De aardbeving in Marokko brengt de ellende aan het licht van de mensen die niets hebben in een land waar het bbp voortdurend groeit. Volgens de Marokkaanse schrijver Abdellah Taïa moet de manier waarop de machthebbers er naar burgers kijken veranderen.
De verschrikkelijke aardbeving deed zich vrijdagavond [8 september] voor in de regio rond Marrakech. Om 23.11 uur werd de beving zelfs in Fez gevoeld. Ik hoorde het nieuws pas op zaterdagochtend. Ik nam onmiddellijk contact op met mijn familie en vrienden in Rabat, Salé, Casablanca, Azilal, Marrakech en Agadir. Ze waren in orde, al was het een eindeloze nacht geweest vol verschrikkingen. We waren heel erg bang, zeiden ze, we brachten het grootste deel van de nacht op straat door, op trottoirs, in tuinen, op lapjes grond, op pleinen, bij stoplichten. We begrepen het lot van vluchtelingen op de ijzige wegen van hun ballingschap, slechts beschikkend over hemel en aarde. We voelden ons ontworteld in ons land. Verlaten. We gaven ons over aan de onzichtbare en zeer destructieve macht van de nacht. We zijn niets, slechts nietig op aarde. We waren heel dicht bij het einde, voelden de dood naderen. We hebben die nacht veel gehuild, maar we zijn er nog, we leven nog. We zijn nog steeds bang.
Ik was opgelucht, gerustgesteld. Ik bood mijn dierbaren de meest liefdevolle woorden en de sterkste aanmoedigingen die ik in mijn hart kon vinden. Maar toen begon ik het nieuws te volgen, op televisie en op sociale media. Net als veel anderen wilde ik beelden zien van deze catastrofe: de nasleep, de schade, de tragedies. Ik heb de hele zaterdag aan schermen gekluisterd gezeten. En hoe meer ik keek, hoe meer ik me schaamde voor mezelf. Uiteindelijk was ik niets meer dan een egoïstische man die in de eerste plaats denkt aan degenen die het dichtst bij hem staan, aan de mensen die hij kent. Met mijn familie en vrienden gaat het goed, dat is het enige wat telt. De anderen? Die zijn altijd abstract, vreemden.
De beelden tonen overlevenden die dwalen, zoeken, niet weten wat ze moeten zeggen en huilen
Alleen daar, in de korte video’s die circuleren op Instagram, Facebook, YouTube, zien we de naakte waarheid, een verschrikkelijk overweldigende waarheid. We zien het Marokko van de vergeten mensen die lijden, die vallen en die onophoudelijk huilen. Deze verschrikkelijke beving heeft inderdaad het grote Marrakech getroffen, maar de meeste slachtoffers zijn gevallen in de dorpen en kleine steden: Iguil, Moulai Brahim, Amizmiz, rond de stad Tarudant. De beelden tonen afschuwelijke taferelen: dorpen die volledig zijn verwoest, gebouwen die als kaartenhuizen in elkaar zijn gestort, moskeeën in puin, minaretten die in tweeën zijn gebroken. De beelden tonen overlevenden die dwalen, zoeken, niet weten wat ze moeten zeggen, huilen en vertwijfeld rondlopen. Ze hopen dat de regering en de strijdkrachten hen komen redden. Om hen te troosten, om met hen te praten. De overlevenden in de video’s hebben nog steeds hoop.
J’accuse
Op deze zwarte zaterdagmiddag is die hoop volledig vervlogen. De onvrede neemt toe. We ontdekken de levens en verhalen van dit achtergelaten Marokko dat op nauwelijks 100 kilometer van Marrakech en zijn luxueuze paleizen ligt. Ze moeten zich uiten. Een leraar post deze tweet: ‘Al mijn leerlingen zijn dood’. Nog een tweet, een andere leraar: ‘Al mijn leerlingen zijn dood.’ Een video van een vader die steun zoekt bij een muur. Hij heeft net zijn vrouw en al zijn kinderen verloren. Hij wil schreeuwen, hij kan het niet, hij wil praten over het onrecht arm te zijn in Marokko, iemand te zijn die niet meetelt. Hij beeft als een kind en schreeuwt dan uiteindelijk: ‘Zijn wij niet ook deel van Marokko?’
Een vraag waar extreme pijn, extreme zachtheid en extreme hulpeloosheid in schuilen.
De vraag zit veel Marokkanen dwars, achtervolgt mij, zit nu in ieders hoofd, in alle harten, in alle gewetens. Als een j’accuse van Émile Zola. We kunnen niet langer doen alsof we niet op de hoogte zijn van de levensomstandigheden van de allerarmsten, van de mensen die verborgen moeten blijven. We dachten dat ze ver weg waren, in plaats daarvan zijn ze heel dichtbij. De aardbeving toont hun ellende aan de hele wereld, via video’s die ver en wijd reizen en veel mensen aan het huilen maken.
Maar tot nu toe is er geen reactie gekomen van degenen aan wie deze vraag wordt gericht.
Het bbp van Marokko groeit al enkele jaren gestaag, maar de economische groei komt niet iedereen ten goede. Dat wisten we. Nu, door deze aardbeving, zien we het pas echt, begrijpen we de uitsluiting, de marginalisatie. En die is ondraaglijk, onhoudbaar.
Ook ik heb bijgedragen aan het lijden van het arme Marokko. Ik vergat te denken aan degenen die altijd weer vergeten worden
We voelen schaamte, ik voel schaamte. Toen ik zaterdagochtend het nieuws hoorde, kon ik alleen maar aan mijn eigen wereldje denken. De levens van anderen telden niet zo zwaar als die van mijn dierbaren. Ook ik heb bijgedragen aan het lijden van het arme Marokko. Ik vergat te denken aan de mensen die altijd weer vergeten worden.
Anderhalf jaar geleden viel de kleine Rayan in een klein dorpje in het noorden van Marokko in een put. Zijn tragedie schokte de hele wereld. Zijn trieste lot onthulde het harde leven en de absolute onzekerheid van de armen in Marokko.
Sinds vrijdagavond dwingt de verschrikkelijke aardbeving ons opnieuw te kijken naar dit andere Marokko, het Marokko van de ellende. Het Marokko dat niets heeft. Wallou [‘niets’, in Marokkaans-Arabisch dialect]. Maar deze keer mogen we geen genoegen nemen met oppervlakkige solidariteit. Wat nu moet veranderen is de blik van de macht op haar eigen burgers.
Lees ook:

