Politici als Donald Trump, die tekeergaan tegen de macht van grote internationale bedrijven, lopen in veel opzichten achter. Multinationals waren al ruim voor de populistische revoltes van 2016 op hun retour.
Een van de vele dingen waar Donald Trump een hekel aan heeft zijn grote wereldconcerns. Hij verwijt ze een ‘bloedbad’ onder gewone Amerikanen aan te richten door banen en fabrieken naar het buitenland te verhuizen. Hij wil deze plunderende multinationals temmen. Lagere belastingen zullen hun geld naar Amerika laten terugvloeien, importheffingen zullen hun buitenlandse aanvoerketens belemmeren, en de handelsovereenkomsten waardoor ze zaken kunnen doen zullen herschreven worden. Om aan strafmaatregelen te ontkomen ‘hoeven jullie alleen maar hier te blijven’, zei hij tegen de Amerikaanse bazen.
Trumps agressief protectionistische toon is ongebruikelijk. Maar hij loopt in veel opzichten achter. Multinationals, de aanjagers van globalisering, waren al ruim voor de populistische revoltes van 2016 op hun retour. Hun financiële resultaten blijven achter, waardoor ze niet langer plaatselijke bedrijven uitkleden. Vele lijken niet meer in staat verder in hun kosten en belastingen te snijden en hun plaatselijke concurrenten te slim af te zijn. De impact op de wereldhandel zal groot zijn.
Multinationals, die een groot deel van hun zaken buiten hun thuisbasis doen, bieden wereldwijd werk aan slechts een op de vijftig mensen. Maar ze zijn wel belangrijk. Een paar duizend bedrijven bepalen wat miljarden mensen bekijken, dragen en eten. Multinationals als IBM, McDonald’s, Ford, H&M, Infosys, Lenovo en Honda zijn het ijkpunt voor managers. Zij coördineren de aanvoerketens die verantwoordelijk zijn voor 50 procent van de wereldhandel. Zij nemen wereldwijd een derde van de waarde van de effectenbeurzen voor hun rekening en bezitten het leeuwendeel van het intellectuele eigendom – van lingerieontwerpen tot virtual-realitysoftware en medicijnen tegen diabetes.
Hun grote bloei kwam begin jaren negentig, toen de markten van China en het voormalige Sovjetblok opengingen en Europa integreerde. De omvang en efficiency van multinationals viel in de smaak bij beleggers. Een Chinese fabriek kon gereedschap uit Duitsland gebruiken, belasting betalen in Luxemburg en verkopen aan Japan. Het was een gouden tijd.
Belangrijk voor de opkomst van multinationals was hun aanspraak dat ze goudmijnen bij uitstek waren. Die aanspraak ligt inmiddels in duigen. De winsten van multinationals zijn de afgelopen vijf jaar met 25 procent gedaald. Hun investeringsresultaat is in twee decennia niet zo laag geweest. Deze neergang is deels te verklaren door de sterke dollar en een lage olieprijs. Technologische toppers en consumentenbedrijven met sterke merken doen nog steeds goede zaken. Maar de pijn is te wijdverbreid en langdurig om als een dipje te kunnen worden afgedaan. Liefst 40 procent van alle multinationals heeft minder dan 10 procent rentabiliteit van het eigen vermogen, een ongekend slechte prestatie. De meeste industrieën groeien langzamer en zijn minder winstgevend dan de plaatselijke bedrijven die in hun achtertuin zijn blijven hangen. Wereldwijd is de winst waarvoor multinationals verantwoordelijk zijn, gedaald van 35 procent tien jaar geleden tot 30 procent nu. Voor veel bedrijven op het gebied van de maakindustrie, financiële dienstverlening, grondstoffenvoorziening, media en telecommunicatie is de globalisering een last geworden in plaats van een lust.
Dat komt doordat de winstgevendheid na dertig jaar onder druk staat. Bedrijven hebben hun belastingaanslagen tot het laagste punt teruggeschroefd; in China stijgt het loon van fabrieksarbeiders. Plaatselijke bedrijven zijn slimmer geworden; ze kunnen de innovaties van multinationals stelen, kopiëren of wegconcurreren zonder kostbare kantoren en fabrieken in het buitenland te hoeven bouwen. Van de Amerikaanse schalie-industrie tot de Braziliaanse banken, van de Chinese e-commerce tot de Indiase telecommunicatie, overal voeren plaatselijke bedrijven de boventoon, en niet de multinationals.
