valt de wereld nog te redden


Terwijl de ijskappen afbrokkelen en Twitterpresident Trump zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, vraagt de Amerikaanse bestsellerauteur Jonathan Franzen zich af wat zijn rol als schrijver kan zijn in tijden van crisis.

Keuze uit het archief

Recent verscheen het nieuwe boek van de toonaangevende Amerikaanse auteur Jonathan Franzen: Crossroads (Kruispunt, in vertaling van Peter Abelsen). In 2017 schreef Franzen voor The Guardian een doorwrocht essay over zijn eigen schrijverschap, de democratische crisis in de Amerikaanse samenleving, de destructieve rol van sociale media en de klimaatcrisis. Wat hij zich vooral afvroeg: wat kan een schrijver (ik) hieraan doen?

Als we kijken naar de oorsprong van het woord essay – afkomstig van het Oudfranse essai, proef – dan gaat het om iets onderzoekends, iets voorlopigs, een tekst waarin niet het laatste woord over een kwestie wordt gesproken; een tekst op grond van de persoonlijke, subjectieve ervaringen van de auteur – misschien leven we momenteel wel in de gouden eeuw van de essayistiek. Naar welk feestje je vrijdagavond bent geweest, hoe je bent behandeld door een stewardess, hoe jij tegen de politieke waan van de dag aankijkt: social media stoelen op de gedachte dat zelfs het allerkleinste verhaal het waard is om niet alleen te worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een dagboek, maar ook om te worden gedeeld met anderen. De president van de Verenigde Staten handelt ook vanuit die gedachte.

Traditioneel nuchtere journalistiek, zoals te vinden in bijvoorbeeld The New York Times, biedt inmiddels ook volop ruimte aan het ik, met de daarbij horende stemmen en meningen en impressies, en ook literair recensenten voelen zich minder en minder genoodzaakt een zekere mate van objectiviteit te betrachten. Vroeger deed het weinig ter zake of Raskolnikov en Lily Bart sympathieke personages waren, maar de vraag of iemand sympathiek is – waarbij impliciet de gevoelens van de recensent gewicht krijgen – speelt tegenwoordig een cruciale rol binnen de literaire kritiek. Literaire fictie krijgt steeds meer weg van een essay.

In enkele van de meest invloedrijke romans van de afgelopen jaren, van Rachel Cusk en Karl Ove Knausgard, wordt het perspectief van de ik-verteller die op zichzelf reflecteert naar een hoger plan getild. De echte fans van dit genre zullen zeggen dat verbeelding en vernieuwing niet meer van deze tijd zijn; dat het een vorm is van appropriation, om niet te zeggen kolonisering, om je de subjectiviteit toe te eigenen van een personage dat anders is dan de auteur, dat de autobiografie de enige authentieke, en politiek verantwoorde manier van vertellen is.

Ondertussen is het persoonlijke essay – dat serieuze literaire genre waarin sprake is van oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed, in het leven geroepen door Montaigne en verder ontwikkeld door Emerson, Woolf en Baldwin – op zijn retour. Er zijn vrijwel geen grote Amerikaanse tijdschriften waarin nog echte, onversneden essays worden gepubliceerd. Het essay houdt voornamelijk stand in kleine publicaties die meestal minder lezers hebben dan Margaret Atwood volgers heeft op Twitter. Moeten we rouwig zijn om het uitsterven van het essay? Of moeten we blij zijn dat het essay de cultuur in bredere zin heeft veroverd?

Essayistiek

Een persoonlijk en subjectief microverhaal: de paar dingen die ik heb geleerd over het schrijven van essays zijn allemaal lessen geweest van mijn redacteur bij The New Yorker, Henry Finder. Ik klopte bij Henry aan in 1994, als aanstormend journalist in geldnood. Het was deels een kwestie van geluk dat ik een publicabel artikel kon leveren over de US Postal Service. Later schreef ik, door narratieve onkunde, een stuk over de Sierra Club dat niet voor publicatie geschikt was. Dat was het moment waarop Henry zei dat ik misschien wel enige aanleg had voor de essayistiek. Wat ik vooral in zijn woorden hoorde was: ‘omdat je duidelijk een journalist van niks bent’. Ik weerlegde zijn opmerking dat ik aanleg zou hebben voor essayistiek. Ik was opgegroeid in het Midwesten, waar je vooral niet te veel over je zelf moet ouwehoeren, en daarnaast had ik bepaalde vooroordelen, ingegeven door bepaalde misvattingen over romans. Ik was van mening dat je de dingen beter kon uitbeelden dan beschrijven. Maar goed, ik had geld nodig, dus ik bleef Henry aan zijn kop zeuren of ik recensies mocht schrijven. Een van die keren vroeg hij me of ik geïnteresseerd was in de tabaksindustrie – waar Richard Kluger net een omvangrijke studie over had geschreven. Ik reageerde meteen met: ‘Sigaretten zijn echt wel het laatste waaraan ik wil denken.’ Waarop Henry ogenblikkelijk reageerde met: ‘Daarom moet je er juist over schrijven.’

Dat was de eerste les van Henry, en meteen ook de belangrijkste. Nadat ik een jaar of tien had gerookt, was ik erin geslaagd om twee jaar te stoppen toen ik begin dertig was. Maar toen ik dat US Postal Service-stuk mocht schrijven, en met het zweet in mijn handen de telefoon moest pakken om mezelf te introduceren als een verslaggever van The New Yorker, was ik weer gaan roken. In de jaren die volgden, slaagde ik erin mezelf te zien als iemand die niet rookte, of in ieder geval iemand die zo vastbesloten was om weer te stoppen dat ik feitelijk geen roker was – maar ondertussen rookte ik wel. Mijn gemoedstoestand was een soort kwantumgolffunctie waarin ik tegelijkertijd een roker en een niet-roker kon zijn, zolang ik mezelf maar niet de maat nam. En het was zonneklaar dat ik gedwongen zou worden mezelf de maat te nemen zodra ik over sigaretten zou gaan schrijven. Want zo gaat dat met essays.

Nog los van dit alles was er mijn moeder, die haar vader had verloren aan longkanker, en die altijd fel tegen roken gekant was geweest. Ik had vijftien jaar lang voor haar verborgen weten te houden dat ik rookte. Een van de redenen dat ik mijn schimmige staat van roker/niet-roker in stand moest zien houden, was dat ik het vervelend vond om tegen haar te liegen. Zodra het met zou lukken om weer te stoppen, en dan voorgoed, zou de golffunctie ineenstorten en zou ik, honderd procent zeker, de niet-roker zijn die ik altijd had voorgewend te zijn – maar die vlieger ging natuurlijk niet meer op als ik eerst, zwart op wit, moest opbiechten dat ik rookte.

Henry was een wonderkind van ergens in de twintig toen Tina Brown hem had aangenomen, bij The New Yorker. Hij had een heel aparte manier van praten, een beetje afgeknepen, een soort overdreven gearticuleerd gemompel, als een tekst die nauwgezet is geredigeerd maar toch nauwelijks valt te lezen. Ik was onder de indruk van zijn intelligentie en zijn erudiete en na niet al te lange tijd leefde ik in een voortdurende angst hem teleur te stellen. Door de hartstochtelijke nadruk die Henry had gelegd in zijn opmerking ‘Daarom moet je er juist over schrijven’ – hij was de enige spreker van wie ik zoiets kon hebben, het beklemtoonde eerste woord ‘daarom’ gevolgd door het gebiedende ‘moet’ – durfde ik een bescheiden hoop te koesteren dat hij op een bepaalde manier notie van mij had genomen.

En zo begon ik aan mijn essay en pafte elke dag een half pakje lichte sigaretten weg, gezeten voor een ventilator in de vensterbank van mijn woonkamer. Na afloop gaf ik Henry het enige stuk dat ik ooit voor hem heb geschreven dat geen redactie behoefde. Ik weet niet meer hoe mijn moeder het stuk in handen had gekregen en hoe ze me duidelijk maakte dat ze zich intens verraden voelde, of ze me een brief schreef of dat ze me belde, ik weet alleen nog dat ze zes weken lang elk contact meed – verreweg de langste stilte waarmee ze me ooit heeft gestraft. Het ging precies zoals ik had gevreesd. Maar toen ze er dan eindelijk overheen was en me weer brieven schreef, voelde ik me echt gezien, gezien als wie ik echt was, op een manier die nieuw voor me was. Het punt was nog niet eens dat ik mijn ‘ware’ zelf voor haar verborgen had gehouden; het punt was dat er eigenlijk helemaal nooit sprake leek te zijn geweest van een waar zelf.

Drukbezette mens

In Of/Of drijft Kierkegaard de spot met de ‘drukbezette mens’ voor wie druk zijn een manier is om maar niet eerlijk naar zichzelf te hoeven kijken. Misschien word je midden in de nacht wakker en voel je je op dat moment heel alleen in je huwelijk, of bedenk je dat je toch eens een kritisch moet kijken naar de milieuschade van je consumptiepatroon, maar de volgende ochtend heb je van alles en nog wat te doen. Zolang er oneindig veel kleine dingetjes om aandacht vragen, kun je de grotere vragen uit de weg gaan. Het schrijven of het lezen van een essay is natuurlijk niet de enige manier om even pas op de plaats te maken en je af te vragen wie je nou eigenlijk bent en wat de zin van je leven zou kunnen zijn, maar het is wel een goede manier. En als je bedenkt hoe lachwekkend gezapig het Kopenhagen van Kierkegaard moet zijn geweest, in vergelijking met onze moderne tijd, dan lijken die subjectieve tweets en haastige blogposts lang niet meer zo essayistisch. Ze lijken eerder een manier om weg te lopen voor de dingen waar een echt essay ons mee zou kunnen confronteren. We lezen de hele dag door, op verschillende schermen, we lezen dingen die ons in een echt boek niet zouden boeien, en vervolgens klagen we dat we het zo druk hebben.

In 1997 ben ik voor de tweede keer gestopt met roken. En vervolgens, in 2002, voor de laatste keer. En daarna, in 2003, voor de allerlaatste keer – tenzij je de rookloze nicotine meetelt die door mijn bloedbaan trekt terwijl ik dit schrijf. Dat ik probeer een integer essay te schrijven verandert niets aan het gegeven van de meerdere ikken: ik ben nog altijd zowel een verslaafde met een reptielenbrein, als iemand die piekert over zijn gezondheid, als een eeuwige puber, als iemand die kampt met depressies en die aan zelfmedicatie doet. Wat er ondertussen verandert, realiseer ik me als ik even de tijd neem om erbij stil te staan, is dat mijn zelf, dat uit meerdere identiteiten bestaat, iets steviger wordt.

Een deel van het mysterie van literatuur is dat zowel voor de schrijver als voor de lezer het wézen van de betrokkenen zich buiten hun beider lichaam bevindt, op een pagina, wat voor vorm die ook aanneemt. Hoe kan ik het gevoel hebben dat ik waarachtiger ben in mijn teksten dan in mijn lichaam? Hoe kan het dat ik me meer verwant voel met iemand wanneer ik haar woorden lees dan wanneer ik naast haar zit? Het antwoord is er deels in gelegen dat zowel lezen als schrijven volledige aandacht vereisen. Maar het heeft ongetwijfeld ook te maken met een soort ordening die alleen op papier mogelijk is.

A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump

Dit is misschien het moment om twee andere lessen van Henry Finder te vermelden. Een van die lessen luidde dat elk essay, ook een opiniestuk, een verhaal vertelt. De andere les was dat er maar twee manieren zijn om materiaal te ordenen: ‘soort bij soort’ en ‘a leidt tot b’. Deze regels lijken misschien nogal voor de hand liggend, maar wie geregeld essays leest van studenten of middelbare scholieren weet dat het lang niet altijd zo eenvoudig is. Mij was ook niet helemaal duidelijk dat een opiniestuk de regels van een narratief dient te volgen. Maar zeg nou zelf: begint een goede discussie niet vrijwel altijd met het poneren van een ingewikkeld probleem? En wordt er niet vervolgens een onconventionele oplossing aangedragen, waarna er obstakels voor het voetlicht worden gebracht in de vorm van bezwaren en tegenargumenten, waarna we tot slot, via een reeks omkeringen, naar een onverwachte maar bevredigende oplossing worden geleid?

