De mangroves van Can Gio vormen een schild dat de bijna 9 miljoen inwoners van Ho Chi Minhstad beschermt tegen tyfoons die over de Zuid-Chinese Zee rollen. De kleindochters van de vrouwen die het bos ooit herbeplantten, proberen het nu te beschermen.
Balancerend op de trap van haar huis op palen aan de rand van het Can Gio-woud trekt Sang Thi Phung haar rubberlaarzen aan. Het is een van de zeldzame momenten waarop de negenendertigjarige niet op blote voeten loopt. ‘Je kunt hier maar een paar stappen zetten, meer land is er niet. Ik trek alleen slippers aan als ik naar het vasteland ga,’ zegt Sang.
Sang woont in een boswachterspost aan de oever van een rivier die door Can Gio loopt, een groot mangrovebos en Unesco-biosfeer op zo’n 40 kilometer ten zuidoosten van Ho Chi Minhstad. Haar voeten zijn zwart van de gedroogde klei (schoon water is schaars in de wachtpost, die maar zelden door buitenstaanders wordt bezocht). Het regenwater dat zij en haar man in plastic vaten opvangen, is amper voldoende voor hun dagelijkse behoeften.
Sang, die op een telefoontje wacht, loopt naar de sampan die voor het huis ligt vastgebonden. Aan het dak van de boot, de enige plek met bereik, bungelt een oude Nokia. Voor de sampan strekt zich een hoeveelheid rivieren uit die de ogenschijnlijk eindeloze 30.000 hectare mangrovebos doorsnijden. Op deze windstille morgen is de natuur heel stil geworden.
Acht uur ’s ochtends en niemand heeft gebeld, wat betekent dat alles volgens plan zal gaan. Het vertrouwde geluid van een langstaartboot zwelt aan en Sang kan de felroze nón lá (Vietnamese hoed) van haar collega-bewaakster, de tweeënveertigjarige Lan Thi Truong, al zien. Lan, die aan het hoofd staat van een autonome groep woudbeschermers in Can Gio, en Sang hebben met elkaar afgesproken om een nieuwe medewerker te verwelkomen, een derde vrouw die hen komt bijstaan in hun werk als boswachters.
Patrouille
Hoewel ze alle drie bij de rivier zijn opgegroeid, kunnen ze geen van allen zwemmen en dus trekken ze een zwemvest aan. Het water is tot boven de mangrovewortels gestegen, het geschikte moment voor de vrouwen om op patrouille te gaan. Ze manoeuvreren de boot langs de rand van het woud en varen elk smal kanaal af, terwijl de dag vordert. Als de boot eenmaal is vastgebonden en ze elk een lamp op hun hoofd hebben bevestigd, beginnen de vrouwen het hart van het bos in te waden.
‘Het is heel griezelig om alleen in het bos te patrouilleren, dus vragen we anderen om mee te gaan,’ vertelt Sang. ‘Mannen zijn sterker, dus die gaan sneller. Wij vrouwen lopen langzamer, dus als we niet in één dag klaar zijn, gaan we de volgende dag door. We zorgen ervoor dat we overal zijn geweest.’
Ho Chi Minhstad, dat 2000 vierkante kilometer beslaat, staat bekend om zijn continue bouwactiviteiten en gebrek aan groene ruimte. Daarom speelt het Can Gio-mangrovewoud, een van de laatste groene plekken, een rol in de vitaliteit en het overleven van de stad. Het woud wordt weleens beschreven als de groene longen van de stad, maar het zorgt niet alleen voor frisse lucht. Het mangrovebos vormt een schild dat bijna 9 miljoen inwoners beschermt tegen orkanen die over de Zuid-Chinese Zee komen aanrollen. Daarnaast dient het ook als een nier, omdat het afvalwater van de industrie in de stad en nabijgelegen gebieden filtert. Omdat Ho Chi Minhstad elk jaar dieper wegzinkt vanwege het stijgende zeeniveau, is het Can Gio-woud essentiëler dan ooit.
