toen amerika nog van mcdonalds hield


Het gaat slecht met McDonald’s, en dat is voor de Amerikanen misschien maar beter ook. Toch bewaart ex-werknemer Paul Smalera warme herinneringen aan het fastfoodbedrijf.

Hoe houd je een lofrede op een fastfoodketen die nog niet helemaal ter ziele is, die de oorzaak is van vele persoonlijke en publieke kwalen van onze wereld, maar die wel ooit het blinkende baken was boven de metaforische stralende stad op de heuvel van president Reagan?

Stel je eens een wereld voor zonder Big Macs. Zo onwerkelijk is dat niet: de omzet van McDonald’s blijft dalen en na de doorgevoerde veranderingen zitten er alweer nieuwe veranderingen aan te komen. Het is eerder moeilijk je een tijd voor te stellen waarin het restaurant nog symbool stond voor Amerika. Toch heeft die tijd echt bestaan.

Ik wil hier geen lofrede op McDonald’s houden, maar echt begraven wil ik de keten ook niet. Want voor ieder kind dat in de jaren tachtig en negentig is opgegroeid in Amerika was McDonald’s de Absolute Traktatie. Vooral als je onder de tien was. Als je lief was geweest in het winkelcentrum (nog zo’n uitstervend fenomeen) terwijl mama met kortingsbonnen in de hand door de warenhuizen racete, kreeg je een Happy Meal. Bij de drive-in, na schooltijd, als mama nachtdienst had als datatypiste en geen tijd had om voor papa en jou te koken. Kipnuggets voor jou, en voor papa, die op weg naar huis was na een lange dag werken in de machinefabriek, een Big Mac. Langs de snelweg, tijdens die gruwelijke vakantieritten de oostkust op en neer, in de tijd dat nog niet iedereen overal heen vloog… tja, wat was het toen? Een cheeseburger misschien, of een exotische delicatesse als een McPizza of een punt gefrituurde appeltaart en een beker decafé.

Voor ieder kind dat opgroeide in de jaren tachtig en negentig was McDonald’s de Absolute Traktatie

Tuurlijk, af en toe stak ook Burger King zijn hoofd om het hoekje, maar McDonald’s bleef je van het. En toen ik op mijn vijftiende tevergeefs mijn hele arbeidersstadje in New Jersey had afgeschuimd op zoek naar een bijbaantje – in het pizzarestaurant, de bowlingbaan, de videotheek en zelfs bij vrienden die ouders hadden met een eigen bedrijfje – was het Al Garcia, een Cubaanse emigrant die die me er een bezorgde. Hij reed in een bejaarde witte BMW en bezat twee McDonald’s-restaurants in de twee stadjes die grensden aan het mijne.

© Mike Mozart
© Mike Mozart

Ik draaide vier diensten per week van drie uur ’s middags tot elf uur ’s avonds, met soms ook nog een weekenddienst. Geen wonder dat mijn schoolcijfers eronder leden. Maar verder stak ik er heel wat van op. Ik leerde Frans van de Haïtianen in de keuken, Spaans van de bedrijfsleiders en schoonmakers en zelfs wat Arabisch van een klein vrouwtje, Aisha, uit Egypte; ik paste als blanke jongen volmaakt in het geheel, omdat ik het baantje even hard nodig had als zij, al was het alleen maar om mijn gevoel van vrijheid, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid te ontwikkelen.

Ik leerde alles over de voedselbereiding door naar de posters te kijken

De voedselbereiding was zo eenvoudig dat iedereen het kon leren. Ik leerde alles al tijdens mijn eerste dienst, gewoon door naar de posters op de muren te kijken. De grootste uitdaging was om de spitsuren bij te houden. Het bedrijfshandboek schreef voor dat de vaste items van de menukaart – hamburgers, cheeseburgers, Quarter Pounders, Big Macs, McChickens, frietjes, nuggets en later de jammerlijk mislukte Arch Deluxe-lijn – te allen tijde in voldoende mate warm en serveerklaar moesten zijn en na dertien minuten weer weggegooid moesten worden.

In werkelijkheid zou het volslagen krankzinnig zijn geweest om op die manier een bedrijf te runnen. Zodoende werd het bereide vlees urenlang in stoomkasten bewaard en werden alleen de broodjes op afroep geroosterd. Dat ging prima zolang er maar één klant tegelijk binnenwandelde. Maar als er dan nog een kwam, en nog een, dan was het plotseling alle hens aan dek. De hemel helpe de onvoorbereiden.

© C. Hollingworth
© C. Hollingworth

Op mijn eerste dag werd ik achter het tweede doorrijloket gezet, waar ik de bestellingen moest opnemen en zorgen dat de auto’s doorstroomden. Ik werkte veel, veel harder en efficiënter dan voor iemand goed was, in het bijzonder voor mezelf. Ik zette de rest van het personeel onbedoeld voor schut en begon de voorraad servetten, ketchup en bekers van het doorrijstation naar eigen inzicht aan te passen terwijl ik de ene na de andere bestelling doorgaf die oplichtte op het groene computerscherm boven de fristapinstallatie.

De bedrijfsleider sloeg het met verbazing gade. Ik was tenslotte zijn jongste aanwinst. Het kostte weken voordat ik die nachtmerrieachtige post kon verlaten, waar de chaos elk moment kon uitbreken en ik afhankelijk was van zo veel andere minimumloners voor de aanvoer, verpakking en overhandiging van de etenswaren, en desondanks elke stremming in de rij auto’s mij in de schoenen werd geschoven, en niemand anders.