Wie meegaat in Henry’s aanname dat geslaagd proza bestaat uit materiaal dat is geordend in een verhaalvorm, en wie mijn overtuiging deelt dat onze identiteit is opgebouwd uit de verhalen die we over onszelf vertellen, zal het er vermoedelijk mee eens zijn dat het proces van schrijven en het genoegen van lezen ons dicht in de buurt van iemands wezen brengen. Wanneer ik alleen door het bos loop, of met iemand zit te eten, word ik overspoeld door een enorme hoeveelheid willekeurige, zintuigelijke informatie. Door het proces van schrijven valt dat vrijwel allemaal weg, totdat enkel nog alfabet en leestekens resten, en de willekeur steeds verder naar de achtergrond wordt gedrongen. Het kan gebeuren dat je, bij het ordenen van de elementen van een vertrouwd verhaal, tot de ontdekking komt dat het niet betekent wat je dacht dat het betekende. Soms, met name bij een argumentatie (a leidt tot b) is een volkomen nieuw narratief vereist. Door de discipline om een meeslepend verhaal te vertellen, kunnen bepaalde gedachten en gevoelens uitkristalliseren waarvan je je tot dan toe slechts vaag bewust was.

Als je met een hele hoop materiaal zit waarvan je niet meteen ziet hoe je het tot een verhaal kunt smeden, zit er volgens Henry nog maar één ding op: onderverdelen in categorieën, vergelijkbare elementen bijeenbrengen. Soort bij soort. Dat is in ieder geval een overzichtelijke manier van schrijven. Maar patronen hebben ook de neiging zich tot verhalen te ontwikkelen. Het is heel verleidelijk om een a-leidt-tot-b-verhaal te construeren teneinde te begrijpen hoe het kon dat Donald Trump de verkiezingen won, terwijl in brede kring werd verwacht dat hij zou verliezen: Hillary Clinton sprong slordig om met haar mail, het ministerie van Justitie besloot haar niet te vervolgen, daarna doken de [sexting] berichten van Anthony Weiner op, vervolgens liet James Comey het Congres weten dat Clinton misschien alsnog in de problemen zou komen, en uiteindelijk won Trump de verkiezingen. Maar misschien levert het veel meer op om soort bij soort te plaatsen: Trumps overwinning was vergelijkbaar met de uitslag van de stemming over de Brexit en met de rechtse anti-immigratiebewegingen die steeds opnieuw de kop opsteken in Europa. De gevaarlijk nonchalante manier waarop Clinton met haar e-mail omsprong was vergelijkbaar met haar slecht uitgevoerde campagne en met haar beslissing om geen campagne meer te voeren in Michigan en Pennsylvania.

Lijstjesfreak

Op verkiezingsdag was ik in Ghana. Ik was gaan vogelen met mijn broer en twee vrienden. James Comeys bericht aan het congres had de campagne al op zijn kop gezet nog voordat ik naar Afrika vertrok, maar op Nate Silvers toonaangevende peilingenwebsite, FiveThirtyEight, maakte Trump evengoed nog maar dertig procent kans om te winnen. Ik had al vroeg mijn stem uitgebracht op Clinton en bij aankomst in Afrika was ik hooguit een klein beetje ongerust over de verkiezingsuitslag, maar ook tevreden over mijn beslissing om de laatste week van de campagne elders door te brengen en niet tien keer per dag op FiveThirtyEight naar de peilingen te kijken.

Ondertussen was ik in Ghana in de ban van iets heel anders. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik een lijstjesfreak ben. Niet dat ik niet van de vogels zelf hou. Ik ben een vogelaar omdat ik me laaf aan hun schoonheid en diversiteit, omdat ik meer aan de weet wil komen over hun gedrag en hun habitat, en omdat ik graag lange, aandachtige wandelingen maak op plekken die ik nog niet ken. Maar daarnaast hou ik krankzinnig veel lijstjes bij. Ik hou niet alleen bij welke vogelsoorten ik over de hele wereld heb gezien, maar ik heb dat ook nog eens allemaal uitgesplitst naar de verschillende landen of staten van Amerika die ik speciaal met dat doel heb bezocht, of zelfs naar nog specifiekere plekken, zoals mijn achtertuin – en dat dan voor elk afzonderlijk jaar sinds 2003. Ik kan dit dwangmatige bijhouden van gegevens goedpraten door het te beschouwen als een soort spelletje binnen het kader van mijn hobby. Maar het heeft zonder meer iets dwangmatigs. Ik vind dan ook dat ik in moreel opzicht onderdoe voor vogelaars die het puur om het plezier is te doen.

Door naar Ghana te gaan hoopte ik mijn vorige jaarrecord – 1286 soorten – te verbeteren. Ik zat al op meer dan achthonderd in 2016 en ik wist, na wat op internet te hebben gesnuffeld, dat vergelijkbare reizen een kleine vijfhonderd soorten hadden opgeleverd, waarvan slechts een handjevol in Amerika voorkomt. Als ik in Afrika vierhonderdzestig unieke soorten zou kunnen spotten, en vervolgens mijn tussenstop van zeven uur in Londen zou weten te gebruiken om in een park in de buurt van Heathrow nog twintig veelvoorkomende Europese soorten te spotten, zou 2016 mijn beste jaar ooit worden.

We zagen echt schitterende dingen in Ghana, adembenemende toerako’s en bijeneters die alleen in West-Afrika voorkomen. Maar de paar bossen die het land nog rijk is worden ernstig bedreigd door intensieve jacht en houtkap, en onze wandelingen waren eerder verstikkend dan productief. Tegen het einde van verkiezingsdag hadden we al onze enige kans misgelopen om een aantal soorten te zien die ik op mijn lijstje had staan. Al heel vroeg de volgende ochtend, toen de stembureaus aan de westkust nog open waren, zette ik mijn telefoon aan om de prettige bevestiging te krijgen dat Clinton aan de winnende hand was. In plaats daarvan zag ik geschokte berichten van mijn vrienden in Californië, foto’s waarop ze ongelovig, en stuurs, naar de televisie staarden, foto’s van mijn vriendin die helemaal ineengedoken ergens op een bank lag. De kop van de Times luidde: ‘Trump haalt North Carolina binnen, lijkt niet te stuiten; Clintons pad naar de zege lijkt smal.’

