De strijd tegen het terrorisme wordt er een van de lange adem, waarschuwt The Economist. ‘Europa en Amerika zullen moeten wennen aan een lange terreurcampagne waarin wij allemaal doelwit zijn.’
De komende tijd zal Europa opnieuw de verschillende stadia van rouw doormaken die bij terrorisme horen: wanhoop over de onschuldige levens die zijn afgebroken; woede op de jonge mannen en vrouwen (soms uit eigen land) die moorden in naam van de jihad; onzekerheid of politie en inlichtingendiensten dit wel aankunnen; en tot slot, terwijl de nieuwsuitzendingen en krantenkoppen wegebben, gelaten berusting.
Toch vallen er nu al, zo kort na de aanslagen, twee lessen te trekken. De eerste is dat IS, ondanks het feit dat het al jarenlang boven aan de lijst van meest vervolgde organisaties staat, nog steeds in staat is gecoördineerde bomaanslagen te plegen in het hart van Europa. De tweede les, die uit de eerste volgt, is dat grote steden in Europa en Amerika zullen moeten wennen aan een lange terreurcampagne waarin wij allemaal doelwit zijn.
Terrorisme is iets anders dan doodgaan door een ongeluk of willekeurige moord
De dreiging neemt voorlopig niet af. Sommige toekomstige terroristen zullen lokaal gerekruteerd worden. Duizenden mannen en vrouwen zijn uit Europa vertrokken naar het zelfbenoemde kalifaat in Syrië en Irak, waar ze getraind en gehersenspoeld zijn. In Libië broeit het. Al-Qaida en IS proberen elkaar de loef af te steken in het bewijzen van hun jihadistische geloofwaardigheid. Het is vrijwel zeker dat er meer aanslagen komen in meer steden.
Hoe moeten regeringen daarop antwoorden? Om te beginnen moeten ze zich realiseren dat terroristen erop uit zijn om overreactie op te roepen. Ze juichen wanneer politici als Donald Trump beloven moslims uit de Verenigde te Staten te zullen weren, wanneer leiders uit Oost-Europa zeggen dat ze alleen migranten uit Syrië willen toelaten als het christenen zijn, of wanneer Marine Le Pen, leider van het Franse Front National, het op straat bidden van moslims vergelijkt met de nazibezetting. Dankzij dat soort intolerantie worden ontevredenen sympathisanten en gaan radicalen bommen gooien. Zo spint IS er ook garen bij wanneer westerse landen veel meer aandacht besteden aan de aantallen mensen die in eigen land zijn omgekomen dan aan de honderden moslims die zijn gestorven door bommen in Beiroet en Turkije, of aan de miljoenen die wegkwijnen in vluchtelingenkampen of slachtoffer zijn van de burgeroorlog in Syrië. Het beleid moet erop gericht zijn radicalen af te zonderen, niet om gewone mensen in hun armen te drijven.
Een andere prioriteit is om burgers de zekerheid te geven dat de overheid bezig is hen te beschermen. Sommige politici vinden de angst onder het volk om slachtoffer te worden van een terroristische aanslag irrationeel. Onlangs vertelde Barack Obama in een interview met The Atlantic hoe hij zijn medewerkers graag voorhoudt dat er nog steeds meer Amerikanen sterven door een val in bad. Maar terrorisme is iets anders dan doodgaan door een ongeluk of zelfs door een willekeurige moord. Mensen reageren zo sterk op terrorisme omdat ze voelen dat hun regering niet in staat is haar basistaak te vervullen: hen beschermen tegen dat soort vijanden. De angst die terrorisme oproept is niet alleen maar een statistische misvatting, maar ook een aanwijzing dat mensen die geen grenzen kennen een samenzwering tegen de staat organiseren.
Het kost overheden grote moeite om een antwoord te vinden op die roep om geruststelling zonder te vervallen in overreactie. In Frankrijk, dat zwaar te lijden heeft gehad onder twee aanvallen, geldt nog steeds de noodtoestand. President Hollande en zijn eerste minister verklaren nog geregeld dat Frankrijk in oorlog is. Stevige woorden en het opschorten van normale rechten waren begrijpelijk vlak na de aanslagen in november. Nu zouden ze wel eens contraproductief kunnen zijn.
De beste bescherming zou vrede in het Midden-Oosten zijn – helaas een verre droom. De coalitie heeft vooruitgang geboekt tegen IS in zijn kalifaat, dat grondgebied en mensen verliest. Maar om het kalifaat te vernietigen zijn Iraakse troepen nodig (die daar nog niet klaar voor zijn) en grondtroepen in Syrië (die nog niet bestaan).
Ondertussen zal het vermogen van IS om terroristen aan te trekken en te inspireren blijven bestaan, en bovendien moet het Westen zijn eigen geradicaliseerde jihadisten het hoofd bieden.
Veiligheidsdiensten
En dus moeten de politie en de inlichtingendiensten in eigen land actief zijn op elk terrein, van surveillance tot deradicalisatie. Eén ding dat snel kan worden opgelost is het gebrek aan investeringen in deze diensten. Verouderde IT-systemen belemmeren samenwerking. De veiligheidsdiensten moeten ook kunnen doordringen tot jihadistische netwerken en hun aanhangers, door gebruik te maken van menselijke rekruten en geavanceerde methoden om elektronische communicatie te onderscheppen. De samenwerking tussen de verschillende diensten is verbeterd, maar de bescherming van de privacy belemmert nog steeds het delen van data. Jihadisten kunnen makkelijker over de grenzen heen opereren dan veiligheidsdiensten. Beter politiewerk en betere gevangenissen kunnen helpen voorkomen dat kleine criminelen radicaliseren. Aan het economische en culturele isolement van wijken als Molenbeek moet een eind komen. Het wordt lang en hard werken.
Velen zien op tegen de moeilijke strijd die voor ons ligt en betreuren het nooit eindigende conflict tussen veiligheid en vrijheid. Maar zolang jihadisten het Westen bedreigen, ontkomen we niet aan de noodzaak om op te treden. Welkom in het nieuwe normaal.
Vertaler: Annemie de Vries
The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180
Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