Maar een project van 9 miljard dollar, gesteund door Vietnams grootste conglomeraat Vingroup, dat vorig jaar werd goedgekeurd door de regering, baart wetenschappers en milieuactivisten zorgen. Een 2870 hectare tellend, ‘door de zee doorsneden toeristisch stadsgebied’ in Can Gio zal naar verluidt gaan worden gebouwd op herwonnen land. Een petitie die naar de regering is gestuurd door een twintigtal milieudeskundigen, wetenschappers en organisaties, waarschuwt voor een potentiële ecologische ramp in het gebied, veroorzaakt door dit project. Het stadsbestuur verdedigt het project omdat het de ontwikkeling in het district ten goede zal komen en werkgelegenheid zal scheppen voor de bewoners.
Nadat ze haar lippen rood heeft gestift en foundation op haar gezicht heeft aangebracht, zet Lan een gebloemde nón lá op haar hoofd, klaar om aan haar woudpatrouille te beginnen. ‘Ook al zie ik de hele dag alleen maar bomen en nog meer bomen, ik wil er toch mooi uitzien. Waar kun je anders blij van worden als je in dit enorme woud woont?’ zegt ze, terwijl ze haar greep op het roer verstevigt.
‘Doordat ik jaren met het woud heb geleefd, is mijn liefde en mededogen ervoor groter geworden’
Het mangrovewoud heeft een lange geschiedenis, geschreven door moeders, echtgenotes en dochters. Lan volgde, net als andere tweedegeneratiewachters, haar ouders het bos in toen ze nog klein was. De families namen hun kinderen mee en leerden hun ver weg van de stad te leven. Toen haar broers volwassen waren, gingen ze terug naar het vasteland en leidden daar een nieuw soort stadsleven, maar Lan bleef in het bos.
Tegenwoordig woont ze daar met haar echtgenoot en een paar van hun kinderen. Haar oudere kinderen konden de zware kanten van het woudleven niet aan en verhuisden naar de stad om daar te gaan werken. Ze vertelt dat haar kinderen een hekel hadden aan de vele uitdagingen. De familie moet elke druppel schoon water tellen. Op bewolkte dagen is het onmogelijk om batterijen op te laden omdat elektriciteit alleen wordt opgewekt door zonnepanelen. In de stad is het ‘s nachts moeilijk om niet gestoord te worden door de twinkeling van de miljoenen lichten, maar zij moeten het doen met de vlam van een olielamp die flakkert in de omringende duisternis.
Ze begrijpt dat haar kinderen weg wilden. Toen ze in de twintig was, dacht Lan er ook vaak over om haar baan op te geven. Ze vroeg zich af: ‘Waarom zijn de jongeren van mijn leeftijd die op het vasteland wonen gelukkiger dan ik? Zij hebben vrienden met wie ze koffie kunnen drinken en elektriciteit om films te kijken, terwijl ik hier zit en de hele dag alleen met mezelf en dit woud doorbreng.’
‘Allemaal hebben we onze jongere jaren hier begraven om voor het bos te zorgen en het te beschermen’
Maar tegenwoordig twijfelt ze er niet meer aan dat ze, zolang ze kan, toezicht zal blijven houden op het woud. ‘Het is alsof je met iemand trouwt. Doordat ik jaren met het woud heb geleefd, is mijn liefde en mededogen ervoor groter geworden. Als het iets slechts zou overkomen, zou ik me ook gekwetst voelen.’
Onder het praten roeit ze de sampan behendig naar het vasteland en trekt daarna haar slippers aan. Ze wandelt over de markt, op asfaltstraten vol toeterende motorfietsen en chaotisch verkeer, naar het huis van haar ouders. In de verte klinken gelach en de klanken van iemand die een lied uit een cai luong (Vietnamese opera) zingt. Een paar uur later is ze al gereed om terug te gaan.
‘Ik ben eraan gewend om in het woud te leven. Als ik er ook maar een klein stukje van verwijderd ben, voelt het al vreemd,’ vertelt ze terwijl ze weer naar haar sampan loopt. Ze zeg dat ze tot aan haar pensioen boswachter hoopt te blijven. ‘Mijn ouders komen op de eerste plaats, daarna mijn man en ik. Allemaal hebben we onze jongere jaren hier begraven om voor het bos te zorgen en het te beschermen. We zijn nergens anders naartoe gegaan, maar hier gebleven, in het woud.’
