Boeren in heel Europa protesteren massaal omdat hun verdienmodel onder druk staat. De Franse landbouweconoom Guilhem Roux heeft daar een oplossing voor: de landbouwsector moet niet streven naar maximale productie, maar naar maximale winst.
Boeren verzetten enorm veel werk, zonder dat ze hun uren tellen. Het voedsel dat ze produceren is van wezenlijk belang voor de samenleving, en toch verdienen ze maar weinig. Hoe is dat mogelijk?
Boeren worden door niemand uitgebuit. Ze zijn vrije ondernemers, die op individuele basis werken, of in een klein familiebedrijf. Ze leven van de winst van hun onderneming. Hoe valt dan uit te leggen dat deze actieve ondernemers, die vaak innovatief te werk gaan en produceren om aan een reële vraag te voldoen, er desondanks niet in slagen om van hun werk te leven?
Naast regelmatig genoemde oorzaken als prijsvorming en het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie, is er ook een factor die minder vaak genoemd wordt. Boeren opereren in een omgeving die van hen eist dat ze steeds meer produceren. Maar als ondernemer hoeven ze daar niet altijd blij mee te zijn. Vanuit economisch oogpunt gezien moet een producent niet naar maximale productie streven, maar naar maximale winst. En dat is zeker niet hetzelfde.
De boer is slechts een schakel in een economische keten, met upstreampartijen die hem dingen verkopen om te kunnen produceren (gebouwen, machines, meststoffen, fytosanitaire producten) en downstreampartijen die zijn producten kopen om ze te verwerken en op de markt te brengen (coöperaties, levensmiddelenindustrie, supermarkten). En deze sporen hem allemaal aan om meer te produceren, aangezien ze er allemaal belang bij hebben dat hij meer produceert.
‘Marginale’ economen
Omdat de boer, om meer te produceren, upstream moet investeren in grotere gebouwen, grotere machines, productievere rassen en zaaigoed, meer meststoffen moet gebruiken, meer veevoer moet kopen, profiteren degenen die deze goederen leveren navenant. Bovendien moet hij deze investeringen financieren door middel van leningen, en dus de bank betalen; hij moet deze investeringen verzekeren, en dus de verzekeringsmaatschappij betalen.
Downstream beschikken de bedrijven die de landbouwgrondstoffen afnemen, verwerken en distribueren over grote nationale en internationale markten waar ze hun producten kwijt kunnen: hoe meer de boeren produceren, hoe goedkoper de grondstoffen worden, hoe meer ze kunnen verkopen en hoe groter hun winst wordt. Iedereen lijkt er dus baat bij te hebben dat de boer meer produceert.
Iedereen? Strikt economisch gesproken is het niet altijd in het belang van de producent zelf om meer te produceren. De reden is simpel: als een bepaalde grens is gepasseerd, stijgen de kosten die met een productieverhoging gepaard gaan uit boven de winst die van deze groei mag worden verwacht. Dat is de klassieke redenering van de zogeheten ‘marginale’ economen: om te weten of hij er belang bij heeft om zijn productie te verhogen, vergelijkt de ondernemer de toename van zijn kosten met de extra inkomsten die hij eraan hoopt over te houden. En er komt een moment waarop de producent geen belang meer heeft bij de groei.
De boeren die momenteel het beste af lijken te zijn, zijn degenen die er niet langer naar streven om almaar groter te worden
Als reactie op de woede van de boeren gaan er stemmen op om alle groeibeperkingen dan maar op te heffen: onbeperkte toegang tot water, tot diesel; ongelimiteerd gebruik van pesticiden; geen groeibeperking meer voor veestapels, stallen et cetera. Maar de productietoename zal het inkomensprobleem van boeren alleen maar verergeren, omdat die in de eerste plaats ten goede zal komen aan de industrieën die op de landbouw aangewezen zijn.
De boeren die momenteel het beste af lijken te zijn, zijn degenen die er niet langer naar streven om almaar groter te worden en begrijpen dat niet omzet het belangrijkste is voor een ondernemer, maar winst. Zij hebben ervoor gekozen hun kosten aanzienlijk te verlagen door minder te produceren; ze hebben geïnvesteerd in de transformatie en commercialisering van hun productie, zodat die rendabeler wordt. Op die manier hebben ze weer invloed op hun winstmarge en kunnen ze hun kosten in de hand houden.
En dat is het economische model dat momenteel zou moeten worden gepropageerd om boeren meer inkomsten te bezorgen. Op micro-economisch niveau moet de voorkeur worden gegeven aan landbouwbedrijven van bescheiden omvang, die zorgen dat ze steeds minder afhankelijk worden van grondstoffen als water, diesel, meststoffen, stikstofhoudende voedingsmiddelen, en fytosanitaire producten (die allemaal steeds schaarser een dus steeds duurder zullen worden), die hun productiekosten verlagen en die om hun winstmarge te verbeteren investeren in transformatie en commercialisering door middel van directe verkoop. Op macro-economisch niveau moet de toename van zulke bedrijven worden gestimuleerd om de nationale productie op peil te houden.
Guilhem Roux is een gepromoveerd econoom die zich in 2018 als boer heeft gevestigd in het Franse departement Lozère, waar hij schapen houdt en boerderijvakanties aanbiedt.

