waarom facebooks aanpak tegen hate speech in myanmar niet helpt


Reuters vond op Facebook meer dan duizend voorbeelden van berichten, commentaar en pornografische beelden waarin Rohingya en andere moslims worden aangevallen. De geheime missie die de socialmediagigant opzette, haalt weinig uit.

In april 2018 vertelde de oprichter van Facebook, Mark Zuckerberg, tegen Amerikaanse senatoren dat de site nog eens tientallen Birmees sprekenden inhuurde om posts te controleren op haatzaaien. De situatie was nijpend.

Zo’n 700.000 leden van de Rohingya-minderheid waren de afgelopen tijd het land ontvlucht vanwege een militaire strafexpeditie en etnisch geweld. In maart vorig jaar zei een VN-onderzoeker dat Facebook werd gebruikt voor oproepen tot geweld tegen de islamitische minderheid. Het platform was volgens haar veranderd in ‘een beest’.

Vier maanden na Zuckerbergs plechtige belofte om maatregelen te nemen, is dit een kleine greep uit de posts uit Myanmar die in augustus 2018 te zien waren:

Iemand plaatste commentaar bij een advertentie voor een restaurant waar Rohingya-gerechten worden geserveerd. ‘We moeten ze net zo aanpakken als Hitler deed met de Joden, die ellendige kalars!’ zette hij erbij – kalar is een scheldwoord voor de Rohingya. Die post werd geplaatst in december 2013.

In een andere post stond een artikel uit een door het leger gecontroleerde publicatie over aanvallen op politiebureaus door Rohingya-militanten. ‘Die onmenselijke kalar-schoften, de Bengalen, vermoorden en verwoesten ons land, ons water en de mensen van ons volk’, stond er. ‘We moeten hun ras uitroeien.’

Die post verscheen in september 2017, toen het geweld tegen de Rohingya op zijn hevigst was.

Een andere Facebookgebruiker deelde een blog met daarin foto’s van een boot vol Rohingya-vluchtelingen die aankwam in Indonesië. ‘Giet er benzine over en steek de fik erin, dan zijn ze sneller bij Allah’, schreef iemand in een opmerking.

De post verscheen elf dagen na Zuckerbergs verklaring voor de senaatscommissie.

Niet in staat het probleem op te lossen

Reuters vond in augustus 2018 in één week meer dan duizend voorbeelden van dergelijke posts, commentaren, foto’s en filmpjes op Facebook waarin de Rohingya en andere islamitische Myanmarezen werden bedreigd. Bijna alle posts waren geschreven in de belangrijkste lokale taal, het Birmees. Onder de haatposts tegen Rohingya en andere moslims die we voor dit artikel hebben geanalyseerd – verzameld door Reuters en het Human Rights Center van de UC Berkeley School of Law – zit ook materiaal dat al langer dan zes jaar op Facebook staat.

In de haatposts worden de Rohingya en andere moslims schoften, parasieten en verkrachters genoemd, wordt voorgesteld om ze aan de varkens te voeren, door te schieten en uit te roeien. Het materiaal bevat ook grove, pornografische antimoslimplaatjes. In de regels van het bedrijf staat nadrukkelijk dat het verboden is etnische groepen aan te vallen ‘in agressieve en ontmenselijkende bewoordingen’ of ze met dieren te vergelijken. Facebook heeft ook een heel strikt beleid met betrekking tot pornografische content.

Dat Facebook wordt gebruikt om haat te zaaien tegen de Rohingya in het land waar boeddhisten de meerderheid vormen is uitgebreid gemeld door de VN en anderen. Nu laat het onderzoek van Reuters zien waarom het bedrijf er niet in slaagt om het probleem op te lossen.

graphic myanmar facebook hate speech

Jarenlang heeft Facebook – dat een netto-inkomen opgaf van 15,9 miljard dollar in 2017 – weinig geld uitgegeven om het haatzaaien aan te pakken in Myanmar, waar het bedrijf de markt domineert. Begin 2015 waren er bij Facebook maar twee mensen die Birmees spraken; die moesten de problematische posts beoordelen. Voor die tijd spraken de meeste mensen die Birmese content moesten beoordelen alleen maar Engels. Tot vandaag leunt het bedrijf zwaar op gebruikers die haatposts melden omdat de systemen van het bedrijf moeite hebben met het interpreteren van Birmese teksten.

Zelfs nu heeft Facebook niet één persoon in dienst die werkt in het land met 50 miljoen inwoners. Het houdt de haatposts vanuit het buitenland in de gaten. Dat wordt voornamelijk gedaan in een geheimzinnig project dat wordt geleid vanuit Kuala Lumpur en is uitbesteed aan adviesbureau Accenture, dat ervaring heeft met dergelijke diensten. Dit project heeft de codenaam ‘Project Honey Badger’ gekregen.

Volgens ingewijden werden voor dit project, dat veel Aziatische landen bestrijkt, de eerste twee Birmees sprekenden drie jaar geleden aangenomen en gestationeerd in Manilla. Sinds juni 2018 houden ongeveer zestig mensen zich voor Honey Badger bezig met het beoordelen van haatposts en andere content die door Myanmars 18 miljoen actieve Facebookgebruikers werden geplaatst. Facebook had in april 2018 zelf drie Birmees sprekenden fulltime in dienst voor een apart project geleid vanuit het internationale hoofdkantoor in Dublin, aldus een voormalige medewerker.

Mensen werkzaam bij Honey Badger hebben allemaal een jaarcontract getekend en ermee ingestemd geheim te houden wie de klant is. Reuters sprak meer dan zes voormalige monitoren die Zuidoost-Aziatische content moesten beoordelen.

Voor velen in deze opkomende economie is Facebook het internet: het is de enige site die ze online gebruiken

Een medewerker van Facebook legt uit dat het uitbesteden van het monitoren van content efficiënter is omdat de bedrijven die ze inhuren gespecialiseerd zijn in het opzetten van dergelijke projecten. Hij wil niet zeggen hoeveel Birmees sprekenden er wereldwijd bij betrokken zijn, omdat je dat volgens hem ‘onmogelijk kan weten, of er met zekerheid iets over kan zeggen’. Maar hij voegde er nog aan toe: ‘Het zijn er in elk geval niet genoeg.’ Voor velen in deze opkomende economie is Facebook het internet: het is de enige site die ze online gebruiken. Toch sloeg het bedrijf al sinds 2013 herhaalde waarschuwingen van onderzoekers en mensenrechtenactivisten in de wind.

‘Ze zijn zo vaak gewaarschuwd,’ zegt ook David Madden. een tech-ondernemer die in Myanmar werkt. In een lezing die hij in 2013 hield in het hoofdkwartier van Facebook in Menlo Park, in Californië, vertelde hij dat het platform werd ingezet om racisme te promoten en haat tegen moslims te verspreiden, in het bijzonder tegen de Rohingya.

Bij de bijeenkomst waren ongeveer tien werknemers van Facebook aanwezig, onder wie Mia Garlick, nu directeur Zuidoost-Azië-beleid. Anderen keken via de video mee. ‘Het had hun niet duidelijker verteld kunnen worden, en toch volgden niet de noodzakelijke stappen.’ In een verklaring laat Garlick aan Reuters weten: ‘We reageren te traag op de zorgen die worden geuit door burgers, de academische wereld en andere groepen in Myanmar. We willen niet dat Facebook wordt gebruikt om haat te verspreiden en aan te zetten tot geweld. Dat geldt voor de hele wereld, maar in het bijzonder voor Myanmar, waar dit op grote schaal gebeurt.’

Ze voegt eraan toe dat Facebook zich richt op de aanpak van problemen die uniek zijn voor Myanmar ‘door een combinatie van mankracht, technologie, beleid en programma’s’. Het bedrijf laat ook weten dat het verscheidene ‘haatzaaiende personen en organisaties’ in Myanmar heeft verbannen van het platform.

Veel bredere problematiek

De problemen van Facebook in Myanmar maken deel uit van een veel bredere problematiek waar het bedrijf mee te kampen heeft. Zuckerbergs verklaring voor de senaatscommissie in april spitste zich toe op het misbruik van gebruikersdata, op de vraag of het platform conservatieve opvattingen censureert en op de Russische pogingen om zich via Facebook te mengen in de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016.