Herbeplanting
Op een dag in het regenseizoen van 1978, in een moeras dat zo kaal was dat er nauwelijks één boom was te bekennen, plantte Lans moeder, Nguyen Thi Don, een mangrovezaadje afkomstig uit het zuidelijke puntje van Vietnam.
Net als in andere Vietnamese bossen waren in Can Gio bijna 40.000 hectare flora vernietigd door de ontbladeringsmiddelen die de VS tussen 1961 en 1971 hadden rondgespoten. Het bos stierf. Zonder de bescherming van de mangroves sijpelde het zoute zeewater binnen tot aan het zuiden van de stad. Op andere plekken leidde het verlies van bos tot aardverschuivingen, aldus rapporten van de ngo Ho Chi Minh City Union of Science and Technology Associations. In 1978, drie jaar nadat het de zuidelijke hoofdstad had overgenomen, vaardigde het Volkscomité van Ho Chi Minhstad een decreet uit om het biosysteem van het Can Gio-mangrovewoud te herstellen.
Om het woud opnieuw te beplanten werd een arbeidspotentieel gemobiliseerd dat bestond uit lokale bewoners, jongeren en gevangenen die heropgevoed werden. Er meldden zich vijfhonderd bewoners van Can Gio, voornamelijk vrouwen en kinderen, om mee te doen aan de herbeplanting. Zowel de ouders van Sang als die van Lan behoren tot die pioniersgeneratie.
‘Het werk van drie of vier mannen in een dag haalt het niet bij de productiviteit van één enkele vrouw’
De toenmalige stadsbestuurders beschouwden de herbeplanting van het Can Gio-woud als een dringende noodzaak voor het naoorlogse herstel van het land. Voor de vrouwen van Can Gio bood de herbeplanting van het bos een mogelijkheid om wat extra geld te verdienen, waarmee ze rijst konden kopen om hun kinderen te voeden. Destijds, vertelt Don, de moeder van Lan, ‘was iedereen berooid en had niemand genoeg rijst’.
‘Vroeger gingen de mannen hier de zee op om te vissen; de vrouwen bleven meestal thuis om voor de kinderen te zorgen. Toen de stad opriep tot herbeplanting waren we dolblij, omdat we geld konden verdienen en onze kinderen konden meenemen.’
Tientallen jaren later wordt het bos van 30 hectare gezien als een wonder. Begin jaren zeventig schatten Amerikaanse biologen dat het ‘honderd jaar zou duren om het biosysteem van het Can Gio-mangrovewoud te herstellen’, zegt Cuong Dinh Nguyen, het vroegere hoofd van Ho Chi Minhstad Bosbeheer. ‘Dat het niet zo lang heeft geduurd, komt door de vrouwen van Can Gio. Het werk van drie of vier mannen in een dag haalt het niet bij de productiviteit van één enkele vrouw,’ zegt hij.
‘Het woud is voornamelijk herbeplant door vrouwen’
Hai Minh Nguyen, de vroegere directeur van Duyen Hai Bosbouw en lid van de Raad van Bestuur van Can Gio, herinnert zich nog beelden van vrouwen met een nón lá op die voorovergebogen mangrovezaadjes in de modder duwden. ‘Na een paar dagen drong het tot het bestuur door dat vrouwen sneller door de modder konden waden dan mannen, vanwege hun tengere lichaamsbouw. Daarom lag hun productiviteit hoger. Het woud is voornamelijk herbeplant door vrouwen.’
De mensen die het woud beplantten, moesten dag en nacht doorwerken, wat voor weer het ook was, rekening houdend met de getijden. Ze aten rijst gemengd met gierst, waadden tot aan hun dijen door modder, haalden hun benen open aan doornen. Zelfs toen de bomen groter werden, besloten veel van de planters te blijven om de bomen te beschermen tegen illegale houtkap. In 2000 werd het Can Gio-woud door Unesco bestempeld als World Biosphere Reserve.
Dit verhaal kwam tot stand met steun van de SEI Asia Media Grant.
Lees ook:

