de toekomst van europa


In zijn boek After Europe buigt politicoloog en New York Times-columnist Ivan Krastev zich over de toekomst van de Europese Unie. Volgens Krastev is Europa door de eurocrisis, het vluchtelingenvraagstuk en de toenemende terroristische dreiging veel meer een eenheid geworden dan ooit tevoren.

Keuze uit het archief

Afgelopen woensdag kwamen de leiders van ruim veertig Europese landen die onderdeel vormen van de Europese Politieke Gemeenschap (EPG) bijeen in de Zuid-Spaanse stad Granada. Onderwerp van de bijeenkomst was de toekomst van Europa en de Europese Unie. Uiteraard kwam op de top de oorlog in Oekraïne ter sprake, evenals andere urgente thema’s, zoals de situatie in Nagorno-Karabach.
Over de toekomst van de EU publiceerde NYT-columnist en politicoloog Ivan Krastev in 2017 het boek After Europe. Daarin bespreekt hij de crises waar de EU zich in bevindt, maar laat hij ook zien hoe Europa daaruit kan komen. ‘Een bereidheid om compromissen te sluiten vergroot de overlevingskansen van de EU. Alleen in slechte geschiedenisboeken is vooruitgang een lineair proces’, schrijft hij in het laatste hoofdstuk van zijn boek, waarvan dit artikel een bewerking is.

In tegenstelling tot de Habsburgse monarchie is de Europese Unie een ‘democratisch rijk’, een quasifederatie van democratische staten die zich uit vrije wil hebben aangesloten, waarin de rechten en vrijheden van de burgers zijn vastgelegd, en waartoe alleen democratieën kunnen toetreden. Ondanks dit verschil draaien net als in de Habsburgse tijd de problemen in Europa weer om het vraagstuk van de democratie. In het Habsburgse geval was het volk in de ban van de democratie, in de EU van vandaag de dag is het volk zwaar gedesillusioneerd. Uit het onderzoek ‘Future of Europe’ uit 2012 blijkt dat slechts een derde van de Europeanen het idee heeft dat zijn of haar stem telt op Europees niveau, en waar het over het eigen land gaat, gelooft slechts een schamele achttien procent van de Italianen en vijftien procent van de Grieken dat hun stem iets uitmaakt.

Volgens recent onderzoek heeft de wereldwijde verspreiding van democratie in de afgelopen vijftig jaar er paradoxaal genoeg toe geleid dat de inwoners van een aantal schijnbaar stabiele democratieën in Noord-Amerika en West-Europa steeds kritischer zijn gaan kijken naar hun politiek leiders. Maar dat is nog niet alles. Ze zijn ook cynischer over de waarde van het democratische systeem, hebben er steeds minder vertrouwen in dat zij ook maar enige invloed kunnen uitoefenen op het beleid, en zijn in toenemende mate bereid zich achter autoritaire alternatieven te scharen.

Ook blijken ‘jongere generaties minder overtuigd van het belang van democratie’ en voelen ze zich ‘minder betrokken bij de politiek’.

Met die wetenschap in het achterhoofd kunnen we stellen dat er geen sprake kan zijn van een politieke unie die met een gemeenschappelijk fiscaal beleid de euro overeind kan houden, zolang de lidstaten honderd procent democratisch zijn. Er is domweg onvoldoende draagvlak. Maar het uiteenvallen van de gezamenlijke munteenheid zal leiden tot het uiteenvallen van de unie, met als een van de waarschijnlijke gevolgen een opkomst van autoritaire regimes aan de randen van Europa. Voor het eerst in de geschiedenis botst het streven van een ‘hechter Europa’ met dat van een ‘stevigere democratie’.

De Griekse crisis

Veel Europese liberalen maken zich zorgen dat democratisch bestuur het Europese project zou kunnen ondermijnen. In hun ogen heeft George Orwell het misschien wel het beste onder woorden gebracht: ‘De publieke opinie is van nature niet verstandiger dan mensen van nature goed zijn.’

De huidige angst manifesteert zich nergens zo duidelijk als in de manier waarop de Europese leiders zich opstellen tegenover het grootste slachtoffer van de financiële crisis: Griekenland. Griekenland, dat vruchteloze pogingen doet om een niet-competitieve economie draaiende te houden, terwijl de kosten van de sociale zekerheid onverminderd hoog blijven en er sprake is van een stuitende corruptie, bevond zich in stormachtig weer. In een orkaan, zelfs. In het decennium voorafgaand aan de crisis waren in Europa de lonen per werknemer met dertig procent gestegen, terwijl ze in Griekenland een vlucht hadden genomen van maar liefst vijfentachtig procent. In de publieke sector was het nog erger: een stijging van veertig procent in de EU, tegen honderdzeventien in Griekenland. In de zomer van 2011 was duidelijk dat alleen de EU Griekenland nog kon redden van een faillissement en het land binnen de eurozone zou kunnen houden. Maar die hulp zou duur betaald worden – zowel in politiek als in menselijk opzicht – doordat het land aan zeer strenge regels werd gehouden. Op 31 oktober 2011 schreef de Griekse premier Papandreou een referendum uit over een plan tot uittreding, opgesteld door de Europese Unie, de Europese centrale bank en het IMF. Hij riep zijn landgenoten op zich achter de bezuinigingsmaatregelen te scharen die de schuldeisers hadden opgelegd. Het was de prijs die moest worden betaald om in de eurozone te kunnen blijven.

Maar het referendum bleef uit. Drie dagen na de aankondiging kwam de Griekse regering ervan terug, na scherpe kritiek uit Berlijn en Brussel. In plaats daarvan werd er over de hervormingen gestemd in het parlement.

Enkele jaren later kwam Alexis Tsipras met zijn radicaal linkse Syriza opnieuw met een referendum. De Grieken stemden op 5 juli 2015. Zoals Tsipras’ regering had gehoopt, verwierp een overgrote meerderheid de voorwaarden die waren verbonden aan een nieuwe, derde reddingsoperatie van de zogeheten Troika: het IMF, de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie. Maar het heroïsche verzet tegen de schuldeisers hield niet langer dan een week stand. De maandag daarop moest Tsipras nog stringentere voorwaarden slikken. Hij zag zich genoodzaakt maatregelen door te voeren die hij niet veel eerder nog ‘misdadig’ had genoemd.

De tijdelijke oplossing voor de Griekse crisis was op een wezenlijk vlak bijzonder leerzaam. Om de gemeenschappelijke Europese munt overeind te houden, moesten inwoners van de schuldenlanden het recht worden ontzegd om het economische beleid te beïnvloeden, terwijl ze wel het recht behielden een andere regering te kiezen. Het was de krachtigste indicatie dat het belangrijkste principe van de EU – beleid zonder politiek in Brussel en politiek zonder beleid op nationaal niveau – door de crisis was versterkt. In het licht van wat er was gebeurd, werd duidelijk dat Tsipras en Yanis Varoufakis (tot juli 2016 minister van Financiën) zich niet zozeer verzetten tegen het beleid dat de schuldeisers voorstonden, maar vooral tegen de verantwoordelijkheid erin mee te gaan. De Griekse welvaartsstaat werd een oorlogsstaat. De overheid was niet in staat de welvaart te herverdelen, dus probeerde ze uit alle macht de verantwoordelijkheid te herverdelen.

Barbara Kruger, ‘Between Being Born and Dying’, Lever House Art Collection New York, 2009. – © Chip East / Getty
Barbara Kruger, ‘Between Being Born and Dying’, Lever House Art Collection New York, 2009. – © Chip East / Getty

De Europese leiders zagen de opstand in Athene en stonden voor een moeilijke keuze. Ofwel ze zouden toestaan dat Griekenland in gebreke bleef, wat de munteenheid in gevaar zou brengen, de Griekse economie om zeep zou helpen en de boodschap zou uitdragen dat er binnen een politieke unie van geldschieters en schuldeisers geen ruimte was voor solidariteit – of ze zouden Griekenland redden door Tsipras’ voorwaarden te accepteren, en daarmee de boodschap uitzenden dat chantage loont en de vele populistische partijen in de kaart spelen.

Om uit dit dilemma te komen, bedachten de Europese leiders een derde mogelijkheid: Griekenland redden met dermate draconische maatregelen dat geen enkele populistische regering dit voorbeeld zou willen volgen. Tsipras is inmiddels het levende bewijs dat er geen alternatief is voor de economische politiek van de EU.

De gevolgen van de overeenkomst konden niet uitblijven: de markten kwamen tot rust, de Grieken waren gedemoraliseerd en de Duitsers bleven sceptisch. Maar had de overwinning van de economische ratio over de wil van het volk bijgedragen aan het in stand houden van de unie? Dat verhaal is veel minder zwart-wit.

Voor velen binnen de EU stond ‘democratie’ gelijk aan politieke machteloosheid van de onderdanen. Brussel stond niet zozeer symbool voor een glansrijk Europees huis, maar eerder voor de ongebreidelde macht van de markt en de destructieve krachten van globalisering.

De Grieken mochten het nog zo erg vinden dat ze de vervloekte markten niet konden weerstaan, hun zuidelijke buren, de Italianen, zouden diezelfde markten even later juist prijzen.

Bij zijn laatste actie als premier, in het najaar van 2011, reed Silvio Berlusconi met een auto door een groep demonstranten, die hem woorden als ‘pias’ en ‘schande’ naar het hoofd slingerden. Terwijl de vijfenzeventigjarige oligarch en mediabons op weg was naar de Italiaanse president om zijn ontslag aan te bieden, stroomden de straten rond het presidentiële paleis vol met scanderende betogers die met de Italiaanse vlag zwaaiden en champagnekurken lieten knallen.

Er leek haast een revolutie uitgebroken.

Gezien het diepgewortelde wantrouwen van het grote publiek jegens politici, is het verbijsterend dat men stemt op partijen die willen afrekenen met wetten die de macht van de overheid aan banden leggen

Maar niets was minder waar. De val van Berlusconi was geen overwinning van ‘de macht van het volk’. Integendeel, het was een overwinning van de macht van de financiële markten. Het was niet de wil van het volk die erin geslaagd was Berlusconi’s corrupte kliek van het pluche te verdrijven; zijn val werd veroorzaakt door de financiële markten die hun krachten bundelden met het bureaucratische bewind in Brussel en de leiding van de Centrale Europese Bank in Frankfurt. Hun gezamenlijke boodschap: ‘Berlusconi moet het veld ruimen.’

De juichende massa’s bij de val van het Berlusconi-regime riepen herinneringen op aan het enthousiasme waarmee de Italianen in 1796 het zegevierende leger van Napoleon binnenhaalden. De mensen op straat bepaalden de geschiedenis niet, ze sloegen haar gaande.

In het geval van Griekenland werd Brussel al snel het symbool van de arrogante elite die de kosten van de crisis afwentelde op de zwakke en weerloze Griekse bevolking. Voor de Italianen was Brussel, in ieder geval lange tijd, de enige hoop om af te rekenen met een impopulaire premier en zijn oligarchische regime. De kern van het verlies van de legitimiteit van de EU ligt in het feit dat haar rol als bondgenoot van het volk tegen de corrupte nationale elites is afgenomen naarmate de crisis binnen de EU verergerde. De Italianen vestigden vervolgens hun hoop op populistische, eurosceptische partijen als Beppe Grillo’s Vijfsterrenbeweging. Om in te schatten in hoeverre onvrede over de democratie (die vaak de vorm aanneemt van de roep om een ander soort democratie) de overlevingskans van de EU bepaalt, moeten we drie paradoxen proberen te begrijpen.

De Midden-Europese paradox

De afgelopen tien jaar werd de Europese integratie algemeen beschouwd gezien als de voornaamste garantie dat democratische veranderingen in de voormalig communistische landen van Midden-Europa onomkeerbaar zullen zijn. Zoals de Europese welvaartsstaat een vangnet vormde voor de meest kwetsbare groepen, zo zou de Europese Unie zelf ook een vangnet kunnen vormen voor de nieuwe democratieën in het Oosten.

De EU ontwikkelde institutionele mechanismen, van peer pressure tot straffen en belonen, die moesten voorkomen dat de democratie in de nieuwe lidstaten weer werd ondergraven. Maar die verwachting bleek te hoog gegrepen. De verkiezingsoverwinning van Viktor Orbán in Hongarije en die van Jarosław Kaczyński in Polen, en de ‘illiberale ommekeer’ in een groot deel van Centraal-Europa heeft vele commentatoren genoopt hun mening te herzien over het ‘Brussel-effect’ op de consolidatie van de democratie in Centraal- Europa.

De nieuwe populistische meerderheden zien verkiezingen niet als een kans om te kiezen tussen verschillende soorten beleid, maar als een vorm van verzet tegen geprivilegieerde minderheden – in het geval van Europa gaat het dan om de elite en een belangrijke groep ‘anderen’: migranten. In de retoriek van populistische partijen zijn de elite en de migranten vergelijkbaar: ze zijn allebei anders dan ‘wij’, stelen van de hardwerkende mensen, betalen geen of te weinig belasting en trekken zich niets aan van lokale gebruiken.

Gezien het diepgewortelde wantrouwen van het grote publiek jegens politici, is het verbijsterend dat men stemt op partijen die willen afrekenen met wetten die de macht van de overheid aan banden leggen. Dat is het grote mysterie dat zal helpen de paradox van Centraal-Europa te ontrafelen.

Het besluit van populistische regeringen in Hongarije of Polen om het constitutionele hof direct onder hun gezag te plaats, de onafhankelijkheid van de centrale banken in te dammen en de oorlog te verklaren aan onafhankelijke media en burgerinitiatieven, zou een teken aan de wand moeten zijn voor mensen die politici wantrouwen. Maar tegen de verwachtingen in bleek de meerderheid van de Hongaren en een flink aantal Polen zich niet druk te maken over het besluit van de regering om de macht zo te centraliseren. Hoe kan het dat de scheiding der machten zijn aantrekkingskracht lijkt te hebben verloren? Zijn de mensen niet langer in staat het verschil te zien tussen steun voor een vrije pers en een onafhankelijke rechtsspraak enerzijds en anderzijds de media die een loopje zouden nemen met de waarheid, of de rechterlijke macht die corrupt en inefficiënt zou zijn? Is het denkbaar dat de scheiding der machten in de publieke opinie niet zozeer een manier is om ambtenaren ter verantwoording te kunnen roepen, maar een zoveelste trucje van de elite?