Er zat weinig anders op dan weer te gaan spotten. Op een pad in het bos van Nsuta, waar we moesten uitwijken voor wagens vol hout die net zomin leken te stuiten als Trump, maar met in mijn achterhoofd de gedachte dat Clinton nog altijd een pad naar de zege had, zag ik de zwarte tok, de Afrikaanse koekoekswouw en een melancholische specht. Het was een zweterige maar bevredigende ochtend die, toen we weer bereik hadden, eindigde met het nieuws dat de ‘short-fingered vulgarian’ (de proleet met de dikke vingers) zoals Spy hem noemde, de nieuwe president van mijn land was. Op dat moment begreep ik wat ik in mijn hoofd had gedaan met Nate Silvers dertig procent kans voor Trump. Op de een of andere manier had ik het zo geïnterpreteerd dat de wereld er, in het ergste geval, na de verkiezingen, dertig procent slechter aan toe zou zijn. Wat het getal in feite betekende was natuurlijk dat er dertig procent kans was dat de wereld er honderd procent slechter aan toe zou zijn.

Terwijl wij naar het drogere, verlaten noorden van Ghana reisden, kruisten we het pad van enkele vogels waar ik al lange tijd van droomde: krokodilwachters, de zuidelijke karmijnrode bijeneter en het viervleugelnachtzwaluwmannetje, die er met zijn spectaculaire vleugelpunten uitzag als een nachtzwaluw die op de hielen wordt gezeten door twee vleermuizen. Maar we raakten steeds verder achter op het vogel-jaarschema dat ik moest aanhouden. Laat, veel te laat, werd me duidelijk dat op de lijsten met soorten die me online waren voorgespiegeld, ook vogels stonden die we alleen zouden horen maar niet zouden zien – terwijl een vogel voor mij pas meetelde als ik hem had gezien.

De lijsten op internet hadden hoge verwachtingen gewekt, net als Nate Silver. Met elke soort die ik had gemist nam de druk toe om alle overgebleven soorten wél te zien, zelfs de soorten waarvan dat hoogst onwaarschijnlijk was. Anders zou ik mijn eigen record niet weten te breken. Het was niet meer dan een onzinnige jaarlijst, die uiteindelijk volkomen onbeduidend was, maar ik werd achtervolgd door de krantenkop op de ochtend na verkiezingsdag. In plaats van 275 kiesmannen had ik 460 soorten nodig, en ook mijn pad naar de zege was inmiddels wel heel smal. Uiteindelijk, vier dagen voor het einde van de reis, bij de overlaat van een dam aan de grens met Burkina Faso, waar ik had gehoopt een handvol nieuwe graslandvogels te zien maar waar er niet eentje viel te ontdekken, moest ik berusten in de realiteit en mijn nederlaag erkennen. Ineens drong tot me door dat ik eigenlijk thuis had moeten zijn, om te proberen mijn vriendin te troosten na de verkiezingsuitslag, want als een depressieve pessimist ergens goed in is, is het wel in lachen in donkere tijden.

illu j franzen03

Hoe was de proleet met de dikke vingers in het Witte Huis terechtgekomen? Toen Hillary Clinton weer in het openbaar verscheen, verleende zij een ‘soort-bij-soort’-analyse van haar karakter geloofwaardigheid door een a-leidt-tot-b-narratief te volgen. We laten even buiten beschouwing dat ze nonchalant omging met haar mail en dat ze repte van een ‘basket of deplorables’. We laten even buiten beschouwing dat er onder kiezers misschien een terechte onvrede leeft over de linkse elite die Clinton vertegenwoordigde; dat kiezers de vrije handelsmarkt, de open grenzen en de automatisering misschien niet helemaal op waarde weten te schatten wanneer de middenklasse de prijs betaalt voor de wereldwijd toegenomen welvaart; dat kiezers er moeite mee hebben dat de liberale normen van stedelijke gebieden worden opgelegd aan het conservatieve platteland. Volgens Clinton kwam haar verlies op het conto van James Comey – en misschien ook wel van de Russen.

Ik zal niet ontkennen dat ik zelf ook mijn verhaal paraat had. Toen ik vanuit Afrika terugkeerde in Santa Cruz, worstelden mijn linkse vrienden nog altijd met de vraag hoe Trump in godsnaam kon hebben gewonnen. Ik herinnerde me een optreden dat ik ooit had gedaan met de optimistische socialmediaexpert Clay Shirky, die het publiek in herinnering had gebracht hoe ‘geschokt’ culinair recensenten in New York hadden gereageerd toen Zagat, een crowded-sourced recensieplatform, Union Square Cafe had uitgeroepen tot beste restaurant van de stad. Shirky wilde aantonen dat professionele recensenten lang niet zo slim zijn als ze denken; sterker nog, dat recensenten overbodig zijn in tijden van Big Data. Hoewel Union Square Cafe ook mijn favoriete restaurant was (het grote publiek had gelijk!) had ik me tijdens dat optreden wat zuur afgevraagd of Shirky echt van mening was dat recensenten ook gek waren wanneer ze zeiden dat Alice Munro een betere schrijver is dan James Patterson. Maar door Trumps overwinning voelt Shirky gesterkt in het ridiculiseren van experts. Social media hadden Trump in staat gesteld het kritische establishment te omzeilen en er waren net genoeg mensen onder de kiezers, in cruciale swing states, die zijn platte humor en zijn vlammende betogen ‘beter’ vonden dan Clintons genuanceerde argumenten en haar ongeëvenaarde politieke ervaring. A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump.

Na de verkiezing leek Mark Zuckerberg heel even, in zekere zin, verantwoordelijkheid te nemen voor wat er was gebeurd, voor het feit dat hij een platform had gecreëerd dat werd gebruikt voor het verspreiden van nepnieuws over Clinton, en hij leek te suggereren dat Facebook een actievere rol zou kunnen spelen bij het filteren van nieuws. (Nou, veel succes.) Twitter hield zich gedeisd. Wat moest Twitter zeggen, terwijl Trump onverdroten door twitterde? Dat Twitter een vooruitgang was?