Trump is het jongste en strijdlustigste voorbeeld van een wereldwijd streven om een groter deel van de winst van multinationals af te romen
Het veranderende politieke landschap maakt het nog moeilijker voor de reuzen. Trump is het jongste en strijdlustigste voorbeeld van een wereldwijd streven om een groter deel van de winst van multinationals af te romen. China wil dat ze niet alleen hun aanvoerketens in het land vestigen, maar ook activiteiten waaraan meer hersenwerk te pas komt, zoals onderzoek en ontwikkeling. Van Duitsland tot Indonesië, overal worden de overname-, antitrust- en dataregels aangescherpt.
De komst van Trump zal het bloederige herstructureringsproces alleen maar versnellen. Veel bedrijven zijn simpelweg te groot: ze zullen hun imperium moeten afslanken. Andere proberen zich dieper te wortelen in de markten waarop ze opereren. General Electric en Siemens ‘lokaliseren’ aanvoerketens, productie, banen en belastingen tot regionale of nationale eenheden. Een andere strategie is om ‘ongrijpbaar’ te worden. Toppers uit Silicon Valley, zoals Uber en Google, breiden zich nog steeds in het buitenland uit. Fastfood- en hotelketens stappen over van hamburgers bakken en bedden opmaken op het verkopen van merkrechten.
Dat multinationals op hun retour zijn, zal politici het idee geven dat ze een grotere vinger in de pap krijgen. Maar niet elk land kan een groter deel van de productie, banen en belastingen van hetzelfde bedrijf in de wacht slepen. En een snelle aftakeling van de dominante vorm van zakendoen gedurende de afgelopen twintig jaar kan chaotische gevolgen hebben. Veel landen met een tekort op de handelsbalans (zoals het ‘globale’ Verenigd Koninkrijk) vertrouwen op de kapitaalstroom die multinationals binnenbrengen. Als de bedrijfswinsten dalen, zal de waarde van de effectenbeurzen vermoedelijk instorten.
Hogere prijzen
En de consumenten en stemmers? Die raken schermen aan, dragen kleren en slikken geneesmiddelen die worden geproduceerd door bedrijven die ze als immorele, afstandelijke uitbuiters beschouwen. De gouden tijd voor multinationals is ook een gouden tijd geweest voor consumentenkeuze en efficiency. Door hun neergang zal de wereld misschien eerlijker lijken. Maar de inkrimping van multinationals kan niet alle banen terugbrengen die mensen als Trump beloven. En het zal leiden tot hogere prijzen, minder concurrentie en vertragende innovatie. Mettertijd zouden miljoenen kleine bedrijven die zakendoen met het buitenland de grote bedrijven kunnen vervangen als overdragers van ideeën en kapitaal. Maar hun gewicht is gering. Misschien zullen de mensen, als ze terugkijken naar een tijd waarin multinationals de zakenwereld beheersten, betreuren dat die voorbij is.
Vertaler: Peter Bergsma
The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180
Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief. Alle stukken worden anoniem gepubliceerd.
CONTEXT – VK: Op de terugtocht
Hoe staan de grote multinationale ondernemingen ervoor in dit tijdperk van herlevend protectionisme, vraagt The Economist zich af. Die zijn ‘op de terugtocht’, concludeert het Britse weekblad in een uitgebreid dossier waarin wordt teruggekeken op het soms overdonderende succes van multinationals als McDonald’s of KFC in de decennia rond de eeuwwisseling en hun verval van de laatste jaren.
CONTEXT – VS: 11.500 daling koopkracht
Het gemiddelde Amerikaanse gezin zou de komende vijf jaar een verlies aan koopkracht van 11.500 dollar tegemoet moeten zien als Washington vasthoudt aan een importbelasting van 35 procent op producten uit Mexico en van 45 procent op import uit China en Japan, waarmee Donald Trump heeft gedreigd. Dat zou overeenkomen met het opleggen van een consumentenbelasting van 18 procent aan de 10 procent armste Amerikanen (en van slechts 3 procent aan de 10 procent rijkste), volgens een onderzoek van de National Foundation for American Policy, geciteerd door The Economist.

