ANP 200203002 scaled


Het eenzijdige verhaal van de economische neergang van het oude continent ligt wat genuanceerder als je ook naar andere factoren kijkt, zoals de koopkrachtpariteit.

Vergelijkingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie resulteren vaak in een pessimistische diagnose over de economie van het oude continent. De cijfers lijken dit verhaal te bevestigen: waar het Europese bbp in 2008 nog iets uitsteeg boven dat van de VS, viel het in 2022 een derde lager uit dan zijn Amerikaanse tegenhanger. Deze gegevens suggereren wat velen al vermoedden: dat de Europese economie niet in staat zou zijn het ritme van de VS bij te benen, deels vanwege haar onvermogen om dezelfde gunstige voorwaarden te scheppen voor het aanzwengelen van de productie. En dat zou best kunnen kloppen, maar je moet ook enkele andere factoren in overweging nemen.

Bij het maken van dit soort vergelijkingen wordt doorgaans voorbijgegaan aan de koopkracht van de verschillende valuta. Om hier een beter idee van te krijgen: prijzen ontwikkelen zich niet overal hetzelfde, wat inhoudt dat eenzelfde munteenheid ergens waar de prijzen sneller stijgen minder waard is. Daarom kun je eigenlijk nooit een accurate vergelijking maken, zelfs niet als je euro’s zou omrekenen in dollars. Eigenlijk heb je een soort kunstmatige munt nodig waarin je zowel de euro als de dollar kunt omrekenen, om de koopkracht gelijk te trekken. Alleen op die manier zou je kunnen vaststellen of er tussen Amerikanen en Europeanen werkelijk een verschil bestaat wat betreft hun ­vermogen om in dezelfde behoeften te voorzien. En hierbij moet je naar zowel prijzen als wisselkoersen kijken.

Vervormende lens

Allereerst moet worden opgemerkt dat de euro in 2008 genoteerd stond op 1,47 dollar, terwijl die in 2022 nauwelijks boven de dollar uitsteeg. Dit fluctueren van de koers, waaraan vele oorzaken ten grondslag liggen, vertekent vergelijkingen die worden gebaseerd op het bbp uitgedrukt in dollars. De wisselkoers fungeert als een vervormende lens die de werkelijke verschillen tussen beide economieën vergroot of juist verkleint – dat is een cruciale factor om rekening mee te houden bij het analyseren van deze cijfers. Maar zoals eerder gezegd is de wisselkoers slechts een van de vele puzzelstukjes. Om de werkelijke koopkracht van respectievelijk de euro en de dollar te kunnen vergelijken, moet je de ontwikkeling van de prijzen in aanmerking nemen. En de inflatie was in de VS de afgelopen 24 jaar hoger dan in de eurozone (86,3 procent versus 69,6 procent).

Wanneer je de wisselkoers euro/dollar corrigeert voor verschillen in prijsontwikkeling en de berekeningen per sector maakt, kun je in recente studies, zoals die van Zsolt Darvas van de Europese financiële denktank Bruegel, zien dat de EU geleidelijk is opgeschoven in de richting van de VS. In 1995 vormde het Europese bbp per hoofd van de bevolking 67 procent van dat van de VS, terwijl het in 2022 bleek te zijn gestegen tot 72 procent. Hoewel de kloof nog redelijk groot is, is die wel kleiner geworden in plaats van groter. Deze vooruitgang is des te opmerkelijker als je in aanmerking neemt dat in deze periode verschillende landen uit Oost-Europa met een aanvankelijk lager ontwikkelingsniveau tot de Unie zijn toegetreden.

Maar je moet niet alleen rekening houden met de koopkrachtpariteit van de verschillende valuta. Verschillen in gewerkte uren vormen nóg een cruciale factor die zelden wordt meegenomen in analyses. Europeanen, vooral in het westen en noorden van het continent, werken doorgaans minder uren dan Amerikanen. In Duitsland bijvoorbeeld wordt jaarlijks per werknemer 350 uur minder gewerkt dan in de VS.