‘Paul, je ziet er goed uit! Ben je een paar pondjes afgevallen?’

Algauw werd een halfgevulde zak met McDonald’s-resten een vertrouwde verschijning in de groentela van onze koelkast. Of twee zakken, of drie. Onze lunch bestond voortaan uit McDonald’s-resten. Die waren gratis! Ze smaakten prima, als je ze een beetje opwarmde. De beloning, de Absolute Traktatie, werd dagelijkse kost, afgezaagd. En dat is eigenlijk wat zo’n beetje in heel Amerika is gebeurd, terwijl ons obesitasniveau steeg ten koste van onze levensfuncties.

Ondanks mijn gestaag toenemende broekmaat begroette Al me elke keer wanneer hij in het restaurant was, meestal een paar keer per week aan het begin van mijn dienst, met een klap op mijn schouder: ‘Paul, je ziet er goed uit! Ben je een paar pondjes afgevallen?’ Niets kon het hart van een snelgroeiende tiener – zowel in horizontale als verticale richting – meer verwarmen.

Mijn vader verwachtte toen hij ’s avonds om elf uur in de grijze Chevy S-10 Blazer (die later mijn eerste auto zou woden) op het einde van mijn eerste werkdag op me wachtte niets anders dan dat hij me naar huis zou brengen. Maar ik kwam naar buiten lopen met een enorme zak vol onverkochte cheeseburgers, kipnuggets en frietjes die we die avond aan de keukentafel naar binnen werkten onder het toeziend oog van mijn moeder, op wier gezicht misprijzen en trots om voorrang streden. Haar zoon werd een man van de wereld.

Ontslagen

Mijn date voor mijn eerste schoolfeest was een collega uit een belendend stadje, een meisje dat ik zonder mijn baantje nooit ontmoet zou hebben en met wie ik normaliter nooit een woord zou hebben durven wisselen, vooral vanwege haar oogverblindende schoonheid. Maar dankzij de lange uren voor het milkshakeapparaat en achter het formicabuffet had ik haar voor me weten te winnen.

Ten slotte werd ik via het antwoordapparaat ontslagen door de bedrijfsleider. Ik was best een slim ventje, maar te eigenwijs. Toen ik hem uitlegde dat al het eten dat we verkochten een lokkertje was voor de uiterst profijtelijke frisdranken die in die tijd in reuzenbekers werden verkocht, was hij gefascineerd omdat zijn gedachten over een economische bedrijfsvoering zich tot dan toe hadden beperkt tot de dagelijkse omzet; maar hij voelde zich ook bedreigd. Ik had de les van die eerste dag achter het tweede loket niet ter harte genomen: ik had hem voor schut gezet.

Daarna kwam ik nauwelijks meer bij McDonald’s. Ik had nog wel een serieuze relatie met Burger King op de campus van mijn universiteit, en ik vocht een decenniumlange ruzie uit met mijn lichaamsgewicht waaraan pas een einde kwam toen ik alle kant-en-klaarproducten taboe verklaarde en dagelijks op de weegschaal ging staan.

De aardappels die ik thuis bak hebben geen olie met ontschuimende werking nodig

De tijden zijn veranderd: een vriend vertelde me dat zijn vrouw tegen hun peuter zegt dat eten van McDonald’s ‘puur vergif’ is, en het bedrijf vult steeds minder onze nationale en zelfs wereldwijde maag. Zelfs een video waarin McDonald’s in een poging tot transparantie uitlegt dat het merendeel van de negentien ingrediënten van hun Franse frietjes uit chemische componenten bestaat die in het mengsel van zonnebloemolie en raapzaadolie zitten waarin ze worden gebakken, is aan dovemansoren gericht.

De aardappels die ik thuis bak hebben geen olie met ontschuimende werking nodig, of een chemische stof ‘die voorkomt dat ze grijs worden’. Goddank zijn onze maatstaven op het gebied van versheid, kwaliteit en smaak vermoedelijk uitgestegen boven de ongelooflijk ingewikkelde logistieke vereisten om een keten als McDonald’s overal op de wereld homogeen laten opereren. Maar er was eens een tijd…


De laatste keer dat ik Al zag, was toen ik mijn twee bedrijfsshirts en mijn petje terug ging brengen, samen met mijn verzameling buttons die met mijn naamplaatje keurig op mijn shirt hadden gezeten en die bedoeld waren om producten aan te prijzen en te getuigen van welwillendheid en servicegerichtheid.

Met McDonald’s had ik het gehad, zoals heel Amerika het momenteel met McDonald’s gehad lijkt te hebben, en ik wilde zo snel mogelijk vergeten dat ik er ooit zelfs maar binnen was geweest. Al vroeg of ik misschien weer wilde komen werken, maar dat sloeg ik af. ‘Nee, nee, wacht even,’ zei hij toen ik voor de laatste keer via de achteruitgang naar buiten wilde gaan. ‘Die buttons en het naamplaatje, die mag je houden. Voor altijd.’

Ik heb ze nog steeds.

Auteur: Paul Smalera
Vertaler: Peter Bergsma

Quartz
Verenigde Staten, website, qz.com
Deze ‘web-app’ werd in 2012 opgericht door onlinefanaten die met dit portal in willen spelen op de nieuwe wereld, ontstaan na de wereldwijde financiële crisis. De redactie hecht aan eigentijdse criteria als transparantie en vernieuwing en wil de ‘voordelen van een vrij toegankelijk web combineren met de elegantie van een applicatie’. Gericht op economie en technologie.


Deel dit artikel


Recent verschenen