Deze top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via de online kiosk.
Het vormeloze ongemak
Samantha Harvey
Harvey onderzoekt hoe ziekte, angst en onzekerheid het dagelijks leven langzaam kunnen binnendringen en vervormen. Met een sobere en introspectieve stijl laat ze zien hoe lichamelijk en mentaal ongemak niet alleen het lichaam aantast, maar ook iemands grip op de werkelijkheid en identiteit onder druk zet.
Infiltranten
Shaun Walker
Journalist Shaun Walker beschrijft hoe de Sovjet-Unie tientallen geheim agenten jarenlang liet infiltreren in het Westen onder valse identiteiten. Aan de hand van waargebeurde verhalen laat hij zien hoe deze ‘vreemdelingen’ hun echte leven moesten opofferen voor een bestaan vol leugens, paranoia en manipulatie.
Bosrijk
Anne Sverdrup-Thygeson
In Bosrijk laat bioloog Anne Sverdrup-Thygeson zien hoe bossen functioneren als complexe ecosystemen vol verborgen leven en onderlinge afhankelijkheid. Met toegankelijke wetenschap en verwonderende voorbeelden toont ze hoe bomen, schimmels, insecten en dieren voortdurend met elkaar verbonden zijn.
Vrij
Lea Ypi
In Vrij blikt politicoloog Lea Ypi terug op haar jeugd in Albanië tijdens de val van het communisme. Aan de hand van persoonlijke herinneringen laat ze zien hoe begrippen als vrijheid, democratie en vooruitgang vaak minder eenduidig zijn dan ze lijken – en stelt ze de vraag wat het eigenlijk betekent om echt vrij te zijn.
The Game
Alessandro Baricco
Alessandro Baricco verdiept zich in de manier waarop de digitale revolutie ons denken en communiceren heeft veranderd. Met voorbeelden uit technologie, media en populaire cultuur beschrijft hij hoe het internet niet alleen nieuwe mogelijkheden bracht, maar ook een nieuwe werkelijkheid creëerde.
Deze top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via de webshop.
Erfzonde
Kathryn Paige Harden
In Erfzonde laat geneticus Kathryn Paige Harden zien hoe dun de scheidslijn is tussen eigen keuze en biologische aanleg. Met indringende voorbeelden en recent onderzoek stelt ze de ongemakkelijke vraag: hoeveel verantwoordelijkheid dragen we eigenlijk voor wie we zijn?
Breakdown
Cathy Sweeney
Waarom verdwijnt iemand zomaar uit het eigen leven? In Breakdown volgt Cathy Sweeney een ogenschijnlijk ‘gewone’ vrouw die haar gezin achterlaat en zo de druk van moederschap, huwelijk en samenleving genadeloos blootlegt.
Vogelmeisje
Mya-Rose Craig
In Vogelmeisje volgt Mya-Rose Craig hoe een obsessie voor vogels uitgroeit tot een persoonlijke én politieke missie. Wat begint als een zoektocht naar zeldzame soorten, wordt een verhaal over familie, identiteit en de strijd tegen kli- maatongelijkheid.
Vlieg, wilde zwanen
Jung Chang
In Vlieg, wilde zwanen vervolgt Jung Chang haar familiegeschiedenis en laat ze zien hoe haar leven zich ontvouwt tussen China en het Westen. Wat begint als een persoonlijke zoektocht, groeit uit tot een indringend portret van een land dat verandert – en opnieuw verhardt.
Yoshuku
Azumi Uchitani
Wat als je je dromen alvast viert voordat ze werkelijkheid worden? In Yoshuku laat Azumi Uchitani zien hoe Japanse rituelen en het principe van ‘vooraf vieren’ kunnen helpen om meer richting en rust in je leven te vinden.
360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.
Leven in een tijd van twijfel
Zadie Smiths zoektocht naar houvast in Dead and Alive
In Dead and Alive probeert Zadie Smith grip te krijgen op een wereld die steeds gefragmenteerder en onzekerder aanvoelt, schrijft NPR. De bundel brengt essays, lezingen en kritieken uit de afgelopen jaren samen, waarin Smith reflecteert op literatuur, rouw, politiek en de invloed van technologie op het dagelijks leven.
De bundel bevat stukken over schrijvers als Philip Roth en Hilary Mantel, maar ook persoonlijke essays waarin Smith stilstaat bij verlies en ouder worden. Andere teksten gaan over de hedendaagse cultuur, bijvoorbeeld hoe sociale media het debat verharden en nuance verdringen.
Steeds keert dezelfde vraag terug: hoe behoud je empathie en aandacht in een tijd die wordt gedomineerd door snelheid, algoritmes en scherpe tegenstellingen? Volgens NPR gebruikt Smith het essay niet om antwoorden te geven, maar als een vorm van denken op papier – een manier om tegenstrijdigheden naast elkaar te laten bestaan.
Ook The Guardian ziet die thematische breedte, maar wijst erop dat de bundel daardoor soms zoekend blijft. De essays, geschreven over een periode van bijna tien jaar, variëren sterk in toon en invalshoek: van literaire kritiek tot culturele analyse en persoonlijke reflectie. Dat maakt de bundel rijk, maar ook onsamenhangend.
The Times prijst deze veelzijdigheid juist. Het Britse dagblad benadrukt dat Smith moeiteloos schakelt tussen grote maatschappelijke thema’s en persoonlijke observaties, en haar daarmee positioneert als een toonaangevende essayist.
In een interview benadrukt Smith zelf dat haar essays bedoeld zijn om ruimte te laten voor twijfel en meerdere perspectieven, in plaats van eenduidige standpunten op te leggen, aldus Vogue. Ze ziet schrijven als een manier om complexiteit zichtbaar te maken in plaats van te versimpelen.
Zoals Zadie Smith in het interview aangeeft, ontstaan haar essays vaak uit het gevoel dat het publieke debat wordt gedomineerd door ‘verward denken’, en haar behoefte daar ordening in aan te brengen.
Van rauw tienerdrama naar karikatuur
Waarom Euphoria volgens critici zijn scherpte verliest
Het langverwachte derde seizoen van Euphoria, sinds 12 april te zien op HBO Max, wordt opvallend kritisch onthaald. Waar de serie ooit werd geprezen om de rauwe en confronterende weergave van jongeren, zien Amerikaanse media nu vooral een gebrek aan diepgang en geloofwaardigheid, schrijft Courrier International.
Volgens The Atlanticis de serie ‘nog altijd verontrustend’, maar is de provocatie inmiddels doorgeschoten. Het nieuwe seizoen zet sterker in op seks en drugs, terwijl de personages – inmiddels volwassen – volgens het tijdschrift steeds minder overtuigen. Euphoria lijkt daarmee ‘een schim van wat het ooit was’ en mondt uit in ‘een karikatuur van schandalige twintigers’.
Ook inhoudelijk schiet de serie tekort. De verhaallijnen voelen onsamenhangend en missen emotionele ontwikkeling, stelt het Amerikaanse maandblad. De sprong in de tijd – vijf jaar na de middelbare school – wordt nauwelijks benut om de personages meer diepgang te geven.
Andere media sluiten zich daarbij aan. Vulture spreekt van een ‘opvallend gebrek aan creativiteit’ en verwijt maker Sam Levinson dat hij eerder inzet op visuele clichés en pastiche dan op originele ideeën. De serie herhaalt bekende thema’s rond seks, geld en macht, maar weet die volgens de recensent niet met verve uit te werken.
Daarnaast klinkt er stevige kritiek op de manier waarop vrouwen worden afgebeeld. Time stelt dat vrouwelijke personages in het nieuwe seizoen vrijwel allemaal dan wel sekswerkers zijn, dan wel object van verlangen – een ontwikkeling die volgens het blad past binnen een bredere ‘terugkeer van seksisme’ en de dominante mannelijke blik. Die tendens zie je terug bij personages als Cassie, die expliciete content maakt, en Maddy, die zich beweegt in een wereld waar seksualisering en commercie samenkomen.
Ook The Hollywood Reporter is kritisch, maar prijst wel expliciet het acteerwerk van Zendaya. Haar vertolking van Rue wordt geprezen als uitzonderlijk sterk en geldt als een van de weinige elementen die het seizoen overeind houden.
Maar deze prestatie is slechts een kleine verzachting. Waar Euphoria ooit werd gezien als een scherpe en vernieuwende blik op de leefwereld van jongeren, dreigt de serie te verzanden in overdrijving en effectbejag – en daarmee juist te verliezen wat haar aanvankelijk onderscheidde.
Voyeur op menselijke safari
Planetaire mislukking door hyperrealistische kleuren
De Neue Zürcher Zeitungtypeert Martin Parr, de Magnum-fotograaf die eind vorig jaar op 73-jarige leeftijd overleed, als ‘chroniqueur van de absurditeiten van het alledaagse leven’. Van het vrijetijdsgedrag van de Britse arbeidersklasse in het Thatcher-tijdperk tot wereldwijde vakantieculturen als uitdrukking van moderne consumptiepatronen. Zo laat Parr zien ‘hoe nieuwe welvaartsrituelen vanaf de jaren tachtig het sociale weefsel veranderden.’
Ben Luke schrijft in The Standarddat Parr was ‘gefascineerd door massale menselijke activiteit.’ Of het nu op het strand was, bij paardenraces of in dansclubs. Hij noemt hem ‘consistent’ in het gebruik van ‘verzadigde kleuren en veel flair.’ Zijn foto’s van beroemdheden vindt Luke het saaist. ‘De beste zijn die waarin hij zich onder de Britten begeeft.’
In Frieze benadrukt ook Andrew Hodson Parrs ‘oververzadigde tinten’ en de terugkerende zelfportretten. Daarmee ‘lijkt de fotograaf zich te positioneren als vaste toerist. Het leidt de blik even weg van lichamen als alles verterende, gedegradeerde massa’s’ en in plaats daarvan op ‘de schimmige, unieke figuur van de kunstenaar – een voyeur op menselijke safari’.
Volgens Isabella Ferreira in Musée Magazine zijn Parrs kleuren ‘niet naturalistisch, maar hyperrealistisch, waardoor wordt blootgelegd hoe commerciële beeldvorming kijkers heeft getraind om overdaad gelijk te stellen aan genot.’ Zo valt ‘wat ooit leek op vrolijke kronieken van moderne ontspanning’, nu te zien als ‘aanhoudend verslag van planetaire mislukking.’
Het subtiele talent van Parr zit hem in het ‘plaatsen van het verrukkelijke in het alledaagse’ en ‘het onwaarschijnlijke in het vertrouwde’, stelt Desmond Bell in Northern Soul. De fotograaf ‘nodigt ons uit om twee keer te kijken omdat we het anders niet opmerken’.
‘Mocht iemand zich storen aan zijn foto’s, dan is het vooral omdat Parr ons een wrede spiegel voorhoudt’, noteert Marie-Anne Kleiber in Télérama. ‘Met zijn dood zijn we de vriend van onze fouten kwijtgeraakt.’
Verkeerde celgenoot
Geknipt voor socialmediageneratie
In de Britse speelfilm Wasteman komt de verlegen junkie Taylor (Don Jonsson) over een paar weken vervroegd vrij uit de gevangenis. Taylors plannen om zijn leven te beteren komen onder druk te staan wanneer hij crimineel Dee (Tom Blyth) als celgenoot krijgt.
Door ‘het toegewijde acteerwerk en de ijzersterke vertelkracht’ ontstijgt regisseur Cal McCau ‘de clichés van het gevangenisdrama’, schrijft Peter Bradshaw in The Guardian.
Volgens Christian Zilko van IndieWire bewijst Jonsson dat hij ‘een van de opwindendste acteurs van dit moment is’. Hij had alleen een ander podium verdiend, omdat de ‘bruutheid en barbaarsheid omwille van het geweld worden gefilmd, zonder een duidelijk beeld te geven van wat de makers veroordelen.’
De criticus van Time Out vindt dat de film als gevolg van de ‘schokkerige telefoonshots’, de ‘drilrapp-achtige’ dimensie en de ‘wazige Insta-achtergronden’ is gemaakt voor de socialmediageneratie. ‘De film laat zien dat het meest angstaanjagende van de gevangenis soms de persoon blijkt te zijn met wie je opgesloten zit.’
Voor Peter Gray van AU Review is het ‘alsof de muren met elke scène dichterbij komen’ en ‘de grens tussen observatie en deelname vervaagt.’ Volgens hem draait het in de film niet om ‘een verlossende vriendschap of een troostende boog van wederzijdse redding’, maar om een veel verontrustender vraag: ‘Wat gebeurt er als twee diep beschadigde mensen niet om elkaar heen kunnen?’
Het huis werd in 1666 vernield door een grote stadsbrand
Fans van William Shakespeare weten dat de grote toneelschrijver afkomstig was uit Stratford-upon-Avon. Maar hij maakte naam in Londen – hoewel er in de Britse hoofdstad nog maar weinig sporen van hem te vinden zijn.
Een recent ontdekte kaart uit de zeventiende eeuw werpt nieuw licht op het Londense leven van de toneelschrijver, schrijft The Independent. Voor het eerst is de exacte locatie bekend van het enige huis dat Shakespeare in de stad kocht, en waar hij mogelijk aan zijn laatste toneelstukken werkte. Volgens Shakespeare-onderzoeker Lucy Munro, die de kaart vond, voegt hij ‘extra stukjes van de puzzel’ van Shakespeares leven toe.
Historici wisten allang dat Shakespeare in 1613 een stuk grond kocht in de buurt van het Blackfriars Theatre, maar de exacte locatie was een mysterie. Een plattegrond van het Blackfriars-complex toont echter in detail Shakespeares huis: een aanzienlijke L-vormige woning, uitgehouwen uit het voormalige middeleeuwse Dominicanenklooster.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het is niet zeker of Shakespeare in zijn Londense woning woonde of deze alleen verhuurde. Volgens Munro suggereren de grootte van het huis en de ligging op vijf minuten loopafstand van het Blackfriars Theatre dat hij aan het einde van zijn leven mogelijk meer tijd in Londen heeft doorgebracht dan algemeen wordt aangenomen.
Shakespeare liet het pand na aan zijn dochter Susanna, en het bleef nog een halve eeuw in de familie. In 1666 brandde het gebouw tot de grond toe af in de Grote Brand van Londen, die een groot deel van de middeleeuwse stad verwoestte.
In dit gebied, dat nu deel uitmaakt van het financiële district van de Britse hoofdstad, zijn nog maar enkele overblijfselen van Shakespeares Londen te vinden, waaronder een fragment van een muur van het voormalige Dominicanenklooster. Vlakbij herinnert de naam Playhouse Yard eraan dat hier ooit een theater stond.
Schrijver en politiek denker Ece Temelkuran schreef een persoonlijk boek over de begrippen ballingschap en migratie. En over het concept ‘thuis’, ‘een begrip dat in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is’.
Ece Temelkuran in de Balie
Tijdens Dear stranger with Ece Temelkuran, op woensdag 22 april om 20:00 uur in de Grote Zaal van De Balie, gaat Temelkuran in gesprek over haar nieuwe boek Nation of Strangers. De avond draait om thema’s als ontheemding, democratie en de vraag wat het betekent om je ergens thuis te voelen.
Tickets en meer informatie vind je via debalie.nl.
Net als bij de valse profeten uit de ‘Hel’ van Dante is zijn hoofd [dat van de balling] voor eeuwig naar achteren gekeerd en lopen zijn tranen, loopt zijn speeksel, tussen zijn schouderbladen omlaag. Joseph Brodsky, On Grief and Reason
Hamburg, juni 2022
Lieve vreemdeling,
Ik hoop dat je meer doet dan alleen overleven, als dat vandaag de dag tenminste mogelijk is voor wie dan ook. Boven op alle wereldwijde rampen die de westerse media als bijzaak behandelen, verkeert Europa momenteel ook nog eens in oorlog. En daardoor hoor ik veel mensen praten over het gevaar van het fascisme in West-Europa. Dat rotding achtervolgt me overal. Vrienden zeggen zelfs dat ik het met me meesleep.
Ik schrijf je vanuit Hamburg, waar het koud is, bitter koud. Voor het eerst is het weer een gespreksonderwerp in mijn leven. Het is niet de ijskoude midzomer, maar het meedogenloze geweld van de wind. Hij laat je haar verdomme niet met rust en gaat uiteindelijk in je hoofd zitten.
Waarom ben ik hier in godsnaam? Nou, het onomwonden antwoord is: na zes jaar Zagreb, mijn cocon ter grootte van een stad, moest ik een halfjaar weg uit Kroatië vanwege enkele stomvervelende kwesties rondom mijn verblijfsvergunning waar ik je niet mee zal vermoeien.
Het plan voor na dat halve jaar is nog steeds vaag, maar het ziet ernaar uit dat ik voorlopig in Duitsland moet blijven, verdreven uit de cocon, terug de echte wereld met andere mensen in. Na zes comfortabele jaren als een nobody in mijn hoofd te hebben geleefd, waarvan de laatste twee in lockdown vanwege de pandemie, ben ik in de omgang met anderen net een te vroeg ontpopte vlinder.
Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’ En binnen de kortste keren is ‘mijn situatie’ dan het gespreksonderwerp.
Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’
Zie je, ik had maar vier vrienden in Zagreb. Ze hadden allemaal de oorlog van de jaren negentig meegemaakt, en daarom namen ze nooit de moeite me stomme vragen te stellen over ‘situaties’. Tussen ons bestond de stilzwijgende overeenkomst om zonder sentimenteel gedoe door te gaan met ons leven, wat mijn bevroren hart goed uitkwam.
Maar nu, in Hamburg, leer ik mensen kennen, en allemaal stellen ze me vragen. In elk geval heb ik het geluk dat een Hamburgse organisatie me benaderde voor een fellowship, net toen ik uit Zagreb weg moest. Al betekent dat wel dat ik hier moet schrijven en nadenken. Ik doe geen van beide. Ik hou me gewoon gedeisd.
De afgelopen zes jaar waren een bikkelharde strijd, ik had voortdurend het idee dat ik aan het klimmen was. En nu, op dit volmaakt vlakke plateau, klamp ik me als een doordraaiende bergbeklimmer uit alle macht vast aan het leven.
Comfort voelt gekmakend onzeker, als iets wat jeukt in je binnenste. Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven. Wat me zo raakt, denk ik, was dat ik wegging uit Zagreb en voor de tweede keer ontheemd raakte.
Mijn kracht om helemaal opnieuw te beginnen moet zijn uitgeput en ik voel me inmiddels een vervloekt, duister, zwevend ding, een vreemde vogel, apart genomen en uitgezonderd van de zwaartekracht.
Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven
Het vermoeiendst is nog dat de inwoners telkens dezelfde zin herhalen: ‘Hamburg is de mooiste stad van Duitsland.’ Het probleem is dat het daar niet bij blijft en ze over de meren beginnen: ‘Zijn ze niet prachtig?’ Ik zou dolgraag zeggen: ‘Nee, dat zijn ze niet. Het zijn gewoon bruine modderpoelen!’ Maar ja, als je een vreemdeling bent, moet je je beleefd tevredenstellen met wat de mensen die gesetteld zijn je toewerpen. Feit is dat nieuwe steden voor mij frustrerende speeltjes zijn geworden. Omdat ik weet dat ze me worden afgenomen zodra ik heb uitgevogeld hoe ze werken, veins ik slechts dat ik er belangstelling voor heb.
Laatst stond ik, na het doktersbezoek, aan de oever van zo’n ‘prachtige’ bruine modderpoel. De zon ging onder en ik werd overvallen door een vlaag esprit de l’escalier na mijn diagnose: heimwee.
Waarom had ik niet tegen de dokter gezegd dat het woord ‘heimwee’ passé is, en dat het concept ‘thuis’ in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is, en dat je thuis voelen sowieso altijd al iets verraderlijk, ergerlijk conservatiefs was, en ik kan toch geen cliché zijn, en dat, nu we het er toch over hebben, aangezien ik uit Istanboel kom, ik bedoel maar, als je zó’n stad achterlaat, een stad zo schitterend dat je haar bij zonsondergang met stom ontzag vergeeft dat ze je de hele dag met huid en haar heeft verslonden, doet elke mindere stad je denken aan lelijke eega’s waarmee mensen getrouwd zijn om niet opnieuw met huid en haar te worden verslonden door de liefde, en dat, en dat…
Maar ineens viel mijn blik per ongeluk zo op de poel dat die er precies zo uitzag als de Bosporus. Ik verstijfde. Voordat ik de vergissing inzag had ik mijn ogen al tot spleetjes geknepen, waardoor het was alsof ik de skyline van Istanboel voor me zag.
Ik praatte wat in mezelf, lachte, huilde misschien zelfs een beetje
En een fractie van een seconde – nee, ik miste thuis niet – was ik terug in mijn oude lichaam, was ik nog niet overmand door die bittere onverschilligheid, dat onvermogen om schoonheid te zien. Ik verlangde ergens naar, maar niet naar een stad. Ik miste wie ik ooit was, dat idee van in mezelf zijn, dat gevoel van compleetheid, echtheid, van kunnen voelen.
Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. Ik bezatte me in een kroeg en werd overvallen door een vlaag van waanzin. Ik ging naast een olijfboom op de stoep zitten, leunde met mijn hoofd tegen de stam. Ik praatte wat in mezelf, lachte, huilde misschien zelfs een beetje. Ken je dat? Dat je met je hele wezen gelooft dat alleen de wijsheid van een oude zwerfhond of de compassie van een boom tegenwicht biedt aan alles wat ongezegd is gebleven?
Wat een flauwekul, dacht ik, onze aanwezigheid hier, die van die olijfboom en mij, zo hoog in dat klotenoorden. Twee meiden van rond de Middellandse Zee, wankelend, huiverend, nog steeds verbitterd giechelend.
Olijfbomen in Hamburg hebben langere blaadjes en zijn te hoog voor hun jaren. Na er de afgelopen maanden heel wat te hebben gezien weet ik zeker dat ze op hun tenen hebben leren staan in een wanhopige poging naar het zonlicht te reiken. Voor hun donkergroene, knoestige, dwergachtige weerbarstigheid is een bleke, broze kwetsbaarheid in de plaats gekomen. Ze nemen bizarre vormen aan om het te kunnen volhouden in deze nukkige landen, waar ze zich niet kunnen uitdrukken in hun moedertaal van zon en zout. Ze krijgen te weinig voedsel om tot bloei te komen, waardoor ze, wanneer het seizoen aanbreekt om vrucht te dragen, sprakeloos blijven, als een vrouw die door een miskraam uit het lood is geslagen.
Het zijn geen olijfbomen meer, ze zijn iets heel anders, onherkenbaar, iets wat terugverlangt naar wat het ooit was. Ik omhelsde de broze, jonge olijfboom. Beiden even sprakeloos moeten we eruit hebben gezien als twee gevallen kameraden. Een vreemde vogel en een gemuteerde boom.
Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe
Twee dolende lichamen die hebben geleerd dat hun zenuwen worden doorgesneden wanneer ze ontworteld raken. En zenuwen groeien, anders dan huid, spieren en botten, nooit meer aan. Zijn ze eenmaal doorgesneden, dan verandert een aanraking van het vlees in data, in iets verstandelijks. Er opent zich een verwarrende kloof tussen weten hoe zwaar de aanraking weegt en het lichte gevoel ervan. De aanraking roept in de diepte van het vlees slechts een weerklank van zichzelf op. Na verloop van tijd raak je eraan gewend het besef van de aanraking te koppelen aan hoe die hoort te voelen. Je leert met gepaste vrolijkheid te glimlachen. Je laat je nooit uit over het gevoel dat anderen je koud laten, die bittere onverschilligheid waaruit je geleidelijk gaat bestaan. Weet je wat? Laat die anderen toch zitten. Je weet niet meer hoe je moet voelen en of je eigenlijk nog wel iets voelt.
Daarom had ik zes jaar lang die scheve grijns, dat halfslachtige ding dat doet denken aan een verschrompelde olijftak die al heel lang dood is. Een laagje sarcasme om het medelijden van de mensen die gesetteld zijn mee af te weren. Make-up om de angst te verhullen dat zal blijken wie ik tegenwoordig ben: een automaat die niets voelt, een overlevingsmachine die het ontbreekt aan woorden om uit te drukken wie ze écht is.
Elke keer wanneer ik die grijns tevoorschijn tover, dat gevoel dat ik niet echt leef, komt mijn stem me weerzinwekkend voor, zigzaggend tussen twee versleten clichés: het gejammer van het slachtoffer om het verloren land van herkomst en het cynische geblaas van de overlever naar een toekomst die er niet is. Misschien ken ik die nieuwe, ontheemde versie van mezelf niet, maar ik weet dat dit mijn stem niet kan zijn: dat ben ik niet. Een onhoudbare aarzeling, als een trillende olijfboom, uitgeput van op haar tenen staan. Na de dokterspraktijk weet ik dat ik moet gaan praten. Omdat ik inmiddels bang ben geworden dat ik echt ziek word van niet praten. En als je ontheemd bent, kun je het je niet permitteren om ziek te worden. Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe.
De Turkse schrijver en politiek denker Ece Temelkuran neemt in Nation of Strangers haar eigen ervaring van ’thuisloos worden’ als uitgangspunt. Ze verliet Turkije in 2016 nadat ze hoorde dat ze gearresteerd kon worden wegens kritiek op Erdoğans regime. Sindsdien schrijft ze uitsluitend in het Engels.
In een interview over haar recente boek met The Observer begint Temelkuran als eerste over het woord ‘exile’, dat voor haar een veel te romantische bijklank heeft. ‘Het leent zich te makkelijk voor een verhaal waarin ik een exotische jonkvrouw in nood ben die vlucht voor een tiran en toevlucht vindt in het beschaafde Westen.’ Omdat ze er niet op uit is om ‘mensen zich goed te laten voelen’, terwijl overal politieke branden woeden, kiest ze voor een universelere beschrijving en noemt zichzelf ‘unhomed’ – thuisloos gemaakt. Zelfs wie gewoon thuis op de bank zit kan moreel, politiek en spiritueel zijn thuis verliezen. Het Amerika van Trump, zegt ze, is daar het levende bewijs van.
