Schrijver Kiprop Kimutai reist af naar het Franse Saint-Paul de Vence, naar de Maison Baldwin Residency. Hij schrijft over zijn ervaringen en over de verschillen tussen Afrika, Europa en de VS wat betreft zwarte identiteit.
Terwijl ik in Nairobi in een Double M-bus vastzat in het verkeer en op mijn telefoon James Baldwins Kom, roep het van de bergen las, kwam het bericht binnen. Maanden daarvoor had een bevriende schrijver me aangespoord een aanvraag in te dienen voor een verblijf van vier weken in de Maison Baldwin Residency. Die residentie was in het leven geroepen ter ere van de zwarte Amerikaanse schrijver en burgerrechtenactivist James Baldwin, en was bedoeld voor zwarte schrijvers van over de hele wereld die ‘schrijven in de geest van James Baldwin’. Ik was al lange tijd een groot bewonderaar van Baldwin en had een aanvraag ingediend. En nu kon ik mijn geluk niet op. Ik kon een hele maand verblijven in Saint-Paul-de-Vence, een plaatsje in Zuid-Frankrijk waar Baldwin de laatste zeventien jaar van zijn leven had doorgebracht.
Na tijden in Turkije, Zwitserland en Parijs te hebben gewoond, was Baldwin uiteindelijk verhuisd naar Saint-Paul-de-Vence. In een interview met Paris Review vertelde Baldwin waarom hij niet langer in Amerika kon blijven. ‘Ik wist wat het betekende om wit te zijn en ik wist wat het betekende om een neger te zijn, en ik wist dat het mij zou overkomen. Mijn geluk begon op te raken. Ik zou in de gevangenis belanden. Ik zou iemand vermoorden of vermoord worden.’ In Saint-Paul wist Baldwin zich door de onverdraagzaamheid heen te slaan, leerde vloeiend Frans spreken en ging min of meer deel uitmaken van de gemeenschap. Terwijl ik me voorbereidde op mijn verblijf in Saint-Paul, maakte Baldwins uitzonderlijke persoonlijkheid het lastig voor me om een band tussen hem en mijzelf te verbeelden. Baldwin was heilig verklaard, door zijn verhalen, zijn ideeën, zijn gesprekken; van de positie van een gewoon mens was hij verheven tot een van eeuwige nagedachtenis.
Na het nodige ge-heen-en-weer tussen mijzelf en de Franse ambassade in Nairobi kreeg ik eindelijk mijn paspoort met visum en werd me – in duidelijke bewoordingen – te verstaan gegeven dat ik me binnen twee weken na mijn terugkeer uit Frankrijk moest melden, zodat ze zeker wisten dat ik niet in Saint-Paul was gebleven.
‘C’est magnifique!’ zei hij. ‘We hebben de bergen en we hebben de zee. Wat wil je nog meer?’
Ik vloog van Nairobi via Zürich naar Nice en nam vervolgens een Uber naar Saint-Paul. De gebronsde en praatgrage Uber-chauffeur, die op me was blijven wachten hoewel mijn telefoon was uit gegaan, maakte een onmiskenbaar Frans handgebaar toen ik hem vroeg wat hem zo aansprak aan de regio Provence-Alpes-Côte d’Azur. ‘C’est magnifique!’ zei hij. ‘We hebben de bergen en we hebben de zee. Wat wil je nog meer?’ Hij zette me af aan het begin van Saint-Paul, naast het lavoir (een openbare wasplaats). Achter me, aan de voet van een heuveltje, omgeven door cipressen en kalkstenen huizen, stond de Chapelle Sainte-Claire, klein, wit, met bovenop een grote klok. Ik werd opgewacht door Shannon, de coördinator van de Maison Baldwin Residency, die me het onderkomen voor de residerende kunstenaars liet zien, waar ik mijn intrek zou nemen.
Het kleine, grof gepleisterde gebouwtje stond op oneffen terrein, een paar meter onder het ommuurde stadje Saint-Paul. Het terrein was slecht onderhouden, en ik zag overblijfselen van wat ooit sierlijk beeldhouwwerk moest zijn geweest. Het huisje had een tijd leeggestaan en was onlangs door de gemeente in gebruik genomen als kunstenaarsresidentie. In de woonkamer stonden een bank en een houten eettafel, in de keuken een klein koelkastje, een koffiezetapparaat en een magnetron, en naast het bed hing een plankje met daarop talloze James Baldwin-titels met het oorspronkelijke omslag.
