ANP 464216888


Volgens historicus Yuval Noah Harari omvat onze identiteit zoveel meer dan tegenwoordig vaak wordt aangenomen. ‘Als je je richt op slechts één deel ervan en je inbeeldt dat dat het enige is wat telt, zul je niet begrijpen wie je werkelijk bent.’

Vraag je je af wie je bent, waar je vandaan komt en wat je identiteit is? Ieder mens waagt zich aan deze belangrijke en boeiende zoektocht. Maar het kan ook gevaarlijk zijn. Als ik mijn identiteit op een duidelijke manier probeer af te bakenen, sluit ik anderen mogelijk buiten. Ik zou tot de conclusie kunnen komen dat mijn identiteit wordt bepaald door het feit dat ik tot één specifieke groep mensen behoor, en daardoor alle aspecten van mijn leven negeren die niet te rijmen zijn met die indeling.

De mens is echter een ongelofelijk complex wezen. Als je je richt op slechts één deel van je identiteit en je inbeeldt dat dat het enige is wat telt, zul je niet begrijpen wie je werkelijk bent. Voor mij als Jood is het bijvoorbeeld duidelijk dat de Joodse geschiedenis en cultuur belangrijke onderdelen van mijn identiteit zijn. Maar de Joodse geschiedenis is lang niet genoeg om te verklaren wie ik ben. Ik ben opgebouwd uit allerlei elementen die overal vandaan komen.

Ik houd van voetbal, dat heb ik van de Britten. Zij hebben het spel uitgevonden. Dus als ik een bal in het doel schiet, ben ik een beetje Brits. ’s Ochtends drink ik graag koffie. Dat heb ik te danken aan de Ethiopiërs, die het drankje ontdekten, en de Arabieren en Turken, die het over de hele wereld verspreidden. Ik zoet mijn koffie graag met een lepel suiker, dankzij de Papoea’s, die meer dan achtduizend jaar geleden in Nieuw-Guinea suikerriet domesticeerden. Soms leuk ik mijn koffie op met een stuk chocolade, waardoor ik in verbinding sta met de tropische wouden van Midden-Amerika en het Amazonegebied, waar inheemse Amerikanen mogelijk vijfduizend jaar geleden al begonnen cacao te verbouwen.

Sommige Joden houden niet van voetbal, drinken geen koffie en mijden suiker en chocolade. Toch hebben ook zij veel te danken aan andere culturen. Het Hebreeuws, de heilige taal van het jodendom, heeft veel van zijn woorden, zinnen en basisstructuren ontleend aan andere talen, zoals het Fenicisch, Akkadisch, Grieks, Arabisch en vooral Aramees. Grote delen van het Oude Testament zijn niet in het Hebreeuws geschreven, maar in het Aramees, evenals grote delen van de Misjna, de Talmoed en andere belangrijke joodse teksten. De oude Arameeërs vereerden de god Haddad in plaats van Jehova en doodden verscheidene Joodse koningen. Maar Aramese elementen zijn moeilijk weg te denken uit de Hebreeuwse taal en de Joodse cultuur. Tijdens de rouw bidden orthodoxe joden het Kaddisj-gebed, dat uit Aramese klanken is opgebouwd. Zo’n vijfentwintighonderd jaar geleden verruilden de joden hun eigen Hebreeuwse schrift voor het Aramees, wat tot op de dag van vandaag wordt gebruikt in onder andere de Thora, de Talmoed en in dagbladen.

Code

Meer in het algemeen hebben we de uitvinding van het schrift niet te danken aan de Arameeërs, maar aan de oude Sumeriërs. Duizenden jaren voordat de eerste Jood leefde, verzonnen een paar Sumerische studiebollen iets slims: ze gebruikten een stok om tekens in een stuk klei te kerven. Voor deze tekens bedachten ze een code en ze creëerden de schrijftechnologie die ons uiteindelijk boeken, kranten en websites opleverde.

Het jodendom keek niet alleen voor de taal en het schrijfsysteem buiten de deur, maar ook voor een aantal centrale, religieuze vraagstukken. Zo staat bijvoorbeeld nergens in de Thora vermeld dat de mens een eeuwige ziel heeft die in het hiernamaals gestraft of beloond zal worden. Dat was duidelijk geen essentieel onderdeel van het bijbelse jodendom. De God van het Oude Testament belooft de mensen nergens dat ze, als ze zijn geboden gehoorzamen, eeuwige gelukzaligheid in de hemel zullen genieten, en dreigt nergens dat ze, als ze zondigen, voor eeuwig in de hel zullen branden. Dat het jodendom centrale, religieuze vraagstukken van externe bronnen heeft afgekeken, is dus eigenlijk te voorzichtig geformuleerd. In feite zijn centrale, religieuze overtuigingen ook buiten de eigen traditie ontstaan.

Het jodendom nam het geloof in het eeuwige leven voornamelijk over van de Griekse filosofie van Plato en de Perzische religie van het Zoroastrisme. Aan de Perzen ontleenden de joden ook het concept van de duivel en de Messias. Het merendeel van wat ons in leven houdt en alles de moeite waard maakt – van voeding tot filosofie, van geneeskunde tot kunst – is niet uitgevonden door een specifiek volk, maar door mensen van over de hele wereld. Dit geldt niet alleen voor Joden, maar voor alle mensen. 

