onverdraagzame stompzinnigheid van populisten of de verwarring van de gewone man.

Michael Young, de Britse socioloog die halverwege de vorige eeuw de term ‘meritocratie’ muntte, zou niet verbaasd zijn over deze ommekeer. Hij legde als eerste uit dat hoewel ‘meritocratie’ de meeste mensen misschien goed in de oren klinkt, een meritocratische maatschappij een ramp zou zijn. Dat zou een maatschappij zijn van egoïstische en arrogante winnaars, en boze en wanhopige verliezers. De triomf van de meritocratie, zo begreep Young, zou ten koste gaan van de politieke gemeenschapszin.

Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden

Wat meritocraten zo onverdraaglijk maakt voor hun critici is niet zozeer hun succes als wel hun aanspraak dat ze zijn geslaagd omdat ze harder hebben gewerkt dan anderen, omdat ze nu eenmaal beter gekwalificeerd zijn dan anderen en omdat ze voor de examens zijn geslaagd waarvoor anderen zijn gezakt.

De paradox van de huidige politieke crisis in Europa is geworteld in het feit dat de Brusselse elites precies de schuld krijgen van datgene waarop ze zich laten voorstaan: hun kosmopolitisme, hun weerstand tegen publieke druk en hun mobiliteit.

In Europa is de meritocratische elite een elite van huurlingen die niet veel verschilt van de manier waarop de beste voetballers overal op het continent aan de succesvolste clubs worden verhandeld. Succesvolle Nederlandse bankiers verhuizen naar Londen; competente Duitse bureaucraten verhuizen naar Brussel. Europese instellingen en banken geven, net als voetbalclubs, gigantische hoeveelheden geld uit om de beste ‘spelers’ binnen te halen. Meestal zorgt dit systeem voor overwinningen op het veld of in de bestuurskamer van de centrale bank.

Maar wat gebeurt er als deze teams beginnen te verliezen of wanneer de economie hapert? Dan laten hun supporters hen in de steek. Dat komt doordat er geen andere relatie tussen de ‘spelers’ en hun supporters is dan het vieren van overwinningen. Ze komen niet uit dezelfde buurt. Ze hebben geen gemeenschappelijke vrienden of herinneringen. Veel spelers komen zelfs niet uit hetzelfde land als hun team. Je kunt de ingehuurde ‘sterren’ bewonderen, maar je hebt geen reden om medelijden met hen te hebben.

In de ogen van de meritocratische elites is hun succes buiten hun vaderland een bewijs van hun talent, maar in de ogen van veel mensen is deze zelfde mobiliteit een reden om hen niet te vertrouwen.

Loyaliteit

Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden. Paradoxaal genoeg zijn het de uitwisselbare competenties van de huidige elites, het feit dat ze even goed een bank kunnen leiden in Bulgarije als in Bangladesh of even goed les kunnen geven in Athene als in Tokio, waardoor mensen hen zo wantrouwen. Ze zijn bang dat de meritocraten er in moeilijke tijden vandoor zullen gaan in plaats van de kosten van het blijven te delen.

Het wekt dan ook geen verbazing dat loyaliteit – namelijk de onvoorwaardelijke loyaliteit aan etnische, religieuze of sociale groepen – de kern vormt van de aantrekkingskracht van het nieuwe Europese populisme. Populisten beloven de mensen dat ze hen niet alleen op hun merites zullen beoordelen. Ze beloven solidariteit, maar niet per se rechtvaardigheid.

Anders dan een eeuw geleden zijn populaire leiders vandaag de dag niet geïnteresseerd in het nationaliseren van industrieën. In plaats daarvan beloven ze de elites te nationaliseren. Ze beloven niet dat ze de mensen zullen redden, maar dat ze bij hen zullen blijven. Ze beloven dat ze de nationale en ideologische beperkingen weer zullen invoeren die door de globalisering zijn afgeschaft. Kortom, wat populisten hun kiezers beloven is niet competentie, maar innige verbondenheid. Ze beloven dat ze de band zullen herstellen tussen ‘de elites’ en ‘het volk’. En velen in het huidige Europa vinden dat een aantrekkelijke belofte.

De Amerikaanse filosoof John Rawls sprak namens veel liberalen toen hij betoogde dat het minder pijnlijk was om een verliezer te zijn in een meritocratische samenleving dan in een openlijk onrechtvaardige samenleving. Naar zijn idee zou de eerlijkheid van het spel mensen verzoenen met hun mislukking. Nu lijkt het erop dat de grote filosoof het bij het verkeerde eind had.

Auteur: Ivan Krastev
Vertaler: Peter Bergsma

Ivan Krastev is voorzitter het Center for Liberal Strategies in Sofia, fellow bij het Institute for Human Sciences in Wenen, en columnist van The New York Times.

Ivan Krastev neemt op 16 februari deel aan een rondetafelconferentie over Oekraïne.
Castrum Peregrini in Amsterdam | Aanvang 20 uur, entree 7,50 euro | Castrumperegrini.org

The New York Times
Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.


Deel dit artikel


Recent verschenen