Sommige Europese landen hebben een hogere output per uur dan de VS, hoewel hun bbp per hoofd van de bevolking lager uitvalt

Dat is deels een weerspiegeling van andere sociale voorkeuren – een sterkere waardering voor vrije tijd en een goede balans tussen werk en gezin – maar het geeft ook aan dat de productiviteit in sommige Europese landen opvallend hoog is. Duitsland, België en Denemarken en sommige andere Europese landen hebben een hogere output per uur dan de VS, hoewel hun bbp per hoofd van de bevolking lager uitvalt vanwege het kleinere aantal gewerkte uren. Dat is een sociale keuze, die je niet noodzakelijkerwijs moet zien als een teken van economische zwakte. We verkiezen meer vrije tijd boven meer gelegenheid om geld te verdienen.

Toch valt niet te ontkennen dat er terreinen zijn waarop Europa duidelijk de zwakkere is, zoals Enrique Feás en Judit Arnal laten zien in een recent rapport van het Real Instituto Elcano. De interne markt bijvoorbeeld werkt minder goed voor diensten dan voor goederen, waarvoor in het handelsverkeer met landen buiten Europa belangrijke regulerende barrières bestaan. Er wordt bijvoorbeeld ook significant minder geïnvesteerd in research & development dan in de VS (2,2 procent van het bbp versus 3,5 procent), en er is ook minder durfkapitaal beschikbaar voor start-ups. Dat verklaart waarom er weinig Europese ‘unicorns’ zijn en waarom de digitalisering langzamer verloopt, vooral bij mkb-bedrijven. Slechts 26 procent van de volwassenen in Europa bezit geavanceerde digitale vaardigheden, waarmee ze zeer achterlopen op de Amerikanen. En ten slotte is de gemiddelde omvang van een bedrijf in Europa veel kleiner, waardoor schaalvoordeel en innovatie lastiger te realiseren zijn. Zo lag het bbp per hoofd van de bevolking in Zuid-Europa in het eerste decennium van deze eeuw nog op 73 procent van het Amerikaanse, maar is dat gezakt naar 61 procent. Enkele oorzaken hiervan zijn een lagere productiviteit, een hogere structurele werkloosheid, zwakkere instellingen en weinig vernieuwingskracht.

Nuancering

Het concurrentievermogen van Europa ondervindt ook nadelen van de energiekosten, die fors hoger zijn dan in de VS, al wordt dit nadeel enigszins gecompenseerd door een grotere vooruitgang in hernieuwbare energie. Een andere hindernis vormen de complexiteit en de kosten van regulering, vooral voor middelgrote ondernemingen die willen groeien. Bovendien is het financiële systeem in Europa nog sterk gericht op het traditionele bankwezen, met minder goed ontwikkelde kapitaalmarkten dan in de VS.

Kortom, het verhaal over de Europese neergang ten opzichte van de VS verdient enige nuancering. Hoewel er inderdaad reële uitdagingen zijn die Europa moet aanpakken, vooral op het vlak van innovatie, digitalisering en de ontwikkeling van het zuiden, heeft het continent ook laten zien naar de VS toe te bewegen. De ogenschijnlijk grote verschillen in het nominale bbp zijn in grote mate te wijten aan de invloed van de wisselkoers en de verschillende sociale voorkeuren wat werktijd betreft.

De werkelijke uitdaging voor Europa het voortbestaan van zijn sociale model te garanderen en de transformatie van zijn economie te versnellen. Daarvoor is het van doorslaggevend belang om vooral wat diensten betreft de interne markt uit te breiden, innovatie en digitalisering te stimuleren, de groei van bedrijven te vergemakkelijken, de energiekosten te drukken, de regulering te vereenvoudigen, de kapitaalmarkten te ontwikkelen en het achterblijvende Zuid-Europa aandacht te schenken. Deze uitdagingen zijn belangrijk, maar niet ondoenlijk, als je tenminste niet het paniek zaaiende standpunt inneemt waar simplistische vergelijkingen op uitkomen. Europa heeft hervormingen nodig in plaats van drama.  


Deel dit artikel


Recent verschenen