Er bestaat een bloeiende handel in luxe apocalypsaccomodaties, die een comfortabel onderkomen bieden in tijden van pandemieën en nucleaire oorlogen – aan ieder die het betalen kan.
Een tijdje geleden reisde ik af naar de Black Hills van South Dakota om de plek te bekijken waar de herrijzenis van de mens zou plaatsvinden na de wereldwijde ineenstorting van de beschaving. Het einde van de wereld was trending en het leek me een goed moment om op zoek te gaan naar een plek om die laatste dagen door te brengen. De afgelopen maanden werd ik, waarschijnlijk als een uiting van mijn eigen zorgen over het opvoeden van een klein kind in een steeds duisterder en vergankelijker wereld, nogal in beslag genomen door de apocalyptische toon in de samenleving.
Een van de meer perverse aspecten van deze obsessie was een maandenlange overconsumering van doomsdayachtige berichten: blogs en forums en YouTube-filmpjes waarin potige Amerikaanse jongens, met namen als Kyle of Brent, uitlegden welke strategieën er zoal bestaan om grote catastrofes – wereldwijde pandemieën, de ineenstorting van de maatschappij, nucleaire oorlogen – ‘tactisch te overleven’. Dit leidde tot een algehele staat van apocalyptische paraatheid en zo ontdekte ik een lucratieve niche van de vastgoedsector die zich richt op vermogende individuen op zoek naar een plek om zich terug te trekken als het echt de verkeerde kant op gaat.
Ik had een afspraak gemaakt met ene Robert Vicino, een onroerendgoedhandelaar uit San Diego die een groot landgoed in South Dakota had verworven. Het terrein had ooit dienst gedaan als munitie- en onderhoudsfaciliteit van het leger en was tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd voor de opslag en het testen van bommen. Er stonden 575 ontmantelde wapenopslagplaatsen: gigantische betonnen en stalen constructies ontworpen om explosies tot een halve megaton te kunnen weerstaan. Vicino was van plan ze voor 35.000 dollar per stuk te verkopen aan Amerikanen die eropuit waren zichzelf en hun families te beschermen tegen een verscheidenheid aan eindetijdsgebeurtenissen.
Vivos
Vicino was een van de meest prominente en succesvolle figuren op het gebied van de doomsdayparaatheid, een vastgoedmagnaat voor het einde der dagen. Zijn bedrijf specialiseerde zich in de bouw van enorme ondergrondse schuilplaatsen waar vermogende particulieren het einde van de wereld konden beleven in de comfortabele stijl die hen vertrouwd was. Het bedrijf heette Vivos, het Spaanse woord voor levenden. (Zoals in los vivos – zeg maar tegenovergesteld aan los muertos.) Vivos zou verschillende gebouwen in de Verenigde Staten exploiteren, die zich alle op afgelegen en geheime locaties bevonden, ver van de voor de hand liggende nucleaire doelen, seismische breuklijnen en grote stedelijke gebieden waar uitbraken van besmetting het meest catastrofaal zouden zijn. Het bedrijf maakte bovendien reclame voor een ‘eliteschuilplaats’ in Duitsland, een enorme munitiebunker uit het Sovjettijdperk, ingemetseld in een berg in Thüringen.
Vivos’ nieuwe locatie in South Dakota kreeg de naam xPoint. Elk van de bunkers, die gelijkmatig verdeeld waren over 18 vierkante mijl prairiegebied (ca. 50.000 km2), had een oppervlakte van 204 vierkante meter – aanzienlijk groter dan mijn eigen (weliswaar niet erg ruime) woning. Er werd beweerd dat deze locatie tussen de 6000 en 10.000 mensen kon huisvesten en ‘de grootste overlevingsgemeenschap op aarde’ zou zijn. Het project werd gepitcht bij een doelgroep die zich ergens in het midden hield tussen de superrijke klanten voor Vivos’ luxe ondergrondse schuilplaatsen en de dag-des-oordeelsfanaten die de apocalyps dachten te overleven met mannelijk vertoon en YouTube-knowhow. Het was met andere woorden het toekomstige domein van de postapocalyptische petit bourgeoisie.