De aantrekkingskracht van de liberale democratie schuilt erin dat niet alleen de rechten worden gewaarborgd van de regerende politieke meerderheid, maar ook die van minderheden. Het systeem zorgt ervoor dat de groep die bij de verkiezingen het onderspit heeft gedolven, het de volgende keer weer kan proberen, zonder te hoeven vluchten, te worden verbannen of te moeten onderduiken, zonder dat hun bezittingen in beslag worden genomen door de overwinnaars. De andere kant van de medaille, die zelden wordt belicht, is dat de liberale democratie de overwinnaar de kans ontneemt op de totale overwinning. In predemocratische tijden – ofwel in vrijwel de gehele geschiedenis – werden geschillen niet beslecht door vreedzame debatten en rustige machtsoverdrachten. Nee, destijds gold het recht van de sterkste. Een buitenlandse bezetter of de zegevierende partij in een burgeroorlog kon met de verslagen vijand doen en laten wat hij wilde. In een liberale democratie wordt de ‘overwinnaar’ deze bevrediging ontzegd. De paradox van een liberale democratie is dat de inwoners vrijer zijn, maar zich machteloos voelen. De roep om een echte overwinning is een van de sleutels tot het succes van populistische partijen.

De aantrekkingskracht van populistische partijen is de belofte van een glansrijke overwinning. Ze trekken mensen aan die de scheiding der machten (voor liberalen ongekend belangrijk) niet zien als een manier om de bewindhebbers ter verantwoording te roepen, maar als een manier waarop de elite zich onder zijn electorale beloften uit kan wurmen. Populisten die aan de macht komen, proberen steevast het systeem van wederzijdse controle uit te hollen, en doen niet-aflatende pogingen om macht uit te oefenen op onafhankelijke instellingen als rechtbanken, nationale banken, mediabedrijven en burgerinitiatieven.

Uit de opkomst van het illiberalisme in het EU-vriendelijke Centraal-Europa zouden we kunnen opmaken dat de aanwezigheid van een pro-EU-meerderheid in de meeste EU-lidstaten geen garantie is dat de Unie zal standhouden. Bovendien: wat de opkomst van de populistische partijen zo riskant maakt voor de overlevingskansen van het Europese project zijn niet zozeer de eurosceptici – van wie sommigen in werkelijkheid nauwelijks sceptisch zijn – maar hun verzet tegen de principes en instituties van het constitutionele liberalisme, die de fundatie vormen van de EU.

Barbara Kruger, ‘Between Being Born and Dying’, New York 2009. – © Getty
Barbara Kruger, ‘Between Being Born and Dying’, New York 2009. – © Getty

De West-Europese paradox

Dat de democratisering van het openbare leven en de opkomst van een steeds kosmopolitischere jonge generatie zich niet vertaalt in steun voor Europa is de kern van de West-Europese paradox. Het Brexit-referendum heeft duidelijk gemaakt dat leeftijd en opleiding beslissend zijn voor het stemgedrag. De jongeren en de hoogopgeleiden vormden de kern van het remain-kamp. Na de financiële crisis van 2008 werd duidelijk dat jongere mensen steeds politiek bewuster en mondiger zijn, dankzij sociale en andere media. Demonstraties tegen het stringente beleid dat Brussel voorstond, waren in veel Europese hoofdsteden aan de orde van de dag. Er is een jongere generatie die meerdere talen spreekt, de vrijheid koestert om overal in de EU te gaan wonen en werken, en die bereid is te knokken voor rechtvaardigheid. Het is een netwerkgeneratie, gevoed door sociale media. Wie de ideologische drijfveren en het politieke potentieel van deze generatie kent, zou verwachten dat er een pan-Europese beweging ontstaat die een Europa van de elite wil vervangen door een Europa van de burger. Waarom is dat nooit gebeurd?

Volgens socialmediaonderzoeker Zeynep Tufekci is een van de redenen hiervoor dat juist het internet een vloek is voor de totstandkoming van een effectieve politieke beweging. Er ontstaan weliswaar veel nieuwe bewegingen, maar die blijken onvoldoende invloedrijk of levensvatbaar omdat ze bijvoorbeeld te vroeg onder de aandacht van het publiek komen. Of omdat ze blijven steken in een collectief ‘nee,’ en nooit door tegenstemmen zijn gedwongen een constructieve agenda op te stellen.

Mijn eigen onderzoek naar protestbewegingen ondersteunt de bevindingen van Tufekci. De nieuwe sociale bewegingen, zoals Indignados, Occupy of een van de andere tegen Brussel gekeerde groeperingen, zijn erin geslaagd om te laten zien dat burgers de macht hebben om in verzet te komen. Maar ze hebben geen blijvende politieke invloed weten te vergaren.

De Brusselse paradox

Het is tegenwoordig bon ton om over de crisis binnen Europa te praten in termen van zijn democratisch tekort of kosmopolitische karakter. Maar waar het uiteindelijk op neerkomt is een crisis van de meritocratische visie op de samenleving. Dat blijkt uit niets zo sterk als uit het groeiende wantrouwen jegens meritocratische elites.

De meritocratische elites van Europa worden niet simpelweg gehaat vanwege de domme vooringenomenheid van woedende populisten of de verwarring van de gewone man. Michael Young, de Britse socioloog die halverwege de vorige eeuw de term ‘meritocratie’ heeft gemunt, zou er niet van opkijken dat het zo is gelopen. Hij was de eerste die erop wees dat ‘meritocratie’ de meeste mensen misschien goed in de oren zou klinken, maar dat een meritocratische maatschappij op een ramp zou uitlopen. Het zou een samenleving in de hand werken van egoïstische en zelfingenomen winnaars, en bange en vertwijfelde verliezers. Het zou geen ongelijke samenleving zijn, maar een samenleving waarin ongelijkheid wordt gerechtvaardigd op grond van verschillende prestaties. De zege van de meritocratie zou een verlies betekenen van politieke saamhorigheid, begreep Young.

De traditionele aristocratische elites hadden plichten en verantwoordelijkheden, en kregen van jongs af aan de boodschap mee dat ze die dienden te vervullen. Dat vele generaties voorouders, die dezelfde plichten hadden vervuld, hen vanaf schilderijen in hun kastelen aankeken, doordrong hen nog eens van de ernst van hun taak. Zo sneuvelden in Engeland tijdens de Eerste Wereldoorlog meer mannen van stand dan mannen uit een arbeidersmilieu. De nieuwe elite daarentegen is opgeleid om te heersen, maar niet om offers te brengen. Zij hebben geen kinderen die zijn omgekomen in een oorlog (of er zelfs maar in hebben gestreden). Door hun aard en hun inwisselbaarheid zijn de nieuwe elites nauwelijks gebonden aan hun land. Ze zijn niet gebonden aan het onderwijssysteem van hun land (hun kinderen zitten op een privéschool) noch aan de nationale gezondheidszorg (ze kunnen zich betere zorg permitteren). Ze hebben geen binding met wat er leeft binnen de gemeenschap. Het is dan ook niet gek dat loyaliteit – en onvoorwaardelijke trouw aan etnische, religieuze of sociale groeperingen – ten grondslag ligt aan de aantrekkingskracht van het nieuwe populisme binnen Europa. Populisten beloven dat ze mensen niet alleen op hun merites beoordelen. Ze beloven misschien geen rechtvaardigheid, maar wel solidariteit.

© Harf Zimmermann / Agentur Focus
© Harf Zimmermann / Agentur Focus

De legitimiteit van een referendum is een van de oudste discussies binnen de democratie. Voorstanders van directe democratie betogen dat het, afgezien van verkiezingen, de meest inzichtelijke manier is waarop burgers het beleid kunnen beïnvloeden. In hun ogen leveren referenda een duidelijk mandaat op (wat met verkiezingen vaak niet het geval is), stimuleren ze het debat en maken ze de burger wijzer, waarmee de democratische droom van goed geïnformeerde burgers iets dichterbij komt.

De tegenstanders van directe democratie zijn het hiermee oneens. Volgens hen is het referendum helemaal geen manier om het volk macht te geven, maar een slinkse manier om het volk te manipuleren. Het referendum is een instrument van ‘dictators en demagogen’, om de woorden van Margaret Thatcher te gebruiken. Complexe politieke vraagstukken worden gevaarlijk versimpeld, wat dikwijls leidt tot een onsamenhangend beleid, want bij referenda worden vraagstukken geïsoleerd en kunnen mensen maatregelen goedkeuren die met elkaar in tegenspraak zijn.

Ik ga geen pleidooi houden voor of tegen directe democratie. In plaats daarvan wil ik beargumenteren dat in een politiek stelsel als de EU, waar sprake is van veel gedeeld beleid, veel minder sprake is van een gedeelde politiek. Niemand kan verhinderen dat in lidstaten wordt gestemd over onderwerpen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor andere lidstaten, en een tsunami aan referenda is de snelste manier om de unie onbestuurbaar te maken. Een dergelijke tsunami kan zelfs leiden tot een bankrun, wat het uiteenvallen van de unie in een stroomversnelling kan brengen. Europa kan niet bestaan als unie van referenda, want de EU is een plek voor onderhandelingen, terwijl de uitspraak van een referendum verder onderhandelen uitsluit. Een referendum is dan ook een politiek instrument dat eenvoudig kan worden misbruikt door zowel Eurosceptische minderheden als europessimistische overheden om het werk van de unie te saboteren. Als de EU zelfmoord pleegt is dat vermoedelijk met behulp van een referendum of een serie referenda. Een harde klap kan het onvoorstelbare in angstaanjagend tempo dichterbij brengen. Dat is precies wat er is gebeurd toen de Engelsen stemden vóór uittreding.

