We hebben het werk van de filosoof lange tijd grotendeels genegeerd. Maar een nieuwe vertaling laat zien dat zijn denken inzichten biedt die duidelijk maken waar het westerse liberalisme tekortschiet en hoe het anders kan.
Oude wijsheden zijn tegenwoordig populairder dan ooit. Eeuwenoude ideeën worden in een nieuw jasje gestoken en aangepast aan de moderne lezer. Alles wat te veel botst met onze huidige normen en waarden wordt daarbij zorgvuldig weggepoetst. Zo kennen we in het Westen vooral pseudo-stoïcisme, een namaak-Aristoteles en een opgepoetste Socrates; uit het Oosten krijgen we een afgezwakte versie van het taoïsme, boeddhisme-light en, voor wie meer van new age houdt, de I Tjing (het Boek der veranderingen).
Toch ontbreekt er één grote naam op dit filosofische feestje: Confucius (ca. 551-ca. 479 v.Chr.). En dat terwijl die met recht tot de invloedrijkste filosofen ter wereld behoort. Zijn gedachtegoed bepaalt al duizenden jaren mede het Chinese staatsbeleid en dagelijks leven, en is ook vandaag nog invloedrijk.
Tijdens de Culturele Revolutie probeerde Mao het confucianisme uit te roeien, als onderdeel van zijn strijd tegen de ‘Vier Ouden’ – oude ideeën, cultuur, gewoonten en gebruiken. Maar dat bleek ongeveer even kansloos als een poging de Engelsen van het cricket of de Fransen van de kaas af te krijgen. De Chinese Communistische Partij (CCP) besloot uiteindelijk dat ze Confucius beter voor zich kon winnen. Die omslag werd in 2004 ook buiten China zichtbaar, toen de partij wereldwijd Confuciusinstituten begon op te richten om de Chinese taal en cultuur te promoten.
Confucius in het Westen
Het is goed te begrijpen waarom het Westen het confucianistische gedachtegoed in de eenentwintigste eeuw niet bepaald heeft omarmd. De filosofie is sterk conservatief en hiërarchisch, en benadrukt het belang van de ‘drie banden’: die tussen vader en zoon, man en vrouw, en heerser en onderdaan. Een van de belangrijkste waarden binnen het confucianisme is li, traditioneel vertaald als ‘ritueel’. De belangrijkste confucianistische geschriften gaan uitgebreid in op de vraag welk hoofddeksel je bij welke gelegenheid hoort te dragen en hoe vaak je wel of niet moet buigen. Ook de Analecten, de klassieke verzameling uitspraken en gesprekken van Confucius en zijn leerlingen, gaan grotendeels over hoe keizerlijke heersers hun onderdanen moeten besturen en hoe ambtenaren, vazallen en onderdanen hen op hun beurt moeten dienen. Kortom, het confucianisme lijkt thuis te horen in een volkomen andere tijd en wereld, waarin ongelijkheid en misogynie diep verankerd zijn.
Een nieuwe vertaling van een eeuwenoude confucianistische tekst die lange tijd als vervalsing werd beschouwd maar inmiddels als authentiek wordt gezien, lijkt misschien vooral interessant voor wetenschappers. Maar niets is minder waar. Met hun heldere [Engelse] vertaling van De dialogen van Confucius, aangevuld met een uitgebreide inleiding en toelichting, bieden filosoof Brian Bruya en confucianismekenner Wenwen Li de kans om met een frisse blik te kijken naar een van de invloedrijkste en oudste nog bestaande filosofische tradities ter wereld. De belangrijkste ideeën van Confucius – dat we gevormd worden door onze relaties met anderen, dat sociale harmonie belangrijk is en dat karakter ertoe doet – kunnen namelijk een broodnodig tegenwicht bieden tegen de tekortkomingen van het liberale individualisme.
Als Confucius ons vandaag de dag irrelevant lijkt, komt dat vooral doordat we hem minder makkelijk zijn achterhaalde ideeën vergeven dan de oude Grieken. Niemand schrijft Aristoteles af omdat hij slavernij verdedigde of vrouwen intellectueel minderwaardig vond. Ook Plato wordt niet als filosoof afgeschreven omdat zijn leermeester en hoofdpersonage Socrates in zijn werk voortdurend over goden, mythen en geesten sprak. We vinden het vanzelfsprekend dat we sommige van hun ideeën achter ons laten en ons richten op de inzichten en waarheden die de tand des tijds hebben doorstaan. De confucianistische klassieken bevatten misschien nog meer achterhaalde ideeën dan hun Griekse tegenhangers, maar ook die kunnen we zonder problemen naast ons neerleggen.
De belangrijkste ideeën van Confucius kunnen een tegenwicht bieden tegen de tekortkomingen van het liberale individualisme
Ook als het gaat om de vraag of de Dialogen authentiek zijn, vinden de auteurs dat we dezelfde maatstaven moeten hanteren. Ze beroepen zich daarbij op een grote hoeveelheid recent onderzoek, al erkennen ze dat de discussie nog niet definitief is beslecht. De nauwgezette poging van één wetenschapper om uitsluitsel te geven vergelijken ze met ‘proberen de datering van een compleet kaartspel van 52 kaarten te reconstrueren aan de hand van slechts tien willekeurige kaarten, waarvan er maar vijf te dateren zijn’.
Net als bij de klassieke Analecten gaat niemand ervan uit dat Confucius de Dialogen zelf heeft geschreven. Het zijn verslagen van zijn leer die rond zijn eigen tijd door volgelingen zijn opgetekend. Iets vergelijkbaars geldt voor de overgeleverde teksten van Aristoteles; algemeen wordt aangenomen dat het gaat om door studenten gemaakte en later bewerkte aantekeningen van zijn colleges, al is dat nooit overtuigend bewezen.
‘Authenticiteit’ betekent in dit geval dan ook niet dat een tekst door de filosoof zelf geschreven moet zijn; het gaat erom hoe getrouw zijn ideeën zijn vastgelegd. Omdat er geen oorspronkelijke tekst is om ze mee te vergelijken, kunnen we alleen kijken of de ideeën in de verschillende werken met elkaar overeenkomen. Volgens die maatstaf zijn de Dialogen net zo confucianistisch als de Analecten.
Het kan niet genoeg worden benadrukt hoe weinig het confucianisme in het Westen wordt begrepen. Zelfs de naam geeft al een verkeerd beeld. In China is deze filosofische stroming namelijk niet vernoemd naar haar belangrijkste denker, maar staat ze bekend als het ‘ruïsme’. Ru betekent simpelweg ‘geleerde’ of ‘geleerd persoon’. Dat wij spreken van ‘confucianisme’, komt doordat de jezuïeten die het ruïstische gedachtegoed voor het eerst naar het Westen brachten, uitgingen van hun eigen christelijke traditie en de stroming vernoemden naar de man die zij als de grondlegger zagen. Ze beschouwden het ruïsme bovendien als een religie en konden zich nauwelijks voorstellen dat de dominante leer in China in werkelijkheid een filosofie was.
Die verkeerde benaming was geen onschuldige vergissing. Door één persoon centraal te stellen in het ruïsme, lieten de jezuïeten zien hoezeer zij de stroming vanuit een westerse, individualistische blik bekeken. Confucius zelf – of Kongzi, zoals hij eigenlijk heet – beweerde helemaal niet dat hij iets had gesticht. Hij zag het als zijn taak om de wijsheid van oude wijzen te bewaren en door te geven. Dat was geen valse bescheidenheid. Aristoteles stelde dat de mens een sociaal wezen is; het ruïsme gaat nog een stap verder en stelt dat we worden gevormd door onze relaties met anderen. We hebben anderen niet alleen nodig om ons te ontplooien, maar ook om te worden wie we zijn. Zowel degenen die ons voorgingen als de mensen om ons heen hebben ons gevormd.
Dat fundamentele inzicht blijft relevant, ook als we de machtsverhoudingen binnen de ‘drie banden’ afwijzen. Tegenwoordig hebben mannen terecht geen gezag meer over hun vrouw, en heersers geen absolute macht over hun onderdanen. Toch kunnen we onszelf en anderen pas goed begrijpen als we erkennen hoezeer onze relaties ons vormen. Het is bijvoorbeeld meer dan een biografisch detail dat de ene man op [de prestigieuze Britse kostschool] Eton heeft gezeten en de andere is opgegroeid in een achterstandswijk. De eerste blijft altijd een oud-leerling van Eton, terwijl voor de tweede geldt: je kunt de jongen wel uit de wijk halen, maar de wijk niet uit de jongen. Onze sociale achtergrond en relaties bepalen voor een belangrijk deel wie we zijn.
Die nadruk op onze relaties biedt een aantrekkelijker antwoord op de toenemende versplintering van de westerse samenleving dan vage oproepen tot meer gemeenschapszin, verstikkend collectivisme of een terugkeer naar oude klassenverhoudingen. Vanuit dit perspectief zijn individualisme en collectivisme twee kanten van dezelfde medaille. We kunnen erkennen dat we van elkaar afhankelijk zijn én dat ieder van ons iets eigens bijdraagt. Verschillen en individualiteit moeten daarbij juist de ruimte krijgen, niet worden onderdrukt. De samenleving zou moeten werken als een jazzband, waarin iedere muzikant pas echt tot zijn recht komt in het samenspel met de anderen.
Natuurlijk is die vergelijking bewust wat rooskleurig, want jazz is veel egalitairder dan de traditionele confucianistische samenleving. Maar ook binnen een jazzband bestaat hiërarchie: uiteindelijk is het de bandleider die de lijnen uitzet. Dat laat zien dat hiërarchie niet per definitie iets negatiefs hoeft te zijn; het gaat erom hoe die is ingericht. Buiten de familie is de confucianistische hiërarchie niet gebaseerd op afkomst, maar op verdienste. Volgens de Chinese overlevering werd het land in de vroegste oudheid geregeerd door de semimythische ‘Drie Verhevenen en Vijf Oerkeizers’. Deze legendarische heersers erfden hun macht niet, maar moesten die verdienen. Zo bouwde Shun, een van de heersers die Confucius het meest bewonderde, zijn reputatie op als pottenbakker en visser.
Een confucianistische samenleving is bovenal een goed geordende samenleving. Hiërarchie is alleen gerechtvaardigd als die bijdraagt aan sociale harmonie, en die harmonie vereist juist ruimte voor verschillen. De Dialogen beginnen dan ook met lof voor Confucius’ bestuur als burgemeester van Zhongdu. Daar zorgde hij ervoor dat ‘ouderen en kinderen ieder het voedsel kregen dat ze nodig hadden’ en dat ‘sterken en zwakken werk kregen dat bij hun mogelijkheden paste’.
De CCP verdraait het ruïstische gedachtegoed wanneer ze harmonie probeert te bereiken door uniformiteit en blinde gehoorzaamheid af te dwingen. Confucius benadrukte juist het belang van verschil van mening: ‘Er is nooit een succesvolle heerser geweest zonder ministers met andere opvattingen die hem hielpen zijn fouten recht te zetten. Hetzelfde geldt voor een vader en zijn zonen, voor oudere en jongere broers, en voor een ambitieuze jongeman en zijn vrienden.’
Op een soortgelijke manier staan de regels en rituelen die bepalen hoe iemand zich hoort te gedragen (li) in dienst van deugdzaamheid, en niet andersom. Confucius wijkt dan ook regelmatig af van de bestaande li als dat in het algemeen belang is. Zo weigert hij op een gegeven moment te zeggen welke kroon Shun droeg, omdat die vraag ‘voorbijgaat aan wat werkelijk belangrijk is’. Voor ruïsten zijn li, traditie en hiërarchie dus wel degelijk belangrijk, maar alleen voor zover ze bijdragen aan deugdzaamheid en harmonie. Daarin ligt de morele kern van het ruïsme.
Hoe belangrijk deugdzaamheid voor Confucius was, blijkt uit de nadruk die hij legde op karaktervorming. De confucianistische kijk op zelfontwikkeling verschilt sterk van de vormen van zelfhulp die we tegenwoordig kennen. Het doel is niet om fitter, gezonder of gelukkiger te worden, maar simpelweg om een beter mens te worden – of je daar nu succes mee boekt of niet. ‘Wat iemand overkomt, is een kwestie van timing’, zei Confucius toen hij uitlegde hoe hij en zijn leerlingen ooit vast waren komen te zitten en honger leden. ‘Iemands grootheid hangt af van zijn eigen kwaliteiten.’ Uiteindelijk heb je alleen je eigen deugdzaamheid in de hand. Enkele eeuwen later kwamen ook de stoïcijnen tot dat inzicht, al gingen zij er in de ogen van veel westerlingen met de eer vandoor.
Hebzucht, ijdelheid en luiheid worden door Confucius scherp veroordeeld, maar belangrijker is dat we naar onze eigen tekortkomingen kijken in plaats van naar die van anderen. ‘Een junzi (voorbeeldig mens) pakt zijn eigen fouten aan, niet die van een ander.’ Confucius zag ook voor zichzelf nog ruimte voor verbetering. Zo schrijft hij dat zijn leerling Yan Hui betrouwbaarder was dan hijzelf, Zigong intelligenter, Zilu moediger en Zizhang toegewijder. Toch was het volgens hem terecht dat hij hun leraar was: ieder van hen overtrof hem weliswaar op één vlak, maar schoot op andere vlakken tekort. Deugdzaamheid draait om het geheel en is iets waaraan je je hele leven blijft werken.
Die nadruk op karakter is des te opvallender omdat zowel de Dialogen als de Analecten voor een groot deel te lezen zijn als een soort handleiding voor leiderschap. Het belang dat daarin aan integriteit wordt gehecht, staat in schril contrast met het cynisme van Machiavelli’s De vorst, het klassieke westerse werk over politiek leiderschap. Dat betekent niet dat ruïsten ervan uitgaan dat je altijd zuiver kunt – of moet – handelen. ‘Als het geoorloofd is je te verlagen, doe dat dan’, zei Confucius over situaties waarin je voor het grotere belang soms vuile handen moet maken. Maar zulke machiavellistische manoeuvres zijn de uitzondering, niet de regel.
Voor Confucius betekent goed leiderschap in de eerste plaats het goede voorbeeld geven. In de Analecten verwoordt hij dat als volgt: ‘De deugdzaamheid van een leider is als de wind, die van het volk als het gras. Als de wind over het gras waait, buigt het vanzelf mee.’
Datzelfde idee keert terug in de Dialogen. Zo zegt Confucius: ‘Als de mensen aan de top corruptie afwijzen, zullen ook degenen onder hen zich schamen voor ruzie en conflicten. Als de mensen aan de top gewetensvol en respectvol handelen, zullen ook degenen onder hen zich gematigder gedragen.’
Voor ruïsten is het beste leiderschap bijna onzichtbaar. Zodra dwang of geweld nodig is, is dat een teken dat het leiderschap heeft gefaald. Een wijze ‘stelt een systeem van straffen in, maar de hoogste vorm van bestuur is ervoor te zorgen dat het nooit hoeft te worden gebruikt’. Misschien heeft goed leiderschap niet zo’n rechtstreeks effect op de bevolking als Confucius beweert. Maar zoals we tijdens de pandemie hebben gezien, verliezen normen hun geloofwaardigheid wanneer leiders zich zelf niet houden aan wat ze anderen voorschrijven.
Natuurlijk staat er in de Dialogen ook genoeg dat voor de wereld van nu ongeveer even weinig relevant is als een door paarden getrokken ploeg. Zo is er een heel hoofdstuk gewijd aan de traditionele ceremonie waarbij jongens bij het bereiken van de volwassenheid een hoofddeksel kregen, een ander aan het duiden van voortekenen, en is er een bizarre passage waarin de verschillende draagtijden van dieren worden verklaard aan de hand van een absurde getallenleer. Het ruïsme moet dus zeker worden aangepast aan deze tijd, maar dat gold ooit ook voor de Atheense democratie.
Toch staan de drie pijlers van het ruïstische denken vandaag de dag nog net zo stevig overeind als in het China van de Zhou-dynastie. Confucius roept ons op te erkennen hoezeer onze relaties ons vormen en daarnaar te leven, om bovenal aan ons karakter te werken, en om te beseffen dat geen mens of samenleving kan floreren zonder sociale harmonie. Die ontstaat wanneer ieder zijn eigen rol vervult, met de verantwoordelijkheden en verplichtingen die daarbij horen. Wil het liberalisme bestand zijn tegen de uitdagingen van nationalistisch populisme, dan zal het deze waarden moeten omarmen zonder het conservatisme van Confucius volledig over te nemen.
Vertaald door Tina Papa
Verder lezen?
Kwaliteitsjournalistiek kost geld. Maar je wilt 360 misschien liever eerst proberen. Neem daarvoor een proefabonnement en lees een week lang gratis.
Heb je al een account?