In december hoorde ik op mijn favoriete radiozender in Santa Cruz een nepadvertentie voor een therapie gericht op mensen die verslaafd waren aan anti-Trumptweets en dito facebookberichten. De maand daarop, een week voor Trumps inauguratie, organiseerde PEN Amerika een aantal bijeenkomsten door het hele land om te protesteren tegen de aantasting van de vrijheid van meningsuiting waar Trump symbool voor zou staan. Hoewel de inreisbeperkingen van zijn regering het voor schrijvers uit moslimlanden lastiger zou maken hun stem te laten horen in de Verenigde Staten, was er één ding waar we Trump niet van konden betichten, in januari, en dat was dat hij de vrijheid van meningsuiting op wat voor manier dan ook aan banden had gelegd. Zijn leugenachtige, misselijke tweets waren de vrijheid van meningsuiting in overdrive. PEN had nog geen drie jaar eerder een vrijheid-van-meningsuitingonderscheiding uitgereikt aan Twitter, voor de rol die het had gespeeld tijdens de Arabische Lente. Uiteindelijk heeft de Arabische Lente erin geresulteerd dat de autocratie zich heeft verschanst, en inmiddels lijkt Twitter zelf, in handen van Trump, het middel bij uitstek om een autocratie in stand te houden. De ironie kent geen grenzen: tijdens diezelfde week in januari riepen linkse auteurs en boekwinkels op tot een boycot van Simon & Schuster vanwege de voorgenomen publicatie van een boek van de nare, rechtse provocateur Milo Yiannopoulos. De kwaadste boekhandelaren overwogen alle titels van Simon & Schuster uit de schappen te weren, waaronder vermoedelijk ook de boeken van Andrew Solomon, de voorzitter van PEN. Er kwam pas een einde aan de controverse toen S&S het contract met Yiannopoulos verbrak.

Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn

Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn – studenten en actievoerders claimen het recht om niet te horen wat ze vervelend vinden, en om ideeën waar ze aanstoot aan nemen weg te jouwen. Onverdraagzaamheid viert hoogtij op internet, waar genuanceerde meningen worden afgestraft doordat er niet op wordt geklikt, waar onzichtbare Facebook- en Google-algoritmen je naar content leiden die in je straatje past, en waar tegendraadse stemmen zwijgen uit angst te worden geflamed, getrold of ontvriend. Met als gevolg dat je in een bubbel terechtkomt waarin je het gevoel hebt dat je, ongeacht aan welke kant je staat, het volste recht hebt om te haten wat je haat. En dat is ook een aspect waarin het essay verschilt van andere subjectieve manieren om je te uiten die er enigszins aan verwant lijken. Het essay is geworteld in de literatuur, en een van de mooie aspecten van literatuur – denk bijvoorbeeld aan het werk van Alice Munro – is dat literatuur je aan het denken zet, of je het misschien toch niet helemaal goed ziet, of misschien zelfs wel helemaal fout, en of het misschien valt te begrijpen dat iemand je haat.

Drie jaar geleden wond ik me ontzettend op over de klimaatverandering. De Republikeinen bleven vasthouden aan hun leugens over gebrek aan sluitend wetenschappelijk bewijs – het milieudepartement in Florida was zelfs zo ver gegaan dat het werknemers had verboden het woord klimaatverandering nog te gebruiken nadat de gouverneur van Florida, een Republikein, erop had gehamerd dat het ‘geen feit’ was. Maar ik was minstens zo kwaad op links. Ik had een nieuw boek gelezen van Naomi Klein, This Changes Everything, waarin ze de lezer geruststelde dat het weliswaar ‘vijf voor twaalf’ was, maar dat we nog altijd tien jaar de tijd hadden om de mondiale economie grondig te hervormen en te zorgen dat de temperatuur in de loop van deze eeuw met niet meer dan twee graden zou stijgen. Klein was niet de enige in linkse hoek die zei dat we nog tien jaar de tijd hadden. Sterker nog, milieuactivisten zeggen al sinds 2005 precies hetzelfde.

Ook in 1995 werd het al gezegd: we hebben nog tien jaar de tijd. Maar zo rond 2015 moest wel duidelijk zijn dat de mensheid op geen enkele manier – politiek, psychologisch, ethisch, economisch – in staat zal zijn de CO2-uitstoot snel genoeg te verminderen om het tij te keren. Zelfs voor de Europese Unie, die vooropging in de klimaatkwestie, en die andere delen van de wereld graag de les mocht lezen over hun onverantwoorde gedrag, was in 2009 een recessie voldoende om de focus te verleggen naar economische groei.

Tenzij er de komende tien jaar een wereldwijde opstand komt tegen het vrijemarktkapitalisme – het scenario waarvan Klein zei dat het ons nog net op tijd zou kunnen redden – zal de temperatuur deze eeuw vermoedelijk met een graad of zes stijgen. We mogen van geluk spreken als we een stijging van twee graden voor 2030 weten te voorkomen.

In een landsbestuur dat steeds grimmiger verdeeld raakte, was de waarheid omtrent klimaatverandering links nog onwelgevalliger dan rechts. De klimaatontkenningen van rechts waren grove leugens, maar ze waren tenminste consistent met een bepaalde hard-realistische politieke lijn. Links, dat rechts altijd intellectuele onbetrouwbaarheid heeft verweten en dat klimaatontkenning als een soort strijdkreet heeft gehanteerd, bevond zich in een onmogelijke situatie. Het moest blijven hameren op de waarheden van de klimaatwetenschappers terwijl het tevens vasthield aan het fictieve idee dat wereldwijde actie het doemscenario nog zou kunnen afwenden: dat door een wereldwijde erkenning van de feiten, waarmee we in 1995 het tij nog hadden kunnen keren, het tij nog altijd gekeerd zou kunnen worden. Want wat deed het er anders nog toe dat de Republikeinen de wetenschappelijke bewijzen betwistten?

Omdat ik sympathiseerde met links – de CO2-uitstoot terugdringen is een stuk beter dan gewoon maar nietsdoen: elke halve graad helpt – verwachtte ik ook meer van links. Het ontkennen van de grimmige werkelijkheid, doen alsof het klimaatakkoord van Parijs het onheil kon afwenden, was een begrijpelijke tactiek om draagvlak te houden voor het terugdringen van de CO2-uitstoot: de hoop in leven houden.

Maar als strategie deed het meer kwaad dan goed. Men kon zich niet langer moreel superieur voelen, het was een belediging voor het intellect van kiezers die nog niet waren overtuigd (‘Echt? Hebben we nog tien jaar?’) en het stond een open discussie in de weg over de vraag hoe de wereldgemeenschap zich zou moeten voorbereiden op drastische veranderingen, en hoe landen als Bangladesh gecompenseerd moesten worden voor wat landen als Amerika hen hadden aangedaan.

Door al het gedraai ontstond ook een verkeerd beeld van de prioriteiten. In de afgelopen twintig jaar heeft de milieubeweging zich blindgestaard op één onderwerp. Deels uit oprechte zorg, maar ook deels omdat het in politieke zin minder riskant was – minder elitair – om de problemen voor de mens te laten prevaleren boven de natuur. De grote milieu ngo’s hebben dan ook hun politieke kapitaal ingezet op het tegengaan van de klimaatverandering, een probleem met een menselijk gezicht. De ngo waar ik me, als vogelliefhebber, enorm kwaad over heb gemaakt is de National Audubon Society, ooit een onvermoeibaar strijder voor vogels, nu een krachteloze instelling met een enorme pr-afdeling. In september 2014 maakte die pr-afdeling met veel tamtam wereldkundig dat de klimaatverandering de grootste bedreiging was voor de vogelstand in Noord-Amerika. Die voorstelling van zaken was niet alleen op kleine schaal vals, omdat de formulering niet strookte met de bevindingen van Audubons eigen wetenschappers, maar ook vals in bredere zin omdat niet één dode vogel direct kon worden gerelateerd aan de CO2-uitstoot. In 2014 was de grootste bedreiging voor de Amerikaanse vogel het verdwijnen van hun habitat, gevolgd door loslopende katten, gebouwen waar ze tegenop vlogen en pesticiden. Door het magische woord klimaatverandering van stal te halen, kreeg Aubudon veel aandacht in de linkse media. En weer was er een punt gescoord in de strijd tegen de rechtste klimaatontkenners. Maar geen idee wat de vogels daarmee opschoten. Naar mijn idee was het enige merkbare effect van de mededeling van Aubudon dat mensen hun ogen sloten voor de ware gevaren voor vogels in het hier en nu.

Kwaad

Ik was zo kwaad dat ik bedacht dat ik maar het beste een essay kon schrijven. Ik begon met een tirade tegen de National Audubon Society, plaatste die vervolgens in breder perspectief met een smalende aanklacht tegen de milieubeweging in het algemeen, en schrok vervolgens midden in de nacht in paniek wakker, vervuld van wroeging en twijfel. Voor de schrijver is een essay een spiegel, en wat ik in deze spiegel zag, zinde me niet. Waarom nagelde ik een paar linkse medestanders aan de schandpaal terwijl de klimaatontkenners zo veel erger waren? Het vooruitzicht van klimaatverandering vond ik minstens zo stuitend als de groeperingen waartegen ik van leer trok. Met elke graad die de aarde opwarmt, zouden wereldwijd nog eens honderden miljoenen mensen in grote problemen komen. Moesten we niet alles op alles zetten om dit tegen te gaan, al was het maar met een halve graad? Was het niet stuitend om het zelfs maar over vogels te hebben terwijl de kinderen in Bangladesh gevaar liepen? Ja, de aanname van mijn essay was dat we ook een ethische verantwoordelijkheid hebben tegenover andere soorten dan de mens. Maar stel nou dat die aanname niet klopte? En zelfs als hij wel klopte – ging de biodiversiteit mij echt zo aan het hart? Of was ik gewoon een bevoorrechte blanke die het leuk vond om in zijn vrije tijd te gaan vogelen? En dan ging het me nog niet eens alleen om de vogels, maar ook om mijn lijstjes!

Nadat ik drie nachten lang mijn karakter en mijn drijfveren in twijfel had getrokken, belde ik Henry Finder en zei dat het me niet lukte om het stuk te schrijven. Ik was vaak genoeg tekeergegaan over de klimaatverandering in het bijzijn van mijn vrienden en gelijkgestemde natuurliefhebbers, maar dat verschilde weinig van de tirades op internet, waar je je kunt verschuilen achter het feit dat alles spontaan uit je pen is gerold, ten overstaan van een publiek dat goeddeels achter je staat. Doordat ik nu een afgerond geheel wilde schrijven, een essay, werd ik geconfronteerd met de rafelranden van mijn ideeën. Daarnaast was er een groter risico op schaamte, omdat het hier een doordacht stuk betrof, en omdat het verspreid zou worden onder een publiek van vermoedelijk vijandige onbekenden. Henry’s aansporing (‘Daarom moet je’) indachtig, was ik de essayist gaan zien als een soort brandweerman, die recht de vlammen van de schaamte in moet rennen, terwijl iedereen die nu juist probeert te ontvluchten. Ik had ineens veel meer te vrezen dan alleen de afkeuring van mijn moeder.
Misschien zou mijn essay voorgoed uit beeld zijn verdwenen als ik niet al op een knop had geklikt op de website van Aubudon, om te bevestigen dat ook ik me wilde inzetten voor de strijd tegen klimaatverandering. Dat had ik alleen gedaan in mijn zoektocht naar retorische munitie voor mijn strijd tegen Audubon, maar vervolgens werd ik bedolven onder directmailberichten. Ik kreeg er zeker acht in zes weken, allemaal met een verzoek om geld. Daarnaast werd ik ook nog eens overspoeld door nieuwsbrieven. Een paar dagen nadat ik Henry had gesproken, klikte ik een van die nieuwsbrieven aan en zag een foto van mezelf – godzijdank een flatteuze foto, die in 2010 was gemaakt voor Vogue dat me beter had gekleed dan ik mezelf gewoonlijk kleed en dat me met mijn verrekijker in een weiland had gezet, als vogelaar. De kop luidde iets als ‘Steun Audubon, samen met schrijver Jonathan Franzen’. Het is waar dat ik me een paar jaar eerder, in een interview voor het blad van Aubudon, in beleefde bewoordingen positief had uitgelaten over de organisatie, of in ieder geval over het blad. Maar niemand had mij om toestemming gevraagd mijn naam en foto te gebruiken om steun te werven. Ik vroeg me zelfs af of die mail wel helemaal legaal was.

Vreemde vogel

Een wat mildere prikkel om het essay weer tevoorschijn te halen kwam van Henry. Voor zover ik wist had Henry maar weinig met vogels, maar hij leek wel iets te zien in mijn redenering dat onze obsessie met toekomstige rampen ons ervan weerhoudt iets te doen aan de behapbare milieuproblemen in het hier en nu. Hij stuurde me een mail met de voorzichtige suggestie dat ik misschien iets zou kunnen doen aan mijn toon van profetische hoon. ‘Gek genoeg zal het stuk winnen aan overredingskracht,’ schreef hij in een andere mail, ‘als je wat meer ambivalentie toelaat, je wat minder polemisch opstelt. Je richt je pijlen niet op de mensen die aandacht willen genereren voor klimaatverandering en emissiereductie. Maar je hebt wel oog voor de kosten. Zodoende wordt de discussie gevoerd op het scherp van de snede.’ Mail na mail, revisie na revisie, wist Henry me met zachte hand over te halen het essay niet in de vorm te gieten van een aanklacht, maar eerder van een vraag: hoe kunnen we zingeving vinden in ons handelen wanneer de wereld ten dode lijkt opgeschreven? In de laatste versie had ik veel ruimte gereserveerd voor een aantal goed ontvangen regionale milieuprojecten in Peru en Costa Rica, projecten waar de wereld ook echt beter van wordt, niet alleen voor wilde planten en wilde dieren, maar ook voor de lokale Peruvianen en Costa Ricanen. Het werken aan deze projecten is betekenisvol op persoonlijk vlak, en de positieve effecten zijn direct en tastbaar.

Door over die twee projecten te schrijven, hoopte ik dat een of twee grote liefdadigheidsorganisaties, die bijvoorbeeld tientallen miljoenen steken in de ontwikkeling van biodiesel of windmolenparken in Eritrea, bij het lezen van mijn stuk zouden overwegen geld te steken in projecten die tastbaar resultaat opleveren. In plaats daarvan werd ik onder vuur genomen vanuit het linkse kamp. Ik zit niet op social media, maar ik begreep van mijn vrienden dat ik voor van alles en nog wat werd uitgemaakt, waaronder ‘vreemde vogel’ en klimaatontkenner. Flarden uit mijn essay, volkomen uit hun verband gerukt, werden geretweet, waardoor het leek alsof ik er voorstander van was om te stoppen met remissiereductie – het standpunt van de Republikeinen. Binnen de polariserende logica van online discussies werd ik vervolgens bestempeld tot klimaatontkenner. Terwijl ik in werkelijkheid zo overtuigd ben van het gelijk van de klimaatwetenschappers dat ik geen enkele hoop meer koester voor de ijskappen. Het enige wat ik heb ontkend is dat een rechts georiënteerde internationale elite, die bijeenkomt in dure hotels over de hele wereld, in staat zou zijn het smelten van de ijskappen te voorkomen. Dat was mijn misdaad tegen de orthodoxe leer.

Het klimaat heeft de linkse verbeelding dusdanig in de houdgreep dat elke poging om het gesprek een andere wending te geven – zelfs een poging om het gesprek te brengen op het tragische uitsterven van de mens, waar we ook zonder hulp van het milieu al hard naartoe op weg zijn – maakt dat je als een afvallige wordt beschouwd.

Ik had begrip voor de mensen die zich beroepsmatig met klimaatverandering bezighouden en die zich tegen het essay keerden. Zij hadden zich tientallen jaren ingespannen om Amerikanen bewust te maken van het probleem, en uiteindelijk hadden ze president Obama aan hun kant weten te krijgen; er was een klimaatakkoord gekomen. Het was geen handig moment om te stellen dat de verregaande opwarming van de aarde al een voldongen feit is, en dat het onwaarschijnlijk is dat de mens de fossiele brandstoffen in de grond zal laten zitten, zeker wanneer je bedenkt dat op dit moment nog niet één land die toezegging heeft gedaan.

Ik had ook begrip voor de woede binnen de wereld van de duurzame energie, een industrie die met geen andere bedrijfstak valt te vergelijken. Als je je op het standpunt stelt dat het gebruik van duurzame energie slechts een vertragingstactiek is, omdat de schade van de CO2-uitstoot niet valt terug te draaien en nog eeuwen zal doorwerken, opent dat de deur voor talloze andere vragen op dit gebied. Hebben we bijvoorbeeld echt zo veel windmolens nodig? Moeten die echt in ecologisch kwetsbare gebieden worden geplaatst? En de zonneparken in de Mojavewoestijn? Was het niet veel logischer geweest om Los Angeles te bedekken met zonnepanelen en de open ruimte ongemoeid te laten? Waren we niet bezig om de natuur te verwoesten teneinde de natuur te redden? Volgens mij was het een blogger uit die hoek die me voor ‘vreemde vogel’ uitmaakte.