Zodra ik alleen was, pakte ik een stokje en poerde wat in de aarde, benieuwd of het dezelfde gelijkmatig korrelige rode klei was van mijn geboorteplaats Iten, in de Keniaanse Riftvallei. Wat naar boven kwam was een donkere, drassige klei. Ik gooide het stokje weg en keek naar de mieren die heen en weer schoten, en vroeg me stiekem af of zij zich verheven voelden boven de mieren in Kenia, aangezien ze Europees waren (als je een dergelijke classificatie kon doortrekken naar de insectenwereld). ‘s Nachts werd ik geplaagd door een nachtmerrie waarin ik van een steile heuvel rolde zonder ooit de bodem te bereiken. Dus ging ik maar op de veranda zitten en keek ik naar de nachtelijke hemel, om me te realiseren, zoals een Engelse vriend me al had voorspeld, dat ‘je moet reizen en andere nachtelijke hemels moet zien om erachter te komen dat die niet kunnen tippen aan de nachtelijke hemel van Afrika’.
Ik ontwikkelde de gewoonte om ’s ochtends buiten te gaan zitten met een koel blikje gemberbier met een mysterieuze Franse naam, en te kijken hoe de zon aan de verkeerde kant opkwam en nooit echt warm werd. Ik las de aanwezige Baldwin-boeken. Ik herinner me dat ik Niet door water maar door vuur las, die hartverscheurende brief die Baldwin aan zijn neef had geschreven: ‘Big James, mijn naam – je was een baby, ik was er niet – daar was jij: om te worden liefgehad, baby, intens, ogenblikkelijk, en voor altijd, om je te harden tegen een liefdeloze wereld.’ Ik stond ervan te kijken hoeveel Baldwin gaf om zijn familie. Hij was duidelijk al behoorlijk zelfverzekerd, wist wie hij was in de wereld, en wist hoe hij die wereld wilde herstellen.

Achter het huis doemden de schitterende stadsmuren van Saint-Paul-de-Vence op. Het middeleeuwse vestingstadje verhief zich op de heuvel waar het tegenaan was gebouwd, met op de top de Eglise Collégiale, een dertiende-eeuwse kerk. Achter het kunstenaarshuis liep een weg die vanaf de hoofdweg van Saint-Paul naar beneden voerde, naar een beekje in de schaduw van de ruïnes van een Romeins aquaduct. Aan de andere kant liep de weg weer omhoog naar het voormalige huis van James Baldwin, of wat daarvan over was. Het werd gesloopt, hoorde ik, door een aannemer die er een aantal appartementen wilde neerzetten. Ergens aan die weg, uit het zicht, was een kleuterschool, duidelijk te horen aan het gelach en gejoel van spelende kinderen.
Ik stelde me Baldwin voor in zijn huis, met de imposante gasten die hij daar ontving: Nina Simone, Miles Davis, Marlon Brando, Ray Charles, Josephine Baker, Maya Angelou, Harry Belafonte… Op een middag werd ik bij het hek aangesproken door een dame op leeftijd die zich voorstelde als de buurvrouw. Toen ik haar vertelde dat ik een Maison Baldwin-fellow was, hield ze haar hoofd schuin en hapte naar adem. ‘Ach, die schat van een Jimmy. Heeft hij je hierheen gebracht?’ We kletsten een poosje en ze vertelde me hoe Baldwin vroeger vaak zingend over de weg naar zijn huis liep, aangeschoten en zorgeloos, zonder angst.
Ik probeerde me ook een beeld van Baldwin te vormen als ik buiten zijn werk zat te lezen – niet per se een beeld van zijn gezicht of zelfs zijn alomaanwezige stem, maar van zijn onverschrokkenheid, zijn vermogen om een conservatief dorpje zover te krijgen hem te accepteren en zelfs te omarmen. Maar die nacht kon ik de slaap niet vatten. Overdag was het griezelig stil in Saint-Paul, om van de nachten nog maar te zwijgen, en het hek om het kunstenaarshuis was laag en leek gammel.
Ze vertelde me hoe Baldwin vroeger vaak zingend over de weg naar zijn huis liep, aangeschoten en zorgeloos
Om me heen zag ik vrijwel niemand zoals ik, en als dat wel het geval was, zoals bij de zwarte serveerster die ik een keer zag op een van de terrassen van de restaurantjes waar het in Saint-Paul van wemelt, hielden we even we elkaars blik vast, om één vluchtig ogenblik de band te voelen die zich uitstrekte over een complexe geschiedenis. Saint-Paul was veilig, was me verteld. Er waren vrijwel geen meldingen van geweld. Toch had ik het gevoel dat ik in de gaten werd gehouden, werd bekeken; ik wilde alles zo geluidloos mogelijk doen, de douche aanzetten, de kraan opendraaien, de magnetron gebruiken. Ik las Baldwin om mijn aanwezigheid daar te rechtvaardigen; het was tenslotte zijn wens geweest dat mensen zoals ik hier kwamen schrijven.
Voor de noodzakelijke dagelijkse dingen moest ik het terrein verlaten. Voor koffie en mijn favoriete crêpe au poulet liep ik door de Porte de Vence, een brede doorgang in de stadsmuur die naar het centrum van het plaatsje voert. Bij een eettentje op de hoek koos ik dan een bolletje ijs uit terwijl ik wachtte tot mijn crêpe klaar was. Om de was te doen liep ik door het plaatsje, over een geplaveid straatje naar de Eglise Collégiale. Tegenover de kerk was een zeventiende-eeuws stenen huisje waar het kantoor van de residentie was gevestigd. In de schaars verlichte kelder stond een krakkemikkige wasmachine. Zo eens in de drie dagen nam ik de bus naar Vence om yoghurt, brood, granola, gemberbier en fruit in te slaan.
Ik begon met ongebreidelde nieuwsgierigheid door het plaatsje te lopen. Ik was gefascineerd door de sfeer uit vroeger tijden: de smalle steegjes met de eeuwenoude gebouwen van meerdere verdiepingen, sommige met schitterende, met klimop begroeide muren; de drinkfonteintjes op willekeurige straathoeken, eentje in de vorm van een zwevende urn, een andere met een schitterend symbool van een vis; de begraafplaats waar kunstenaar Marc Chagall ligt, gelegen op een aambeeldvormig stuk grond dat uit de stadmuur steekt, met imposante graftombes die uitkijken over een weelderige vallei vol sinaasappelbomen. Het was magisch om over de stadsmuur te lopen, uit te kijken over het omringende land, tot aan Nice en de Middellandse Zee. Ik kon er foto’s van maken en die naar huis sturen, naar vrienden en familie, die evenzeer van onder de indruk zouden zijn.
Hélène Roux, een vriendin en begunstiger van de residentie, nodigde me uit om te komen eten. Haar familie was al vele generaties de eigenaar en uitbater van La Colombe d’Or, een hotel-restaurant in Saint-Paul, dat bekendstond om de verzameling oorspronkelijke schilderijen, variërend van Picasso tot Matisse. Na een verrukkelijke visschotel vertelde ze me bij de koffie en de rode wijn dat Jimmy een goede vriend van haar moeder was geweest (het personage Tish in het boek Als Beale Street kon praten is vernoemd naar Hélènes moeder Clementine). Hélène was een keer naar de Walt Disney-verfilming van Het jungleboek geweest en had later tegen Jimmy gezegd dat ze de muziek zo mooi had gevonden. Een teleurgestelde Baldwin had haar gevraagd even te gaan zitten en had haar uitgelegd dat Disney de plank volledig had misgeslagen met zijn bewerking van de roman, en dat Disney de hersenen van jonge kinderen schade toebracht door genuanceerde Europese sprookjes te reduceren tot dergelijke vlakke, gelikte verhalen. Baldwins uiteenzetting, die overeenkomt met wat hij heeft geschreven in zijn boek Het werk van de duivel, maakte Hélène duidelijk dat de Hollywoodfilms een verkeerd en vertekend beeld gaven, en vanaf dat moment heeft ze niet één Disneyfilm meer gezien.