De keuze voor de Brexit zond een schokgolf over de wereld, bracht de financiële markten in beroering, joeg politieke leiders angst aan en leidde tot vergaande debatten. De dag voor de Brexit werd er nog over gediscussieerd welk land als eerste zou mogen toetreden tot de EU, de dag na de Brexit was het de vraag wie er als eerste uit zou stappen.

Hoewel pessimisten terecht vrezen dat de EU ten onder zal gaan aan referenda, hebben ze de verkeerde referenda voor ogen. Na de Brexit zagen we een groeiend verlangen onder Europeanen naar een binair referendum – blijven of vertrekken –, maar uit peilingen blijkt dat in de meeste Europese landen de roep om zo’n beslissende volksraadpleging is afgenomen. In de meeste lidstaten is het vrij onwaarschijnlijk dat er zo’n zwart-wit referendum zal worden gehouden.

We zouden ons niet moeten blindstaren op een Brexit-achtig referendum, maar moeten kijken naar drie andere referenda die in 2016 zijn gehouden. Laten we ze de The Brave, The Mean en de The Ugly noemen, met een knipoog naar Sergio Leone’s klassieke spaghettiwestern.

The Brave (De Dapperen)

Het had geen verrassing hoeven zijn dat Matteo Renzi in 2016 een referendum wilde houden. Vijf jaar nadat de financiële markten en het opperbevel in Brussel hadden besloten Silvio Berlusconi uit de macht te ontzetten, was Italië nog altijd een van de voornaamste slachtoffers van de crisis binnen de EU. De Italiaanse economie was vastgelopen en met name de banken waren kwetsbaar. Het Italiaanse politieke bestel was nog altijd gepolariseerd en ineffectief, en werd geconfronteerd met het politieke protest van de excentrieke Vijfsterrenbeweging, die sterk in opkomst was. Tegelijkertijd was het land voor veel vluchtelingen en migranten de poort tot Europa. Het wekt nauwelijks verbazing dat in een land waar politieke beslissingen vaak werden genomen aan de hand van een referendum, de jonge, nieuwe premier in de verleiding kwam de stem van het volk te gebruiken om zowel politiek draagvlak te verwerven als om het politieke bestel te hervormen en de effectiviteit van het besluitvormingsmodel te vergroten.

Op 4 december 2016 stemde meer dan 65 procent van de kiesgerechtigden; 59 procent stemde ‘nee’ en bijna 41 procent ‘ja’. Renzi’s hervormingsvoorstel haalde het niet en hij zag zich genoodzaakt af te treden. Op de dag van de stemming had Italië veel weg van een patiënt die vlak voor zijn operatie besluit het ziekenhuis te verlaten. Door de nederlaag van de regering hadden de financiële markten er nog minder vertrouwen in dat Italië de crisis het hoofd zou kunnen bieden. Zo verzwakte Italiës onderhandelingspositie in Brussel, en het was olie op het vuur van het europessimisme op het hele continent. Om de woorden te gebruiken van Marine Le Pen, van het extreemrechtse Front National in Frankrijk: ‘Na het Griekse referendum en de Brexit voegt het Nee van Italië een nieuw volk toe aan de lijst van hen die genoeg hebben van deze krankzinnige Europese politiek die het hele continent in de armoede stort.’

Renzi’s mislukte referendum maakt één ding duidelijk: binnen de context van de huidige Europese crisis, waar burgers het vertrouwen zijn verloren in democratische instituten en waar overheden worden gezien als de vijand van het volk, lijkt elke poging om het referendum te gebruiken om draagvlak te creëren voor hervormingen, gedoemd te mislukken.

The Mean (De Slechteriken)

In 2015 nam de Nederlandse regering een nieuwe referendumwet aan. Burgers kunnen om een raadgevende volksraadpleging vragen aangaande wetten die door beide kamers zijn gekomen. Er zijn driehonderdduizend handtekeningen nodig voor een ‘raadgevend referendum’ over wetten en overeenkomsten met een ‘controversieel karakter’.

Een aantal Eurosceptische organisaties greep deze kans met beiden handen aan en zamelde handtekeningen in. Het waren er genoeg – meer dan 42.000 – om een referendum te houden over de vraag: ‘Bent u voor of tegen de wet tot goedkeuring van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne?’ De opkomst was een schamele 32 procent, waarvan 61 procent zich uitsprak tegen de overeenkomst. Hoewel het een raadgevend, niet bindend referendum betrof, verleende de opkomst van net boven de dertig procent en het feit dat een meerderheid tegen stemde, het een zekere legitimiteit. Wat deed het ertoe dat het ging om een kwestie die voor de overgrote meerderheid helemaal niet speelde? (Het was volkomen duidelijk dat buiten de regering vrijwel niemand het tweeduizend pagina’s tellende verdrag had gelezen). Desondanks zette de uitkomst de regering ertoe aan haar standpunt te herzien en vraagtekens te plaatsen bij de broze consensus binnen Europa aangaande Oekraïne. De trieste conclusie is dat het Nederlandse referendum pijnlijk duidelijk heeft gemaakt dat stemmen kunnen worden gekaapt door Eurosceptische minderheden, die ze vervolgens tactisch inzetten om het proces van collectieve besluitvorming in Brussel lam te leggen door pro-Europese regeringen te dwingen zich sterk te maken voor kwesties die de bevolking niet direct raken.