De plaats was, las ik op de website van het bedrijf, ‘strategisch en centraal gelegen in een van de veiligste gebieden van Noord-Amerika’, op een hoogte van ongeveer 1200 meter en 160 kilometer van de dichtstbijzijnde bekende militaire nucleaire doelen. ‘Het beveiligingsteam van Vivos kan iedereen die het terrein nadert op zo’n vijf kilometer afstand zien. Massief. Veilig. Solide. Geïsoleerd. Privé. Verdedigbaar. Off-Grid. Centraal gelegen.’ Het was me niet meteen duidelijk hoe een plek zowel geïsoleerd als centraal gelegen kon zijn, maar aan de andere kant, als zo’n beetje alle anderen op aarde zouden zijn omgekomen, zou elke nederzetting van levende wezens zich met recht centraal gelegen mogen noemen.
Vivos bood meer dan alleen kant-en-klare bunkers en kant-en-klare apocalypsoplossingen. Het bedrijf bood bovendien zicht op een toekomst na de ineenstorting van de staat. Wie tot aanschaf overging, belandde in een koortsdroom ontsproten uit de diepten van het libertarische reptielenbrein: een groep welgestelde en ideologisch gelijkgestemde individuen die een autonome ruimte delen, zwaar versterkt tegen buitenstaanders – de armen, de hongerigen, wanhopigen, onvoorbereiden – en het juiste moment afwachten om de beschaving weer van de grond af aan op te bouwen. Wat hier eigenlijk werd aangeboden was een staat die was uitgekleed tot zijn meest rechtse kern: een gemilitariseerd veiligheidsapparaat dat het privévermogen middels contractuele afspraken beschermde.
Er kwam steeds meer concurrentie bij op het gebied van het eindetijdsvastgoed. Op de website van een grote leverancier van luxe apocalypsoplossingen, Trident Lakes, las ik dat in geval van een nucleaire, chemische of biologische noodsituatie de gebouwen zouden worden verzegeld door automatische luchtsluizen en explosiedeuren, en dat ze via een netwerk van tunnels zouden worden verbonden met een ondergronds buurthuis waar droog voedsel, DNA-kluizen, een volledig uitgeruste fitnessruimte en vergaderruimtes te vinden waren. De promotionele tekst beloofde bovendien voorzieningen als een winkelcentrum, een manege, een poloveld, een 18-holes golfbaan plus een oefenterrein.
Wie tot aanschaf overging, belandde in een koortsdroom ontsproten uit de diepten van het libertarische reptielenbrein
Dit was een nieuwkomer op het terrein van de apocalyptische toekomstscenario’s: gebruinde en ontspannen bankiers en hedgefondsmanagers die de ineenstorting van de beschaving aangrepen om wat tijd op de golfbaan door te brengen, terwijl een zwaarbewapende particuliere politie het gebied afzocht naar mogelijke indringers. Het was eigenlijk een logisch vervolg op de gated community. Het was eigenlijk een logisch vervolg op het kapitalisme zelf.
Griezelig
Terwijl ik een telefoontje van Vicino afwachtte om onze afspraak te bevestigen, hing ik een beetje rond in Hot Springs. Het was zondag en het stadje was grotendeels verlaten, op een gestage optocht na van grijze, in het leer gestoken motorrijders die in respectvol tempo door Main Street reden op weg naar een nabijgelegen motorrally. Ik zat in een café in Main Street al koffie drinkend in mijn notitieboek te krabbelen, totdat ik werd belaagd door een volhardende alliantie vliegen, die om beurten mijn onderarmen bestookten terwijl ik schreef.
Uiteindelijk trilde mijn telefoon in mijn zak. Vicino had zijn bezigheden afgerond en was er klaar voor.
Ongeveer 10 minuten nadat ik vanaf Route 18 de gebarsten binnenwegen van het platteland was ingeslagen, reed ik langs wat eens de stad Fort Igloo was geweest, de thuisbasis van honderden arbeiders die erheen verhuisden om te werken in het Black Hills Ordnance Depot, in 1942 gebouwd om te voorzien in de toegenomen behoefte van het leger aan het testen en opslaan van oorlogsmunitie. Scholen, een ziekenhuis, winkels, huizen, een kerk, een klein theater waren nu allemaal overgelaten aan de nietsvermoedende koeien.