Over de psychologie van het verlies van thuis is ze concreet en nuchter: het splijt de persoonlijkheid in tweeën, je verdooft jezelf om die breuk te overleven, en je gevoel voor tijd raakt verstoord. Je wacht voortdurend op het moment dat alles weer wordt zoals het was – maar dat moment, stelt Temelkuran onomwonden, gaat niet meer komen. Zelfs in Davos, merkt ze droogjes op, gaven ze dat onlangs eindelijk toe.
Dan is er een andere belangrijke woordkeuze, die van het begrip fascisme, dat ze consequent gebruikt in plaats van omschrijvingen als ‘alt-right’ of ‘extreemrechts’. Volgens haar omzeilen veel mensen die erkenning ‘omdat je er dan ook iets aan moet doen’. Ze beschrijft hoe ze tien jaar lang als een Cassandra rondliep, waarschuwend dat fascisme ook naar het Westen zou komen.
Het boek is opgebouwd als een reeks persoonlijke brieven aan de lezer. Temelkuran wil een fluistering zijn te midden van al het lawaai, een uitnodiging tot een ander soort gesprek: ‘Wat hebben we verloren, en wat voor wereld willen we bouwen?’ Ze pleit voor bescheidenheid én vertrouwen, als tegengif voor het heersende cynisme.
Een van de indringendste scènes in Nation of Strangers is haar ontmoeting met Miquel, een dakloze man die haar zonder omhaal ondervraagt. Die confrontatie laat haar inzien dat ze in twee werelden leefde: die van het intellectuele debat, met zijn eigen vocabulaire, en die van mensen die de harde realiteit van thuisloosheid elke dag voelen. Het verschil? ‘Niemand uit de eerste wereld, behalve misschien Yanis Varoufakis, vroeg me ooit of ik geld had. Wanneer je een immigrant ontmoet, is dat het eerste wat ze vragen.’
Thuis is voor haar inmiddels meer een veilig gezelschap van vrienden dan een plek. In Berlijn, haar huidige woonplaats, verdween bijvoorbeeld iedereen met de kerst.
Temelkuran gebruikt schoonheid als overlevingsstrategie en als moreel kompas. Ze keert zich expliciet tegen de neoliberale definitie van de mens als zelfzuchtig individu dat over anderen heen klimt. ‘Ik zeg precies het tegenovergestelde: we overleven alleen door schoonheid in elkaar te zien, en door samen schoonheid te scheppen.’ Het is, zegt ze, het enige wat ons menselijk houdt wanneer alles instort. (360 magazine)
Deze top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via de webshop.
Gewone mensen dragen geen machinegeweren
Artem Chapeye
In Gewone mensen dragen geen machinegeweren beschrijft Artem Chapeye hoe hij als pacifist soldaat werd in de oorlog in Oekraïne. In persoonlijke en indringende essays onderzoekt hij wat oorlog doet met zijn overtuigingen, zijn gezin en zijn blik op de wereld.
Een spion in de familie
David Gardner & Paul Henderson
Een moeder denkt haar verloren zoon terug te vinden, maar wordt onbewust onderdeel van een spionageverhaal. In Een spion in de familie ontrafelen Henderson en Gardner hoe één man jarenlang een gestolen identiteit aannam en zo de Britse samenleving wist te infiltreren.
Eigenzinnige vrouwen in de kunsten
Liddie Austin
In Eigenzinnige vrouwen in de kunsten brengt Liddie Austin de verhalen samen van vrouwelijke kunstenaars die lange tijd onderbelicht bleven. Aan de hand van portretten van onder anderen Frida Kahlo, Georgia O’Keeffe en Niki de Saint Phalle laat ze zien hoe deze vrouwen zich een plek veroverden in een door mannen gedomineerde kunstwereld.
Maqloubah
Sari Bashi
Een liefdesverhaal dat zich afspeelt tegen de achtergrond van een van de meest complexe conflicten ter wereld. In Maqloubah beschrijft Sari Bashi hoe haar relatie met een Palestijnse professor voortdurend onder druk staat door grenzen, regels en machtsverschillen.
Dorst
Virginia Mendoza
In Dorst onderzoekt Virginia Mendoza hoe het landschap – droogte, hitte en schaarste – niet alleen het dagelijks leven vormt, maar ook het denken en voelen van de mensen die er wonen. In een sobere, observerende stijl laat ze zien hoe verlangen, geweld en overleving onlosmakelijk met elkaar verbonden raken in een wereld waar water nooit vanzelfsprekend is.
Schrijver Kiprop Kimutai reist af naar het Franse Saint-Paul de Vence, naar de Maison Baldwin Residency. Hij schrijft over zijn ervaringen en over de verschillen tussen Afrika, Europa en de VS wat betreft zwarte identiteit.
Terwijl ik in Nairobi in een Double M-bus vastzat in het verkeer en op mijn telefoon James Baldwins Kom, roep het van de bergen las, kwam het bericht binnen. Maanden daarvoor had een bevriende schrijver me aangespoord een aanvraag in te dienen voor een verblijf van vier weken in de Maison Baldwin Residency. Die residentie was in het leven geroepen ter ere van de zwarte Amerikaanse schrijver en burgerrechtenactivist James Baldwin, en was bedoeld voor zwarte schrijvers van over de hele wereld die ‘schrijven in de geest van James Baldwin’. Ik was al lange tijd een groot bewonderaar van Baldwin en had een aanvraag ingediend. En nu kon ik mijn geluk niet op. Ik kon een hele maand verblijven in Saint-Paul-de-Vence, een plaatsje in Zuid-Frankrijk waar Baldwin de laatste zeventien jaar van zijn leven had doorgebracht.
Na tijden in Turkije, Zwitserland en Parijs te hebben gewoond, was Baldwin uiteindelijk verhuisd naar Saint-Paul-de-Vence. In een interview met Paris Review vertelde Baldwin waarom hij niet langer in Amerika kon blijven. ‘Ik wist wat het betekende om wit te zijn en ik wist wat het betekende om een neger te zijn, en ik wist dat het mij zou overkomen. Mijn geluk begon op te raken. Ik zou in de gevangenis belanden. Ik zou iemand vermoorden of vermoord worden.’ In Saint-Paul wist Baldwin zich door de onverdraagzaamheid heen te slaan, leerde vloeiend Frans spreken en ging min of meer deel uitmaken van de gemeenschap. Terwijl ik me voorbereidde op mijn verblijf in Saint-Paul, maakte Baldwins uitzonderlijke persoonlijkheid het lastig voor me om een band tussen hem en mijzelf te verbeelden. Baldwin was heilig verklaard, door zijn verhalen, zijn ideeën, zijn gesprekken; van de positie van een gewoon mens was hij verheven tot een van eeuwige nagedachtenis.
Na het nodige ge-heen-en-weer tussen mijzelf en de Franse ambassade in Nairobi kreeg ik eindelijk mijn paspoort met visum en werd me – in duidelijke bewoordingen – te verstaan gegeven dat ik me binnen twee weken na mijn terugkeer uit Frankrijk moest melden, zodat ze zeker wisten dat ik niet in Saint-Paul was gebleven.
‘C’est magnifique!’ zei hij. ‘We hebben de bergen en we hebben de zee. Wat wil je nog meer?’
Ik vloog van Nairobi via Zürich naar Nice en nam vervolgens een Uber naar Saint-Paul. De gebronsde en praatgrage Uber-chauffeur, die op me was blijven wachten hoewel mijn telefoon was uit gegaan, maakte een onmiskenbaar Frans handgebaar toen ik hem vroeg wat hem zo aansprak aan de regio Provence-Alpes-Côte d’Azur. ‘C’est magnifique!’ zei hij. ‘We hebben de bergen en we hebben de zee. Wat wil je nog meer?’ Hij zette me af aan het begin van Saint-Paul, naast het lavoir (een openbare wasplaats). Achter me, aan de voet van een heuveltje, omgeven door cipressen en kalkstenen huizen, stond de Chapelle Sainte-Claire, klein, wit, met bovenop een grote klok. Ik werd opgewacht door Shannon, de coördinator van de Maison Baldwin Residency, die me het onderkomen voor de residerende kunstenaars liet zien, waar ik mijn intrek zou nemen.
Het kleine, grof gepleisterde gebouwtje stond op oneffen terrein, een paar meter onder het ommuurde stadje Saint-Paul. Het terrein was slecht onderhouden, en ik zag overblijfselen van wat ooit sierlijk beeldhouwwerk moest zijn geweest. Het huisje had een tijd leeggestaan en was onlangs door de gemeente in gebruik genomen als kunstenaarsresidentie. In de woonkamer stonden een bank en een houten eettafel, in de keuken een klein koelkastje, een koffiezetapparaat en een magnetron, en naast het bed hing een plankje met daarop talloze James Baldwin-titels met het oorspronkelijke omslag. Zodra ik alleen was, pakte ik een stokje en poerde wat in de aarde, benieuwd of het dezelfde gelijkmatig korrelige rode klei was van mijn geboorteplaats Iten, in de Keniaanse Riftvallei. Wat naar boven kwam was een donkere, drassige klei. Ik gooide het stokje weg en keek naar de mieren die heen en weer schoten, en vroeg me stiekem af of zij zich verheven voelden boven de mieren in Kenia, aangezien ze Europees waren (als je een dergelijke classificatie kon doortrekken naar de insectenwereld). ‘s Nachts werd ik geplaagd door een nachtmerrie waarin ik van een steile heuvel rolde zonder ooit de bodem te bereiken. Dus ging ik maar op de veranda zitten en keek ik naar de nachtelijke hemel, om me te realiseren, zoals een Engelse vriend me al had voorspeld, dat ‘je moet reizen en andere nachtelijke hemels moet zien om erachter te komen dat die niet kunnen tippen aan de nachtelijke hemel van Afrika’.
Ik ontwikkelde de gewoonte om ’s ochtends buiten te gaan zitten met een koel blikje gemberbier met een mysterieuze Franse naam, en te kijken hoe de zon aan de verkeerde kant opkwam en nooit echt warm werd. Ik las de aanwezige Baldwin-boeken. Ik herinner me dat ik Niet door water maar door vuur las, die hartverscheurende brief die Baldwin aan zijn neef had geschreven: ‘Big James, mijn naam – je was een baby, ik was er niet – daar was jij: om te worden liefgehad, baby, intens, ogenblikkelijk, en voor altijd, om je te harden tegen een liefdeloze wereld.’ Ik stond ervan te kijken hoeveel Baldwin gaf om zijn familie. Hij was duidelijk al behoorlijk zelfverzekerd, wist wie hij was in de wereld, en wist hoe hij die wereld wilde herstellen.
Achter het huis doemden de schitterende stadsmuren van Saint-Paul-de-Vence op. Het middeleeuwse vestingstadje verhief zich op de heuvel waar het tegenaan was gebouwd, met op de top de Eglise Collégiale, een dertiende-eeuwse kerk. Achter het kunstenaarshuis liep een weg die vanaf de hoofdweg van Saint-Paul naar beneden voerde, naar een beekje in de schaduw van de ruïnes van een Romeins aquaduct. Aan de andere kant liep de weg weer omhoog naar het voormalige huis van James Baldwin, of wat daarvan over was. Het werd gesloopt, hoorde ik, door een aannemer die er een aantal appartementen wilde neerzetten. Ergens aan die weg, uit het zicht, was een kleuterschool, duidelijk te horen aan het gelach en gejoel van spelende kinderen.
Ik stelde me Baldwin voor in zijn huis, met de imposante gasten die hij daar ontving: Nina Simone, Miles Davis, Marlon Brando, Ray Charles, Josephine Baker, Maya Angelou, Harry Belafonte… Op een middag werd ik bij het hek aangesproken door een dame op leeftijd die zich voorstelde als de buurvrouw. Toen ik haar vertelde dat ik een Maison Baldwin-fellow was, hield ze haar hoofd schuin en hapte naar adem. ‘Ach, die schat van een Jimmy. Heeft hij je hierheen gebracht?’ We kletsten een poosje en ze vertelde me hoe Baldwin vroeger vaak zingend over de weg naar zijn huis liep, aangeschoten en zorgeloos, zonder angst.
Ik probeerde me ook een beeld van Baldwin te vormen als ik buiten zijn werk zat te lezen – niet per se een beeld van zijn gezicht of zelfs zijn alomaanwezige stem, maar van zijn onverschrokkenheid, zijn vermogen om een conservatief dorpje zover te krijgen hem te accepteren en zelfs te omarmen. Maar die nacht kon ik de slaap niet vatten. Overdag was het griezelig stil in Saint-Paul, om van de nachten nog maar te zwijgen, en het hek om het kunstenaarshuis was laag en leek gammel.
Ze vertelde me hoe Baldwin vroeger vaak zingend over de weg naar zijn huis liep, aangeschoten en zorgeloos
Om me heen zag ik vrijwel niemand zoals ik, en als dat wel het geval was, zoals bij de zwarte serveerster die ik een keer zag op een van de terrassen van de restaurantjes waar het in Saint-Paul van wemelt, hielden we even we elkaars blik vast, om één vluchtig ogenblik de band te voelen die zich uitstrekte over een complexe geschiedenis. Saint-Paul was veilig, was me verteld. Er waren vrijwel geen meldingen van geweld. Toch had ik het gevoel dat ik in de gaten werd gehouden, werd bekeken; ik wilde alles zo geluidloos mogelijk doen, de douche aanzetten, de kraan opendraaien, de magnetron gebruiken. Ik las Baldwin om mijn aanwezigheid daar te rechtvaardigen; het was tenslotte zijn wens geweest dat mensen zoals ik hier kwamen schrijven.
Voor de noodzakelijke dagelijkse dingen moest ik het terrein verlaten. Voor koffie en mijn favoriete crêpe au poulet liep ik door de Porte de Vence, een brede doorgang in de stadsmuur die naar het centrum van het plaatsje voert. Bij een eettentje op de hoek koos ik dan een bolletje ijs uit terwijl ik wachtte tot mijn crêpe klaar was. Om de was te doen liep ik door het plaatsje, over een geplaveid straatje naar de Eglise Collégiale. Tegenover de kerk was een zeventiende-eeuws stenen huisje waar het kantoor van de residentie was gevestigd. In de schaars verlichte kelder stond een krakkemikkige wasmachine. Zo eens in de drie dagen nam ik de bus naar Vence om yoghurt, brood, granola, gemberbier en fruit in te slaan. Ik begon met ongebreidelde nieuwsgierigheid door het plaatsje te lopen. Ik was gefascineerd door de sfeer uit vroeger tijden: de smalle steegjes met de eeuwenoude gebouwen van meerdere verdiepingen, sommige met schitterende, met klimop begroeide muren; de drinkfonteintjes op willekeurige straathoeken, eentje in de vorm van een zwevende urn, een andere met een schitterend symbool van een vis; de begraafplaats waar kunstenaar Marc Chagall ligt, gelegen op een aambeeldvormig stuk grond dat uit de stadmuur steekt, met imposante graftombes die uitkijken over een weelderige vallei vol sinaasappelbomen. Het was magisch om over de stadsmuur te lopen, uit te kijken over het omringende land, tot aan Nice en de Middellandse Zee. Ik kon er foto’s van maken en die naar huis sturen, naar vrienden en familie, die evenzeer van onder de indruk zouden zijn.
Hélène Roux, een vriendin en begunstiger van de residentie, nodigde me uit om te komen eten. Haar familie was al vele generaties de eigenaar en uitbater van La Colombe d’Or, een hotel-restaurant in Saint-Paul, dat bekendstond om de verzameling oorspronkelijke schilderijen, variërend van Picasso tot Matisse. Na een verrukkelijke visschotel vertelde ze me bij de koffie en de rode wijn dat Jimmy een goede vriend van haar moeder was geweest (het personage Tish in het boek Als Beale Street kon praten is vernoemd naar Hélènes moeder Clementine). Hélène was een keer naar de Walt Disney-verfilming van Het jungleboek geweest en had later tegen Jimmy gezegd dat ze de muziek zo mooi had gevonden. Een teleurgestelde Baldwin had haar gevraagd even te gaan zitten en had haar uitgelegd dat Disney de plank volledig had misgeslagen met zijn bewerking van de roman, en dat Disney de hersenen van jonge kinderen schade toebracht door genuanceerde Europese sprookjes te reduceren tot dergelijke vlakke, gelikte verhalen. Baldwins uiteenzetting, die overeenkomt met wat hij heeft geschreven in zijn boek Het werk van de duivel, maakte Hélène duidelijk dat de Hollywoodfilms een verkeerd en vertekend beeld gaven, en vanaf dat moment heeft ze niet één Disneyfilm meer gezien.
Het was magisch om over de stadsmuur te lopen, uit te kijken over het omringende land, tot aan Nice en de Middellandse Zee
Bertrand, een vriend van Hélène en een sprankelende gesprekspartner, vertelde me dat hij Baldwins telegrammen vroeger van het postkantoor haalde en die uit het Frans in het Engels vertaalde. Hij was een fascinerend vat vol anekdotes. Bertrand is de eigenaar van de oudste (en mooiste) antiek- en juwelenzaak in Saint-Paul, aan de Rue Grande. Op een dag liep een jonge en op het oog vrij timide man zijn zaak binnen en keek om zich heen. De man liep schuchter op Bertrand af en vroeg of hij – Bertrand – hem een goed hotel in de buurt kon aanbevelen. Natuurlijk stuurde Bertrand hem naar La Colombe d’Or. De volgende dag kocht Bertrand de plaatselijke krant en zag tot zijn verbazing een foto van de jonge man uit zijn winkel op de voorpagina. Leonardo DiCaprio had zijn intrek genomen in La Colombe. Ik vertelde Hélène, Shannon en Bertrand over mezelf, over mijn jeugd in Kenia, over het werk dat ik deed in de residentie. Tot mijn eigen verbazing hield ik de beschrijving van mezelf beperkt tot het feit dat ik zwart en Afrikaan was, en vooral Keniaan. Ik was bang dat mijn verhaal zou haperen als ik verder zou gaan, en dat ik verkeerd begrepen zou worden. Ik zei niet dat ik katholiek was, of Kalenjin. Ik zei niet dat ik een Keiyo-man was uit lrong’ in Elgeyo-Marakwet en dat de totem van onze clan de maan was. Ik onderdrukte de neiging om te vertellen over de rituelen waardoor ik was geworden wie ik ben, al kwamen ze steeds naar boven drijven; dat op zeker moment in mijn jeugd de vrouwen hadden gezongen en kreten hadden geslaakt terwijl ze mijn hoofd insmeerden met olie. Kongoi wee, Kiprop, komkomi tikayenyu! Die avond, alleen in mijn huis in Saint-Paul, was ik blij dat ik nader tot Baldwin had weten te komen via de feitelijke herinneringen van mensen die met hem waren omgegaan en voor wie hij een oudere en een vriend was geweest.
Als ik door Saint-Paul liep, stuitte ik werkelijk overal op kunst: flamboyante schilderijen en glazen sculpturen staarden me aan vanuit de glazen puien van galeries in de smalle klinkerstraatjes; op elke straathoek stonden stalletjes met zelfgemaakte kaarsen en kleurrijke sieraden; tussen de gebouwen in liepen gewelfde overspanningen, hoog boven de straten die willekeurige patronen vertoonden door de vele mozaïeken. Op een dag liep ik over een pleintje met een installatie van een van Saint-Pauls bekende landschapskunstenaars, Kim Cao. Het was een coconvormig weefsel van bamboedraden, dat als een wolk boven een plas donker water hing. Ik voelde me ontheemd toen ik ernaar keek. Ik bevond me niet langer op een fysieke plek maar op een surrealistische plek van naakte schoonheid, waar sterke kunst ons mee naartoe weet te voeren.
Bij de toeristeninformatie van Saint-Paul, met een opvallende banner vlak naast de toegangspoort van het plaatsje, werd me verteld dat er in het omliggende landschap nog meer installaties van Kim Cao te vinden waren. Ik pakte een kaart, want ik wilde ze graag bezoeken. Ik liep over een achterafweggetje, met aan weerszijden kroonbomen met gele bladeren, en aan het einde ervan nam ik een scherpe bocht naar een weggetje door de akkers. Ik zag een vrouw met rubberlaarzen olifantsgras snijden. Ik zag een man die een afgevallen passiebloemrank weer aan de steunpaal vlechtte. Ik zag bananenplanten die doorbogen van het fruit en kippen die eronder rondscharrelden en in de grond pikten. Afgezien van de druivenranken (en het grootste paard dat ik ooit had gezien, dat heel rustig met zijn ruiter langs mij liep) deed het leven hier denken aan dat in Iten. Maar natuurlijk waren deze levens gevormd door een volkomen ander verleden. De mensen die hier op het platteland woonden, zo stelde ik me voor, hadden hun eigen identiteit bepaald; hun voorouders hadden weliswaar de wreedheden van oorlogen en veroveringen doorstaan, maar niet op een schaal zoals in Kenia. Hun vijanden waren altijd enigszins vertrouwd geweest, met een wereldbeeld dat wel te begrijpen viel. Er waren geen mensen uit het onbekende gekomen, die een vreemde taal spraken en hun voorouders hadden voorgeschreven wie ze waren, hoe ze zich moesten kleden, welke god ze moesten aanbidden.
Hun voorouders hadden weliswaar de wreedheden van oorlog doorstaan, maar niet op een schaal zoals in Kenia
Aan het einde van deze weg zag ik een poort waar een groteske pop aan een haak hing, een karikatuur van een oude heks met een neus vol wratten. Ik verliet de weg, stapte over een beekje en liep het bos in. Het duurde niet lang of ik zag alleen nog maar hoge bomen en hoorde de vertrouwde geluiden van een willekeurig bos: een onophoudelijk hoog gezoem van insectengeluiden, vogelgezang, de wind en druppelend water. Het was niet moeilijk me voor te stellen dat ik weer in Iten was, in het Sing’ore-bos, en dat ik elk moment de mannen zou kunnen zien die brandhout hakten en in het Keiyo met elkaar praatten. Ik liep helemaal alleen in het bos, maar ik voelde me volledig op mijn gemak. Eindelijk kon ik het gevoel loslaten dat ik werd bekeken. Hier was ik gewoon iemand die tussen de bomen door liep. Ik hoefde mezelf niet te verklaren.
Kim Cao’s installatie verraste me: een weefsel van bamboe dat tussen de bomen lag als een reusachtig gevallen nest, alsof het was gemaakt door oerinstincten in plaats van door mensenhanden. Het ging dusdanig op in de begroeiing dat het bijna onzichtbaar was, en later begreep ik dat dat ook precies Kim Cao’s bedoeling was: zijn bamboe-installaties laten versmelten met het bos, waar ze zouden blijven liggen en zouden vergaan. Ook nu weer voerde zijn kunstwerk me mee naar een plek waar ik me helemaal op mijn gemak voelde, haast nog huiselijker dan thuis. Kim Cao’s kunst verdreef mijn nachtelijke angsten. Mijn terugkerende nachtmerries bleven weg.
In Kenia wordt je identiteit niet in de eerste plaats bepaald door je zwart-zijn, eerder door etniciteit, klasse of zelfs het algemene gegeven dat je Afrikaan bent. Mijn zwart-zijn heeft nooit centraal gestaan in de manier waarop ik mezelf zie, zoals dat voor Baldwin wel het geval was. In mijn land is racisme vaker wel dan niet de collectieve ervaring van anti-zwarte, koloniaal gevormde instituties en buitenlandbeleid dat ons vernedert, maar geen persoonlijke confrontatie – behalve in gelegenheden die zich richten op toeristen. Ik was er dan ook niet in getraind om me te verdedigen zoals Baldwin dat deed, om ten volle de woede te voelen die voortkomt uit de geschiedenis waarin mensen met onze huidskleur wreed zijn mishandeld. Daarnaast vertoefde Baldwin in Europa als Amerikaan, iemand die een erkende, sociaal verheffende vorm van het Engels sprak. Ik vertoefde er als Afrikaan, in een tijd waarin Europa zijn onvrede al uitte over de toestroom van Afrikaanse immigranten.
Mijn zwart-zijn heeft nooit centraal gestaan in de manier waarop ik mezelf zie, zoals dat voor Baldwin wel het geval was
Maar mijn zintuigen waren toch niet in staat de micro-agressie te herkennen, dus wanneer ik werd gekleineerd bleef ik verbijsterd achter en vroeg me af of ik per ongeluk in een nare situatie was beland met een bot iemand of een bot systeem, zoals dat wel vaker gebeurt in het leven, overal, zelfs in Kenia; óf dat de situatie was ontstaan doordat ik zwart ben.
Toen ik in de Parijse metro met een kaart probeerde uit te vogelen bij welke halte ik moest overstappen om bij de Sacré-Coeur te komen, zag ik een zwarte vrouw op blote voeten voorbijlopen, die in zichzelf mompelde en duidelijk geestelijke problemen had. Ineens stroomde de metro vol politieagenten, die achter haar aan kwamen. Enkele agenten maakten zich los van de groep en vroegen omstanders – en ook mij – hun metrokaartje te laten zien. Maar ze vroegen het alleen aan mensen die zwart waren, of mensen met een Arabisch uiterlijk. Witte mensen konden ongehinderd doorlopen; het was alsof die niet eens zagen wat er gebeurde, ze stonden volledig buiten onze verstoorde realiteit.
Toen ik ’s avonds met een Rwandese vriend door Parijs liep op zoek naar een nachtclub, staken sommige mensen de straat over als ze ons zagen aankomen, anderen begonnen zelfs te rennen. In Vence zei een man met een kraampje dat duidelijk open was dat hij nog niet open was, en toen ik wegliep mompelde hij een reeks Franse verwensingen die behoorlijk onaardig klonken.