The Ugly (De Lelijkerds)

Wie in de zomer en herfst van 2016 een bezoek bracht aan Hongarije, kon er niet omheen: overal in het land had de regering borden laten plaatsen met het blauw van de Europese vlag en de vraag: ‘Wist u dat?’

Het anti-immigratieoffensief van de regerende Fidesz-partij had een ongekende pr-campagne in gang gezet. De bevolking kreeg duizenden door de overheid gesponsorde borden te zien, met teksten als: ‘Wist u dat sinds het begin van de immigratiecrisis in Europa meer dan driehonderd mensen het slachtoffer zijn geworden van een terroristische aanslag?’ ‘Wist u dat Brussel een hele stadsbevolking aan illegale migranten in Hongarije wil huisvesten?’ ‘Wist u dat sinds het begin van de migrantencrisis in Europa het aantal vrouwen dat wordt lastiggevallen drastisch is toegenomen?’ ‘Wist u dat de aanslagen in Parijs door migranten zijn gepleegd?’ ‘Wist u dat er alleen al een miljoen migranten via Libië naar Europa willen komen?’ De Hongaarse regering wilde dat de inwoners zich bewust zouden zijn van deze ‘feiten’ wanneer ze op 2 oktober antwoord moesten geven op de vraag: ‘Wilt u dat de Europese Unie het recht heeft om een verplichte vestiging van niet-Hongaarse burgers voor te schrijven zonder de instemming van het parlement?’

Om haar doel te bereiken stak de Hongaarse regering (volgens gegevens van website atlatszo.hu) bijna vijftig miljoen aan publieke gelden in de campagne, en de Hongaarse televisie besteedde vijfennegentig procent van de campagnetijd aan het herhalen van de boodschap van de regering. Het wrange is dat de overheid zo kwistig kon zijn dankzij de miljarden euro’s die het land binnenstromen vanuit… Brussel. De uitslag van het referendum was een schok voor de regering. Hoewel meer dan negentig procent van de mensen die hun stem hadden uitgebracht achter de regering stond, was het overgrote deel van de bevolking thuisgebleven (op advies van de oppositie). Vele anderen hadden een blanco stem uitgebracht (tweehonderdduizend stuks). De Partij van de Tweestaartige Hond (MKKP), een groep grapjassen die samen met tweeëntwintig ngo’s de voornaamste oppositie vormden tijdens de campagne, lacht uiteindelijk misschien wel als laatste: het aantal uitgebrachte stemmen is onvoldoende om de uitslag geldig te verklaren.

Hoewel de uitslag in dit geval niet doorslaggevend is, maakt de Hongaarse stemming duidelijk hoe een referendum kan worden gebruikt als een ‘landelijk veto’ om de implementatie te dwarsbomen van overeengekomen, gemeenschappelijk Europees beleid. Samen met de stemmingen in Italië en Nederland maakt dit duidelijk dat de referendumproblematiek Europa weleens noodlottig zou kunnen worden. Deze vorm van directe democratie zou de genadeklap kunnen zijn voor de Europese Unie.

Zelfs EU-gezinde analisten lijken het erover eens dat de unie misschien wel overeind blijft, maar dan niet met de huidige grenzen en niet binnen het huidige constitutionele kader

Voor Europeanen was de Europese Unie een natuurlijke habitat. Dat is niet langer het geval. In 1917 werd de hele Europese geschiedenis op zijn kop gezet. Het was het begin van de grote burgeroorlog waaraan pas in 1989 een einde kwam. Het jaar 2017 zou weleens net zo beslissend kunnen worden. Cruciale verkiezingen in Frankrijk, Duitsland en waarschijnlijk ook Italië kunnen het uiteenvallen van Europa bespoedigen. In 2017 kan Griekenland besluiten uit de euro te stappen. Een grote terroristische aanslag in een Europese hoofdstad, of een gewapend conflict en een nieuwe golf vluchtelingen, zou de unie aan de rand van de afgrond kunnen brengen. De Brexit en de verkiezing van Donald Trump hebben alle voorspellingen over de toekomst van Europa gekeerd – en niet ten gunste van Europa. Tot voor kort werd het ondenkbaar geacht dat Europa uiteen zou kunnen vallen, na de Brexit is het (volgens velen) bijna onvermijdelijk. Europa is uiteengeslagen door de opkomst van populistische partijen, overal op het continent, en door de migrantencrisis hebben de liberale democratieën een ander karakter gekregen.