Van alle hoofdpijndossiers van Facebook is Myanmar echter de bloedigste. Het Myanmarese leger wordt door de VN beschuldigd van een wrede campagne tegen de Rohingya vol moorden, verkrachtingen, brandstichting en etnische zuiveringen. De regering ontkent alle beschuldigingen. De socialemediagigant maakt zijn data over haatposts in Myanmar niet openbaar. Het bedrijf laat weten dat het mondiaal 2,2 miljard gebruikers heeft en iedere week miljoenen meldingen krijgt over problematische content, van gebruikers van overal ter wereld. Na het verzamelen van voorbeelden van haatposts voor dit artikel door Reuters werden enkele kort erna verwijderd. Maar het overgrote merendeel stond begin augustus 2018 nog steeds online.

Toen Reuters Facebook wees op een paar van de beledigende posts die ook in dit artikel staan, zei het bedrijf dat ze die had verwijderd.
Reuters meldt soms posts bij Facebook waarin dreigementen worden geuit tegen hun journalisten, onder wie de Myanmarese journalisten Wa Lone en Kyaw Soe Oo, die in Myanmar terecht hebben gestaan op beschuldiging van het overtreden van de Wet op de Staatsgeheimen. De twee mannen kregen vanwege hun artikel een stortvloed aan doodsbedreigingen over zich heen. Op verzoek van Facebook heeft Reuers dergelijke content verscheidene malen verwijderd.


Een van de foto’s die Kwa Lone en Kyaw Soe Oo hadden weten te bemachtigen van de vermoorde Rohingya, en die het bewijs vormde wat er met de vermiste mannen was gebeurd.
Een van de foto’s die Kwa Lone en Kyaw Soe Oo hadden weten te bemachtigen van de vermoorde Rohingya, en die het bewijs vormde wat er met de vermiste mannen was gebeurd.

In 2011 leefde Myanmar op na tientallen jaren militair dictatuur, maar religieus geweld heeft de transitie naar democratie geen goed gedaan. In 2012 vielen bij botsingen in de deelstaat Rakhine tussen etnische Rakhine, die boeddhistisch zijn, en de Rohingya tientallen doden en sloegen 140.000 mensen op de vlucht, vooral moslims.

De uitzonderlijke dominantie van Facebook in Myanmar begon ongeveer in diezelfde tijd. Maar dat was niet gepland. Nog maar zes jaar eerder was Myanmar een van de meest gesloten landen ter wereld. In 2012 maakte volgens de International Telecommunication Union van de VN maar 1,1 procent van de bevolking gebruik van internet en hadden maar weinig mensen een telefoon. De junta die het land al tientallen jaren bestuurde hield de burgers in isolement.

Dat veranderde allemaal in 2013, toen een zogenaamde burgerregering de deregulering van de telecommunicatie in gang zette. Het telefoniebedrijf van de staat werd plotseling geconfronteerd met twee buitenlandse mobiele-telefoonaanbieders, uit Noorwegen en Qatar.
De prijs van een simkaart zakte van tweehonderd dollar naar slechts twee dollar en ze werden massaal aangeschaft. In 2016 had bijna de helft van de bevolking een mobiele telefoon, volgens gegevens van GSMA Intelligence, de onderzoeksafdeling van de handelsorganisatie van die bedrijfstak. De meeste aangeschafte smartphones hadden toegang tot het internet.

Eén app ging echt viraal: Facebook. Velen zagen het als een site waarop je alles in één had: een berichtensysteem, nieuws en filmpjes en ander vermaak. Het werd ook een statussymbool, aldus Chris Tun, voormalig consultant bij Deloitte, die de overheid destijds adviseerde. ‘Als je geen Facebook gebruikt, loop je achter,’ zegt hij. ‘Iedereen zit op Facebook. Zelfs oma’s.’

Om klanten binnen te halen kwamen Mayanmars telefoonaanbieders met aantrekkelijke deals: bij het gebruik van Facebook werden de data niet in rekening gebracht.

