De uitslag van de Nederlandse parlementsverkiezingen laat zien dat populistische en extreemrechtse partijen opschuiven naar de politieke mainstream, schrijft Jon Henley in The Guardian.
Keuze uit het archief
Komende woensdag gaat heel Nederland naar de stembus in de hoop dat er nu een kabinet komt dat wél vier jaar meegaat. Ook dit keer gaat de PVV voorop in de peilingen, net als twee jaar geleden. Maar aangezien meerdere grote partijen regeren met de PVV hebben uitgesloten, gaat het opnieuw moeilijk worden om een stabiel kabinet te vormen.
Dat voorspelde dit artikel van The Guardian al meteen na de verpletterende verkiezingswinst van Geert Wilders in 2023. Die voorspelling is in vervulling gegaan. Dat laat onverlet dat de opmars van populistische partijen een zorgelijke ontwikkeling is, aldus het Britse dagblad.
De schokkende overwinning van Geert Wilders bij de Nederlandse parlementsverkiezingen bewijst de opkomst van populistische en extreemrechtse partijen in Europa, die – ondanks enkele tegenslagen – hun gestage opmars naar de mainstream voortzetten.
Wilders won 37 zetels met zijn anti-islamitische Partij voor de Vrijheid (PVV). Dat is meer dan twee keer zoveel als in 2021. Maar er is geen garantie dat het hem zal lukken om een regering te vormen met een meerderheid in het Nederlandse parlement, dat uit 150 zetels bestaat.
Het Nederlandse coalitieproces bestaat uit een eindeloze reeks compromissen en concessies met drie, vier of zelfs meer partijen. Dus zelfs als het Wilders lukt om een meerderheidskabinet te vormen, zullen zijn extreemste plannen – van een verbod op de koran tot een nexit-referendum – niet snel regeringsbeleid worden.
Wel is de kans nu groot dat een radicaalnationalistische partij die al meer dan tien jaar door de politieke mainstream wordt buitengesloten, zich volgend jaar voegt bij de groep extreemrechtse partijen die in een groot deel van Europa oprukken.
Een groot deel van centrumrechts in Europa is nu bijvoorbeeld net zo fel over immigratie als extreemrechts
Die opmars is het resultaat van een reeks factoren. Lange tijd vormde het verzet tegen immigratie, de islam en de EU de kern van extreemrechts. Sinds kort zijn ook de rechten van minderheden, de zogenaamde oorlog tegen woke en de klimaatcrisis belangrijke thema’s geworden.
Door de coronacrisis en de oorlog in Oekraïne zijn de kosten van levensonderhoud enorm gestegen, wat de aantrekkingskracht van extreemrechts nog eens versterkt. De snelle, duizelingwekkende sociale en digitale veranderingen en een groeiend wantrouwen tegenover mainstreampolitici dragen er ook aan bij.
Heel geleidelijk zijn extreemrechtse partijen op twee verschillende manieren genormaliseerd: centrumrechts heeft hun ‘eigen volk eerst’-praatjes overgenomen en is bereid geweest om coalitieafspraken te maken, terwijl extreemrechtse partijen sommige minder breed gedragen standpunten matigen.
Een groot deel van centrumrechts in Europa is nu bijvoorbeeld net zo fel over immigratie als extreemrechts. Ondertussen proberen extreemrechtse partijen economische discipline uit te stralen, uiten ze minder scepsis tegenover de EU en nemen ze hun voormalige steunbetuigingen aan Rusland terug.
Wilders heeft zijn overwinning te danken aan frustraties over immigratiebeleid en over de vele mainstreamcoalities die hem voorgingen. Zelf heeft hij nu zijn anti-islamitische taal wat afgezwakt, kennelijk in de hoop deel te kunnen nemen aan een coalitie.
Of hij nu wel of niet de volgende Nederlandse regering zal leiden, zijn verkiezingsresultaat herinnert ons eraan dat bijna een derde van de Europeanen nu op populistische – extreemrechtse of extreemlinkse – partijen stemt, zoals The Guardian in september onthulde.
Op het hele continent blijft de steun voor partijen buiten de gevestigde orde toenemen – waardoor de middenmoot steeds verder op de proef wordt gesteld.