Iemand die Afrikaanse culturen wilde beschimpen, vroeg ooit laatdunkend: ‘Wie is de Tolstoj van de Zoeloes?’ Deze persoon leek te geloven dat geen enkele Afrikaanse cultuur – hetzij Zoeloe, hetzij welk Afrikaans volk dan ook – literaire werken heeft voortgebracht die vergelijkbaar zijn met Tolstojs Oorlog en Vrede of Anna Karenina. Ralph Wiley, een Afro-Amerikaanse journalist, had op deze uitdaging een eenvoudig antwoord. Hij kwam niet aanzetten met een lijst Zoeloe-auteurs, zoals Benedict Wallet Vilakazi, Mazisi Kunene of John Langalibalele Dube. Evenmin benadrukte hij dat Afrikaanse auteurs als Chinua Achebe, Chimamanda Ngozi Adichie of Ngũgĩ wa Thiong’o even goed waren als westerse. Wiley omzeilde de valstrik volledig: in zijn boek Dark Witness schreef hij dat ‘Tolstoj de Tolstoj van de Zoeloes is – tenzij je het nuttig vindt om je universele, menselijke kwaliteiten toe te eigenen en die als stambezit te beschouwen’.

Tolstoj spreekt over gevoelens, vragen en inzichten die even relevant zijn voor mensen in Durban en Johannesburg als voor die in Moskou en Sint-Petersburg

Tolstoj is in tegenstelling tot wat fanatieke racisten en hardcore muggenzifters van ‘culturele toe-eigening’ beweren, niet het exclusieve eigendom van de Russen. Hij is van alle mensen. Zelf is Tolstoj sterk beïnvloed door de ideeën van buitenlanders als de Fransman Victor Hugo en de Duitser Arthur Schopenhauer, om nog maar te zwijgen van Jezus en Boeddha. Tolstoj spreekt over gevoelens, vragen en inzichten die even relevant zijn voor mensen in Durban en Johannesburg als voor die in Moskou en Sint-Petersburg.

Tweeduizend jaar geleden schreef de Afrikaans-Romeinse toneelschrijver Terentius, een vrijgemaakte slaaf, iets vergelijkbaars: ‘Ik ben een mens, en niets menselijks is mij vreemd.’ Ieder mens is een erfgenaam van de hele menselijke schepping. Mensen die in hun zoektocht naar identiteit hun wereld reduceren tot de geschiedenis van één enkele natie keren hun menselijkheid de rug toe. Ze veronachtzamen wat ze delen met alle andere mensen. En ze veronachtzamen iets nog veel diepers. Alle uitvindingen en ideeën die de mens de laatste paar duizend jaar tot wasdom heeft gebracht, zijn slechts de bovenlaag van wie wij zijn. Onder die korst, in de diepten van je lichaam en je geest, bevinden zich vele lagen die zich in miljoenen jaren hebben ontwikkeld, lang voordat er überhaupt mensen waren. Dit diepe mysterie manifesteert zich in alles wat ik voel en denk. Om te begrijpen wie ik ben, moet ik me openstellen voor dit mysterie en het onderzoeken. Ik moet geen genoegen nemen met een verhaal dat me koppelt aan een stam die een paar duizend jaar op een paar heuvels bij een rivier heeft geleefd.

Vlinders

Denk bijvoorbeeld aan onze paringsrituelen. Wat voel je als je iemand ziet die je aantrekkelijk vindt, als je voor het eerst iemands hand vasthoudt, als je voor het eerst met iemand zoent? Denk aan die achtbaan van emoties, de hoop en de angst, de vlinders in de buik, de stijgende lichaamstemperatuur en de versnelde ademhaling. Wat zijn dat toch voor verschijnselen, waaraan schrijvers en zangers al eeuwenlang aandacht besteden?

Deze zijn niet uitgevonden door Joden, Arameeërs, Russen of Zoeloes. Sterker nog: ze zijn helemaal niet uitgevonden door mensen. De evolutie heeft ze in miljoenen jaren gevormd, en je deelt ze niet alleen met alle andere mensen, maar ook met chimpansees, dolfijnen, beren en vele andere dieren. Religieuze rituelen zoals de joodse bar mitswa of de christelijke eucharistie zijn hooguit tweeduizend jaar oud en verbinden de huidige generatie met ongeveer honderd generaties daarvoor. Rituelen bij zoogdieren zijn daarentegen tientallen miljoenen jaren oud en verbinden je met miljoenen voorgaande generaties zoogdieren en zelfs met voorouders vóór de zoogdieren.

Als ik mijn identiteit beperk tot een bepaalde groep mensen, dan ga ik aan dat alles voorbij. Dan laat ik weinig ruimte over voor voetbal en chocolade, voor Aramees en Tolstoj, of zelfs voor romantiek. Wat overblijft, is een bekrompen stamverhaal dat in de strijd om identiteitspolitiek een effectief wapen kan zijn, maar ook een hoge prijs heeft. Zolang ik me vasthoud aan dat bekrompen verhaal, zal ik nooit de waarheid over mezelf kennen.

Lees ook:


Deel dit artikel


Recent verschenen