‘Facebook zou me weleens een bloemetje mogen sturen, want wij hebben de markt echt voor ze opengebroken,’ zegt Lars Erik Tellmann, die tot juli 2018 directeur was bij Telenor Myanmar, onderdeel van de Noorse Telenor Group. ‘Dat was helemaal ons eigen initiatief. En het werkte ontzettend goed.’

Tegenwoordig gebruikt de Myanmarese overheid zelf Facebook om belangrijke aankondigingen te doen, zoals het aftreden van de president in maart 2018.

Nadat activisten zes weken lang hadden geklaagd, legde een medewerker van Facebook ten slotte uit dat het verzoek om verwijdering was afgewezen omdat alleen de foto was gemeld en niet de tekst erboven

In de herfst van 2013 begon Aela Callan, een Australische documentairemaakster die studeerde aan de Stanford University, een project over haatposts en nepnieuws dat online werd verspreid tijdens conflicten tussen boeddhisten en islamitische Rohingya in het jaar ervoor. In juni 2012 kwamen minsten tachtig mensen om bij rellen en werden duizenden Rohingya verhuisd naar erbarmelijke interneringskampen. Op Facebook verschenen felle aanvallen op de Rohingya. Een boeddhistische nationalistische groep maakten een pagina aan met de titel ‘Kalar onthoofdingsbende’.

In november 2013 ontmoette ze op het hoofdkantoor van Facebook in Californië Elliott Schrage, onderdirecteur communicatie en beleid. ‘Ik probeerde hem te waarschuwen voor de problemen,’ vertelt ze.

Uit hun e-mailcorrespondentie blijkt dat Schrage Callan in contact bracht met internet.org, een initiatief van Facebook om het internet in ontwikkelingslanden te promoten, en met twee medewerkers van Facebook, onder wie iemand die samenwerkte met maatschappelijke organisaties om het bedrijf te helpen bij de aanpak van haatposts. ‘Hij bracht me niet in contact met iemand binnen Facebook die het probleem zelf zou kunnen aanpakken,’ zei ze. Toen we vroegen om commentaar, verwees Schrage ons naar een perswoordvoerder bij Facebook. Het bedrijf gaf geen commentaar op de ontmoeting.

Matt Schissler, een doctoraalstudent aan de University of Michigan, vertelt dat hij tussen maart en december 2014 discussies had met medewerkers van Facebook in een reeks telefoongesprekken en onlinecontacten. Hij vertelde hun hoe het platform werd gebruikt voor het verspreiden van haatberichten en nepnieuws in Myanmar, bijvoorbeeld via nepaccounts. Samen met andere activisten heeft hij het bedrijf specifieke voorbeelden laten zien, zoals een Facebookpagina in het Birmees die als titel had: ‘We zullen alle moslims uitroeien en ze voeren aan de honden.’ Die pagina werd verwijderd.

Schissler was lid van een besloten Facebookgroep waar mensenrechtenactivisten uit Myanmar, onderzoekers en Facebookwerknemers zoals Mia Garlick konden discussiëren over hoe ze haatposts en andere problemen moesten aanpakken. De activisten voerden vele problemen aan die Facebooks getrapte systeem voor het aanmelden van problematische content met zich meebracht. Als voorbeeld lieten ze een foto zien van een hulpverlener in de deelstaat Rakhine in een post waarin hij ‘een landverrader’ werd genoemd. Die post was volgens gegevens die Reuters mocht inzien 229 keer gedeeld.

Een van de leden van de besloten groep had die post gemeld bij Facebook als voorbeeld van intimidatie van een individu, maar kreeg als antwoord: ‘We hebben de foto beoordeeld die u hebt gemeld op haatzaaien of haatsymbolen maar we achten het niet in strijd met onze Community Standards.’ Nadat activisten zes weken lang hadden geklaagd, legde een medewerker van Facebook ten slotte uit dat het verzoek om verwijdering was afgewezen omdat alleen de foto was gemeld en niet de tekst erboven. Uiteindelijk werd de post verwijderd.