Het was magisch om over de stadsmuur te lopen, uit te kijken over het omringende land, tot aan Nice en de Middellandse Zee
Bertrand, een vriend van Hélène en een sprankelende gesprekspartner, vertelde me dat hij Baldwins telegrammen vroeger van het postkantoor haalde en die uit het Frans in het Engels vertaalde. Hij was een fascinerend vat vol anekdotes. Bertrand is de eigenaar van de oudste (en mooiste) antiek- en juwelenzaak in Saint-Paul, aan de Rue Grande. Op een dag liep een jonge en op het oog vrij timide man zijn zaak binnen en keek om zich heen. De man liep schuchter op Bertrand af en vroeg of hij – Bertrand – hem een goed hotel in de buurt kon aanbevelen. Natuurlijk stuurde Bertrand hem naar La Colombe d’Or. De volgende dag kocht Bertrand de plaatselijke krant en zag tot zijn verbazing een foto van de jonge man uit zijn winkel op de voorpagina. Leonardo DiCaprio had zijn intrek genomen in La Colombe.
Ik vertelde Hélène, Shannon en Bertrand over mezelf, over mijn jeugd in Kenia, over het werk dat ik deed in de residentie. Tot mijn eigen verbazing hield ik de beschrijving van mezelf beperkt tot het feit dat ik zwart en Afrikaan was, en vooral Keniaan. Ik was bang dat mijn verhaal zou haperen als ik verder zou gaan, en dat ik verkeerd begrepen zou worden. Ik zei niet dat ik katholiek was, of Kalenjin. Ik zei niet dat ik een Keiyo-man was uit lrong’ in Elgeyo-Marakwet en dat de totem van onze clan de maan was. Ik onderdrukte de neiging om te vertellen over de rituelen waardoor ik was geworden wie ik ben, al kwamen ze steeds naar boven drijven; dat op zeker moment in mijn jeugd de vrouwen hadden gezongen en kreten hadden geslaakt terwijl ze mijn hoofd insmeerden met olie. Kongoi wee, Kiprop, komkomi tikayenyu! Die avond, alleen in mijn huis in Saint-Paul, was ik blij dat ik nader tot Baldwin had weten te komen via de feitelijke herinneringen van mensen die met hem waren omgegaan en voor wie hij een oudere en een vriend was geweest.
Als ik door Saint-Paul liep, stuitte ik werkelijk overal op kunst: flamboyante schilderijen en glazen sculpturen staarden me aan vanuit de glazen puien van galeries in de smalle klinkerstraatjes; op elke straathoek stonden stalletjes met zelfgemaakte kaarsen en kleurrijke sieraden; tussen de gebouwen in liepen gewelfde overspanningen, hoog boven de straten die willekeurige patronen vertoonden door de vele mozaïeken. Op een dag liep ik over een pleintje met een installatie van een van Saint-Pauls bekende landschapskunstenaars, Kim Cao. Het was een coconvormig weefsel van bamboedraden, dat als een wolk boven een plas donker water hing. Ik voelde me ontheemd toen ik ernaar keek. Ik bevond me niet langer op een fysieke plek maar op een surrealistische plek van naakte schoonheid, waar sterke kunst ons mee naartoe weet te voeren.
Bij de toeristeninformatie van Saint-Paul, met een opvallende banner vlak naast de toegangspoort van het plaatsje, werd me verteld dat er in het omliggende landschap nog meer installaties van Kim Cao te vinden waren. Ik pakte een kaart, want ik wilde ze graag bezoeken. Ik liep over een achterafweggetje, met aan weerszijden kroonbomen met gele bladeren, en aan het einde ervan nam ik een scherpe bocht naar een weggetje door de akkers. Ik zag een vrouw met rubberlaarzen olifantsgras snijden. Ik zag een man die een afgevallen passiebloemrank weer aan de steunpaal vlechtte. Ik zag bananenplanten die doorbogen van het fruit en kippen die eronder rondscharrelden en in de grond pikten. Afgezien van de druivenranken (en het grootste paard dat ik ooit had gezien, dat heel rustig met zijn ruiter langs mij liep) deed het leven hier denken aan dat in Iten. Maar natuurlijk waren deze levens gevormd door een volkomen ander verleden. De mensen die hier op het platteland woonden, zo stelde ik me voor, hadden hun eigen identiteit bepaald; hun voorouders hadden weliswaar de wreedheden van oorlogen en veroveringen doorstaan, maar niet op een schaal zoals in Kenia. Hun vijanden waren altijd enigszins vertrouwd geweest, met een wereldbeeld dat wel te begrijpen viel. Er waren geen mensen uit het onbekende gekomen, die een vreemde taal spraken en hun voorouders hadden voorgeschreven wie ze waren, hoe ze zich moesten kleden, welke god ze moesten aanbidden.