Op veel plekken in Europa neemt de angst toe dat de golf van populisme niet kan worden gekeerd. Op de dag dat Donald Trump werd ingezworen als president van de Verenigde Staten, verkondigde Marine Le Pen, de leider van de Franse extreemrechtse partij: ‘De Europese Unie is dood, al heeft ze het nog niet door.’

Maar is dat wel zo?

Je zou kunnen stellen dat de Europese Unie (zoals wij die kenden) niet langer bestaat. Wie slim is, zet zijn geld niet in op de EU. En zelfs EU-gezinde analisten lijken het erover eens dat de unie misschien wel overeind blijft, maar dan niet met de huidige grenzen en niet binnen het huidige constitutionele kader. Maar wil dat ook zeggen dat het project Europa ten einde is? Moeten Europa-gezinde liberalen de moed opgeven?

De Europese Unie verkeert in zwaar weer, wordt geteisterd door talloze crises die bij burgers over het hele continent het vertrouwen ondermijnen in de toekomst van dit project. Het uiteenvallen van de Unie is dan ook een van de meest waarschijnlijke scenario’s.

Maar de ironie van het lot wil dat er in 2017 nieuwe hoop opdoemt, die er in 2016 niet was. Niemand had de Brexit of de uitslag van de Amerikaanse verkiezingen kunnen voorzien. De schok van deze twee, samenhangende, gebeurtenissen maakte duidelijk dat we de wereld veel minder goed begrijpen dan we dachten. In 2017 liggen de kaarten dan ook heel anders. Niet alleen zijn we ons ervan bewust dat het ondenkbare zou kunnen gebeuren, we houden er zelfs rekening mee. We zijn bang dat Marine Le Pen de nieuwe Franse president wordt (wat waarschijnlijk het einde van de EU zou betekenen), en dat Merkel haar langste tijd in de Duitse politiek heeft gehad. Het zou allemaal echt kunnen gebeuren, maar waarschijnlijk is het niet. Hoewel populistische partijen het vrijwel overal goed doen, zullen ze niet overal winnen. Na de Brexit is in de grote lidstaten het aantal mensen dat wil uittreden, afgenomen. Het is heel goed mogelijk dat de Europese bevolking meer vertrouwen in de EU heeft gekregen, niet omdat de EU beter is gaan functioneren, maar domweg omdat ze het heeft overleefd.

In werkelijkheid hebben vooral de verschillende crises, en niet zozeer de maatregelen uit Brussel, bijgedragen aan het gevoel dat we allemaal tot één Europese, politieke gemeenschap behoren. In reactie op de eurocrisis, het vluchtelingenvraagstuk en de toenemende terroristische dreiging is Europa nu veel meer een eenheid dan ooit tevoren, zeker waar het gaat over economie en veiligheid.

Wie goed kijkt naar de geschiedenis van politieke versplintering merkt dat de sleutel is gelegen in voortdurende bijstelling. Flexibiliteit – en niet starheid – is wat Europa overeind zou kunnen houden. Terwijl de meeste waarnemers zich afvragen hoe het populisme kan worden overwonnen, is volgens mij de relevantere vraag hoe we moeten omgaan met de bijbehorende corruptie. Een bereidheid om compromissen te sluiten vergroot de overlevingskansen van de EU. Ruimte voor verzoening zou een prioriteit moeten zijn. De EU zou niet moeten proberen om zijn vele vijanden te verslaan, maar om ze uit te putten, en zich ondertussen delen toe te eigenen van hun politieke streven (zoals de roep om goed bewaakte buitengrenzen) of zelfs van hun opvattingen (vrijhandel is niet per se een win-winsituatie). Alleen in slechte geschiedenisboeken is vooruitgang een lineair proces.

In zijn boek The Anatomy of a Moment vertelt de Spaanse schrijver Javier Cercas het verhaal van de mislukte antidemocratische coup in Spanje in 1981. Daarbij bestormden tweehonderd officieren onder aanvoering van luitenant-kolonel Antonio Tejero het Congres en dreigden ze parlementsleden neer te schieten. Iedereen dook weg onder de banken, op drie mensen na, die op hun stoel bleven zitten terwijl de kogels om hun oren floten. Met een ongekend vertoon van moed wisten ze de couppoging te verijdelen.

De drie helden van de democratie waren onwaarschijnlijke bondgenoten: premier Adolfo Suárez, een politicus die tijdens Franco’s dictatuur was opgeklommen; Santiago Carrillo, de leider van de Spaanse communistische partij, die jaren had gestreden tegen de misstanden binnen de kapitalistische democratie; en generaal Gutiérrez Mellado, een officier die tijdens de burgeroorlog zijn leven op het spel had gezet in de strijd tegen de democratie. Vóór die cruciale dag had niemand ooit kunnen denken dat deze drie de coupplegers zouden trotseren en zodoende de Spaanse democratie in leven zouden houden. Maar toch liep het zo.

Overleven heeft wel iets weg van een gedicht: zelfs de dichter weet pas aan het einde hoe het afloopt.


Deel dit artikel


Recent verschenen