Wereldwijd verbruiken steden en de bouwsector te veel energie. Groene megaprojecten in steden als New York, Singapore of Abu Dhabi proberen daar verandering in te brengen. Waarom wordt er bijvoorbeeld niet veel meer met leem gebouwd? Er zijn wel degelijk milieuvriendelijke en revolutionaire oplossingen.
De zonnebloem is zo hoog als een huis. Achttien meter. En de zonnebloem is ook echt een huis, een groot, draaibaar zonnehuis. Het bestaat uit staal, glas, hout en beton, uit bedden, boeken en schilderijen. Maar het is vooral gebouwd van een flinke portie hoop. Het huis heeft een eigenaardige, ronde plattegrond, cilindrisch, zoals de steel van een zonnebloem, de kamers winden zich in een spiraal rond de houten kern. Aan de buitenkant ziet het er met al het metaal nogal technisch uit, als een machine, van binnen is het een lichte, comfortabele, houten leefruimte.
De truc van deze villa is dat hij zich ook gedraagt als een zonnebloem: onder het enorme zonnepaneel op het dak kan hij zich naar de zon toe wenden door een elektromotor en een draaimechanisme. Op koude dagen laat het huis door de grote ramen licht en warmte binnen. Op warme dagen beschut het de bewoners doordat de goed geïsoleerde achterzijde zich als een schaduw gevend, beschermend schild naar de zon keert. ’s Ochtends ziet het merkwaardige gebouw er anders uit dan ’s avonds, in de winter anders dan in de zomer. Het vermogen van de zonnebloem zich naar de zon te richten, wordt heliotropisme genoemd. Het huis in Freiburg heet de Heliotroop, dat staat ook op het bordje naast de bel. Er zit een geeltje overheen geplakt: BEL DEFECT.
De Heliotroop is een modern, futuristisch werk, een utopische belofte, die verhaalt van het verlangen naar een leven niet ten koste van, maar in co-existentie met de natuur. De natuur, die ook waar ze bebouwd wordt, waar ze perceel, woning, gebouw, wijk, stad of metropool wordt, de leefruimte van de mens bepaalt. Zonnebloemen en gebouwen moeten, nee, mogen in het antropoceen geen tegenstelling vormen.
Het antropoceen is het tijdperk ‘waarin de mens een van de belangrijkste beïnvloedende factoren van de biologische, geologische en atmosferische processen op aarde is geworden’. Zo staat het in het woordenboek. Je kunt het ook anders zeggen: voor het eerst in de geschiedenis kan de mens als Homo sapiens, aan wie het verstand (sapiens) niet altijd meer af te zien is, de tak afzagen waarop hij zit. Want zo zou je de manier waarop wij nu, in tijden van klimaatverandering bouwen, kunnen noemen. Want de werelden die de mens creëert zijn omvangrijk, maar de schade aan het milieu is al net zo groot.
De cementindustrie alleen al veroorzaakt bijna 8 procent van de mondiale CO2-uitstoot. Steden zijn verantwoordelijk voor meer dan 80 procent van het wereldenergieverbruik en voor meer dan 70 procent van de CO2-uitstoot. Het wonen veroorzaakt ongeveer een derde daarvan, en de mobiliteit, die eveneens voor een derde verantwoordelijk is, is weer afhankelijk van hoe en waar we leven en werken. Het laatste derde deel van de CO2-uitstoot komt, ook grof geschat, voor rekening van de industrie, maar ook daarbij is de ruimtelijke verdeling minstens medebepalend voor hoe milieuvriendelijk onze levensbehoeften worden geproduceerd, opgeslagen en getransporteerd.
Daarom is architectuur de kunst van nu en is de stad de locatie waar alles om draait. In 2050 zal wereldwijd twee derde van de mensheid in een stedelijke agglomeratie wonen; binnen tien jaar hebben we zo’n vijfendertig steden met meer dan tien miljoen inwoners. Zoals tegenwoordig gebruikelijk wordt aan al die (toekomstige) stedelingen nu eens iets visionairs en dan weer iets megalomaans gepresenteerd. Chicago, waar de wolkenkrabber is uitgevonden,
wil de groenste stad van de Verenigde Staten worden, Singapore meteen de groenste stad ter wereld. Onderzoekers van Yale stellen voor om wereldwijd op grote schaal beton door hout te vervangen. In Kopenhagen maken ze van een vuilverbrandingsinstallatie een skipiste. In New York gaan ze glazen flatgebouwen verbieden. De stad van de toekomst, Masdar City, in het emiraat Abu Dhabi, waaraan al twaalf jaar wordt gebouwd naar het ontwerp van superarchitect Norman Foster, is zo ongeveer de moeder van alle ecosteden, maar dat wordt steeds twijfelachtiger.
Kleine stapjes
Misschien moeten we geen redding zoeken in een toekomst vol sciencefiction, maar in de jaren negentig in Freiburg, misschien niet in supermoderne, maar juist in de oudste grondstoffen op aarde, misschien niet in verre landen, maar in het tuin-centrum om de hoek. Misschien is het grote doel alleen te bereiken met nieuwe, nog niet overal geaccepteerde ideeën, met kleine stapjes die niet meteen naar de schone schijn van groene ecosteden leiden, maar tot huizen waar de bel het niet doet.
Op het bordje naast de deur staan de namen Hanna Lehmann en Rolf Disch. Zij is pedagoge en kunstenares, hij architect en een pionier van de energie-efficiënte bouwkunde. Disch (76) was tientallen jaren geleden in Duitsland een van de uitvinders van de zonne-architectuur, in weerwil van de twijfel, hoon en bureaucratie van destijds.
In de keuken, bij de espressomachine zegt Rolf Disch: ‘Het bouwen en het gebruik van gebouwen verslindt 40 procent van de totale energieconsumptie in ons land. Daar ligt een gigantisch besparingspotentieel, en dus een enorme kans.’ In het plaatsje Schallstadt, in de buurt van Freiburg, realiseert zijn bureau een hele zonnewijk. Vijfentwintig jaar geleden had het eerste zonnehuis hem bijna geruïneerd. Experimenteel bouwen is een stuk risicovoller dan rijtjeshuizen neerzetten uit de grabbelton van de nogal behoudende onroerendgoedsector.
De Heliotroop was het eerste plus-op-de-meter-gebouw in Duitsland: een huis dat meer energie opwekt dan het verbruikt. Dat Rolf Disch als zonne-energie-expert in een huis woont dat zich de intelligentie van de natuur heeft eigengemaakt, is natuurlijk al een reden om je versteld te doen staan. Maar minstens zo bijzonder is dat Hanna Lehmann de verslaggever tijdens het bezoek vraagt zijn neus om de hoek van het toilet te steken.
Duurzame architectuur wordt soms eerder belemmerd dan bevorderd
‘Hoezo?’ ‘Inderdaad, u ruikt niets, toch?’ ‘Nee, niets.’ ‘Weet u, toen we dit huis bouwden met composttoiletten en een biologische afvalwaterzuivering werden we voor gek verklaard.’ Ook uw verslaggever vond het experiment destijds vooral grappig en nam het niet serieus. Maar een kwart eeuw later blijkt dat het vreemde huis en de helemaal niet zo vreemde Rolf Disch het bij het rechte eind hadden. Ik zat fout. Tijd dus om me te verontschuldigen: sorry, lief huis. ‘En, meneer Disch, neemt u het me niet kwalijk.’ Rolf Disch moet glimlachen: ‘Het is al goed. Het is altijd fijn als iemand iets bijleert.’
Tegenwoordig is Disch een van de toonaangevende architecten voor klimaatneutrale gebouwen. De geplande zonnewijk bestaat geheel uit plus op-de-meterhuizen, in de buurt van Freiburg heerst een gunstig klimaat voor zulke gebouwen. De stad was en is een van de eerste groene steden van Duitsland. Het bureau van Rolf Disch zit dan ook niet in een kantoorgebouw, maar in het Zonneschip, een toonbeeld van ecologisch bouwen: het eerste bedrijfsgebouw dat gebouwd is om meer energie op te wekken dan het verbruikt. Op de begane grond is het Öko-Institut gevestigd, er is een ecosupermarkt en een ecobank. De parkeergarage aan de overkant is een zonnegarage, en op het dak van de zelfbedieningswinkel daarnaast liggen zonnepanelen. Vergeet niet: de zon is de grootste gratis energieleverancier in ons zonnestelsel. Ze levert evenveel energie als 100.000.000.000 ton dynamiet – per seconde.
In het zonnehuis in Freiburg zijn al duizenden bezoekers rondgeleid: schoolklassen, burgemeesters, CEO’s, toeristen, investeerders uit Dubai en planningsfunctionarissen uit China. Angela Merkel is er ook geweest. Je kunt ervan uitgaan dat het haar minder te doen was om de badkuip die de vorm heeft van een boot, dan om het oplossen van manifeste problemen.
Bouwen in Duitsland is een zaak van normen en richtlijnen. Dus is architectuur ook altijd bureau-cratie. In principe is dat prima, want als dat niet zo was, zouden bruggen en flats vaker in brand vliegen of instorten, en van wat in Duitsland gebouwd is, kun je meestal wel op aan. Aan de andere kant is het bouwen hier, als het niet alleen om constructietechniek, maar om bijvoorbeeld energie-efficiëntie gaat, door het normatieve denken behoorlijk verstard.
Een voorbeeld daarvan is de goedbedoelde, maar slecht uitgedachte Verordening energiebesparing. Daarin wordt het energiegebruik van gebouwen geregeld. Via een muur bijvoorbeeld mag maar zo- en zoveel warmte ontsnappen. Dat is op zich een goede gedachte, want het verwarmen (of, in andere regio’s: koelen) van woningen met fossiele brandstof verergert de klimaatcrisis. Maar ook een slechte: of je een huis isoleert met kunststof platen zo dik als matrassen, afkomstig uit fossiele energiebronnen, zal de wetgever worst wezen. Resultaat: om minder olie te verbruiken, bekleden we onze huizen met nog meer olie.
De Verordening energiebesparing is in dit opzicht een geweldig businessmodel voor de traditionele isolatietechniek. En alles wat slimmer is dan kunststof, of het nu leem of hout of wat dan ook is, moet conform die verordening worden verwerkt. Omdat je voor nieuwe technologieën tig bewijsstukken moet overleggen, pakken ze uiteindelijk meestal duurder uit dan traditionele bouwwijzen. Een duurzame architectuur waar de wereld wat mee opschiet, wordt op deze manier door het bouwbeleid soms eerder belemmerd dan bevorderd.
Rolf Disch zegt: ‘Uit het oogpunt van klimaatverandering is het grootste deel van wat in dit land wordt gebouwd niet zo slim.’ En Hanna Lehmann, die je je eigenlijk alleen met een optimistisch maar ook ongeduldig glimlachje kunt voorstellen, voegt eraan toe: ‘Hadden we maar wat meer tijd.’ Te pathetisch? Het is niet anders. Vragen naar de toekomst van de mensheid is vragen naar de toekomst van de architectuur. En omgekeerd. Ze hebben allebei een toekomst, of niet.
Als steden in deze kwestie doorslaggevend zijn, heeft New York in de huidige omstandigheden door de dichte bebouwing in relatie tot het aantal inwoners een betere ecologische voetafdruk dan een Duits stadje, dat met zijn twee-onder-een-kapwoningen en zijn naargeestige industrieterrein breed over het platteland ligt uitgesmeerd en een enorme hoeveelheid privéverkeer teweegbrengt.
Leemproductie is energiezuinig, leem kan worden hergebruikt en heeft een lange levensduur
Maar ook dat moet gezegd worden, vooral tijdens een pandemie: steden zijn door hun grote bebouwingsdichtheid veel kwetsbaarder dan het platteland. In rampenfilms zijn het dan ook meestal steden die op apocalyptische wijze ten onder gaan. Steden en hun architectuur zijn niet alleen de hoofdveroorzakers van de klimaatcrisis, maar zijn ook, denk aan havensteden, de eerste slachtoffers daarvan. Want in steden wonen de meeste mensen. Dat is de trend. ‘Onomkeerbaar,’ zoals experts van de Verenigde Naties zeggen.
Mogelijkheden zijn er in deze tijd volop, bij klimaatverandering en verstedelijking kunnen architecten en stedenbouwkundigen figuren zijn die doen denken aan Superwoman, Batman en Elastigirl. Zonder cape, maar met superwapens: leem bijvoorbeeld.
Van Werner Sobek, die met zijn energie-efficiënte gebouwen een elegante en intelligente bijdrage aan de architectuur levert, is de uitspraak dat milieuvriendelijke gebouwen niet alleen milieuvriendelijk maar ‘ook mooi’ moeten zijn. En: ‘Een beetje met leem zitten knoeien is niet genoeg.’ Anna Heringer (42), die me juist het prachtige uitzicht uit haar zeer oude en mooi blauwe huis laat zien, vindt dat ‘interessant’. En het is ook interessant omdat zij als architecte veel met leem werkt en daardoor zelfs een beroemdheid is geworden. Haar huis in Laufen, in het Berchtesgadener Land, zit tot de nok toe vol leem: een mengsel van klei, fijn zand, kiezel en soms ook stenen. Op de begane grond bevindt zich haar atelier, hier ontstaat moderne architectuur uit leem en hout. Zoals de nieuwe kerk met bijbehorende gebouwen in het naburige Traunstein. De meeste huizen in Duitsland worden gemaakt van baksteen of beton, terwijl leem in de officiële statistieken niet eens voorkomt.
Leemproductie is energiezuinig, het kan worden hergebruikt en het heeft een lange levensduur. Leem is dus zowel energie-efficiënt als duurzaam, en ook mooi in de zin die Sobek bedoelt.
Hundertwasser
Een van de voorvaderen van het milieuvriendelijke bouwen is Friedensreich Hundertwasser, de man die jaren geleden op basis van een enquête door een vakblad voor de bouw tot de bekendste Duitse architect werd uitgeroepen. Dat is onbedoeld humoristisch, omdat Friedensreich Hundertwasser, die twintig jaar geleden overleed, in de eerste plaats Oostenrijker was en geen Duitser en in de tweede plaats kunstenaar en geen architect. Zijn eerder iconische dan echt ecologische idee van bouwen – eigenlijk verfde hij het beton dat hij gebruikte alleen in vrolijke kleurtjes en liet hij het er op een of andere manier groen uitzien – maakte hem al vroeg tot de beeldbepalende figuur van het alternatieve bouwen.
‘Ze droomt ervan om à la Hundertwasser lemen huizen te bouwen,’ staat er over haar in haar jaarboek van de eindexamenklas, dat Anna Heringer me laat zien. Inmiddels heeft de leerling haar meester allang in de schaduw gesteld. De Aga Khan Award for Architecture, een van de belangrijkste architectuurprijzen ter wereld, die zij ontving voor haar school in Rudrapur (India), is haar niet verleend omdat haar werk zou lijken op dat van Hundertwasser, maar omdat het een voorbeeld is van innovatieve en duurzame bouwkunst. Maar terwijl het duurzame bouwen aan de ene kant, zie Rolf Disch en collega’s, vooral inzet op de techniek, op moderne isolatie-materialen en slimme apparaten om energieverbruik en -opwekking te optimaliseren, gaat het bij het bouwen waar Anna Heringer een vertegenwoordiger van is ook nog om iets anders. Want uiteindelijk is het er haar ook om te doen een ‘architectuur zonder architect’ te laten ontstaan.
Duurzame architectuur is voor haar iets wat niet alleen met andere materialen en een andere manier van bouwen te maken heeft, maar met anders denken. Met wat ter plaatse mogelijk is. En met wat de mensen ter plaatse kunnen. ‘Lowtech,’ zegt Anna Heringer, ‘is de sleutel tot duurzaam bouwen. Altijd vanuit de regio gedacht. Altijd vanuit de mensen ontworpen.’ In de slaapkamer van Miriam, haar dochter van tien, heeft ze een lemen hol gebouwd. En de laagjes in de lemen wand van haar woonkamer weerspiegelen haar levensloop: uit alle plaatsen op de wereld waar ze heeft gewerkt, heeft ze een beetje aarde in de muur van haar huis verwerkt.
Voor Anna Heringer is ‘het bouwen van een huis tegelijk bouwen aan de gemeenschap’. In wezen is ecologisch bouwen dus eigenlijk sociologisch en politiek bouwen. ‘Eerst bouwen mensen huizen, daarna bouwen huizen mensen,’ is een gevleugeld woord uit de Baukultur. Zoals de mens bouwt, zal hij leven, want ook het bouwen kijkt bij de mens naar binnen, net als de afgrond bij Nietzsche. Dat veel van de nieuwe, spectaculaire ecosteden overal ter wereld zozeer op techniek georiënteerd zijn, is voor Anna Heringer eerder een onderdeel van het probleem dan een oplossing. Waarom er niet veel meer met leem wordt gebouwd? Leem laat zich niet patenteren en standaardiseren, ‘daardoor is het economisch niet aantrekkelijk’. Leem heeft geen lobby.
Maar soms gaan de twee, voorbeeldsteden en lowtech, samen. Dertig kilometer ten westen van Caïro bijvoorbeeld ontstaat zo’n ideale groene stad, ontworpen door Albert Speer & Partner. Badya City moet ‘een op de gebruikers georiënteerde, groene en grondstoffen besparende stad worden met een hoge bebouwingsdichtheid, ongeveer 150.000 inwoners en zo’n 48.000 arbeidsplaatsen’. Het promotiefilmpje vertelt over een aards paradijs midden in de woestijn, waarvoor het patent van een Münchense tuinman de doorslag heeft gegeven; een patent dat ook bij ons belangrijk kan worden als de temperatuur blijft stijgen.
Wolfgang Plattner, COO van GKR-Hydro GmbH, wilde vroeger straaljagerpiloot worden, maar al op het gymnasium in München organiseerde hij zijn eerste bloemenstalletjes. Daarna ging hij van school, en nu zegt hij sympathiek over zichzelf dat hij daar ‘helemaal niks’ heeft geleerd en ook nog eens ‘helemaal niks’ van beroep is. Hoewel hij succesvol leiding geeft aan een groot hoveniersbedrijf en een begenadigd utopist is. Daardoor kan hij de man worden die het dertig kilometer ten westen van Caïro in de woestijn gaat laten regenen. Wat toch duidelijk meer dan ‘niks’ is.
Maar eerst moet je weten wat de uitvinding is van de zestigjarige tuinman, die zogezegd een plantenfluisteraar is. Groene gevels en daken zijn z’n specialiteit. Die kunnen een gebouw het beste koel houden omdat ze het zonlicht reflecteren, wat niet heel onbelangrijk is ten tijde van een klimaatcrisis. Maar dan kom je altijd op het probleem: hoe komt die natuur op daken en tegen muren aan water en voedingsstoffen? En wat doe je als die planten gaan groeien?
Wortels
Om die belangrijke vraag te beantwoorden, moeten we even de diepte in. Een plant vormt eerst wortels die hem houvast geven én wortels waardoor hij kan groeien. Met die laatste haalt hij water en voedingsstoffen uit de aarde of het substraat. Pas later ontwikkelt hij ook haarwortels. Voor zijn groei heeft hij ruimte nodig, anders gaat de plant aan zijn eigen expansie ten onder. Je kent het wel van potplanten. Overal ter wereld zie je begroeide gebouwen die eruitzien alsof ze verwelkt zijn of dringend een grotere pot nodig hebben; daar kun je uit concluderen dat het probleem hier nog niet echt opgelost is.
Maar de tuinman uit München heeft een systeem bedacht dat de plant door de onmiddellijke nabijheid van water suggereert dat zijn wortels het water al hebben bereikt. Hij hoeft dus geen groeiwortels meer te vormen. En de haarwortels die voedingsstoffen opnemen, vormen qua ruimte geen probleem. Plattner noemt zijn principe ‘zwevende planten’.
De planten zweven in een tank, vlak boven het water, zijn prima voorzien van alles en hebben geen enkele reden meer om hun wortelstelsel uit te breiden. Bovendien reinigen de planten het water. En omdat het microklimaat uiteindelijk altijd het macroklimaat beïnvloedt, laat de man die planten laat zweven zich tot de uitspraak verleiden dat hij het in de woestijn ooit zal laten regenen.
“Het grootste deel van wat in Duitsland wordt gebouwd is niet zo slim”
In elk geval rekent Wolfgang Plattner voor dat zijn systeem het waterverbruik ‘tot wel 80 procent terugbrengt’. De woestijn waar Badya City moet ontstaan, was tweeduizend jaar geleden een dicht met bomen en planten begroeide streek. Die tijd wil hij terug-brengen, ook al kan dat een paar eeuwen duren. Zijn patent is, zoals hij zegt, ‘het systeem van de toekomst’.
Zij maken nu al het verschil: Plattner, tuinman en visionair tegelijk; Anna Hering, die leem kneedt en tegelijk een utopie ontwerpt; Rolf Disch, die aan nieuwe zonnedaken knutselt en hele steden ontwerpt. ‘De natuur en de bouwwereld zijn bond-genoten,’ zegt hij. Het vreemde daaraan is alleen dat het vreemde nog zo vreemd weinig voorkomt.
Waarom dat zo is? ‘Wij mensen houden ons liever bij het oude,’ zegt Rolf Disch. ‘We zijn niet erg bereid onze gewoontes te veranderen.’ Het zijn kleine stapjes die naar de toekomst leiden. Ook, nee, vooral wanneer het een groene toekomst in groene steden moet zijn. Maar het laatste woord heeft hier Hanna Lehmann: ‘Hadden we maar wat meer tijd.’ Misschien kunnen we kleine stapjes toch snel zetten.
Auteur: Gerhard Matzig
Süddeutsche Zeitung
Duitsland | dagblad | oplage 372.000
Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