Hun voorouders hadden weliswaar de wreedheden van oorlog doorstaan, maar niet op een schaal zoals in Kenia
Aan het einde van deze weg zag ik een poort waar een groteske pop aan een haak hing, een karikatuur van een oude heks met een neus vol wratten. Ik verliet de weg, stapte over een beekje en liep het bos in. Het duurde niet lang of ik zag alleen nog maar hoge bomen en hoorde de vertrouwde geluiden van een willekeurig bos: een onophoudelijk hoog gezoem van insectengeluiden, vogelgezang, de wind en druppelend water. Het was niet moeilijk me voor te stellen dat ik weer in Iten was, in het Sing’ore-bos, en dat ik elk moment de mannen zou kunnen zien die brandhout hakten en in het Keiyo met elkaar praatten. Ik liep helemaal alleen in het bos, maar ik voelde me volledig op mijn gemak. Eindelijk kon ik het gevoel loslaten dat ik werd bekeken. Hier was ik gewoon iemand die tussen de bomen door liep. Ik hoefde mezelf niet te verklaren.
Kim Cao’s installatie verraste me: een weefsel van bamboe dat tussen de bomen lag als een reusachtig gevallen nest, alsof het was gemaakt door oerinstincten in plaats van door mensenhanden. Het ging dusdanig op in de begroeiing dat het bijna onzichtbaar was, en later begreep ik dat dat ook precies Kim Cao’s bedoeling was: zijn bamboe-installaties laten versmelten met het bos, waar ze zouden blijven liggen en zouden vergaan. Ook nu weer voerde zijn kunstwerk me mee naar een plek waar ik me helemaal op mijn gemak voelde, haast nog huiselijker dan thuis. Kim Cao’s kunst verdreef mijn nachtelijke angsten. Mijn terugkerende nachtmerries bleven weg.
In Kenia wordt je identiteit niet in de eerste plaats bepaald door je zwart-zijn, eerder door etniciteit, klasse of zelfs het algemene gegeven dat je Afrikaan bent. Mijn zwart-zijn heeft nooit centraal gestaan in de manier waarop ik mezelf zie, zoals dat voor Baldwin wel het geval was. In mijn land is racisme vaker wel dan niet de collectieve ervaring van anti-zwarte, koloniaal gevormde instituties en buitenlandbeleid dat ons vernedert, maar geen persoonlijke confrontatie – behalve in gelegenheden die zich richten op toeristen. Ik was er dan ook niet in getraind om me te verdedigen zoals Baldwin dat deed, om ten volle de woede te voelen die voortkomt uit de geschiedenis waarin mensen met onze huidskleur wreed zijn mishandeld. Daarnaast vertoefde Baldwin in Europa als Amerikaan, iemand die een erkende, sociaal verheffende vorm van het Engels sprak. Ik vertoefde er als Afrikaan, in een tijd waarin Europa zijn onvrede al uitte over de toestroom van Afrikaanse immigranten.
Mijn zwart-zijn heeft nooit centraal gestaan in de manier waarop ik mezelf zie, zoals dat voor Baldwin wel het geval was
Maar mijn zintuigen waren toch niet in staat de micro-agressie te herkennen, dus wanneer ik werd gekleineerd bleef ik verbijsterd achter en vroeg me af of ik per ongeluk in een nare situatie was beland met een bot iemand of een bot systeem, zoals dat wel vaker gebeurt in het leven, overal, zelfs in Kenia; óf dat de situatie was ontstaan doordat ik zwart ben.
Toen ik in de Parijse metro met een kaart probeerde uit te vogelen bij welke halte ik moest overstappen om bij de Sacré-Coeur te komen, zag ik een zwarte vrouw op blote voeten voorbijlopen, die in zichzelf mompelde en duidelijk geestelijke problemen had. Ineens stroomde de metro vol politieagenten, die achter haar aan kwamen. Enkele agenten maakten zich los van de groep en vroegen omstanders – en ook mij – hun metrokaartje te laten zien. Maar ze vroegen het alleen aan mensen die zwart waren, of mensen met een Arabisch uiterlijk. Witte mensen konden ongehinderd doorlopen; het was alsof die niet eens zagen wat er gebeurde, ze stonden volledig buiten onze verstoorde realiteit.
Toen ik ’s avonds met een Rwandese vriend door Parijs liep op zoek naar een nachtclub, staken sommige mensen de straat over als ze ons zagen aankomen, anderen begonnen zelfs te rennen. In Vence zei een man met een kraampje dat duidelijk open was dat hij nog niet open was, en toen ik wegliep mompelde hij een reeks Franse verwensingen die behoorlijk onaardig klonken.
Het was alsof ze niet eens zagen wat er gebeurde, ze stonden volledig buiten onze verstoorde realiteit
Ik leerde S. kennen, een West-Afrikaanse man in Saint-Paul, die tot taak had de Eglise Collégiale te openen, te sluiten en te onderhouden, en om op gezette tijden de klok in de klokkentoren te luiden. Ik was een keer in mijn eentje de kerk in gelopen en had gefascineerd en gekeken naar het griezelig donkere schip, naar de fresco’s en het gebrandschilderde glas met afbeeldingen van heiligen die er kwaad en springlevend uitzagen, naar het met een hekje afgezette altaar met oude houten beelden van biddende mannen. Het voelde als een plek waar de tijd zich ongemerkt zou kunnen terugplooien naar de middeleeuwen. Ik was dan ook verbaasd om te horen dat het stadsbestuur mijn sterk gevoelde ervaring van die plek niet deelde, maar de ruimte verhuurde voor congressen, workshops en trouwerijen, om wat geld te verdienen. Ik kreeg zin om een zondagsmis bij te wonen, als goed katholiek die wilde deelnemen aan het Franse sacrament. Ik was de vierde aanwezige, en de enige zwarte, afgezien van de priester en S., die fungeerde als assistent van de priester. Na de dienst stelde een van de kerkgangers me voor aan de priester, een lange, forse man uit Burkina Faso, met een overrompelende lach en een ferme, enigszins pijnlijke handdruk. Hij vertelde me dat hij Kenia goed kende en ik zei op mijn beurt, aangestoken door zijn energieke uitstraling, dat ik Burkina Faso ook heel goed kende – al wist ik weinig meer over zijn land van herkomst dan de naam van de voormalige president en revolutionair Thomas Sankara. De priester onderbrak mijn enthousiaste betoog nogal bot met de opmerking dat er maar weinig priesters in Europa waren en dat hij snel door moest naar de volgende mis. Ik voelde me gekrenkt en ontredderd. Ik strompelde naar buiten, vervuld van twijfels, en voelde me misleid door een moment dat de belofte in zich had gedragen van een verwantschap tussen twee Afrikanen, moederziel alleen in Saint-Paul-de-Vence.
Ik zal niet ontkennen dat er ook veel geweldige mensen en momenten waren.
Ik trok er zo veel mogelijk op uit, verdiepte me in de geografie van de Côte d’Azur, nam de omgeving in me op. Ik liep naar de Chapelle du Rosaire in Vence, die volledig was ontworpen door Henri Matisse – echt alles, van de glas-in-loodramen tot de priestergewaden en de kandelaars; Matisse had het zeer grondig aangepakt, geïnspireerd door Monique Bourgeois die zich had aangesloten bij de Dominicaner orde van de kapel, en die hem in een bepaalde periode had verzorgd. Binnen had Henri zo’n wonderschoon samenspel gecreëerd van blauw en geel licht, van schaduwen en architecturale lijnen, dat ik na afloop in de tuin moest gaan zitten om bij te komen, net als de andere bezoekers. Ik bezocht de Fondation Maeght en was betoverd door de buitensculpturen en door de verzameling schilderijen en beeldhouwwerken binnen. Ik liep de heuvel op naar de kathedraal van Vence en bij de toeristeninformatie reageerde iedereen vrolijk verrast toen ik vertelde dat ik uit Kenia kwam.
Ik vergaapte me aan het kalme water dat langs rechte lijnen was onderverdeeld in verschillende schakeringen blauw
Ik denk met veel plezier terug aan mijn wandelingen over de Promenade des Anglais en aan de keurig onderhouden pleintjes waar met veel enthousiasme petanque werd gespeeld, aan de Middellandse Zeekust, waar ik me vergaapte aan het kalme water dat langs rechte lijnen was onderverdeeld in verschillende schakeringen blauw. Aan de andere kant van het water stelde ik me Afrika voor. Ik pakte wat gladde kiezels die aan mijn voeten lagen en nam er een paar mee terug naar Nairobi, waar ik er eentje boven op een afgebroken pilaar legde in een verlaten straat, en zei dat ik er een stukje Europa aan toevoegde.
Tijdens de laatste week van mijn residentie hoorde ik over Tourrettes-sur-Loup. Dat was een ander middeleeuws plaatsje, een kilometer of vijf van Saint-Paul, ook tegen een rotshelling gebouwd, maar, om de woorden van Shannon te gebruiken, minder ‘Disney-achtig’. Ik besloot ernaartoe te lopen via een aantal wandelpaadjes in het achterland van Saint-Paul, die waren gemarkeerd met een gele streep op de bomen. Ik was vaker naar Vence gelopen voor mijn boodschappen en ik kende het begin van de route. Alleen nam ik dit keer niet de brug over de Malvan (die me direct naar Vence zou hebben geleid) maar volgde ik de pijlen op de houten bordjes en klom langs de rivier omhoog. Zo kwam ik in een dicht bos terecht, waar immense schaduwen roerloos over hoge bomen vielen. Mijn verbeelding nam het over en ik zag voor me hoe ik achterna werd gezeten door een beer, en dan geen gewone hedendaagse beer, maar groter en hariger, rechtstreeks afkomstig uit het Pleistoceen. Na dit stuk bos kwam ik bij een open plek en volgde opgewekt de kaart, tot ik uitkwam bij een stenen muurtje. Iemand had een deel van de route geclaimd als privéterrein. Ik liep terug en ging op een boomstronk zitten, uit het lood geslagen omdat ik niet meer op mijn kaart kon afgaan. Geen punt, hield ik mezelf voor: als ik gewoon bleef wachten zou er wel een keert iemand langskomen die me zou wijzen welke kant ik op moest.
De eerste die langskwam sprak amper Engels. We deden ons best, probeerden ons gesprek te vertalen via onze mobieltjes, wat alleen maar tot nog meer verwarring leidde. Uiteindelijk knikte ik maar wat, deed alsof ik voldoende wist, zodat hij weer kon doorlopen. De tweede die langskwam was een Engelse vrouw met drie enorme paarden. Ze ging naast me op de boomstronk zitten en schonk een kop thee voor me in uit een thermoskan die ze uit haar tas haalde, en gaf me vervolgens glasheldere aanwijzingen hoe ik naar Tourrettes-sur-Loup moest lopen: ‘Rechtdoor, tot je op een versperring stuit, en vlak daarvoor ga je naar links en volgt het pad tot aan de rivier, aan de overkant ga je weer omhoog en dan volg je het wandelpad totdat je bij de verharde weg komt.’ Precies dat deed ik vervolgens.
Ik liep verder, langs de droge rivierbedding en aan de andere kant weer omhoog. Ik baande me een weg door een eindeloze reeks struiken en vroeg me af hoe het mogelijk was dat ik helemaal alleen was in het bos. Ik voelde een ondeugend soort opwinding dat ik als Afrikaan in mijn eentje door de Europese wildernis liep. Maar het bos was bedrieglijk en uitputtend. Toen het leek alsof ik bij het einde was gekomen, begon het allemaal opnieuw, nog meer bomen, nog meer kronkelpaadjes om te bewandelen.
Ik voelde een ondeugend soort opwinding dat ik als Afrikaan in mijn eentje door de Europese wildernis liep
Uiteindelijk zag ik een molen en een oud huis, en daar liep ik naartoe tot ik een wandelpad ontdekte dat in tegenovergestelde richting liep, langs een stel krakkemikkige huisjes met wat geiten aan een touw en wat rondscharrelende kippen. Ik keek op en zag Tourrettes-sur-Loup liggen, als een schitterende ansichtkaart op een uitstekende rotspunt, met een Romeins aquaduct dat er vanuit de vallei naast de rots naartoe liep. Maar ik kon met de beste wil van de wereld geen pad ontdekken dat erheen voerde. Ik maakte rechtsomkeert en doolde wat rond, in de hoop dat mijn woordenschat groot genoeg was om in het Frans naar de weg te vragen, riep ik bonjour tegen een vrouw die het tuinhek uitkwam gevolgd door de vraag, in haperend Frans, hoe ik bij Tourrettes-sur-Loup moest komen. Ze verstijfde en ging weer naar binnen, deed het hek dicht. Ik vroeg me af of ze bang was door de aanblik van een zwarte man, maar ze kwam weer naar buiten, samen met een lange zwarte man met grijze dreadlocks. Hij sprak een beetje Engels, waarbij hij aarzelende gebaren maakte. We deden weer ons uiterste best, probeerden een gesprek te voeren via onze mobieltjes, waar waardeloze vertalingen uit kwamen. Een meisje van middelbareschoolleeftijd (vermoedelijk de dochter van de vrouw) kwam onze kant op. Ze zei dat ze op school Engels leerde en dat zij me misschien beter zou verstaan. Maar ze was het Engels nog niet voldoende machtig om een verdwaalde man de weg naar Tourrettes-sur-Loup uit te leggen. Uiteindelijk maakte de man een gebaar alsof hij een motor startte, en zei een paar keer achter elkaar: ‘Scooter! Scooter!’ Ik knikte geestdriftig en een paar minuten later zat ik bij hem achter op de scooter terwijl hij over de geasfalteerde weg reed, bocht na bocht, totdat we bij de rotsachtige vestingmuur kwamen, met de doorgang naar Tourrettes-sur-Loup. Hij parkeerde zijn scooter en wees naar het plaatsje, terwijl hij in het Engels zei: ‘Hier moet je zijn!’
De man vouwde zijn handen en kwam dichter bij me staan, vroeg waar ik vandaan kwam. Ondanks zijn grijze haar zag hij er jong en fit uit; hij had iets tijdloos, alsof hij, zoals we Kenia zeggen, ‘genoeg van het leven had gegeten’ om zich buiten de rare tijdlijnen ervan te plaatsen. Ik zei dat ik uit Kenia kwam en hij vroeg of ik wel eens van Martinique had gehoord, waar hij vandaan kwam. Hij zweeg even, voordat hij een uitnodigend gebaar maakte en tegen me zei dat het niet uitmaakte dat ik een Keniaan was en hij uit Martinique kwam. ‘We zijn Afrikanen! Zwarte mensen!’ – en, met een geheven vinger – ‘Eén land!’ Hij stak me een hand toe.
Later liep ik door Tourrettes-sur-Loup en nuttigde een crêpe met chocola en een kop koffie. Ik kocht een boek in een tweedehandswinkel van een Australische vrouw die terug wilde vliegen naar Australië om te ontsnappen aan de naderende Europese winter. Bij een bakker, waar ik een blikje cola kocht, wees een voorbijganger naar de jongen van de bakkerswinkel, die een schort droeg, en maakte een grapje waardoor een jonge vrouw die brood kocht begon te blozen en in de lach schoot. Toen de man zag dat ik geen Frans verstond, draaide hij zich naar mij en vertaalde de grap voor me: hij had de jongen van de bakkerswinkel aanbevolen aan de vrouw en gezegd dat ze voor hem moest kiezen, niet alleen omdat hij kon bakken maar ook omdat hij de beste pik had die er in Tourrettes te vinden was. Op de verharde hoofdweg terug naar Saint-Paul verdwaalde ik opnieuw en moest ik de weg vragen aan een man die zijn planten water gaf en aan een tiener die zijn fiets repareerde. Maar voordat dit zich allemaal afspeelde, wierp ik nog een blik over mijn schouder op de man uit Martinique en trilde ik van emotie. Hij was de eerste in Zuid-Frankrijk die me had gegroet, die met twee handen mijn hand had vastgepakt en me had omhelsd.