Pas toen ik Fort Igloo in mijn achteruitkijkspiegel bekeek, zag ik hoe griezelig het eigenlijk was. Pas toen zag ik de gewelven. Eerst drie of vier: lage, met gras bedekte uitsteeksels, een paar honderd meter van elkaar vandaan, waarvan een zeshoekige betonnen gevel uitstak boven de aarde. Hoe dieper ik het land in reed, hoe meer van deze structuren uit het landschap omhoog staken, totdat ik me realiseerde dat ze overal waren, honderden, overal om me heen zo ver ik maar kon kijken. Het was een etherisch gezicht, buitenaards en archaïsch tegelijk, als de overblijfselen van een enorme religieuze kolonie, als een plek die was gebouwd voor de verering van vergeten goden.
Na nog enkele kilometers kwam ik bij een grote, lege schuur, met daarnaast een donkerbruine zeecontainer ter grootte van een klein huis. Aan de ene kant ervan hing een spandoek met de tekst ‘xPoint: het moment waarop enkel overleeft wie voorbereid was’. Ernaast stond de zilveren Lexus SUV waar ik naar uit moest kijken.
Ik liep de trap van de transportkist op en ging een keuken binnen. Vanuit een kamer achterin kwam een gigantische man van begin zestig op me af geslenterd, die me onmiddellijk een pijnlijk krachtige handdruk gaf. Robert Vicino was een man van intimiderende fysieke omvang: 2 meter lang, zoals hij zelf voor de duidelijkheid toelichtte.
De vuurrode neus, het pokdalige gezicht, de keurige grijze sik: nog voordat hij begon te praten – waar hij al snel mee begon en nooit meer mee ophield – kwam hij me voor als een uitgesproken mefistofelische figuur. Het duurde niet lang of we zaten in de Lexus, klaar om naar de dichtstbijzijnde stad te rijden om diesel te halen voor de generator. Zijn stoel stond in een absurd steile hoek achterover en Vicino haalde een grote houten haarborstel uit een zijvak van de deur en begon met stevige, regelmatige bewegingen te borstelen. Eerst zijn baard, daarna zijn haar.
‘Dit is een geweldige auto,’ verkondigde hij. ‘Hebben jullie Lexussen in het VK?’
‘We hebben ze in ieder geval in Ierland,’ zei ik iets scherper dan bedoeld. ‘Niet ik persoonlijk, maar er zijn mensen die ze hebben.’
‘Beste auto die ik ooit heb gehad. En ik heb een Mercedes gehad. Ik heb een Rolls-Royce gehad.’
Achterin zat Jin Zhengii, een 23-jarige pas afgestudeerde ingenieur die Vicino had aangenomen als stagiair. Jin zei niet veel – deels omdat hij Chinees was en niet bijzonder goed Engels kon, maar vooral, vermoedde ik, omdat hij gewoon het soort persoon was dat niet veel zei.
‘Ik zeg hem, Jin, ik ben zeg maar je Amerikaanse vader,’ zei Vicino. ‘Toch, Jin? Hij is een geweldige gozer. Geweldig joch.’
Terwijl we reden, tuurde ik uit het raam naar Fort Igloo, of de ruïnes daarvan, en werd ik getroffen door het gevoel dat ik het verleden en de toekomst tegelijk moest vatten. Vicino vertelde ondertussen dat deze plek honderden gezinnen had gehuisvest. Journalist en televisieman Tom Brokaw, vertelde hij, was hier na de Tweede Wereldoorlog opgegroeid, een feit dat hij mij met enig genoegen leek te presenteren, terwijl hij me inspecteerde op een reactie. Midden op een van de velden stond een betonnen trap met metalen leuningen, helemaal los, zonder een spoor van het gebouw dat vermoedelijk ooit context bood.
We bereikten een armoedig stadje in de buurt, dat duidelijk had geleden onder de sluiting van de munitiefaciliteit. De straten waren lang en smal en leken volkomen verstoken van enig menselijk leven. Er was een wasserette, een laag gebouw van golfplaten genaamd Loads of Fun Laundry. Buiten een benzinestation stond een groep motorrijders rond hun Harley-Davidsons, op allerlei manieren bedekt met patriottische symbolen. Ze droegen stuk voor stuk een bijpassende blitse zonnebril.
‘Ik ga even met deze jongens praten,’ zei Vicino terwijl hij de Lexus zachtjes naar het voorterrein van het benzinestation loodste.
Hij vertelde dat hij een running gag had met zichzelf als hij motorrijders tegenkwam. Hij sprak ze aan en vroeg heel beleefd wat ze zouden doen als hij hun bikes gewoon zo de straat op zou schoppen. Onlangs had hij het uitgeprobeerd bij een paar motoragenten in Californië. Ze reageerden, zei hij, zonder uitzondering ontwapend verrast.
‘Die ene agent zei: “Je zou je voet pijn doen, dat is wat er zou gebeuren.”’
Vicino was onder andere een man die wist hoe hij zijn wit-zijn ten volle moest benutten. Zijn grapje moest bij deze motorrijders als binnenkomer dienen. Ze vormden ongeveer exact zijn doelgroep: zulke jongens waren over het algemeen zelfredzaam, zei hij, geen grote regeringsfans. En ondanks hun uiterlijk waren veel van hen arts, advocaat, werkende dan wel gepensioneerde mensen met geld.
Toen hij vorig jaar in een café in San Diego zat, vertelde hij, kreeg hij een e-mail van een boer uit South Dakota die hem informeerde over het uitgestrekte stuk grond met de voormalige bunkers, dat allicht geschikt was voor zijn bedrijf. Toen kwam het plan meteen bij hem op, zegt hij, het hele idee voor xPoint: hij zou de rancher een som van 1 dollar voor het onroerend goed betalen en vervolgens een commissie van 50% op alle toekomstige winst uit de bunkers, die hij tegen een redelijke prijs zou verkopen aan mensen die ze naar eigen wens mochten inrichten. Het zou de grootste overlevingscommunity op aarde worden. Het zou veel betaalbaarder worden dan zijn andere gemeenschappen: een uitkomst voor de apocalypsconsument met bescheidener middelen. Hij had er al een stuk of vijftig verkocht.
Even liet mijn verstand me in de steek en raakte ik in paniek, was ik bang dat ik hier misschien nooit meer weg zou komen
Het geluid van de vergrendeling van de deur leek op niets wat ik ooit eerder had gehoord, een overweldigend luide en diepe knal, de ondermijning van de mogelijkheid van ieder ander geluid – zo alomvattend en absoluut dat het bijna op stilte leek. Het bleef ongeveer drie of vier minuten hangen in het lege interieur van de bunker, de duisternis volledig controlerend. Het was het geluid van de apocalyps, en ik was er zenuwachtig van geworden.
Ook de duisternis was absoluut: een ondermijning van het hele concept licht. Terwijl ik in de galmende leegte stond, viel me op dat de angst voor duisternis niet zozeer de angst was voor wat zich daar, ongezien, zou kunnen bevinden, maar eerder de solipsistische en kinderlijke angst dat daarbuiten helemaal niets meer was, dat de ongeziene wereld meteen volledig was opgehouden te bestaan.
Mocht ik de suggestie wekken dat ik in die pikzwarte bunker diepgaande, abstracte inzichten had over de menselijke psyche, laat me dan benadrukken dat mijn primaire emotie angst was. Even liet mijn verstand me in de steek en raakte ik in paniek, was ik bang dat ik hier misschien nooit meer vandaan zou komen. Ik was er vrij zeker van dat de grendel aan de buitenkant van de deur zat. Wat als Vicino een moorddadige gek was die had besloten mij hier binnen te laten, als een van de slechte personages uit de horrorverhalen van Edgar Allan Poe? Wat als hij had besloten dat ik zijn zaken zou schaden door hem in mijn verhalen neer te zetten als een dwaas, of een charlatan … of als een soort Poe-achtige gek die een mogelijke tegenstander zou wegstoppen in een ontmantelde wapensilo? Het soort dat er enkel op uit was mij levend op te sluiten ergens in deze verlaten Black Hills van South Dakota, waar zelfs als er al iemand in de buurt was, wat niet zo was, mijn geschreeuw om hulp nooit zou worden gehoord?
Of wat als – en dat leek me een waarschijnlijker scenario – hij daarbuiten een hartstilstand kreeg, misschien veroorzaakt als gevolg van de inspanning om die zware metalen deur te sluiten, en nu op zijn knieën in het stof was beland? Hij was een enorme man, misschien zelfs een reus, en mensen van die omvang hadden grotere kans op vroege leeftijd te overlijden aan een hartaanval – om nog maar te zwijgen van de aanzienlijke stress die het met zich mee moest brengen om voortdurend bezig te zijn met het einde der tijden, constant bedacht op uitbraken van een of andere ongeneeslijke ziekte, botsingen met asteroïden, samenzweringen van de overheid, schuivende continentale platen, nucleaire oorlog. Hoe lang zou het duren voordat ik werd gevonden? Was het feit dat Jin naast me stond in het eerste scenario nog enigszins geruststellend geweest, in het tweede was het dat allerminst.
Op dat moment vulde de ruimte zich met zonlicht en terwijl mijn ogen zich aanpasten aan de helderheid, kon ik Vicino’s wonderbaarlijke silhouet in de deurpost onderscheiden.
‘Wat dacht je daarvan? Weer eens wat anders, hè?’ zei hij opgewekt. De lichte trilling in mijn stem toen ik dat beaamde werd weggemoffeld door de snelle echo van mijn woorden in de leegte.
Rampscenario’s
Later vertelde Vicino hoe hij in de jaren tachtig geld had verdiend in de reclame. Hij was in feite een pionier op het gebied van wat bekendstond als ‘large inflatables’. Zijn moment van glorie was toen hij in 1983 ter gelegenheid van de 50e verjaardag van de release van de originele King Kong een enorme opblaasbare gorilla aan de zijkant van het Empire State Building had bevestigd. Deze haalde de voorkant van The New York Times: de eerste keer dat de krant een advertentie op de voorpagina zette.
‘Misschien heb je de film Airplane gezien! Ik denk dat dat voor je tijd was, maar hij is beroemd. Met Leslie Nielsen? Ken je de scène waar de piloot en de copiloot voedselvergiftiging krijgen, en de stewardess de automatische piloot inschakelt, en dat dat dan een opblaasbare pop van een piloot is? Die was van mij. Ik heb die opblaasbare automatische piloot gemaakt.’
Het was opvallend, dacht ik, dat zijn reclamecarrière hem langs deze twee klassieke op rampen gebaseerde blockbusters had geleid naar de verdere uithoeken van de catastrofemarkt, dit keer geprojecteerd op de echte wereld.
Vicino beschikte over een uitgebreide selectie aan eindetijdscenario’s, voor elke smaak en ideologische voorkeur een passende apocalyps. Terug op het terrein, waar hij Jin en mij over de gehavende wegen naar de diepere uithoeken van het voormalige munitiedepot reed, schetste hij enkele van deze scenario’s. Je had de ‘gekke kleine man in Noord-Korea’ die op het punt stond een nucleaire oorlog te beginnen. Er was de eeuwige dreiging van een wereldwijde pandemie, misschien zelfs een biowapen, dat op onvoorstelbare schaal tot de dood zou leiden. Er was het vooruitzicht van hackers die, gemotiveerd door politieke doeleinden of vanuit puur demonisch vermaak chaos veroorzaakten op de systemen die het nationale netwerk beheersten en de volledige technologische infrastructuur van de samenleving uitschakelden. Er waren de enorme zonnevlammen die periodiek optraden en exact hetzelfde effect hadden, maar dan zonder menselijke tussenkomst. Hij noemde met zichtbaar plezier het zogenaamde Carrington-event, een enorme uitbarsting op het oppervlak van de zon die aan het begin van de vorige eeuw elektrische systemen over de hele wereld had platgelegd.
‘En, laat me je dit zeggen, er had allang weer een moeten plaatsvinden,’ zegt hij. ‘Alláng!’
Als je een bepaald dystopisch scenario niet zag zitten, had hij altijd wel een ander voor je in petto dat misschien beter bij je paste
Een belangrijk onderdeel van Vicino’s verkooppraatje vormde het idee dat de regering wist dat er een rampzalige gebeurtenis in het verschiet lag, maar deze verdoezelde om massale paniek te voorkomen. Je kon er zeker van zijn, hield hij vol, dat degenen die de wereld bestuurden regelingen troffen om zichzelf te beschermen, en dat ze voor ons zowel die regelingen als de ramp zelf verzwegen.
Hij had een aantal vreemde overtuigingen – overtuigingen die een aanvulling vormden op zijn fundamentele apocalyptische visie. Hij geloofde dat de aarde de neiging had om abrupt te verschuiven in haar ronde om de eigen as, wat enorme aardbevingen en vloedgolven veroorzaakte. Hij geloofde in het bestaan van een weesplaneet ter grootte van Jupiter, Niburu genaamd, die daar ergens rondzwierf, ongebonden aan een specifiek zonnestelsel, en op onze wereld afkoerste. Ook dit wist de regering, maar werd verzwegen. Hij was van mening dat alles wat er gebeurde, van Noord-Korea tot de Brexit, was georkestreerd met de bedoeling ons dichter bij een wereldheerschappij te brengen.
Hij was niet bijzonder evangelisch over zijn overtuigingen. Hij bracht ze losjes, in de wetenschap dat apocalyptisch onbehagen kon groeien. Als je een bepaald dystopisch scenario niet zag zitten, had hij altijd wel een ander voor je in petto dat misschien beter bij je paste. Maar samenzweringen – geheime kennis, verborgen onthullingen – waren het belangrijkste onderdeel van zijn businessmodel.
Hij wijdde vooral uit over zijn theorie dat de Democratische partij zich van oudsher had opgewerkt door minderheden hulpvoorzieningen te beloven. ‘De Democraten zeiden: laten we zwarten halen. Laten we Mexicanen halen. Laten we elke minderheid halen en hen doen geloven dat we het beste met ze voorhebben, dat we ze allerlei voorzieningen zullen bieden. Maar zelfs acht jaar Obama heeft niets uitgehaald. Meer hulp. Meer beloftes. Meer niets.’
Hij legde een vlezige hand op zijn grijzende sik en masseerde die met retorische kracht. Ik nam even de tijd om het fysieke spektakel van deze man in me op te nemen. De stevige gouden zegelring. De beige cargo short. De bruinleren instappers. De bleke en vreemd smalle enkels. Er was iets meeslepends aan zijn verschijning. En als mijn weergave van hem karikaturaal aandoet, of zelfs regelrecht grotesk, dan is dat alleen omdat hij zo op mijn overkwam.
Onthulling van de waarheid
Na iets van een halfuur rondrijden, met schijnbaar als enige doel de uitgestrektheid van het terrein te demonstreren, bracht Vicino de Lexus tot stilstand bij weer een ander van de gewelven. De prairiewind had een deel van de grond en het gras boven op de constructie weggeblazen, waardoor een boog van de bedekkende bitumenlaag zichtbaar werd.
De vraag die ik mezelf moest stellen, had Vicino gezegd, is tot welke groep ik wilde worden als het eenmaal zover was, als dat zou gebeuren wat stond te gebeuren. Als de asteroïde landde. Als de lichten uitgingen. Als de economie definitief ten onder ging. Als, om wat voor reden dan ook, op welke manier dan ook, de hele boel onherroepelijk in elkaar zou storten, zoals zonder enige twijfel zou gebeuren. Wilde ik dan daarbuiten zijn en proberen binnen te komen?
Want als ik dacht dat ik langs de gewapende bewakers zou kunnen komen die Vivos overal langs het terrein had gestationeerd: veel succes. Ik zou daarbuiten zijn, en weet je wie er met mij zou zijn? Heel veel andere mensen. En niet veel eten. En het is een historisch feit dat mensen na 21 dagen zonder voedsel hun toevlucht nemen tot kannibalisme.
‘Er zullen bendes rondzwerven,’ zei hij. ‘Hele hordes kannibalen. Verkrachters. Plunderaars. De have-nots komen achter de haves aan om ze alles af te nemen. En mijn vraag aan jou is, wil je dat je dochters dat meemaken?’
Ik had op dat moment geen dochters, maar het voelde op de een of andere manier belerend om hem daar nu op te wijzen, aangezien ik inzag dat hij op een bepaald niveau niet echt tegen mij sprak. Hij had het over en tegen een opgeroepen beeld van geïdealiseerde mannelijkheid: de man die voorziet, de man die beschermt, en die alleen door het uiteenvallen van de staat, de ineenstorting van de beschaving zelf, tot zijn ware apotheose kan worden gebracht. Hij had het over een man voor wie de samenleving altijd in zekere zin bestond uit plunderende kannibalen op zoek naar het vlees van zijn dochters. De apocalyps was in deze zin een onthulling van hoe de dingen in dit leven werkelijk waren: de ware aard van de mensen, de ware aard van de samenleving, van hoe een man zich daarbinnen moest opstellen. ‘Apocalyps’ betekent tenslotte niet meer dan een openbaring, een onthulling van de waarheid.
Het scenario dat Vicino had geschetst, de haves die de luiken sloten om de have-nots buiten te houden, scheen mij in zekere zin toe als een overtrokken versie van de realiteit. En hoewel ik niet veel zeker weet, wist ik op dat moment heel zeker dat ik in een dergelijke wereld niet een van de haves wilde zijn.
De hypocrisie hiervan ontging me niet. Als dit al was hoe de wereld in elkaar stak, was ik per slot van rekening toch echt een have. Hoe kon ik er zo zeker van zijn dat ik in de nasleep van een rampzalige gebeurtenis niet nog minder acht zou slaan – zou hoeven te slaan – op het lijden van anderen dan ik nu al deed? Thuis in Dublin stapte ik elke dag praktisch over de lichamen van de armen, de verslaafden, de behoeftigen heen. Ik klaagde over de regering die niets deed voor deze mensen, die niet van plan was de systematische onrechtvaardigheden aan te pakken die de oorzaak waren van hun lijden, maar in wezen deed ik zelf niets om hen te helpen, afgezien van het incidenteel opgooien van wat kleingeld, wat evengoed mijn eigen schuldgevoel verlichtte als het lijden van de begunstigde.
Een beschaving die ruimte bood aan een bedrijf als Vivos, was een beschaving die in zekere zin al was ingestort
En toch voelde ik niets dan afschuw voor het product dat Vicino me probeerde te verkopen of via mij te verkopen. Een beschaving die ruimte bood aan een bedrijf als Vivos, was een beschaving die in zekere zin al was ingestort.
Ik heb enige sympathie voor de bouwers van bunkers, de hamsteraars van gevriesdroogde voedingsmiddelen. Ik begrijp de angst, het verlangen om die te verzachten. Maar meer dan dat ik ernaar verlang mijn angst te stillen, wil ik de drang weerstaan om in een gat te klimmen, me terug te trekken uit een noodlijdende wereld en de deur achter mij en mijn gezin te vergrendelen. Als ik denk aan Vicino’s project, zijn product, denk ik aan wat antropoloog Margaret Mead zei over wat het betekent om jezelf op die manier te beschermen. Volgens haar was het een onttrekking aan het idee dat we een gemeenschappelijk lot zouden hebben, het idee dat we misschien samen konden leven in plaats van alleen te overleven.
De door de consument gekochte bunker is de nachtmerrieomkering van de Amerikaanse droom. Het is een ondergrondse overvloed aan luxegoederen en comfort, een klein koninkrijk van gewapend beton en staal, dat het voortbestaan van het individu en zijn gezin beschermt te midden van de desintegratie van de wereld.
‘Je kop in het zand steken,’ zei Vicino, ‘zal je reet daarbuiten niet redden.’ Hij zei Ayn Rand te parafraseren, met als punt, vermoed ik, dat het niet kopen van een plek in een van zijn faciliteiten een onwil behelsde om de realiteit onder ogen te zien. Maar ik vond het een ongepast beeld, een ongepaste analogie, die niet overeenkwam met waar hij voor pleitte. Voor zover ik begreep luidde zijn boodschap als volgt: het heeft geen zin om je kop in het zand te steken, als je je kont er niet ook bij begraaft.
De volgende dag keerde ik terug naar xPoint. Bij de container stond een onbemande rode Jeep geparkeerd met op de deuren reclame voor een lokaal Fox News-station, waar ik uit afleidde dat Vicino met een televisieverslaggever over de prairies was gereden, zijn verkooppraatje allicht aanpassend aan de specifieke zorgen van een conservatief uit South Dakota die kabelnieuws keek. Ik parkeerde naast de Jeep en stapte uit om over het terrein te dwalen, maar realiseerde me al snel dat het veel te groot was om ook maar enigszins te voet te verkennen, en keerde terug naar de auto.
Ik reed ongeveer 40 minuten, stopte af en toe om een veepoort te ontgrendelen en een of twee keer om uit te stappen en het uitzinnige spektakel te aanschouwen van de eindeloze met gras bedekte gewelven, de zeshoekige gevels – een architectuur die meer met de psychische dan met de fysieke kant van de mens verbonden leek te zijn. Ik beklom er een om de weidsheid vanaf een hoger perspectief te bezien. De dag ervoor hadden Jin en ik samen op een van de constructies gestaan en was mijn opkomende ongemak over het militair-industriële karakter van dit alles terstond de kop in gedrukt door Jins plechtige mededeling dat hij onlangs het dak van zo’n gewelf had uitgekozen ‘to take a shit’, al was het ‘waarschijnlijk niet deze’.
Ik ging op het schaarse gras van het dak zitten en keek uit over het oneindige groen dat zo onwerkelijk werd onderbroken door de gewelven. Het schoot me te binnen dat dit de plek was waar Laura Ingalls Wilder, in wat toen het zuidelijke deel van Dakota was, een groot deel van haar jeugd doorbracht en waar verschillende van haar Little House-romans speelden. Dit was dus niet zomaar een prairie waar ik over uitkeek, het was de Prairie: de vruchtbare bron van Amerika’s droom van zichzelf, een natie van ondernemende pioniers, kolonisten van onontgonnen gebied. Ik keek uit over een land dat was geboren uit wreedheid en genocide, gebouwd op de overblijfselen van een onderdrukte inheemse beschaving, waarin de bunkers de terugkeer waren van een onderdrukte apocalyps. Het was alsof het land ze zelf had uitgescheiden, als een immuunreactie op een oud antigen.
Het was zo stil dat ik het zachte gezoem van de elektrische hoogspanningskabels boven me kon horen, het geluid van de technologische samenleving zelf. Ik dacht na over die twee obsessies van de VS: die met de pioniers en die met de naderende apocalyps. Wat bood Vicino op deze plek anders dan een terugkeer naar het pioniersbestaan, een nieuw begin in de nasleep van het einde, waarbij de consument zo veel mogelijk luxe werd aangereikt?
Terwijl ik over de prairie reed richting het oosten, vroeg ik me af of je Vicino zou kunnen zien als iemand die misschien niet zozeer een redder an sich was, als wel degene die redding kon bieden. Vroeger dacht men dat God de rechtschapenen zou sparen terwijl de goddelozen zouden sterven. Tegenwoordig lag ieders lot besloten in de handen van de markt. Als je het kon betalen en er op tijd bij was, dan had je kans te worden gered. Dat was de deal: de Eerste en de Laatste, de Alfa en de Omega.
Dit is een aangepast fragment uit Notes from an Apocalypse: A Personal Journey to the End of the World and Back van Mark O’Connell, deze maand uitgegeven door uitgeverij Granta.

