Frankrijk staat al maanden op zijn kop vanwege een omstreden nieuwe arbeidswet, die onlangs door premier Valls werd doorgedrukt. Maar volgens de Belgische topeconoom Bob Hancké lost de nieuwe wet niets op.
Een paar jaar geleden schreef zowel de Financial Times als The Guardian een nogal kritiekloos artikel over een brief die Maurice Taylor, de bestuursvoorzitter van de Amerikaanse bandenfabrikant Titan International, had gestuurd aan Arnaud Montebourg, de toenmalige Franse minister van Industriële Vernieuwing. Die was bepaald niet vleiend.
In zijn brief haalde Taylor uit naar de Franse werknemers en vakbonden. Hij noemde de werknemers lui, de vakbonden dwaas, en vroeg vervolgens aan Montebourg: ‘Hoe stom denkt u dat we zijn?’ (Montebourg was zo brutaal geweest te suggereren dat Taylor misschien wel geïnteresseerd was in de overname van een Franse Goodyear-bandenfabriek in Noord-Frankrijk.) In wezen deed de brief het voorkomen alsof de sterke vakbonden in Frankrijk fnuikend waren voor de arbeidsproductiviteit, en daarmee voor economische groei. Taylor meldde dat toen hij een jaar eerder met Franse werknemers had gesproken, die hem hadden verteld dat drie uur werken per dag ‘de Franse gewoonte’ was.
Een beetje verbaasd
Ik heb altijd genoten van de tirades van Amerikaanse bestuursvoorzitters. Ze worden meestal niet gehinderd door enige kennis van de manier waarop Europese economieën feitelijk werken, op een paar bij elkaar geraapte anekdotes na om hun slechte boodschap te ondersteunen. Maar ik moet toegeven dat ik in dit geval een beetje verbaasd was dat het zo beroerd ging met de Franse arbeidsproductiviteit. Toen ik me bijna twintig jaar geleden in de Franse economie begon te verdiepen, was de opmerkelijkste verandering die we bespeurden wellicht de gestage groei van de arbeidsproductiviteit in Frankrijk in de late jaren tachtig en vroege jaren negentig van de vorige eeuw. Maar misschien wist Taylor iets wat ik niet wist. Dus raadpleegde ik de statistieken op de OESO-website om te kijken wat er gebeurd was.
Ik vergeleek het bnp-percentage per gewerkt uur in 2011 van een handvol landen met dat van de Verenigde Staten – een manier om de arbeidsproductiviteit van landen te vergelijken op basis van die in de VS, wat gebruikelijk is in internationale vergelijkingen. Ik keek ook naar het totale gemiddelde van het aantal gewerkte uren per werknemer – een manier om, in de wereld van Maurice Taylor, luiheid te meten. Ik nam in mijn vergelijking ook het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten mee, vermoedelijk Taylors favoriete landen om zaken mee te doen. Om de tegenovergestelde reden nam ik Frankrijk mee, evenals Duitsland, omdat de Duitse economie als het voorbeeld geldt dat iedereen zou moeten nastreven, en de grote Zuid-Europese economieën die zich, volgens de meeste berekeningen, momenteel met de grootste problemen geconfronteerd zien.
Misschien was Taylor op een groep uitzonderlijk knorrige Franse werknemers gestuit, maar de verzamelde statistieken laten er weinig twijfel over bestaan dat de Fransen nog steeds van aanpakken weten
Franse werknemers, zo toonden de cijfers, waren niet plotseling ten prooi gevallen aan het Club Med-syndroom en namen niet, zoals Taylor suggereert, twee derde van hun werkdag vrij. De Franse arbeidsproductiviteit per uur houdt vrijwel gelijke tred met die van de Verenigde Staten. Verbazingwekkend genoeg – althans voor wie niet de moeite neemt de feiten te checken – is het totale aantal gewerkte uren daar zelfs hoger dan in het nijvere Duitsland. Misschien was Taylor op een groep uitzonderlijk knorrige Franse werknemers gestuit, maar de verzamelde statistieken laten er weinig twijfel over bestaan dat de Fransen nog steeds van aanpakken weten.
Misschien nog wel verbazingwekkender is dat het gemiddelde aantal gewerkte uren per jaar in Italië en Spanje – ook twee landen die dikwijls als luie paria’s worden behandeld – hoger is dan, of bijna even hoog is als, dat in de VS; hun probleem, zo suggereren deze getallen, is arbeidsproductiviteit, niet luiheid. En daarmee komt de bal bij de regeringen (denk aan opleiding) en het management (denk aan kapitaalsinvesteringen en technologie) te liggen.
De mythes rond de Franse arbeid zijn verhevigd, zowel in Frankrijk zelf als daarbuiten, sinds de Franse regering een hervorming van de arbeidswet voorstelde, die ze onlangs heeft doorgevoerd. Deze wet heeft voornamelijk aangetoond dat men zich op vele manieren kan vergissen in de reden waarom de economie van een land met problemen kampt. De recente razernij in Frankrijk over de arbeidswetshervorming legt inderdaad de vinger op enkele onplezierige waarheden over het land, maar zeer weinige daarvan hebben iets te maken met de Franse werknemers op zich.
De nieuwe wet – die sinds zijn aanvankelijke introductie al behoorlijk is verwaterd – neemt enkele van de heiligste Franse koeien op de korrel, zoals een nogal ingrijpende uitbreiding van de ‘normale’ werkweek tot 46 uur, waar echter een genereuze compensatie tegenover staat vanaf het 36ste uur, evenals een herdefiniëring van wat vakbonden is toegestaan in het geval van meningsverschillen en stakingen. Kortom, de Franse arbeidswet lijkt sterk op die van Duitsland, het land waaraan iedereen in de Eurozone geacht wordt een voorbeeld te nemen – geen socialistisch paradijs, maar ook weer geen meedogenloze kapitalistische wedren.
Het wekt geen verbazing dat veel Fransen de nieuwe wet, of in elk geval een groot deel daarvan, als bewijs zien dat deze socialistische regering haar bevolking een neoliberale koers door de strot probeert te duwen ten bate van de economische machthebbers van het land. Hoewel de vakbonden betrekkelijk gematigd zijn geweest in hun oordeel, staat de Franse werknemers gewoontegetrouw het schuim op de lippen, terwijl alle andere groeperingen voor wie de wet gevolgen zou kunnen hebben, van studenten en militant links tot het antiglobalistische Front National, hun bezorgdheid hebben uitgesproken.
Eenvoudig
Om de zaak nog erger te maken werd het wetsvoorstel gedaan zonder veel overleg met de vakbonden die de betrokken partijen vertegenwoordigen. In plaats van de tijd te nemen om een achterban te creëren en vervolgens een versie in te dienen die op brede steun kon rekenen, heeft de regering de wet eigenhandig herschreven en voor goedkeuring naar de Assemblée gestuurd.
Het gevolg is dat een groot deel van het land zijn toevlucht heeft genomen tot het gallische ritueel van ‘sociale mobilisering’ – met andere woorden: pas op, reiziger, als je je in de nabije toekomst per trein of vliegtuig door Frankrijk begeeft, want de kans dat je piloten en conducteurs het werk neerleggen is groot.
Door de kwestie van de arbeidswetshervorming zo hoog op te laten spelen, heeft het land zich gevoelig getoond voor dezelfde mythes die Maurice Taylor ertoe bewogen zijn bandenfabriek elders te openen. De Franse groei en werkloosheid houden geen verband met een meer flexibele arbeidssituatie, en hebben dat ook nooit gedaan. Het probleem met Frankrijk is eenvoudig: het zit in een monetaire unie met Duitsland – een veel sterkere en beter georganiseerde economie, waar werknemers goed zijn opgeleid, werkgevers en vakbonden met elkaar praten, management en werknemers samenwerken en het geldwezen een strategisch belang heeft bij wat bedrijven doen – en betaalt daarom een hoge prijs voor het feit dat het geen controle meer heeft over de belangrijkste instrumenten voor economische aanpassing, of het nu gaat om rentepercentages, wisselkoersen of fiscaal beleid.
Waarom wordt er dan zo’n drama gemaakt van de Franse arbeidswet? Omdat veel spelers in het veld een slaatje uit al het gedoe kunnen slaan
Er zijn verschillende manieren om uit deze impasse te geraken: ofwel Frankrijk kan uit de Eurozone stappen, ofwel Duitsland kan kiezen tussen het drastisch verhogen van zijn binnenlandse vraag of het verlaten van de euro, zodat zijn reële wisselkoers anderen meer lucht geeft. Hervormingen van de arbeidsmarkt hebben hier weinig mee te maken.
Waarom wordt er dan zo’n drama gemaakt van de Franse arbeidswet? Omdat veel spelers in het veld een slaatje uit al het gedoe kunnen slaan. De wet is het startsein geweest voor grote manoeuvres ter linkerzijde als voorbereiding op de presidentsverkiezingen, die over iets meer dan een jaar gehouden zullen worden. President François Hollande is, zacht uitgedrukt, niet erg populair. Hij duikt voorlopig weg achter de verschansing van deze wet, zich er volledig van bewust dat zo’n ruk naar het centrum hem linkse stemmen zal kosten zonder dat die per se door rechtse stemmen zullen worden gecompenseerd.
Maar de wet is een perfecte kans voor enkele belangrijke spelers in Hollandes Parti Socialiste om hun profiel bij de partijbasis aan te scherpen. Het is niet toevallig dat Martine Aubry, die in de jaren negentig van de vorige eeuw minister van Arbeid en Sociale Zaken was en de 35-urige werkweek invoerde, tot de meest uitgesproken tegenstanders van de nieuwe wet behoort.
Ze zal goede, substantiële redenen hebben voor haar problemen met het wetsvoorstel. (Het is overigens belangrijk ons te herinneren dat haar wet, die de 35-urige werkweek invoerde, nauwelijks een succes was: het aantal gewerkte uren in Frankrijk nam zelfs toe na de invoering van de wet.) Er bestaat ook weinig twijfel dat haar ambitie om een gooi naar het presidentschap te doen, net als in 2011, toen ze verloor van Hollande, nog onverminderd groot is en dat dit een te mooie kans is om te laten liggen.
En zo zal de Franse politiek, dramatisch genoeg, haar tijd vullen met discussies over iets wat niet van belang is en haar ogen sluiten voor de werkelijke, veel wezenlijker oorzaken van de Franse malaise. In veel opzichten doen de Franse politici en de Brusselse beleidsmakers, evenals de economen die hen op de huid zitten, mij denken aan de spreekwoordelijke dronkaard die zijn sleutels zoekt in het licht van de straatlantaarn. Hij komt niet veilig thuis.
Auteur: Bob Hancké
Vertaler: Peter Bergsma
Bob Hancké is universitair hoofddocent Politieke Economie aan de London School of Economics and Political Science.
Foreign Policy
VS | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 106.000
Gericht op wetenschap, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.