Vrijwilligers

In maart 2015 hield Schissler in het hoofdkantoor van Facebook in Californië een lezing over de nieuwe media, met name Facebook, en het geweld tegen moslims in Myanmar. Meer dan tien Facebookmedewerkers waren er volgens hem bij aanwezig. Twee maanden later hield Madden, de tech-ondernemer, een lezing in het hoofdkantoor van Facebook over de spanningen en het geweld tussen boeddhisten en moslims. Hij liet een bewerkte foto zien die via Facebook was verspreid: de eigenlijke leider van het land, Aung San Suu Kyi, een boeddhiste, die een islamitische hoofddoek droeg. Die foto moest volgens Madden suggereren dat ze sympathie koesterde voor moslims – een heel negatieve boodschap in Myanmar. ‘De hele presentatie was bedoeld om de alarmklok te luiden, om heel duidelijk de context te laten zien waarbinnen Facebook opereerde en aan te tonen hoe het platform werd misbruikt.’ Hij verliet de bijeenkomst in de veronderstelling dat het publiek zijn lezing serieus had genomen en onmiddellijk stappen zou ondernemen.

Madden had in Yangon een tech-hub en een helpdesk voor start-ups, Phandeeyar, opgericht. Volgens hem hebben hij en anderen die bij de onderneming waren betrokken in de jaren erna vele malen met Facebook gecommuniceerd, via e-mail, in de besloten Facebookgroep en persoonlijk, om te laten zien dat de systemen die het netwerk gebruikte om gevaarlijke content op te sporen en te verwijderen niet effectief waren. ‘Het kernprobleem is dat hun mechanismes om haatposts voortijdig te verwijderen voordat die enig kwaad hebben kunnen aanrichten, niet werken.’ Madden en Jes Kaliebe Petersen, de directeur van Phandeeyar, vertellen dat Facebook nog steeds te veel vertrouwt op hun eigen groep en andere vrijwilligers om gevaarlijke posts te melden. ‘Het bedrijf zou niet afhankelijk moeten zijn van een organisatie als de onze of van mensen die toevallig goede contacten hebben met personen binnen Facebook om dat soort dingen te melden,’ aldus Petersen.

Rohingya's worden weggeleid uit het dorpje In Dinn.
Rohingya’s worden weggeleid uit het dorpje In Dinn.

In april 2018, vlak voor Zuckerbergs verklaring voor de senaatscommissie, veegden Phandeeyar en vijf andere groepen in Myandar hem de mantel uit omdat hij in een interview met Vox had beweerd dat de systemen van Facebook in september 2017 opruiende posts had ontdekt en verwijderd. ‘Wij denken dat in dit geval wíj uw systeem waren,’ schreven ze. Zuckerberg bood zijn excuses aan.

In 2014 waren tech-organisaties en onderzoekers niet de enige die bij Facebook aan de bel trokken. Ook de overheid van Myanmar deed dat.

In juli van dat jaar braken er in de stad Mandalay rellen uit nadat er op Facebook en andere plekken het valse gerucht was verspreid dat een moslim een boeddhistische vrouw had verkracht. Bij de gevechten kwamen twee mannen om: een boeddhist en een moslim.

De Myanmarese regering vroeg Tun, toen nog consultant bij Deloitte, om contact op te nemen met Facebook. Dat lukte eerst niet, en daarna liet de regering korte tijd Facebook blokkeren. Uiteindelijk kreeg Tun voor elkaar dat er overleg tot stand kwam tussen Facebook en de regering. ‘Ze beloofden dat als iemand nepnieuws zou ontdekken, je het bedrijf daarover kon e-mailen,’ vertelt Tun. ‘Dan zouden ze actie ondernemen – ze waren bereid om die posts dan zelf nog te beoordelen en eventueel de pagina’s te verwijderen.’

De regering begon gevallen te melden bij Facebook, maar Tun zag al snel in dat het bedrijf geen weg wist met teksten in het Birmees. ‘Echt, Facebook had geen flauw idee van de Birmese content. Ze waren totaal onvoorbereid. We moesten het voor hen in het Engels vertalen.’

