Op welke aarde zullen de nakomelingen van generatie Y – geboren tussen 1986 en 2000 – wonen? Van de privileges die wij ouderen bezitten, kunnen zij alleen dromen.
Een baby. Hij is pas geboren, maar lijkt wanhopig, zijn beentjes spartelend in de zomerzon, zijn mondje open. Naast de baby staan de ouders, met de gebruikelijke, belangrijke vragen. Zorgen we wel goed voor hem, waarom huilt hij, zou hij pijn hebben? En jij, als toeschouwer, vraagt je af wat hem wordt aangedaan door hem in deze wereld geboren te laten worden. Zal hij een draaglijk leven hebben, wat zouden we kunnen doen om hem te helpen?
Het zijn de weken van de grote bosbranden en lege rivierbeddingen. Van verdorde oogsten, overal droogte en groter wordende woestijnen. Het is zomer. De zee bij Mallorca is zo warm als het water in een badkuip. De bossen smeulen en het aanrollende onweer klinkt onheilspellend. Je wilt geen doemdenker worden en niet over de oorlog in Europa of de pandemie beginnen. Maar sinds je eigen jeugd in de jaren negentig is het allemaal wel een puinhoop geworden. Wanneer heeft het ooit zo gevoeld? Je kunt maar beter geen kinderen meer op de wereld zetten, zeggen ze tegenwoordig. Zeiden ze dat vroeger ook?
Grote verantwoordelijkheid
Weer een generatie die openbaringen krijgt als ze kinderen krijgen, zult u misschien spottend denken. Maar dit is de generatie die pas een paar jaar geleden heeft begrepen wat een bluts in de welvaart betekent. Dat het hun kinderen zijn die hoogstwaarschijnlijk de schuld aan de planeet die zijzelf hebben opgebouwd, moeten afbetalen. De generatie die nog in de openlucht overnachtte, stage liep en in duizend toekomsten geloofde. Zeker, diep weggestopt in hun geheugen herinneren ze zich iets wat na 9/11 en vóór de grote beurskrach gebeurde: een Amerikaanse vicepresident die over de wereld rondreisde met zijn inconvenient truth, de mensen probeerde uit te leggen dat ze een grote verantwoordelijkheid droegen en hen waarschuwde dat er een ramp stond te gebeuren.
Dat was in 2006. Terwijl de woorden van Al Gore door de klas gonsden, waren er momenten van consternatie en irritatie. Maar wat betekende dat concreet voor een stel middelbare scholieren?
Al sinds de jaren zeventig stelt de internationale gemeenschap zich ten doel de klimaatverandering te bestrijden. Desondanks is dat doel geen stap dichterbij gekomen. Integendeel, juist in de laatste dertig jaar is de snelheid waarmee de aarde opwarmt aanzienlijk toegenomen.
Wie nog geen dertig is zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken’
In zijn essay What If We Stopped Pretending (2019) geeft de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen het dubieuze advies dat we moeten erkennen dat het te laat is om de planeet te redden. Wie nog geen dertig is, schrijft Franzen, zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken: misoogsten, apocalyptische branden, imploderende economieën, epische overstromingen, honderden miljoenen vluchtelingen uit regio’s die door extreme hitte of droogte onbewoonbaar zijn geworden’. Je kunt er maar beter op voorbereid zijn. Franzen beschreef waar wetenschappers allang voor waarschuwden: zodra de opwarming van de aarde meer dan twee graden bedraagt, gaat de wereld veranderen. De mensheid zal wel blijven bestaan, maar onder veel en veel slechtere omstandigheden. Het point of no return kunnen we hoogstens uitstellen. ‘Er is geen hoop. Alleen voor ons.’
Franzen ontwierp de strategie van het koele abstractievermogen, dat tegenover de aanstormende catastrofe veel verder gaat dan denken aan je eigen kinderen; een hyperidealistische bereidheid om ondanks de totale onmogelijkheid van idealisme en ondanks alle weerstand door te gaan. Wie nog op redding hoopt, zal alleen wanhopen en bij elke nieuwe brand verstijven van angst. Wie de ramp accepteert, kan beginnen na te denken over zijn eigen speelruimte, over ‘de absolute urgentie van vrijwel elke actie om de wereld te verbeteren’.
Die gedachte is utopisch, omdat wij de idee van onze eigen sterfelijkheid al verontwaardigd van de hand wijzen. Om nog maar te zwijgen over de sterfelijkheid van de moderne beschaving. Maar wie zou niet graag eens het grote geheel van een afstand willen bekijken? De eerste foto’s van de aarde vanuit het heelal zijn symbolen geworden van deze kijk van buitenaf, van ons besef hoe fragiel we zijn. Naar dit moment verwijst het ‘planetaire denken’. Wie claimt planetair te denken, accepteert dat de mens niet langer het middelpunt van de wereld is. Alexander von Humboldt is een van de vaders van het planetaire denken, dat zijn oorsprong vindt in de kosmologie van inheemse volkeren. Klimaatactivisten hebben het altijd over de grenzen van de planeet. Het gaat, zoals Frederic Hanusch, Claus Leggewie en Erik Meyer het in Planetary Thinking schrijven, om een poging beter naar de stem van de bezielde en onbezielde natuur te luisteren. En dat bedoelen ze geenszins esoterisch. Onopvallend, stap voor stap en zonder paniek wil het planetaire denken ons voorbereiden op de catastrofe die Franzen zo plastisch beschrijft.
De golf voor zijn
Dus wat heeft de natuur ons eigenlijk te zeggen? Er zitten nog geen vertegenwoordigers van rivieren, bergen en velden in het parlement, en ze hebben ook geen wettelijke status zoals de Maori. Maar de auteurs maken melding van seismische mechanismen die de stem van de natuur hoorbaar maken, en van het seismische lawaai van de mens, dat tijdens de pandemie iets minder is geworden. Ook al drukt Frederic Hanusch zich voorzichtig uit, het komt neer op de volgende boodschappen van de natuur. Ten eerste: ‘Uw daden zijn al door mijn daden bepaald.’ Om ‘de golf voor te zijn’, zoals dat in de taal van de pandemie heet, moet zo’n beetje alles veranderen. Ten tweede: ‘Dit is waarschijnlijk een van de koudste zomers van de rest van je leven.’
Hanusch, midden dertig, doet onderzoek naar democratie en planetaire verandering en is directeur van het Panel on Planetary Thinking. Hij heeft onderzocht hoe de kwaliteit van democratieën de kwaliteit van het klimaatbeleid beïnvloedt (goed). Maar om de versnelling van de opwarming van de aarde een halt toe te roepen, moet het politieke systeem veel sneller en radicaler veranderen. Met een grondwet die tot stand is gekomen toen het begrip ‘klimaatverandering’ nog niet was uitgevonden, komen we er in elk geval niet; en radicale politieke stappen zijn tot nu toe alleen gezet na middelgrote rampen. Droogte is niet genoeg, eerst moeten binnensteden afbranden.
Er is toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft
Zo drastisch drukt Hanusch zich niet uit, hij is tenslotte wetenschapper. In zijn vakgebied gaat het erom grote samenhangen interdisciplinair te onderzoeken, de scheiding tussen natuur- en geesteswetenschappen op te heffen, iets wat klimaatonderzoekster en kandidaat-astronaute Insa Thiele-Eich ook op scholen wil doen, met de nadruk op de maatschappelijke uitdagingen van de klimaatverandering. Misschien is de generatie van Hanusch’ studenten al beter voorbereid op wat komen gaat dan midden-dertigers, maar hij aarzelt: ‘Dat de komende generaties wat betreft duurzaamheid per se progressiever stemmen, kan niet worden aangetoond.’ Er is eerder sprake van toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft.
Het ligt aan het begrip van tijd. De generatie die nu rond de dertig is, is opgegroeid met een lineair vooruitgangsidee in het hoofd, zegt Hanusch. Met de gedachte dat er wel een technologie zal worden uitgevonden die als het kritiek wordt, alles oplost. Of, nog erger, ze heeft het idee verinnerlijkt van ‘great again’, de cyclus van opkomst, hoogtepunt, chaos, verval en nieuwe opkomst. Een door de natuur bepaald alternatief scenario is moeilijk voorstelbaar. Maar de verhalen van vooruitgang en triomf worden steeds meer overstemd door wat de planeet zelf steeds luider verkondigt.
Complexiteit van de globale verandering
In hun boek grijpen Hanusch en zijn collega’s terug op een gedachte van Thomas Jefferson. In 1789, te midden van allerlei ingrijpende politieke veranderingen en op de drempel van een nieuwe tijd, schreef Jefferson, een van de grondleggers van de Verenigde Staten, aan zijn collega James Madison dat hij zich zorgen maakte over het feit dat generaties van elkaar afhankelijk zijn. Volgens Jefferson zou de aarde wat betreft het vruchtgebruik moeten toebehoren aan de levenden. Ze mocht niet worden ‘opgebruikt’, maar moest tenminste in gelijkwaardige staat en vrij van schulden aan de volgende generatie worden overgedragen. Dit begin in vrijheid moest democratisch worden vastgelegd: elke generatie mocht een nieuwe grondwet maken en afschaffen wat vroeger goed en nu schadelijk was. Anders zouden de doden heersen over de levenden.
James Madison praatte Jefferson diens idee van een contingente toekomst uit het hoofd. Maar ervan afgezien dat het te laat is om voor elke nieuwe generatie om de wereld in gelijkwaardige toestand achter te laten, heeft Jeffersons idee voor Hanusch een voordeel: het zou niet langer noodzakelijk zijn de complexiteit van de globale verandering te begrijpen. Wat je aantrof, zou je aan de volgende generatie moeten doorgeven. Er zouden minder overgeërfde schulden zijn en er zou beter worden stilgestaan bij hoe we dingen zelf willen aanpakken.
De uitbuiting van milieu en hulpbronnen zou een nieuwe context krijgen. Wie zonder consideratie te werk gaat, vergooit zijn onafhankelijkheid, nog afgezien van de vrees dat zijn eigen kleinkinderen in de natte kelders van overstroomde steden moeten wonen. De verantwoordelijkheid voor komende generaties zou deel zijn van het politieke proces dat theoretisch tot in het oneindige zou kunnen worden gebruikt. Theoretisch.
Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd
Terug naar de schuldvraag en het kind. Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd. Het verschijnsel van de shifting base lines beschrijft hoe mensen de toestand van het milieu dat ze in hun kinderjaren aantreffen als gezond beschouwen, hoe ver dat milieu ook van zijn natuurlijke oorsprong verwijderd is. Voor vissers wier vaders twee keer zo veel vis vingen als zijzelf, is hun eigen ervaring het referentiekader: die handvol vissen in hun net. Natuurlijk zijn er de herinneringen van hun ouders en grootouders. Maar er zijn geen data over hoe de planten- en dierenwereld er destijds uitzag, steeds minder mensen hebben in hun dagelijks leven nog iets met de natuur te maken. De kennis daarvan neemt af. Iemand die er heilig van overtuigd was dat het gras altijd groen en budgetmaatschappijen altijd goedkoop zouden blijven, heeft het de laatste tijd niet makkelijk gehad. Wat dertig jaar geleden normaal leek, de onuitputtelijkheid van hulpbronnen, vormde de basis van hun perceptie van vandaag.
Hoe kunnen we daar ons voordeel mee doen? Met het oog op de over elkaar buitelende crises spreekt socioloog Heinz Bude van een ‘terugkeer van de toekomst’. Het denkbeeld van het steeds breder wordende heden van gelijktijdigheden, dat steeds weer nieuwe, problematische, even belangrijke verledens produceert, loopt op zijn eind. In plaats daarvan registreert Bude een ‘toegenomen gerichtheid op de toekomst’. Wat komen gaat, gebeurt niet meer in zekere zin vanzelf, ‘maar vraagt dat de mensen met een zekere vastberadenheid opkomen voor zichzelf en voor wat in de toekomst belangrijk zal zijn’.
De omstandigheden waarin je als middertiger van nu geboren bent, waren onbeschrijflijk bevoorrecht. Dat erkennen is pas de eerste stap. In de toekomst zullen we met veel tegenstrijdigheden moeten leren leven. Aan sommige kunnen we wat doen.