Het was alsof ze niet eens zagen wat er gebeurde, ze stonden volledig buiten onze verstoorde realiteit
Ik leerde S. kennen, een West-Afrikaanse man in Saint-Paul, die tot taak had de Eglise Collégiale te openen, te sluiten en te onderhouden, en om op gezette tijden de klok in de klokkentoren te luiden. Ik was een keer in mijn eentje de kerk in gelopen en had gefascineerd en gekeken naar het griezelig donkere schip, naar de fresco’s en het gebrandschilderde glas met afbeeldingen van heiligen die er kwaad en springlevend uitzagen, naar het met een hekje afgezette altaar met oude houten beelden van biddende mannen. Het voelde als een plek waar de tijd zich ongemerkt zou kunnen terugplooien naar de middeleeuwen. Ik was dan ook verbaasd om te horen dat het stadsbestuur mijn sterk gevoelde ervaring van die plek niet deelde, maar de ruimte verhuurde voor congressen, workshops en trouwerijen, om wat geld te verdienen. Ik kreeg zin om een zondagsmis bij te wonen, als goed katholiek die wilde deelnemen aan het Franse sacrament. Ik was de vierde aanwezige, en de enige zwarte, afgezien van de priester en S., die fungeerde als assistent van de priester. Na de dienst stelde een van de kerkgangers me voor aan de priester, een lange, forse man uit Burkina Faso, met een overrompelende lach en een ferme, enigszins pijnlijke handdruk. Hij vertelde me dat hij Kenia goed kende en ik zei op mijn beurt, aangestoken door zijn energieke uitstraling, dat ik Burkina Faso ook heel goed kende – al wist ik weinig meer over zijn land van herkomst dan de naam van de voormalige president en revolutionair Thomas Sankara. De priester onderbrak mijn enthousiaste betoog nogal bot met de opmerking dat er maar weinig priesters in Europa waren en dat hij snel door moest naar de volgende mis. Ik voelde me gekrenkt en ontredderd. Ik strompelde naar buiten, vervuld van twijfels, en voelde me misleid door een moment dat de belofte in zich had gedragen van een verwantschap tussen twee Afrikanen, moederziel alleen in Saint-Paul-de-Vence.
Ik zal niet ontkennen dat er ook veel geweldige mensen en momenten waren.
Ik trok er zo veel mogelijk op uit, verdiepte me in de geografie van de Côte d’Azur, nam de omgeving in me op. Ik liep naar de Chapelle du Rosaire in Vence, die volledig was ontworpen door Henri Matisse – echt alles, van de glas-in-loodramen tot de priestergewaden en de kandelaars; Matisse had het zeer grondig aangepakt, geïnspireerd door Monique Bourgeois die zich had aangesloten bij de Dominicaner orde van de kapel, en die hem in een bepaalde periode had verzorgd. Binnen had Henri zo’n wonderschoon samenspel gecreëerd van blauw en geel licht, van schaduwen en architecturale lijnen, dat ik na afloop in de tuin moest gaan zitten om bij te komen, net als de andere bezoekers. Ik bezocht de Fondation Maeght en was betoverd door de buitensculpturen en door de verzameling schilderijen en beeldhouwwerken binnen. Ik liep de heuvel op naar de kathedraal van Vence en bij de toeristeninformatie reageerde iedereen vrolijk verrast toen ik vertelde dat ik uit Kenia kwam.
Ik vergaapte me aan het kalme water dat langs rechte lijnen was onderverdeeld in verschillende schakeringen blauw
Ik denk met veel plezier terug aan mijn wandelingen over de Promenade des Anglais en aan de keurig onderhouden pleintjes waar met veel enthousiasme petanque werd gespeeld, aan de Middellandse Zeekust, waar ik me vergaapte aan het kalme water dat langs rechte lijnen was onderverdeeld in verschillende schakeringen blauw. Aan de andere kant van het water stelde ik me Afrika voor. Ik pakte wat gladde kiezels die aan mijn voeten lagen en nam er een paar mee terug naar Nairobi, waar ik er eentje boven op een afgebroken pilaar legde in een verlaten straat, en zei dat ik er een stukje Europa aan toevoegde.
Tijdens de laatste week van mijn residentie hoorde ik over Tourrettes-sur-Loup. Dat was een ander middeleeuws plaatsje, een kilometer of vijf van Saint-Paul, ook tegen een rotshelling gebouwd, maar, om de woorden van Shannon te gebruiken, minder ‘Disney-achtig’. Ik besloot ernaartoe te lopen via een aantal wandelpaadjes in het achterland van Saint-Paul, die waren gemarkeerd met een gele streep op de bomen. Ik was vaker naar Vence gelopen voor mijn boodschappen en ik kende het begin van de route. Alleen nam ik dit keer niet de brug over de Malvan (die me direct naar Vence zou hebben geleid) maar volgde ik de pijlen op de houten bordjes en klom langs de rivier omhoog. Zo kwam ik in een dicht bos terecht, waar immense schaduwen roerloos over hoge bomen vielen. Mijn verbeelding nam het over en ik zag voor me hoe ik achterna werd gezeten door een beer, en dan geen gewone hedendaagse beer, maar groter en hariger, rechtstreeks afkomstig uit het Pleistoceen. Na dit stuk bos kwam ik bij een open plek en volgde opgewekt de kaart, tot ik uitkwam bij een stenen muurtje. Iemand had een deel van de route geclaimd als privéterrein. Ik liep terug en ging op een boomstronk zitten, uit het lood geslagen omdat ik niet meer op mijn kaart kon afgaan. Geen punt, hield ik mezelf voor: als ik gewoon bleef wachten zou er wel een keert iemand langskomen die me zou wijzen welke kant ik op moest.
De eerste die langskwam sprak amper Engels. We deden ons best, probeerden ons gesprek te vertalen via onze mobieltjes, wat alleen maar tot nog meer verwarring leidde. Uiteindelijk knikte ik maar wat, deed alsof ik voldoende wist, zodat hij weer kon doorlopen. De tweede die langskwam was een Engelse vrouw met drie enorme paarden. Ze ging naast me op de boomstronk zitten en schonk een kop thee voor me in uit een thermoskan die ze uit haar tas haalde, en gaf me vervolgens glasheldere aanwijzingen hoe ik naar Tourrettes-sur-Loup moest lopen: ‘Rechtdoor, tot je op een versperring stuit, en vlak daarvoor ga je naar links en volgt het pad tot aan de rivier, aan de overkant ga je weer omhoog en dan volg je het wandelpad totdat je bij de verharde weg komt.’ Precies dat deed ik vervolgens.
Ik liep verder, langs de droge rivierbedding en aan de andere kant weer omhoog. Ik baande me een weg door een eindeloze reeks struiken en vroeg me af hoe het mogelijk was dat ik helemaal alleen was in het bos. Ik voelde een ondeugend soort opwinding dat ik als Afrikaan in mijn eentje door de Europese wildernis liep. Maar het bos was bedrieglijk en uitputtend. Toen het leek alsof ik bij het einde was gekomen, begon het allemaal opnieuw, nog meer bomen, nog meer kronkelpaadjes om te bewandelen.
Ik voelde een ondeugend soort opwinding dat ik als Afrikaan in mijn eentje door de Europese wildernis liep
Uiteindelijk zag ik een molen en een oud huis, en daar liep ik naartoe tot ik een wandelpad ontdekte dat in tegenovergestelde richting liep, langs een stel krakkemikkige huisjes met wat geiten aan een touw en wat rondscharrelende kippen. Ik keek op en zag Tourrettes-sur-Loup liggen, als een schitterende ansichtkaart op een uitstekende rotspunt, met een Romeins aquaduct dat er vanuit de vallei naast de rots naartoe liep. Maar ik kon met de beste wil van de wereld geen pad ontdekken dat erheen voerde. Ik maakte rechtsomkeert en doolde wat rond, in de hoop dat mijn woordenschat groot genoeg was om in het Frans naar de weg te vragen, riep ik bonjour tegen een vrouw die het tuinhek uitkwam gevolgd door de vraag, in haperend Frans, hoe ik bij Tourrettes-sur-Loup moest komen. Ze verstijfde en ging weer naar binnen, deed het hek dicht. Ik vroeg me af of ze bang was door de aanblik van een zwarte man, maar ze kwam weer naar buiten, samen met een lange zwarte man met grijze dreadlocks. Hij sprak een beetje Engels, waarbij hij aarzelende gebaren maakte. We deden weer ons uiterste best, probeerden een gesprek te voeren via onze mobieltjes, waar waardeloze vertalingen uit kwamen. Een meisje van middelbareschoolleeftijd (vermoedelijk de dochter van de vrouw) kwam onze kant op. Ze zei dat ze op school Engels leerde en dat zij me misschien beter zou verstaan. Maar ze was het Engels nog niet voldoende machtig om een verdwaalde man de weg naar Tourrettes-sur-Loup uit te leggen. Uiteindelijk maakte de man een gebaar alsof hij een motor startte, en zei een paar keer achter elkaar: ‘Scooter! Scooter!’ Ik knikte geestdriftig en een paar minuten later zat ik bij hem achter op de scooter terwijl hij over de geasfalteerde weg reed, bocht na bocht, totdat we bij de rotsachtige vestingmuur kwamen, met de doorgang naar Tourrettes-sur-Loup. Hij parkeerde zijn scooter en wees naar het plaatsje, terwijl hij in het Engels zei: ‘Hier moet je zijn!’
De man vouwde zijn handen en kwam dichter bij me staan, vroeg waar ik vandaan kwam. Ondanks zijn grijze haar zag hij er jong en fit uit; hij had iets tijdloos, alsof hij, zoals we Kenia zeggen, ‘genoeg van het leven had gegeten’ om zich buiten de rare tijdlijnen ervan te plaatsen. Ik zei dat ik uit Kenia kwam en hij vroeg of ik wel eens van Martinique had gehoord, waar hij vandaan kwam. Hij zweeg even, voordat hij een uitnodigend gebaar maakte en tegen me zei dat het niet uitmaakte dat ik een Keniaan was en hij uit Martinique kwam. ‘We zijn Afrikanen! Zwarte mensen!’ – en, met een geheven vinger – ‘Eén land!’ Hij stak me een hand toe.
Later liep ik door Tourrettes-sur-Loup en nuttigde een crêpe met chocola en een kop koffie. Ik kocht een boek in een tweedehandswinkel van een Australische vrouw die terug wilde vliegen naar Australië om te ontsnappen aan de naderende Europese winter. Bij een bakker, waar ik een blikje cola kocht, wees een voorbijganger naar de jongen van de bakkerswinkel, die een schort droeg, en maakte een grapje waardoor een jonge vrouw die brood kocht begon te blozen en in de lach schoot. Toen de man zag dat ik geen Frans verstond, draaide hij zich naar mij en vertaalde de grap voor me: hij had de jongen van de bakkerswinkel aanbevolen aan de vrouw en gezegd dat ze voor hem moest kiezen, niet alleen omdat hij kon bakken maar ook omdat hij de beste pik had die er in Tourrettes te vinden was. Op de verharde hoofdweg terug naar Saint-Paul verdwaalde ik opnieuw en moest ik de weg vragen aan een man die zijn planten water gaf en aan een tiener die zijn fiets repareerde. Maar voordat dit zich allemaal afspeelde, wierp ik nog een blik over mijn schouder op de man uit Martinique en trilde ik van emotie. Hij was de eerste in Zuid-Frankrijk die me had gegroet, die met twee handen mijn hand had vastgepakt en me had omhelsd.
De rauwe ongepolijste stem van Oliver Lovrenski wordt geprezen in de Noorse pers. Zijn debuut Toen we nog jong waren, geschreven op zijn mobiele telefoon, geeft een ongefilterd beeld van opgroeien in het hedendaagse Oslo.
Toen in april 2023 de negentienjarige Oliver Lovrenski een manuscript naar grote Noorse uitgeverijen stuurde, begrepen ‘we (…) meteen dat we met iets bijzonders te maken hadden’, vertelt Nora Campbell, directeur van Aschehoug, aan de krant Verdens Gang. Minder dan een week na ontvangst van het manuscript tekende Lovrenski een contract met hen. Het verhaal raakte de kern van ‘het hedendaagse Oslo’, wat ‘zeldzaam’ is. Bovendien ‘ving het de pijn (…) van jongeren die nu opgroeien’.
Lovrenski, geboren uit een Kroatische moeder en een Noorse vader – een dichter die al snel uit zijn leven verdween – schreef deze roman op zijn mobiele telefoon en putte vooral uit zijn eigen levensverhaal. ‘Als je vijftien bent en je hebt een half dozijn mensen een overdosis zien nemen, verandert dat je. Ik begon te geloven dat er geen uitweg meer was. Op mijn zestiende dacht ik niet dat ik de zeventien zou halen,’ vertelde hij de krant. Het boek werd, mede door drie prijzen en een nominatie, een van de Noorse bestsellers van 2023. Het werd in veertien landen vertaald en in het eerste jaar alleen al werden 63.000 exemplaren van de roman verkocht in een land met minder dan 6 miljoen inwoners.