In 2015 had Facebook zo’n vier Birmees sprekenden die in Manilla en Dublin de Myanmarese content beoordeelden. Ze hadden het nogal druk: dat jaar had Facebook 7,3 miljoen actieve gebruikers in Myanmar

In augustus 2013 kondigde Zuckerberg een plan aan om internet voor het eerst beschikbaar te maken voor miljarden mensen in ontwikkelingslanden. ‘Alles wat Facebook tot nu toe heeft gedaan is erop gericht geweest om alle mensen ter wereld toegang tot het internet te verschaffen. Nu gaan we eraan werken om het ook mogelijk te maken voor mensen die het nu niet kunnen betalen.’

Maar in Myanmar zou de taalbarrière voor problemen zorgen. De meeste mensen hier spreken geen Engels. Hoewel Myanmarese gebruikers destijds in het Birmees op Facebook konden posten, was de interface – net zoals het systeem om problematische posts te melden – in het Engels. Bovendien was het project van het bedrijf om Birmese content te monitoren nogal zuinig opgezet.

In 2014 had het socialemediamonster maar één contentbeoordelaar die Birmees sprak: een lokale freelancer in Dublin, blijkt uit berichten van Facebookmedewerkers in de besloten chatgroep. Begin 2015 kwam er een tweede Birmees sprekende bij.

In Manilla – waarvandaan het uitbestede project ‘Honey Badger’ opereerde – waren er geen contentbeoordelaars die Birmees spraken. De mensen die daar de Myanmarese content beoordeelden spraken Engels.

‘Bij haatposts waarvan we de taal niet verstonden, zeiden we altijd: “Ik spreek die taal niet,”’ vertelt iemand die daar werkte. ‘Dus dan moest de klant dat oplossen,’ zegt hij, doelend op Facebook.

In 2015 had Facebook zo’n vier Birmees sprekenden die in Manilla en Dublin de Myanmarese content beoordeelden. Ze hadden het nogal druk: dat jaar had Facebook 7,3 miljoen actieve gebruikers in Myanmar. Geleidelijk nam Accenture meer Birmees sprekenden in dienst. Met de vertaalhulp van vrijwilligers kwam Facebook met een interface in het Birmees.

In 2016 was het project Honey Badger verhuisd naar Kuala Lumpur nadat Accenture Facebook ervan had overtuigd dat het makkelijker was om Birmees sprekenden en anderen te werven als die konden werken vanuit Kuala Lumpur, aldus een ingewijde.

In een kantoortoren in Kuala Lumpur moesten teams content uit verschillende Aziatische landen monitoren, niet alleen uit Myanmar. Ze kregen 850 tot 1000 dollar per maand en werkten vaak voor uitzendbureaus, blijkt uit verhalen van ex-werknemers en onlinepersoneelsadvertenties.

In een verklaring laat Facebook weten: We hebben ervoor gekozen om alleen te werken met mondiale partners die zeer goed bekend staan, die goed voor hun personeel zorgen, ze goed betalen met uitstekende arbeidsvoorwaarden, zoals Accenture.’

Een woordvoerder van Accenture bevestigt dat ze samenwerken met Facebook. ’Onze operaties kwalificeren als “geheimzinnig” is misleidend. De vertrouwelijkheid is in de eerste plaats bedoeld om de privacy en veiligheid van onze mensen en onze klanten te beschermen.’

Duizend of meer potentieel problematische posts per dag

Volgens voormalige contentmonitoren moesten ze ieder vaak duizend of meer potentieel problematische posts per dag beoordelen, maar dat aantal schijnt nu kleiner te zijn. De regels van wat op Facebook mag en wat niet mag staan uitgebreid in de Community Standards, die het bedrijf voor het eerst in april 2018 openbaar maakte. Daarin wordt haatzaaien omschreven als ‘agressief of ontmenselijkend taalgebruik, beledigingen, of oproepen tot uitsluiting of segregatie’ gericht tegen mensen gebaseerd op hun ras, etniciteit, religieuze gezindheid of andere eigenschappen.

Facebook verklaart in een reactie op het grote aantal beoordelingen: ‘Contentmonitoren hoeven niet een vast aantal posts te evalueren… We stimuleren beoordelaars de tijd te nemen als ze nodig hebben.’

Een werknemer van Facebook laat Reuters weten dat de Community Standards gelden voor de hele wereld, ‘maar er zijn lokale nuances’, zoals laster, die contentbeoordelaars die native speaker zijn, zelf bij hun beslissingen kunnen laten meewegen. Voormalige contentmonitoren vertelden echter ook dat ze waren opgeleid om ‘de gebruiker het voordeel van de twijfel te geven’.

De ex-monitoren zeggen dat ze soms maar een paar seconden hadden om te beslissen of een post haatzaaiend was of op een andere manier de Community Standards overtrad. Ze vertellen dat ze zelf niet specifiek op zoek gingen naar haatposts; ze beoordeelden een enorme hoeveelheid posts die voornamelijk door Facebookgebruikers waren gemeld.

Reuters-journalisten Wa Lone (voorgrond) en Kyaw Soe Oo werden op 12 december gevangennomen vanwege openbaar maken van vertrouwelijke documenten. Hier komen ze aan bij een rechtszitting eerder deze maand. – © Reuters / Jorge Silva
Reuters-journalisten Wa Lone (voorgrond) en Kyaw Soe Oo werden op 12 december gevangennomen vanwege openbaar maken van vertrouwelijke documenten. Hier komen ze aan bij een rechtszitting eerder deze maand. – © Reuters / Jorge Silva

De problemen van Facebook komen duidelijk naar voren in een nieuwe functie die gebruikers in staat stelt om Birmese content te vertalen naar het Engels. Bijvoorbeeld een post die Reuters vond in augustus 2017. In het Birmees luidt de post: ‘Vermoord alle kalars die je maar ziet in Myanmar; er mag er niet een in leven blijven.’ De Engels vertaling van Facebook: ‘Ik zou geen regenboog mogen hebben in Myanmar.’

De reactie van Facebook: ‘Ons vertaalteam is hard aan de slag om ervoor te zorgen dat de vertalingen correct zijn.’ Volgens het bedrijf wordt er nu een ander systeem gebruikt om haatposts op te sporen.

Guy Rosen, onderdirecteur productmanagement, schreef in een blog gepost op Facebook in mei 2018 over de problemen die het bedrijf had bij het herkennen van haatposts. ‘Onze technologie werkt nog steeds niet goed, en daarom moet er worden gecontroleerd door onze beoordelingsteams’, schreef hij. Volgens medewerkers van Facebook staan er geen plannen op stapel om mensen in Myanmar zelf in dienst te nemen. Maar het bedrijf werkt wel samen met lokale bureaus voor andere taken dan het monitoren van content. Een daarvan is Echo Myanmar, een communicatiebedrijf waarvan Anthony Larmon, een Amerikaan, de directeur is.

Larmon heeft zich krachtig uitgesproken over de Rohingya. Nadat Rohingya-rebellen in 2016 enkele grensposten hadden overvallen, voerde het Myanmarese leger charges uit op zo’n tien dorpen. Destijds beschuldigde een VN-medewerker de regering ervan de Rohingya etnisch te willen zuiveren.

In november 2016 schreef Larmon dat een artikel over de VN-beschuldiging ‘misleidend’ was. Hij haalde daarbij uitspraken aan van vele ‘lokale journalisten’ dat de etnische minderheid de situatie ‘doelbewust overdreef (erover loog)’ om ‘meer buitenlandse hulp en aandacht te krijgen’.

Ook schreef hij: ‘Nee, er is geen sprake van etnische zuiveringen of ook maar iets wat in de buurt van die opruiende term komt.’ Later verwijderde hij die post. Een woordvoerder van Facebook verklaarde dat Larmons post niet de mening van Facebook onderschrijft.

Larmon: ‘Het was een te emotioneel, te slecht geïnformeerd commentaar op een uiterst genuanceerd onderwerp en daar heb ik spijt van. Mijn mening is, nu net zoals toen, dat de Rohingya veilig gerepatrieerd en beschermd moeten worden.’

Het platform waarop hij zijn mening over de Rohingya openbaar maakte? Facebook.

Gebroken Engels

Facebook is niet het enige platform waarop haatposts tegen de islamitische Rohingya staan. Het komt ook veelvuldig voor op Twitter.

In Myanmar is Twitter veel minder populair dan Facebook. Maar nadat Rohingya-opstandelingen in augustus 2017 politiebureaus hadden aangevallen, wat leidde tot een strafexpeditie van het leger en 700.000 mensen die op de vlucht sloegen, werden er honderden nieuwe Twitteraccounts geopend in Myanmar. Veel van de tweets op die accounts leken pogingen te zijn om het sympathieke beeld dat de westerse media en mensenrechtenactivisten van de Rohingya schetsten bij te stellen. Ze schilderden de etnische minderheid af als illegale immigranten uit het buurland Bangladesh, oftewel als ‘Bengalen’. Leden van die etnische groep beschouwen zichzelf als geboren inwoners van de deelstaat Rakhine in het westen van Myanmar, maar het land heeft de meesten van hen het staatsburgerschap onthouden.

Sommige tweets op die accounts waren in gebroken Engels: “There is no Rohingya in Myanmar they are only illegal immigrant and terrorists.” (‘Er is geen Rohingya in Myanmar, alleen illegale immigranten en terroristen.’)

“They are Originally Bangalis, Illegally migrants and Land Robbers” (‘Je hebt Oorspronkelijke Bengalen, Illegale Migranten en Land Dieven.’)

Nog steeds online

Deze en dergelijke tweets staan in augustus 2018 nog steeds online. Het ‘haatbeleid’ van Twitter verbiedt het aanvallen van groepen van mensen op basis van ras, etniciteit of nationale herkomst, en het vertonen van ‘gedrag dat angst zaait met betrekking tot een beschermde groep’.

Twitter verwijderde een aantal tweets die door Reuters waren gemeld.

Matthew Smith, medeoprichter van Fortify Rights, een mensenrechtengroep in Zuidoost-Azië, zegt dat hij na de aanvallen door Rohingya-opstandelingen in augustus 2017 ontdekte dat hij op Twitter plotseling werd gevolgd door ‘verdachte’ accounts. Reuters analyseerde die nieuwe volgers van Smith op Twitter met behulp van twee bedrijven die Twitter analyseren, ExportTweet.com en Mentionmapp Analytics.

De analyse wees uit dat meer dan 1200 van de nieuwe Twitteraccounts die Smith volgden waren geopend tussen 27 en 31 augustus 2017, op het hoogtepunt van de militaire strafexpeditie tegen de Rohingya in de deelstaat Rakhine. Uit een onderzoek naar 564 van deze tweets bleek dat 349, oftewel 62 procent, anti-Rohingya waren, aldus John Gray, medeoprichter van Mentionmapp. Mentionmapp onderzocht niet de standpunten van de andere accounts.

Mentionmapp ontdekte dat de opkomst van die accounts waarschijnlijk niet geautomatiseerd was gegaan – dat wil zeggen dat het geen bots waren – maar voornamelijk een kortdurende, ‘georchestreerde’ anti-Rohingya-campagne leek te zijn die zogenaamd de publieke opinie zou moeten weergeven. Op 31 procent van de 1239 nieuwe accounts verschenen na september 2017 geen nieuwe tweets meer.

Gray kan niet bevestigen of vaststellen dat er een centrale organisatie of centraal persoon achter al die accounts zit. In een rapport van Mentionmapp staat ook: ‘Dus de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Facebook niet het enige platform voor haatposts gericht tegen de Rohingya was.’

Auteur: Steve Stecklow
Vertaler: Paul Bruinsma

De auteur is globaal onderzoeksverslaggever voor Reuters. Eerder werkte hij voor Wall Street Journal, en Philadelphia Inquirer.

Reuters is een internationale nieuwsdienst met meer dan 2500 journalisten in bijna 200 landen en een internationale leverancier van financiële data. Reuters voorziet anno 2019 zowel de gedrukte pers als de audiovisuele media van artikelen en reportages. Wereldwijd heeft Reuters bijna 200 vestigingen en 17.000 werknemers. Financiële berichtgeving behoort nog altijd tot de belangrijkste tak van de nieuwsdienst.


Deel dit artikel


Recent verschenen