De Oekraïense schrijver, dichter en zanger Serhij Žadan. © Wikimedia Commons


Terwijl de oorlog woedt, vechten de bekendste auteurs van Oekraïne met woorden voor hun land. Op reis met drie dakloze schrijvers.

De dichter schreeuwt. Zijn haar hangt in zijn gezicht en zwiept mee op de maat van de muziek. Zijn ogen zijn spleetjes geworden, hij zweet en veegt zijn haar naar achteren. Als hij een vuist in de warme lucht steekt in de Weense club, volgen onmiddellijk vele handen van mensen. Ze zijn hier om deze man live op het podium te zien. Serhij Žadan.

Een fan helemaal vooraan graait naar de borst van de dichter en zanger, naar waar zijn hart zit. Hij staat het toe.

Olga uit Lviv is vandaag buiten de club aanwezig met buttons, met daarop het portret van Zelensky. Senek is hier ook vandaag – hij verhuisde onlangs van Oekraïne naar Oostenrijk om te studeren. Hij maakt bewegingen op de dansvloer. Vandaag is Oekraïne hier.

Žadan i Sobaki, Charkov, Ukrajina!’ roept Serhij Žadan nu, en vat daarmee in vijf woorden samen waar het deze septemberavond om draait.

De band – ‘Žadan en de honden’, uit Charkov, Oekraïne – speelt rockmuziek die je eraan herinnert waarom rockmuziek eigenlijk bestaat. Energie. Overmaat. Protest. En over dat wat geen vertaling behoeft. Charkov, Oekraïne.

Tour de force

Voorlopig is Wenen de laatste stad buiten Oekraïne waar Žadan i Sobaki spelen om geld in te zamelen voor hun vaderland. Dit is het laatste van bijna twintig concerten in drie weken. Van een rondreis door Oost- en Midden-Europa. Wrocław, Praag, Milaan, Hamburg, Riga, Vilnius, Bratislava, Wenen. Een tour de force.

De achtenveertigjarige dichter, zanger, rockster, filoloog en vertaler Serhij Žadan is een man met vele kwaliteiten. Hij is een van de meest internationaal bekende schrijvers van Oekraïne, wiens boeken in Duitsland worden uitgegeven door Suhrkamp Verlag. Dit jaar won hij de Vredesprijs van de Duitse boekhandel en hij schreef al over de oorlog in Oekraïne toen men het elders in de wereld nog graag over een conflict of crisis had.

In 2004, tijdens de Oranjerevolutie, hielp hij met het inrichten van een tentenkamp voor demonstranten in Charkov, waar hij sinds de jaren negentig woont. In 2014, ten tijde van Euro-Maidan, verzette hij zich tegen de pro-Russische aanvallers en werd in elkaar geslagen.

Sommige collega’s van Žadan vechten aan het front. Een van hen is Artem Tszech. Zijn boek Nulpunt, over de oorlog in de Donbas, waarin hij meevocht, is zojuist in Duitse vertaling verschenen.

Sommige anderen zijn vermoord door Russische troepen. Een van hen is Oleksandr Kysljoek. Een universitair docent, die Tacitus, Aristoteles en Adorno in het Oekraïens vertaalde. Hij werd niet ver van zijn flat in Boetsja doodgeschoten.

Sommigen bleven, anderen vluchtten. Velen van hen trekken nu als nomaden door de wereld. Zij gebruiken de mobiele mogelijkheden van Europa, ook om ervoor te zorgen dat de solidariteit in het Westen niet afbrokkelt.

‘Als je videobeelden ziet van een raket die naast je huis inslaat, geeft dat best een ongemakkelijk gevoel’

De schrijvers uit Oekraïne die je op deze reis door Europa ontmoet – Serhij Žadan in Oostenrijk, Andrej Koerkov in Noorwegen, Oksana Zaboezjko in Polen – vechten in verschillende landen. Met dezelfde middelen. Met woorden.

Žadan, Koerkov en Zaboesjko hebben gemeen dat zij tot de grootste literaire figuren van hun land behoren maar lange tijd geen literatuur konden schrijven. Wat ze nog meer gemeen hebben, is dat ze dit najaar nieuwe boeken uitgeven.

Wat ervaren deze intellectuelen, honderden kilometers verwijderd van hun vaderland dat onder vuur ligt?

Naar huis

Uren voordat de dichter het uitschreeuwt, lijkt hij leeg. Serhij Žadan, gekleed in zwart T-shirt, zwarte jeans en zwart spijkerjack, zit backstage in een kleine ruimte. Het is er benauwd. Even daarvoor zaten zijn collega-muzikanten er nog. ‘Ik wil naar huis,’ zegt hij in zijn rauw klinkende Oekraïens.

Variaties van die zin zal hij vele malen herhalen. Een leidraad, waarnaar hij steeds terugkeert.

Deze tournee van drie weken, zegt hij, is de eerste keer dat hij Charkov voor langere tijd heeft verlaten sinds 24 februari, de dag van de Russische invasie. Die dag zat hij in de trein op weg naar een concert. Toen hij van de invasie hoorde, ging hij terug naar Charkov. De stad werd zwaar beschoten, met artilleriegranaten en raketten.

‘Ik voel me totaal niet op m’n gemak als ik buiten Oekraïne ben,’ zegt Žadan. Hij kijkt voortdurend naar het nieuws, zegt hij. Onlangs sloeg een raket in naast zijn huis in Charkov. ‘Als je beelden ziet van een raket die naast je huis inslaat, geeft dat best een ongemakkelijk gevoel.’

Angst is het niet. ‘Woede,’ zegt hij. En onrust.

‘Het is zoiets vreemds, en ik zie het niet alleen bij mezelf maar ook bij veel andere mensen: hoe verder iemand van de oorlog verwijderd is, hoe meer zorgen hij zich maakt. Ben je daarentegen in Charkov terwijl dat wordt beschoten, dan voel je je rustiger.’ Oorlog kan gevoelens verdraaien.

En oorlog condenseert de tijd, zegt Serhij Žadan; Deze zeven / maanden lijken een dag.

De oorlog neemt het perspectief weg. ‘Het is verdwenen. Dus als je dicht bij het front woont, probeer je niet te denken aan wat er met je gaat gebeuren over, laten we zeggen, een week.’

Door de oorlog kon Žadan geen boek meer lezen. Nu kan hij het weer. ‘Ik dwing mezelf ertoe.’ Hij leest Bruno Schulz, zegt hij, wijzend naar zijn rugzak naast hem in de backstageruimte. Het is een soort therapie voor hem, zegt hij. Hij blijft terugkomen op de Poolse surrealist, die werd geboren in wat nu Oekraïne is en die tijdens de Tweede Wereldoorlog door een SS’er werd doodgeschoten.

‘Oorlog produceert zijn eigen woorden’

Door de oorlog kon Žadan ook geen boeken meer schrijven. Ook dat kan hij nu weer. ‘Ik doe mijn best,’ zegt hij.

‘Oorlog verandert het vocabulaire,’ schrijft hij ongeveer tien jaar geleden in een prozatekst. Dat laat zich dezer dagen lezen als een voorspelling. Net zoals enkele van zijn boeken. Met name de in 2018 in het Duits verschenen roman Internat, over zijn persoonlijke verantwoordelijkheid in de oorlog in de Donbas. ‘Oorlog produceert zijn eigen woorden,’ gaat de prozatekst verder.

In zijn nieuwe boek Hemel boven Charkov, een verzameling van zijn berichten op sociale media sinds 24 februari, komt de uitdrukking ‘Derde Wereldoorlog’ voor. Het ergste vooruitzicht, de omvangrijkste gedachte. Een metafoor, zegt hij nu, voor het heden. ‘Als je naar de wereld van vandaag kijkt, zie je een apocalyptisch beeld.’

De oorlog verandert de stijlmiddelen. De metaforen. De toon.

Liefde en haat

De bundel is mogelijk minder poëtisch dan de fictie van Žadan, soberder, maar ook militanter. Het gaat heen en weer tussen liefde en haat. Tussen een lokale patriottische liefde voor Charkov, de inwoners en verdedigers. En haat tegen de Russen, de ‘barbaren’. Žadan herhaalt dat laatste als een refrein in deze compilatie. Naast leuzen als ‘Over de stad wapperen onze vlaggen’ of ‘Morgenochtend zijn we weer een dag dichter bij onze overwinning’.

Hemel boven Charkov maakt duidelijk dat Žadan, de man met vele kwaliteiten, door deze oorlog in minstens één rol is gegroeid. Hij is kroniekschrijver van de oorlog geworden. Een twitterende stadsschrijver van de gebroken maar toch onbreekbare metropool. Maar hij is ook iemand die het moreel hooghoudt. Als een vuist in de warme Weense lucht.

Vier dagen na het concert post Serhij Žadan een selfie op Instagram. Hij draagt een zwarte zonnebril, en er speelt een zachte glimlach om zijn lippen. Daaronder staat: ‘Onze vlaggen wapperen over de stad’. Een foto uit Charkov.

Vier dagen na het concert maakt Andrei Koerkov een foto in een haven in de Lysefjord in Noorwegen. Hij staat voor op het dek van een veerboot die zich nu een weg baant door de fjord, en hij maakt foto’s als uit een prentenboek, van een waterval, van de rechtlijnige, afgeschraapte rotswanden die het water als hoge muren omgeven.

Het zijn zeldzame momenten, waarop Koerkov zijn mobiele telefoon niet gebruikt voor zijn werk tijdens deze tournee – een literatuurfestival in Stavanger nodigde hem uit. De mobiele telefoon, die ervoor zorgt dat Kyiv nooit ver weg is, zelfs niet in het Noorse zuidwesten.

In het westen is Andrei Koerkov waarschijnlijk de bekendste auteur uit Oekraïne. De eenenzestigjarige voorzitter van de Oekraïense PEN-schrijversvereniging verliet zijn door oorlog verscheurde land na 24 februari met tegenzin. Een vriend belde hem op en vertelde hem dat zijn naam op een Kremlin-lijst stond met ‘pro-Oekraïense activisten’. Dus, vertelt Koerkov, verliet hij zijn flat in Kyiv, samen met zijn Britse vrouw Elizabeth. De schrijver had geen boeken ingepakt, alleen wat eten, de laptops en opladers; zijn vrouw legde de Bijbel en zijn laatste roman in de auto. Koerkov heeft sindsdien niet meer geschreven. Ze wilden naar het landhuis in Lasariwka, ongeveer 90 kilometer ten westen van Kyiv. In de file vloog een Russische raket over de Mitsubishi van Elizabeth, zegt Koerkov. In Lasariwka belde dezelfde vriend opnieuw, met het advies om door te rijden. Dus nog verder naar het westen. Eerst Oekraïne. Toen Europa.

Sindsdien is Koerkov onderweg. ‘We kunnen elkaar ergens in Europa ontmoeten’, liet hij weten in een e-mail, nauwelijks twee weken voor zijn reis op de veerboot. Hij is een reiziger geworden.

Gisteren arriveerde hij vanuit Oslo. De komende dagen gaat hij naar Göteborg, Lissabon en Berlijn. Daar staat de Mitsubishi, waarmee hij binnenkort naar Oekraïne gaat, geparkeerd op de luchthaven. De komende maanden reist hij naar Israël, Peru en Mexico. De afgelopen weken was hij in Frankrijk, Griekenland, IJsland, Italië, Nederland en Duitsland. In de laatste zes maanden was hij drie keer uitgeput, zegt hij. Dan heeft zijn lichaam en niet hijzelf – dat is belangrijk voor hem – een dag of twee rust nodig. Koerkov wil niet moe overkomen. Daarna ging het weer. En daarna ging het verder. Nu dus in Noorwegen.

Op de dag voordat hij foto’s maakt van de fjord, zit Koerkov in het restaurant van zijn hotel in Stavanger. Hij bestelt niets. Hij lijkt vastberaden, een beetje chagrijnig, maar hij is een man die nooit om een snelle lach verlegen zit, zelfs nu niet. Straks heeft hij nog een lezing op het literatuurfestival. Maar Koerkov wil het hebben over de situatie in Oekraïne.

‘Dit is culturele diplomatie,’ zegt hij in zijn Duits vol keelklanken. ‘Ik praat altijd meer over Oekraïne dan over mijn boeken.’

Europeanen weten niets over Oekraïne, zegt Koerkov. Hij ziet het als zijn taak dat te veranderen

De twee sluiten elkaar niet noodzakelijkerwijs uit. Wat Internat is voor Žadan, is Grijze Bijen voor Koerkov. Ook dat is een roman over persoonlijke verantwoordelijkheid tijdens de oorlog in de Donbas. De opnames voor de verfilming ervan moesten door de oorlog worden gestaakt.

Koerkov toont zijn visie op Oekraïne sinds hij in 1999 aan zijn eerste lezingentournee begon, nadat zijn bestseller Picknick op het ijs verscheen, over een dagdromer in het corrupte Kyiv. Sindsdien reist hij elk jaar zes maanden de wereld rond. Hij is al lange tijd een reiziger.

Als jongeman reisde hij door de USSR om meer te weten te komen over de Sovjetgeschiedenis. Hij studeerde aan het Pedagogisch Instituut voor Vreemde Talen in Kyiv met het oog op een diplomatieke carrière. Koerkov spreekt zes talen, maar een paar, zegt hij, is hij weer vergeten. Tegenwoordig reist hij de wereld rond om mensen meer te laten weten over het Oekraïense heden. Europeanen weten niets over Oekraïne, zegt hij. Koerkov ziet het als zijn taak dat te veranderen.

Misschien komt het door al het reizen dat Koerkov, in tegenstelling tot Žadan, niet naar huis wil: ‘Ik hou ontzettend van Kyiv maar ik ben niet zo emotioneel. Ik heb elke dag telefonisch contact met Kyiv. Het is heel dichtbij.’ Koerkov heeft een doel. Alleen is dat niet Charkov of Kyiv. Het is de wereld.

Net als Žadan publiceerde ook Koerkov onlangs een boek: Dagboek van een invasie. Net als het boek van Žadan is het een chronologische compilatie van teksten over deze oorlog. En net als Žadan heeft Koerkov het in zijn boek over de Derde Wereldoorlog. Alleen Koerkov schrijft dat hij niet weet of deze oorlog een Derde Wereldoorlog zal worden. Zijn boek is niet zo direct als dat van Žadan. Niet zo overduidelijk. Het is wijs optimisme in plaats van strijdlustige Hou Vol!-slogans. ‘Elk verhaal moet een goed einde hebben,’ zegt hij op een zeker moment. Dit ook? ‘Natuurlijk.’

Nostalgie

Op de vraag wat hij mist aan zijn vaderland, antwoordt hij het werken aan romans in de cafés achter de Sofiakathedraal in Kyiv. Met als commentaar: ‘Nu aas je op nostalgie!’ Koerkov wil niet nostalgisch overkomen. ‘Als je te veel in het verleden zit, dan vergeet je de toekomst.’ Hij heeft geen tijd meer. Hij moet gaan, naar het gesprek. Om Oekraïne uit te leggen.

Dus van het hotel-restaurant naar de hotelkamer, jasje aan en door de hoteldeur. Hij loopt snel, zijn mobiele telefoon wijst hem de weg. Door de steeg, deze kant op. In het Kulturhaus zoekt hij bioscoopzaal 6, de locatie van de lezing. De trap af, langs een bioscoopreclame voor een oorlogsfilm, en hij is er. Een beetje te vroeg. Hij gaat terug de trap op. Bovenaan wordt hij ontvangen. Hij wil zijn vrouw even bellen.

Daarna spreekt Koerkov rustig en routinematig over Oekraïne, zonder dat het een standaardriedel wordt, wat ook aan zijn gevatheid kan liggen. Hij is niet alleen lang een reiziger geweest. Hij is ook al heel lang een geweldige verteller.

Na het gesprek stelt iemand een vraag. Een vraag van een Noorse man aan de Oekraïense schrijver. Geldt een boycot van Russische literatuur ook voor mensen als Tolstoj of Dostojevski?

‘Een zeer naïeve vraag,’ zegt Oksana Zaboezjko in haar zachte Pools als haar een week later in Warschau over het optreden in Stavanger wordt verteld. ‘Al deze jongens die naar Oekraïne kwamen om te verkrachten en wasmachines en toiletten te stelen, lazen Tolstoj en Dostojevski op school, het maakte deel uit van hun curriculum. Dus de vraag is meer: wat is er verdomme aan de hand?’

Het gaat er niet om Tolstoj of Dostojevski stokslagen te geven, zegt Zaboezjko. Voor haar gaat het om een kritischer engagement met het Russische verleden. Volgens haar heeft vooral het Westen dat veel te lang nagelaten.

Oksana Zaboezjko spreekt zoals haar boeken klinken. Met lange zinnen en nog langere uitweidingen. Engelse interjecties. Zoals in haar roman Veldstudies over Oekraïense seks, die de nu tweeënzestigjarige schrijfster plotseling beroemd maakte toen ze midden dertig was. Het is een feministisch, verrukkelijk, poëtisch werk.

Ze arriveerde in Warschau op 23 februari. Een dag voor deze oorlog en op een van de laatste vluchten uit Kyiv. Maar dat wist ze toen nog niet. Ze dacht dat ze maar drie dagen zou blijven. Zaboezjko zegt dat ze een paar kleren in de kleine koffer had gestopt, een schone blouse, ondergoed, cosmetica, oorbellen. Haar laptop liet ze thuis.

Op 24 februari, herinnert ze zich, maakte haar man Rostyk haar wakker in het hotel. Hij belde om zes uur vanuit Kyiv. ‘Ze bombarderen ons.’ Aanvankelijk voelde Zaboezjko een vreemde aandrang om te vluchten, zegt ze – het onredelijke gevoel om met alle geweld naar huis te willen ondanks het gevaar. Toch besloot ze te blijven. Geen gemakkelijke beslissing. ‘De flat, het huis, de straat, de stad, het land. Allemaal veiligheidsgordels,’ zegt ze nu over haar thuis, terwijl ze doet alsof ze een veiligheidsgordel om doet.

Ze voelde zich schuldig. Een soort van overlevingsschuld. ‘Dat ze daar in de metro schuilen voor de bommen en dat ik hier ben.’ Maar toen schreef een lezer iets op Facebook. Ze zei dat het lot had gewild dat Zaboezjko in Warschau zou zijn.

Dankzij die lezer vond Zaboezjko haar missie, zegt ze. Om vanuit Warschau, een beetje zoals de geweldige uitlegger Koerkov, Oekraïne dichter bij het Westen te brengen. In Brussel, Straatsburg, Edinburgh. Makkelijker te bereiken vanuit Warschau dan vanuit Kyiv.

Op 24 februari, nadat haar man heeft gebeld, neemt haar Poolse agent Beata contact op: ‘Oksana, je kunt bij mij blijven.’

Voor Zaboezjko liggen deze oorlog en de Tweede Wereldoorlog niet ver uit elkaar. Net zomin als Kyiv en Warschau

Zaboezjko neemt haar intrek in de voormalige kinderkamer van Beata’s dochter. In een huis waarop de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog beslag legden, wat volgens Beata waarschijnlijk de reden is waarom het niet met de grond gelijk gemaakt werd zoals het grootste deel van de stad. In het trappenhuis hangt een gedenkplaat ter nagedachtenis aan de vermoorde bewoners van toen. In een straat die is genoemd naar een Litouwer die tegen de Russen vocht tijdens een opstand in de negentiende eeuw. In een wijk vol met monumenten voor de opstand van Warschau. Als Zaboezjko in Warschau uit het raam kijkt, ziet ze een kastanjeboom. De aanblik doet haar denken aan Kyiv, de stad van de kastanjebomen.

Essay

Op een avond verlaat Zaboezjko een tv-station, stapt in haar auto en rijdt langs de rivier. ‘Ah, de Dnjepr,’ denkt ze. ‘En nu gaan we rechtsaf, dan omhoog, en zijn we bijna thuis. En dan: Oh, verdomme. Dit is niet de Dnjepr maar de Vistula. Dit is Kyiv niet maar Warschau.’ 

Oorlog verdicht niet alleen de tijd, zoals Žadan zegt. Oorlog vervaagt ook de ruimte.

Net als Žadan en Koerkov publiceerde Zaboezjko recent een boek. Het is geen roman maar een essay, De langste boekentournee genaamd. Maar in tegenstelling tot Žadan en Koerkov, die zich richten op het heden en de toekomst, kijkt Zaboezjko terug met kennis, maar ook met woede.

Ook zij schrijft over de Derde Wereldoorlog. Niet als een vraag, zoals Koerkov. Ze bedoelt het ook niet metaforisch, zoals Žadan, maar letterlijk. ‘Dit is historische logica. Een derde acte.’ Voor Zaboezjko liggen deze oorlog en de Tweede Wereldoorlog niet ver uit elkaar. Net zomin als Kyiv en Warschau.

In Straatsburg koopt ze een nieuwe koffer, een grotere. Die ligt in haar kamer in Warschau, naast een uitgeklapte slaapbank. Op het bureau staat een laptop. Een nieuwe – de oude is nog altijd in Kyiv. Ernaast ligt een vervoersbewijs. Binnenkort vervolgt ze haar langste boekentournee.


Deel dit artikel


Recent verschenen