’Oudere lezers zullen een woordenboek nodig hebben om de eerste paar hoofdstukken te begrijpen’
‘Tijdens zijn jeugd miste [Lovrenski] bepaalde dingen, zoals het gevoel erbij te horen of een mannelijk rolmodel. Hij vertelt hoe hij en zijn vrienden omgingen met drugs en een constant klimaat van wantrouwen’, aldus A-magasinet, de zondagsbijlage van Aftenposten. Maar, zegt de auteur, de vier jongemannen die hij in zijn boek beschrijft – Ivor, Marco, Arjan en Jonas – doen ‘veel ergere dingen’ dan hijzelf ooit heeft gedaan. ‘Maar niet erger dan sommige jongeren die ik ken.’ Ivor lijkt het meest op de auteur. Hij heeft net als Lovrenski Balkanwortels, een alleenstaande moeder, een passie voor boksen en ‘de droom om iemand te worden, om opgemerkt en bewonderd te worden’, aldus A-magasinet.
Toen we nog jong waren (Da vi var yngre) werd unaniem geprezen in de Noorse pers. ‘Wat een talent!’ aldus Cathrine Kroger, recensent van Dagbladet, onder de indruk van de jonge auteur en zijn ‘bijzondere literaire muzikaliteit’.
Ook werd opgemerkt dat de schrijfstijl allesbehalve rechttoe rechtaan is. Het verhaal wordt verteld zonder leestekens of hoofdletters, in ‘Noorse straattaal met zo’n sterke kebabsmaak dat oudere lezers een woordenboek nodig zullen hebben om de eerste paar hoofdstukken te begrijpen’, waarschuwde nieuwssite Nettavisen.
Sindsdien zou de schrijver, die zijn ‘getrainde en getatoeëerde lichaam nu hult in een pak’, aan een nieuw manuscript werken. Volgens A-magasinet gaat het over ‘dezelfde personages in een andere setting, vijf tot tien jaar later’.
Toen we nog jong warenverscheen in een vertaling van Wouter De Jong bij Uitgeverij Oevers.
De top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via de webshop.
De ballerina van Auschwitz
Edith Eger
Als zestienjarige danser wordt Edith Eger naar Auschwitz gedeporteerd. In het kamp houdt ze zich vast aan herinneringen, liefde en innerlijke discipline om mentaal te overleven. Een indringend verhaal over trauma, veerkracht en mentale overleving.
Als je toch honderd wordt, kun je net zo goed gelukkig zijn
Rhee Kun Hoo
De Koreaanse psychiater Rhee Kun Hoo kijkt terug op een lang leven als arts, activist en oorlogsoverlevende. Zijn boodschap is eenvoudig: geluk zit in vergeving, eenvoud en het loslaten van voortdurende ambitie. Een toegankelijke bundel levenswijsheid voor elke generatie.
Frantumaglia
Elena Ferrante
In brieven en essays reflecteert Elena Ferrante op haar schrijverschap, haar Napolitaanse wortels en de oorsprong van haar thema’s. Frantumaglia biedt een zeldzame inkijk in het denken achter haar romans – persoonlijk, gelaagd en even raadselachtig als haar werk.
Laat alleen rode bloemen bloeien
Emily Feng
Journalist Emily Feng vertelt de menselijke verhalen achter China’s opkomst als wereldmacht. Via dissidenten en gewone burgers toont ze hoe staatsmacht en controle het dagelijks leven doordringen. Een scherp portret van hedendaags China.
Hoe herken ik een fascist
Umberto Eco
In drie essays waarschuwt Umberto Eco voor de terugkeer van sluipend fascisme en de erosie van democratische waarden. Zijn analyse is helder, urgent en verrassend actueel – een oproep tot waakzaamheid.
Het Inter-Continental Hotel Kabul was jarenlang de uitvalsbasis van BBC-correspondent Lyse Doucet. De keren dat ze hier verbleef, vormden de basis voor haar nieuwste boek The Finest Hotel. Een ‘ontroerende, hoopvolle en soms angstaanjagende liefdesbrief aan Afghanistan en haar volk’, schrijft een recensent van The Week.
In haar boek The finest hotel in Kabul geeft de Canadese journalist Lyse Doucet (67), chef correspondenten en anchorwoman bij de BBC, inzicht in de laatste halve eeuw van de Afghaanse geschiedenis. Door de jaren heen logeerde Doucet geregeld in het in 1969 geopende, luxueuze Inter-Continental hotel waardoor ze in contact kwam met journalisten, diplomaten, spionnen én talibanleiders. Volgens de recensent van The Week maken de portretten van personeelsleden de meeste indruk: ‘Van de manager die na vijftig jaar trouwe dienst werd ontslagen tot de vindingrijke chef-kok die beroemd werd om haar subtiel gekruide mantu-dumplings.’ Het leidt tot een ‘ontroerende, hoopvolle en soms angstaanjagende liefdesbrief aan Afghanistan en haar volk.’
Voor het Canadese Policy Magazine schrijft Khorshied Nusratty dat Doucet ‘de moed en veerkracht van het Afghaanse volk laat resoneren op een manier waar geen oorlogsverslag tegenop kan’. Volgens hem is het hotel, ongeacht alle politieke veranderingen en bloedige gevechten, altijd ‘een oase en een goed geaccommodeerd clubhuis gebleven’. Door er een karakter van te maken komt de ‘ontembare geest van Afghanistan’ tot uiting en vormt het ‘een baken van hoop’.
‘Het boek waarvan ik nooit heb geweten dat ik het altijd wilde lezen’, noteert Charles Clover in Financial Times
Amy Waldman, correspondent van The New York Times, verbleef zelf in het ‘Inter-Con’. Aanvankelijk leek het hotel haar niet representatief als perspectief voor Doucets boek. Maar al lezend werd ze toch gegrepen: ‘Dan wordt een enigszins traag, af en toe luchtig boek zowel meeslepend als droevig’. Bijvoorbeeld waar het gaat over ‘de barman die zich 10 uur schuilhield in een bezemkast tijdens beschietingen of de serveerster die onder de taliban haar baan kwijtraakte en als veiligheidsbewaker mocht terugkeren om de schaarse vrouwelijke gasten te fouilleren’.
‘Het boek waarvan ik nooit heb geweten dat ik het altijd wilde lezen’, noteert Charles Clover in Financial Times. ‘Doucet slaagt erin om de bubbel van haar geprivilegieerde bestaan los te koppelen van de Afghaanse omgeving. In een tijd waarin hotels opgaan in de anonimiteit van luxueuze ketens, herinnert dit monument ons eraan dat sommige gebouwen veel meer betekenen.’
Lyse Doucet, Het beste hotel van Kaboel, een geschiedenis van de mensen in Afghanistan, uit het Engels vertaald door Anneke Bok, verscheen half december bij uitgeverij Pluim.
De top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via de webshop.
De zin van het leven
Stefan Klein
Stefan Klein is de succesvolste wetenschapsjournalist van Duitsland. In dit boek presenteert hij een nieuw idee van de mensheid: in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is het niet de egoïstische mens die uiteindelijk zal zegevieren, maar degene die zich bekommert om het welzijn van de ander.
Tabita
Iben Mondrup
Groenland staat volop in de aandacht, maar wat weten we eigenlijk van het land? Mondrup verhuisde er met haar gezin heen toen ze drie jaar oud was, maar keerde op haar achttiende terug naar Kopenhagen om naar de kunstacademie te gaan. Deze roman gaat over een adoptie waarbij koloniale geschiedenis volop verweven is met het persoonlijke leven van de personages.
Over antisemitisme
Mark Mazower
Mark Mazower legt zorgvuldig uit waar de verwarring over het begrip antisemitisme vandaan komt en laat zien waarom die onduidelijkheid zo gevaarlijk is. Dit boek is een belangrijke poging om onderscheid te maken tussen racistische haat en maatschappelijk debat.
Het fortuin van Neptunus
Julian Sancton
Het boeiende en waargebeurde verhaal over een legendarisch Spaans galjoen dat zonk voor de kust van Colombia met meer dan een miljard dollar in goud en zilver aan boord – en de obsessieve zoektocht van één man naar dat schip. De lezer wordt meegesleept van grote zeeslagen op de oceaan en zonovergoten kustgebieden tot de archieven waar de geheime sleutels te vinden waren die toegang boden tot ver- loren gewaande schatten.
Niemand kan terug
Alba de Céspedes
In deze roman volgt De Céspedes acht jonge studenten die samen in een pension in Rome wonen. Ieder van hen worstelt op haar eigen manier met liefde, ambitie, seksualiteit en de vraag in hoeverre een vrouw haar eigen leven kan vormgeven binnen de maatschappelijke verwachtingen van het Italië van de jaren dertig.
360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland en België komen.
Zwarte satire over de meedogenloze arbeidsmarkt
Zonder werk zit er niets anders op
SPEELFILM | You Man-su is gelukkig met zijn vrouw, kinderen en honden en heeft al vijfentwintig jaar een prima kantoorbaan in de papierindustrie. Tot hij onverwachts wordt ontslagen. Na een jaar vergeefs solliciteren besluit hij zijn concurrenten uit de weg te ruimen. Letterlijk. Omdat hij geen andere uitweg ziet. No other choice heet dan ook de nieuwe speelfilm van de Zuid-Koreaanse regisseur Park Chan-wook, die furore maakte met The Handmaiden.
Als remake van The Cleaver van Konstantinos Costa-Gavras (2005), ‘is dit een film van overvloedige originaliteit’, schrijft de recensent van Le bleu du miroir. ‘Zowel zwarte komedie als sociale satire. Van begin tot eind een vreugdevol en wreed spektakel.’ Dat het verhaal overeind blijft ‘komt grotendeels doordat Park Chan-wook nooit de toon van de klucht verlaat – zelfs niet in de heftigste momenten van frontaal geweld – zonder daarbij het sociale belang uit het oog te verliezen.’
Vanwege het ‘gedurfde camerawerk en de innovatieve montage,’ vindt Yannick Volweiler van Film Rezensionen het ‘een overtuigende en extravagante film’. ‘De jump cuts en visuele enscenering weerspiegelen de innerlijke staat van de protagonist en creëren tegelijkertijd een intrinsieke filmische ervaring.’
In The Detroit News vergelijkt Jake Coyle de Zuid-Koreaanse filmmaker met Alfred Hitchcock: ‘Net als Hitch is Park Chan-wook ogenschijnlijk beleefd en erudiet maar schemert zijn donkere fantasie daar altijd doorheen. Inmiddels is hij vastberaden zijn eigen, bloederige pad ingeslagen met films die zelden voorspelbaar, erg grappig en stiekem ook onthullend zijn.’
Op de Europees-Amerikaanse site Pajiba toont Jason Adams zich dolblij met de keuze voor Lee Byung-hun, de slechterik uit Squid Game, als hoofdrolspeler: ‘Twee geweldige Zuid-Koreaanse smaken bij elkaar! Kijk en verbaas je over hoe ze de flinterdunne afstand tussen salarisstrookje en paniek overbruggen. Park is zo krankzinnig als zijn obsessief-compulsieve neigingen hem toestaan.’
Ontroerende liefdesbrief over Afghanistan
Vijfsterrenhotel als baken van hoop en veerkracht
BOEK | In haar boek The finest hotel in Kabul geeft de Canadese journalist Lyse Doucet (67), chef correspondenten en anchorwoman bij de BBC, inzicht in de laatste halve eeuw van de Afghaanse geschiedenis. Door de jaren heen logeerde Doucet geregeld in het in 1969 geopende, luxueuze Inter-Continental hotel waardoor ze in contact kwam met journalisten, diplomaten, spionnen én talibanleiders. Volgens de recensent van The Week maken de portretten van personeelsleden de meeste indruk: ‘Van de manager die na vijftig jaar trouwe dienst werd ontslagen tot de vindingrijke chef-kok die beroemd werd om haar subtiel gekruide mantu-dumplings.’ Het leidt tot een ‘ontroerende, hoopvolle en soms angstaanjagende liefdesbrief aan Afghanistan en haar volk.’
Voor het Canadese Policy Magazine schrijft Khorshied Nusratty dat Doucet ‘de moed en veerkracht van het Afghaanse volk laat resoneren op een manier waar geen oorlogsverslag tegenop kan’. Volgens hem is het hotel, ongeacht alle politieke veranderingen en bloedige gevechten, altijd ‘een oase en een goed geaccommodeerd clubhuis gebleven’. Door er een karakter van te maken komt de ‘ontembare geest van Afghanistan’ tot uiting en vormt het ‘een baken van hoop’.
Amy Waldman, correspondent van The New York Times, verbleef zelf in het ‘Inter-Con’. Aanvankelijk leek het hotel haar niet representatief als perspectief voor Doucets boek. Maar al lezend werd ze toch gegrepen: ‘Dan wordt een enigszins traag, af en toe luchtig boek zowel meeslepend als droevig’. Bijvoorbeeld waar het gaat over ‘de barman die zich 10 uur schuilhield in een bezemkast tijdens beschietingen of de serveerster die onder de taliban haar baan kwijtraakte en als veiligheidsbewaker mocht terugkeren om de schaarse vrouwelijke gasten te fouilleren’.
‘Het boek waarvan ik nooit heb geweten dat ik het altijd wilde lezen’, noteert Charles Clover in Financial Times. ‘Doucet slaagt erin om de bubbel van haar geprivilegieerde bestaan los te koppelen van de Afghaanse omgeving. In een tijd waarin hotels opgaan in de anonimiteit van luxueuze ketens, herinnert dit monument ons eraan dat sommige gebouwen veel meer betekenen.’
Lyse Doucet, Het beste hotel van Kaboel, een geschiedenis van de mensen in Afghanistan, uit het Engels vertaald door Anneke Bok, verscheen half december bij uitgeverij Pluim.
‘Geen balalaika’s, geen gekwelde zielen, geen Poetin of Dostojevski’
Het onverwachte succes van een serie over homoseksuelen in Rusland
SERIE | In Rusland, waar de lhbti+-beweging sinds 2023 officieel als ‘extremistisch’ wordt bestempeld en hoge boetes of zelfs gevangenisstraf kan opleveren, en waar elke vorm van ‘propaganda’ van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht verboden is, is het kijken naar Heated Rivalry haast een daad van activisme, rebellie en hoop, meent Vanity Fair. En toch is de Canadese serie over twee homoseksuele hockeyspelers er razendpopulair. Op Kinopoisk, het toonaangevende online recensieplatform van Rusland, krijgt deze een waardering van 8,6; hoger dan Game of Thrones en Breaking Bad.
De prestatie is des te opmerkelijker aangezien Heated Rivalry niet officieel wordt uitgezonden; afleveringen circuleren op illegale platforms, worden door fans nagesynchroniseerd of van ondertitels voorzien, gedeeld op het sociale netwerk VKontakte of op onofficiële streamingsites.
De in ballingschap levende Russische journalist Mikhail Zygar, voormalig oorlogscorrespondent en prominent figuur in de lhbti+-gemeenschap, schrijft in Vanity Fair dat een hele generatie zich weerspiegeld ziet in dit fictieve verhaal – hoe weinig realistisch het happy end ook is. ‘De meeste homoseksuele Russen die ik heb geïnterviewd, denken niet dat dat mogelijk zou zijn’, aldus Zygar over de coming-out van een van de personages.
Tot in de jaren 2010 bestond in Rusland een verborgen maar levendige homoscene, maar sinds de anti-lhbti+-propagandawet van 2013 is de repressie snel verhard, met extreme vervolging in onder meer Tsjetsjenië en een definitieve criminalisering na de invasie van Oekraïne in 2022. Zygar betoogt dat de Russische homofobie minder geworteld is in religie – de samenleving is immers grotendeels atheïstisch – dan in de erfenis van de Goelag en een diepgewortelde cultuur van mannelijkheid. De ultraconservatieve Russisch-orthodoxe groepering Sorok Sorkov kondigde op de nieuwswebsite Absatzdan ook aan een rechtszaak te hebben aangespannen.
VolgensPort Media, een Russisch medium in ballingschap, voelen fans – ook westerse – zich ook aangetrokken tot het personage Ilya Rozanov, dat zou breken met het gebruikelijke beeld van Russen in westerse fictie. ‘Geen balalaika’s, geen gekwelde zielen, geen Poetin of Dostojevski. Gewoon een gevoelig en kwetsbaar persoon.’ ‘Deze queer romance is precies wat nodig is om de Russische cultuur en taal in het Westen te promoten’, citeerde het platform een commentator op X.
De genuanceerde woede van Sleaford Mods
De muzikale stem van de arbeidersklasse
MUZIEK | Het Britse duo Sleaford Mods, bestaande uit Jason Williamson en Andrew Fearn, is atypisch in het Britse muzieklandschap. De twee vijftigers uit de arbeidersklasse kregen pas laat succes en staan bekend om hun scherpe sociale en politieke commentaren op een mix van hiphop, elektronica en minimalistische rock.
Hun dertigste album, The Demise of Planet X, oogst veel lof in de Britse pers. Zelfs het traditionele en conservatieve The Times noemde het ‘absoluut meeslepend: een visie op de absurditeit van het alledaagse leven van Britten in liedjes die even meeslepend als verontrustend zijn’.
Het duo werd in 2007 opgericht in Nottingham onder de naam That’s Shit, Try Harder, en bouwde in de loop van de jaren een reputatie op met scherpe muziek over armoede, sociale achteruitgang en het populisme van de politieke elite – met vaak Boris Johnson als favoriete doelwit.
Volgens het Britse muziekmagazine State of Soundvormt de band momenteel ‘de meest betrokken stem van de arbeidersklasse in de hedendaagse Britse muziek’. ‘Op het podium brult de zanger teksten vol gevloek, met één hand op de heup als een dandy uit de Regentie, terwijl de ander verkleed als opa achterin staat te dansen.’
Nieuw is volgens The London Standard dat Williamson zich nu ook richt op het lot van de planeet. ‘Hij draait de kritiek op de [eigen] regering iets terug en concentreert zijn scherpe teksten meer op Donald Trump, de voortdurende oorlogen en de alomtegenwoordige domheid van sociale media.’ NME spreekt van ‘een album doordrenkt van woede (…) – alleen is die woede misschien iets genuanceerder dan voorheen’.
Zover komen dat je niet meer bang bent. Dat is het ultieme doel van de mens. – Italo Calvino, Het pad van de spinnennesten
Eind januari 2024. Hind Rajab is vijf jaar oud. Ze zit ineengedoken op de achterbank in de auto van haar oom en tante, samen met hun vier kinderen. Meteen nadat het zoveelste evacuatiebevel werd gegeven in het westelijke gebied van Gaza, is haar moeder met haar andere kinderen te voet gevlucht, maar vanwege de kou en de regen is Hind door haar oom en tante in de auto meegenomen.
Het is vroeg in de middag, het gedreun van de bommen dringt de auto binnen en er lijkt een verkeersopstopping te zijn. Er is iets aan de hand. Haar oom en tante voelen het, ze zijn nerveus, zitten opgewonden te praten. Niet ver van een tankstation in de wijk Tel al-Hawa wordt de auto meermaals beschoten door Israëlische machinegeweren.
Daarna een ijzige stilte. Hind kijkt om zich heen: niemand praat meer, ze zitten allemaal in elkaar gezakt. Met trillende handen pakt ze de telefoon uit de handen van haar vijftienjarige nichtje Layan, die is getroffen terwijl ze in gesprek was met iemand van de Rode Halve Maan. Hind vertelt: ‘De anderen zijn dood, of misschien slapen ze’, en smeekt om hulp. ‘De tank staat naast me. Hij rijdt. Komen jullie me halen? Ik ben zo bang.’ De medewerkster aan de andere kant van de lijn is hevig bezorgd, want ze weet hoe gevaarlijk de situatie is; ze noemt Hind liefdevol ‘habibti’, ‘schatje’, en blijft aan de lijn om haar gezelschap te houden.
‘De tank staat naast me. Hij rijdt. Komen jullie me halen? Ik ben zo bang’
Na een drie uur durende communicatie – zo veel tijd hadden haar collega’s van de Rode Halve Maan nodig voor overleg met de Israëlische autoriteiten om de locatie van de auto te bepalen en toestemming te krijgen om het meisje in veiligheid te brengen – verzekert de medewerkster Hind dat er twee hulpverleners naar haar toe komen. De registratie van dit hartverscheurende gesprek, waarbij het leven van het kind aan een zijden draadje hangt, is bewaard gebleven voor de geschiedenis, en zal hopelijk ook ooit gebruikt kunnen worden door rechters, om de verantwoordelijken voor het bloedbad waarbij Hind door het Israëlische leger werd vermoord te straffen.
Pas na twaalf dagen zal het levenloze lichaam van Hind worden gevonden, in die auto waarop iemand maar is blijven schieten, doorboord door 335 kogels, niet ver van de ambulance met daarin de lijken van de hulpverleners van de Rode Halve Maan, die haar niet op tijd hebben kunnen bereiken. Het Britse team van Forensic Architecture, onder leiding van professor Eyal Weizman, heeft de afstanden en de richting van de schoten gereconstrueerd. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat het ‘niet plausibel’ is dat de Israëlische soldaten die vanuit de tank schoten geen duidelijk zicht zouden hebben gehad op de burgers die in de auto zaten – onder wie dus kinderen.
Het verhaal van Hind is een symbool geworden voor de wreedheid van de Israëlische aanval op de bevolking van Gaza, sinds 7 oktober 2023. Maar dit meisje is meer dan drie maanden na 7 oktober gedood, toen Israël al meer dan 26.000 mensen had vermoord, onder wie minstens 10.000 kinderen. Hoe heeft men dit allemaal kunnen laten gebeuren? En hoe is het mogelijk dat er ook nu – eind maart 2025, terwijl ik dit boek aan het redigeren ben –, nu het vastgestelde aantal omgekomen kinderen al meer dan 17.000 bedraagt, van wie er duizend nog geen één jaar waren, nog steeds straffeloosheid heerst, en dat de moordmachine die Israël in gang heeft gezet onvermoeibaar doorgaat? Het antwoord schuilt in decennia van manipulatief woordgebruik, dat heeft geleid tot een verwrongen perceptie van de machtsverhoudingen tussen Israëliërs en Palestijnen.
Elk Palestijns leven wordt gezien als een mogelijk toekomstig gevaar voor de overleving van Israël
De laatste dertig jaar heeft die bewuste manipulatie velen ertoe gebracht om te geloven dat de Palestijnen verantwoordelijk zijn voor hun eigen situatie, en dat ze een existentiële dreiging vormen voor Israël. Ook de kinderen? Ja, die ook, en misschien wel vooral de kinderen, want in de logica van de Israëlische aanval die na 7 oktober begon wordt elk Palestijns leven gezien als een mogelijk toekomstig gevaar voor de overleving van Israël.
Hoeveel Palestijnse kinderen zijn er zo omgekomen? Met de straffeloosheid van de schuldigen, met het gruwelijke verdriet van hele families en gemeenschappen? Dat zijn er tienduizenden. Het verhaal van Hind, hoe afschuwelijk ook, is niet ongewoon in Palestina. Mohammed Tamimi was twee jaar oud toen hij, een paar maanden voor 7 oktober 2023, door het Israëlische bezettingsleger – dat formeel bekendstaat onder de naam Israëlisch defensieleger (Israël Defence Forces: IDF) – door zijn hoofd werd geschoten terwijl hij bij zijn vader in de auto zat op de bezette Westelijke Jordaanoever. Niemand werd er verantwoordelijk voor gehouden, zoals gewoonlijk.
Dat is de kindertijd, in Palestina.
Toen Max en ik in Jeruzalem woonden, grensde onze tuin aan een heuveltje waarop een reusachtige, ongelooflijke moerbeiboom stond, die maandenlang vruchten droeg. Onder die boom lag altijd een paars tapijt van gevallen moerbeien, en de kinderen kwamen ze vaak rapen.
Dat is de kindertijd, in Palestina.
Vlak naast ons huis was een stenen muurtje waar zo’n metalen hekwerk op stond, dat er ooit, jaren eerder, provisorisch moest zijn geplaatst. De kinderen kropen er altijd onderdoor om moerbeien te gaan rapen, waardoor er een opening was ontstaan. Op een dag zag ik ze en zei: ‘Hé kinderen, als jullie moerbeien willen mogen jullie ook bij mij aanbellen en dan doe ik de poort voor jullie open, dan hoeven jullie niet daar onderdoor te kruipen.’ De meesten van hen verstonden me niet, want bijna niemand van hen sprak Engels, behalve een jongetje met donkere wallen dat ik al vaker in de buurt had zien spelen met zijn tweelingzusje en hun vriendjes.
‘Hallo,’ herhaalde ik dus, nu rechtstreeks tegen hem. ‘Ik weet dat jullie hier in de wijk wonen, ik heb jullie al heel vaak zien spelen. Als jullie moerbeien willen is het geen probleem, vraag het dan gewoon aan ons, zodat je je niet bezeert aan dat hekwerk.’ Zijn beleefde maar vastberaden antwoord deed me versteld staan.
‘Nee, dank u,’ zei hij. ‘U hoeft de poort niet voor ons open te doen. Wij blijven onder het hekwerk door kruipen, zoals we altijd hebben gedaan.’ Die kleine Mohammed was al heel assertief op zijn elfde.
Zijn familie was een van de eerste in de wijk Sheikh Jarrah geweest die door Israëlische kolonisten – gewapende burgers die de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever bevolken, met steun van het leger – uit hun huis was gezet.
‘U hoeft de poort niet voor ons open te doen. Wij blijven onder het hekwerk door kruipen, zoals we altijd hebben gedaan’
In dit huis had Rifqa, de oma van Mohammed en van zijn zusje Muna, in 1948 haar toevlucht gezocht nadat ze was verdreven uit Haifa (sindsdien deel van Israël). Na een lange juridische strijd werd in 2009 het hoofdgebouw van hun bezit ingenomen door Israëlische kolonisten, terwijl de familie El-Kurd in de moestuin een huisje moest bouwen waar ze noodgedwongen met z’n allen in gingen wonen.
De reactie van Mohammed verbaasde me, want het is niet vanzelfsprekend dat een kind van elf jaar – of zeven, twaalf, veertien jaar – zo’n duidelijk besef heeft van rechten, ruimte en identiteit. Maar dat is wel de realiteit voor de Palestijnen die zijn opgegroeid onder de bezetting, en voor de miljoenen Palestijnen die zijn geboren in de vluchtelingenkampen rondom Palestina. Generaties mensen zijn opgegroeid terwijl ze zagen dat hun land dag na dag onder hun voeten vandaan werd gerukt, wat de voedingsbodem vormt voor een eindeloze strijd om hun huis, hun waardigheid, en om alles wat op die leeftijd vanzelfsprekend zou moeten zijn.
De kindertijd wordt afgepakt van de Palestijnen, ze worden volwassen in een kinderlichaam en gaan gebukt onder zorgen, spanningen, angsten en verantwoordelijkheden die ze op hun leeftijd niet zouden moeten hebben.
Vandaar dat ik, als Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden, in 2023 besloot om mijn derde rapport aan de kindertijd te wijden, waarbij ik gebruikmaakte van een Engels woord dat de Palestijnse realiteit levendig beschrijft: unchilding, oftewel ‘de kindertijd ontnemen’. De keuze voor dat onderwerp ontstond uit de hoop dat ik het grote publiek meer inzicht zou kunnen geven in de ernst van de situatie als ik zou laten zien hoe het leven van een kind in Palestina daadwerkelijk is, naast de opgenomen statistieken en regelgeving.
unchilding, oftewel ‘de kindertijd ontnemen’
Toen ik mijn onderzoek deed, was alles heel anders dan nu: mijn rapport werd twee weken na 7 oktober 2023 gepresenteerd, maar ik had het twee weken voor die datum afgerond. En ook toen al was de situatie verschrikkelijk.
Op dat moment in het najaar waren de gegevens over de Palestijnse kinderen die in vijftien jaar tijd (van 2008 tot september 2023) waren gedood al schrikbarend: het waren er meer dan 1400. Ieder van hen een klein universum dat voorgoed was uitgewist. Van 7 oktober 2023 tot maart 2025 was dat toch al huiveringwekkende aantal meer dan tien keer zo groot geworden: in zeventien maanden zijn er ruim 17.000 kinderen gedood, onder wie meer dan duizend baby’s, van wie het leven al abrupt werd afgebroken nog voordat ze hadden kunnen leren kruipen, praten en spelen.
In augustus 2024 was Mohammed Abu al-Qumsan in Gaza bezig de geboortecertificaten op te halen van zijn tweeling, die drie dagen daarvoor was geboren, toen hij werd gebeld: je appartement is gebombardeerd, je vrouw en kinderen zijn in het ziekenhuis. We konden niets meer voor ze doen. Dood voordat ze hun ogen openden naar het leven.
Dat is de kindertijd, in Palestina.
Toen ik in 2023 niet het benodigde visum van de Israëlische regering kreeg om in de regio mijn onderzoek te gaan doen voor de Algemene Vergadering van de VN dat najaar, besloot ik een andere tactiek toe te passen. Met steun van Palestijnse maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen werden er focusgroepen opgericht, zodat ik de kinderen online kon interviewen.
Dat is de kindertijd, in Palestina
In die periode was ik met mijn gezin op vakantie op Sicilië, bij opa en oma (mijn schoonouders). Elke middag nadat ik met mijn kinderen had geluncht en even een duik in zee had genomen, ging ik naar het dakterras van ons verblijf, en nadat ik mijn computer daar had ingeplugd in een van de weinige stopcontacten die er waren begon ik met de afspraken, die elke dag uren doorgingen. Algauw bleek dat de groepen kinderen en pubers die ik interviewde goed gestructureerd en gedisciplineerd waren.
Ze waren verdeeld in leeftijdscategorieën en geografische ligging, en zowel de jongeren als hun ouders waren blij met deze kans om hun ervaringen en getuigenissen met mij te delen. Samen aan een tafel, of zittend op stoelen die soms veel te groot voor ze waren (zoals bij de kinderen in Jenin), zaten ze allemaal heel aandachtig voor het scherm.
Er was iemand bij om te tolken, maar het merendeel van de kinderen spreekt goed Engels, vooral in Gaza, waardoor ik rechtstreeks met ze kon praten.
Door die ontmoetingen werd ik geconfronteerd met een waar wonder van leven, vitaliteit en vriendelijkheid, een kader waarin de energie en de hoop leken voort te bestaan, ondanks alle ellende. Te midden van alle moeilijkheden van de permanente bezetting en de onophoudelijke oorlogen in Gaza, waar iedereen door de belegering in feite gevangen zat in een getto, en te midden van de verwoestende nabijheid van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, met veelvuldige arrestaties, continue invallen van soldaten en aanvallen van de kolonisten, vertoonden de kinderen die ik die zomer heb leren kennen een buitengewoon talent om de fundamentele waarden te behouden, op de eerste plaats hun liefde voor school. Ze hadden voor de gelegenheid hun nette kleren aan, het haar van de jongens was netjes gekamd, de meisjes hadden kleurige jurkjes aan en hun lange haar was bedekt met een hoofddoek, of ze hadden een hoofddoek los over hun schouders hangen. In hun stemmen hoorde ik een grote honger naar kennis en een vurig verlangen naar de toekomst.
Ook dat is de kindertijd, in Palestina.
PALESTINA ALS PLAATS DELICT
De Italiaanse rechtsgeleerde Francesca Albanese, een uitgesproken criticus van Israël, werd aangesteld door de VN-Mensenrechtenraad (Human Rights Council) als onbetaalde onafhankelijke expert om toezicht te houden op mensenrechtenkwesties. Dat heeft ze met verve gedaan.
Vervolgens riep ze expliciet op tot strafrechtelijke vervolging van bedrijven en hun leidinggevenden die Israëlische nederzettingen en/ of militaire acties en oorlogvoering faciliteren of ervan profiteren, waaronder wapenproducenten en grote vermogensbeheerders. VN-lidstaten moesten, vond zij, sancties en een wapenembargo tegen Israël instellen.
Dat nam niet iedereen haar in dank af. Pro-Israëlische groepen en de VS bekritiseren Albanese regelmatig, waarbij de Amerikaanse regering haar werkwijze als ‘opruiend, juridisch twijfelachtig en antisemitisch’ bestempelt. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio legde sancties op aan de VN-expert, een hoogst ongebruikelijke maatregel, schrijft de Russisch-Amerikaanse journalist M. Gessen in The New York Times, aangezien het gaat om een aan de VN-gelieerde jurist.
Haar boek Wanneer de wereld slaapt begint Albanese – die dagelijks wordt beschuldigd van antisemitisme – met een verklaring dat ze de moord en ontvoering van Israëlische burgers door Hamas op 7 oktober 2023 zonder voorbehoud veroordeelt.
Albaneses kompas, schrijft Antonin Iommi-Amunategui in Le Monde, is het internationaal recht, de strijd tegen onrechtvaardigheid en solidariteit, die Albanese ‘een politieke vorm van liefde’ noemt.
Palestijnen en hun bondgenoten beschouwen Albanese als een onverzettelijke voorvechter van Palestijnse rechten. Israël en Amerikaanse Joodse organisaties verwerpen echter haar beschuldigingen van genocide en stellen dat ze zelden geweld tegen Israëlische burgers veroordeelt of Palestijnse gewapende groepen zoals Hamas bekritiseert.
Het boek is geen geschiedkundig of juridisch werk, maar geeft het woord aan tien mensen – Palestijnen, Israëliërs en anderen – die elk vanuit hun eigen perspectief de Palestijnse tragedie belichten.
Een centraal verhaal is dat van Hind Rajab, een vijfjarig meisje dat op 29 januari 2024 door het Israëlische leger werd gedood. Als enige overlevende in de auto van haar oom was ze drie uur lang aan de telefoon met de hulpdiensten, die onderweg naar haar werden gedood door het Israëlische leger. Ook Hind overleefde het niet. Andere stemmen in het boek behandelen thema’s als bezetting en segregatie, antisemitisme, apartheid, trauma en genocide.
Albanese beschouwt Palestina als een plaats delict waar ‘we allemaal onze vingerafdrukken hebben achtergelaten’. Toch probeert ze ook hoop over te dragen, geïnspireerd door Palestijnse kinderen die ondanks alles een ‘vurig verlangen naar de toekomst’ behouden.
Margaret Atwood vroeg zich af of haar autobiografie wel interessant genoeg zou zijn. Ze leefde geen leven vol drank, drugs of seksuele escapades, maar bracht haar dagen schrijvend door. Die vrees bleek ongegrond.
Margaret Atwood had enige scrupules om een literaire autobiografie te schrijven. Ze was bang dat het saai zou worden: ‘Ik schreef een boek, ik schreef een tweede boek, ik schreef nog een boek…’ Overmatig drankgebruik, uit de hand gelopen feestjes en seksuele escapades zouden het verhaal hebben kunnen opleuken, maar zo heeft ze nu eenmaal niet geleefd, aldus Blake Morrison in The Guardian. Het resultaat noemt The Washington Post desalniettemin ‘rijk, weids en vol levensvreugde’; een wijze en geestige terugblik op het leven dat haar schrijverschap gevormd heeft. De bedenking kenmerkt Atwood (1939), die onder meer bekendstaat om haar humor en zelfspot. Als ‘nerdy brainiac’ groeide de Canadese op tussen stad en wildernis – winters in Ottawa, lange zomers in de bossen van Quebec en Ontario. Ze begon al jong gedichten en verhalen te schrijven en toont in haar werk veel en feministische betrokkenheid en ‘een hardnekkige neiging om conflicten en kritiek frontaal aan te gaan’. Met meer dan zestig boeken en de wereldwijde roem van onder meer Het verhaal van de dienstmaagd en Kattenoog groeide ze uit tot een van de invloedrijkste schrijvers van onze tijd.
‘Maak haar niet boos, want dan leef je voor eeuwig’
Volgens Los Angeles Times leest Book of Lives: A Memoir of Sorts net zo soepel als haar romans; The New York Times noemt het een vat van toorn – ‘en toorn is interessant’. Zoals een vriend van haar zou hebben gezegd: ‘Maak haar niet boos, want dan leef je voor eeuwig.’ Een negatieve noot van New Statesman heeft eveneens met deze eigenschap te maken, namelijk dat Atwood ‘ondanks haar succes niet in staat is kritiek en oude krenkingen los te laten’.
Boek vol levens. Een soort memoires van Margaret Atwood verscheen begin november in een vertaling van Lidwien Biekmann en Frank Lekens bij uitgeverij Prometheus.
De boeken-top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via onze webshop.
Heldinnen
Kate Zambreno
Kate Zambreno’s blog Frances Farmer is My Sister, waarin zij gemarginaliseerde modernistische vrouwelijke schrijvers weer onder de aandacht bracht, vormde een onlinegemeenschap en alternatieve canon. In Heldinnen bundelt Zambreno deze inzichten tot een fel manifest tegen patriarchale geschiedschrijving en onderwaardering van vrouwelijke ervaringen in kunst, literatuur en identiteit wereldwijd.
Mini Horror
Barbi Markovic
Mini Horror is een boek over de horror van het perfecte familieontbijt, over pesten op de werkvloer, over sociale ongelijkheid en over wat het betekent om ergens bij te horen. Volgens lezers de perfecte autobiografie van millennials.
De aarde als gemeenschap
Achille Mbembe
In De aarde als gemeenschap pleit Achille Mbembe voor een radicaal andere manier van samenleven, voorbij nationalisme en extractief denken. Tegen de achtergrond van ecologische crisis en mondiale ongelijkheid onderzoekt de winnaar van de Spinozalens 2025 hoe solidariteit, zorg en gedeelde kwetsbaarheid de basis kunnen vormen voor een nieuwe wereldorde.
Explosieve moderniteit
Eva Illouz
Eva Illouz analyseert hoe moderne idealen van vrijheid, zelfontplooiing en romantische liefde zijn verworden tot bronnen van spanning en conflict. In Explosieve moderniteit laat ze zien hoe emoties, markten en politiek steeds inniger verstrengeld raken — met ontwrichtende gevolgen voor intieme én publieke relaties.
Verlies
Andreas Reckwitz
Volgens Andreas Reckwitz is verlies het meest onderschatte begrip van onze tijd. In dit essay onderzoekt hij hoe modernisering weliswaar kansen creëert, maar onvermijdelijk ook verlies met zich meebrengt – van zekerheid, status en betekenis – en hoe samenlevingen worstelen met de politieke en culturele verwerking daarvan.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.