“Als het over de publieke opinie gaat,” zei hij, “dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd”

Even terug naar Aubudon. Dat fundraisingmailtje had me duidelijk moeten maken wat voor soort mensen daar aan de top zitten. Maar ik stond evengoed te kijken van Aubudons reactie op mijn essay: een frontale, persoonlijke aanval op iemand die ze twee maanden daarvoor nog probleemloos voor hun karretje hadden gespannen. Toegegeven, ik had Aubudon niet gespaard in mijn essay. Ik wilde dat ze ophielden met hun onzinverhalen, dat ze niet langer verwezen naar ‘over vijftig jaar’, en dat ze zich daadkrachtiger zouden inzetten voor de vogels die zowel hun als mij aan het hart gingen. Maar Aubudon zag duidelijk alleen een bedreiging voor hun ledental en fondsen, dus moest ik als mens onschadelijk worden gemaakt. Ik heb me laten vertellen dat het hoofd van Aubudon vier keer zijn pijlen op mij persoonlijk heeft gericht. Zo doet een directeur dat tegenwoordig kennelijk. En het werkte. Ik schaamde me, zonder die tirades te hebben gelezen – domweg omdat ik wist dat anderen ze hadden gelezen. Ik voelde me zoals ik me vroeger op school had gevoeld, gemeden door de rest van de klas en uitgemaakt voor van alles en nog wat, wat me eigenlijk niet zou moeten raken, maar dat ondertussen toch deed. Ik wilde dat ik mijn nachtelijke paniekaanvallen niet in de wind had geslagen en dat ik mijn mening voor me had gehouden. Over mijn toeren belde ik Henry en stortte al mijn schaamte en berouw over hem uit. Hij antwoordde, op zijn nauwelijks verstaanbare wijze, dat ik de online reacties moest zien als het weer. ‘Als het over de publieke opinie gaat,’ zei hij, ‘dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd.’

Het deed weinig ter zake of ik dat al dan niet geloofde. Het was voldoende om te weten dat er één iemand was, Henry, die me niet verafschuwde. Ik troostte mezelf met de gedachte dat het klimaat zo groots en chaotisch is dat één iemand het onmogelijk kan veranderen, maar dat het daarom nog wel zin kan hebben om als individu te proberen iets te veranderen aan het lot van één getroffen dorp, één slachtoffer van de mondiale onrechtvaardigheid.

Of het lot van één vogel, één lezer. Nadat de online vlammen waren geluwd, hoorde ik een-op-een van mensen uit de milieuhoek dat ze mijn frustratie deelden maar het zich niet konden veroorloven daar uiting aan te geven. Er waren niet veel mensen die iets van zich lieten horen, maar het hoefden er ook niet veel te zijn. Bij iedereen die het wel deed, dacht ik: Ik heb dit essay voor jou geschreven.

Maar nu, tweeënhalf jaar later, terwijl de ijskappen afbrokkelen en de Twitterpresident zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, slaat de twijfel toe. Ik zie inmiddels onder ogen dat ik het essay niet alleen heb geschreven om een paar milieubeschermers een hart onder de riem te steken en om wat liefdadigheidsgeld een bepaalde richting op te sluizen. Ik wilde echt het klimaat veranderen. Dat wil ik nog steeds. Ik deel, uitgerekend met de mensen die mijn essay hekelden, het inzicht dat de opwarming van de aarde hét probleem van deze tijd is, misschien wel het grootste probleem in de geschiedenis van de mensheid. We bevinden ons allemaal in de situatie van de indianen toen de Europeanen ten tonele verschenen met hun geweren en hun pokken: onze wereld staat aan de vooravond van een ingrijpende, onvoorspelbare verandering die naar alle waarschijnlijkheid slecht zal uitpakken. Ik koester geen enkele hoop dat we de verandering nog kunnen tegenhouden. Mijn enige hoop is dat we de realiteit op tijd onder ogen zullen zien om ons er op een menswaardige manier op te kunnen voorbereiden, en mijn enige overtuiging is dat het beter is om de werkelijkheid open en eerlijk tegemoet te treden, hoe pijnlijk ook, dan hem te ontkennen.

Als ik dat essay nu zou schrijven, zou ik dat misschien allemaal zeggen. De spiegel van mijn essay, zoals het destijds is gepubliceerd, toonde me een boos buitenbeentje dat van vogels houdt en denkt het beter te weten dan de grote massa. Misschien ben ik dat ook allemaal wel, maar ik ben ook meer dan dat, en een beter essay zou ook die andere kant hebben getoond. In een beter essay zou ik Audubon misschien ook hebben gehekeld, maar ik zou ook meer sympathie hebben opgebracht voor de anderen op wie mijn woede zich richtte: de klimaatactivisten, die twintig jaar lang hadden toegekeken hoe hun pad naar de overwinning angstaanjagend versmalde terwijl de CO2-uitstoot alleen maar toenam en de noodzakelijke emissiereductiedoelstellingen steeds onhaalbaarder werden; de mensen in de duurzame-energiebranche die een gezin moesten onderhouden en die op zoek waren naar alternatieven; de milieu-ngo’s die dachten eindelijk een onderwerp te hebben gevonden dat de wereld zou wakker schudden; politiek links dat de klimaatverandering aangreep als een laatste overtuigend argument voor collectivisme in een tijd waarin het neoliberalisme en de bijbehorende technologieën het electoraat reduceerden tot individuele consumenten. Ik zou vooral hebben getracht al die mensen tegemoet te komen die meer behoefte hebben aan hoop dan een depressieve pessimist, mensen voor wie het vooruitzicht van een hete toekomst vol rampspoed ondraaglijk triest en angstaanjagend is, en die daar dan ook niet aan willen denken – wat hen niet valt kwalijk te nemen. Ik zou zijn blijven schaven.

WIE IS JONATHAN FRANZEN?

De Amerikaan Jonathan Franzen (1959) wordt de belangrijkste schrijver van zijn generatie genoemd. In 2001 brak hij internationaal door met zijn meesterwerk De correcties, waarvoor hij de National Book Award ontving, negen jaar later lanceerde hij Vrijheid, en vervolgens Zuiverheid. Met opzet tweeslachtige termen waarvan de tegenpolen ‘onvrijheid’ en ‘verdorvenheid’ in de respectievelijke romans leidend zijn.

Franzen belandde als eerste schrijver in tien jaar op de cover van TIME magazine, als ‘Great American Novelist’. Kenmerkend voor zijn epische romans is het maatschappelijke decor waarbinnen de auteur zijn personages – of de Amerikaanse cultuur – met subtiele satire doorgrondt. In ‘Is it too late to save the world?’ toont hij zich opnieuw meester in het literaire genre van de essayistiek: de extensieve verhaallijnen van ‘oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed’ samenbrengen.


Deel dit artikel


Recent verschenen