Onderwerpen: Opinie

  • ‘De aanvallen op Iran zullen de regio en de rest van de wereld nog jaren achtervolgen’

    ‘De aanvallen op Iran zullen de regio en de rest van de wereld nog jaren achtervolgen’

    Afgelopen zondag voerde de Amerikaanse president Donald Trump ‘massale precisieaanvallen’ uit op Iraanse nucleaire complexen. Dat is geen verrassing; al dertig jaar probeert Israël de VS mee te slepen in een conflict met Iran. Deze keer lijkt het gelukt.

    De Amerikaanse president Donald Trump kwam afgelopen zondag met deze mededeling: ‘De Amerikaanse strijdkrachten hebben massale precisieaanvallen uitgevoerd op drie cruciale atoomcomplexen van het Iraanse regime: Fordow, Natanz en Isfahan. Ik kan de wereld melden dat deze aanvallen een doorslaand militair succes waren. De belangrijkste uraniumverrijkingsinstallaties van Iran zijn volledig verwoest.’

    Secretaris-generaal Antonio Guterres van de VN waarschuwde na de aanval dat het Amerikaanse geweld een gevaarlijke escalatie is in een toch al zo gespannen regio, die de internationale vrede en veiligheid in gevaar brengt. Op 13 juni was Israël begonnen met een reeks gecoördineerde lucht- en cyberaanvallen op de militaire en nucleaire infrastructuur in Iran, waarbij meerdere kerngeleerden en hoge militaire commandanten werden omgebracht. Iran sloeg terug met honderden raket- en droneaanvallen op militaire installaties en gebouwen van inlichtingendiensten in Israël.

    Al dertig jaar lang wordt deze leugen steeds weer herhaald

    Beëindiging van het Iraanse kernwapenprogramma was niet het hoofddoel van Israël. Al sinds begin jaren negentig zegt de huidige premier Benjamin Netanyahu elk jaar weer dat Iran binnen een jaar of twee in staat zal zijn een kernbom te bouwen. Al dertig jaar lang wordt deze leugen steeds weer herhaald. De waarheid is dat Netanyahu vooral aanvalt om de regering omver te werpen, de stabiliteit zodanig te ondermijnen dat het net zo’n failed state wordt als Syrië, Libanon en Libië, en dan te zorgen dat het land uiteenvalt. De consequenties van deze Amerikaanse en Israëlische aanvallen zullen de regio en de rest van de wereld nog jaren achtervolgen. Ik stip hier de belangrijkste gevolgen aan.

    Het staat buiten kijf dat Israël de aanval op Iran heeft afgestemd met de VS, Europa en de NAVO, en de strijd voortzet met hun directe en indirecte steun. Al sinds de jaren negentig tracht Netanyahu de VS mee te slepen in een oorlog tegen Iran, maar tot nu toe was geen enkele Amerikaanse president erin getrapt. Onder druk van Netanyahu maakte Trump in zijn eerste termijn al een eind aan het nucleaire akkoord met Iran, door de VN vastgelegd in resolutie 2231 van de Veiligheidsraad, en nu heeft hij in zijn tweede termijn binnen enkele maanden een aanval uitgevoerd op Iraanse atoomcomplexen.

    Netanyahu complimenteerde hem met zijn besluit om Iran aan te vallen. ‘Gefeliciteerd, president Trump. Uw dappere besluit om de geduchte en rechtvaardige macht van de Verenigde Staten in te zetten tegen de nucleaire installaties van Iran zal de loop van de geschiedenis veranderen,’ zei hij. Wrang genoeg kwam de aanval nadat Trumps speciale gezant Steve Witkoff eerder met de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi overeengekomen was dat de eerste drie rondes van de nucleaire besprekingen in Oman en Italië een goede basis hadden gelegd voor een akkoord. Zoals een goed ingelichte Iraanse bron me vertelde: ‘Over de hoofdonderdelen van het akkoord tussen Witkoff en Araghchi werd overeenstemming bereikt gedurende drie onderhandelingsrondes in Muscat en Rome.

    Het akkoord

    Het akkoord zou er zo uitzien: Iran zou akkoord gaan met maximale inspecties van en transparantie over zijn atoominstallaties, en met implementatie van de zogenaamde gewijzigde Code 3.1, de strengste internationale inspectieprotocollen voor nucleaire programma’s.’ En daarbij zei mijn informant:
    ‘Ten tweede zou Irans voorraad van tot 60 procent verrijkt uranium, genoeg voor tien kernbommen, worden omgezet of geëxporteerd. Ten derde zou Iran zijn huidige procedés voor verrijking tot 60 en 20 procent afschalen naar verrijking voor burgerdoelen, namelijk 3,67 procent. En ten slotte zegde Iran toe volledig met de IAEA te zullen samenwerken om alle technische onduidelijkheden op te lossen.

    In ruil daarvoor zouden de Verenigde Staten een eind maken aan de sancties die vanwege het nucleaire programma waren opgelegd. Er was afgesproken dat de technische teams van beide partijen op basis van deze vier punten een concept-akkoord zouden opstellen. Maar na een telefoongesprek tussen Netanyahu en Trump wilden de Amerikanen hun technische team ineens niet meer naar Muscat sturen en maakten ze een draai van honderdtachtig graden: ze eisten nu dat het vreedzame verrijkingsprogramma van Iran volledig werd stilgelegd.

    Dat vertraagde het sluiten van een akkoord tot na de door Trump gestelde deadline van twee maanden. En de zesde onderhandelingsronde stond gepland voor dag 63, maar op dag 61 lanceerde Israël zijn aanval op Iran. Dat was de valstrik van Israël, bedoeld om Amerika en Trump mee te slepen in een oorlog met Iran.’

    De buitenlandministers van Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland en de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van de EU, Kaja Kallas, hebben vrijdag gesprekken gevoerd met Araghchi en afgesproken om binnen een week opnieuw bijeen te komen. Deze ministers werden aangespoord om met de Iraanse minister te overleggen doordat Trump op 19 juni een termijn van twee weken had gegeven voor het zoeken naar diplomatieke oplossingen. ‘Vorige week voerden we onderhandelingen met de VS en werden die getorpedeerd door Israël. Deze week waren we in overleg met de grote Europese landen en besloot de VS dat te torpederen. Welke conclusie zou u daaruit trekken?’ schreef Araghchi aan Groot-Brittannië en de hoge vertegenwoordiger van de EU.

    Een halve waarheid

    Het Amerikaanse besluit om Iran aan te vallen toont aan dat de tiendaagse Israëlische militaire operatie tegen Teheran niet alleen is mislukt, maar dat Israël op het randje van een nederlaag stond. Waarom zou de VS tussenbeide komen als Israël niet in gevaar was? Het is het enige land in het Midden-Oosten dat daadwerkelijk over kernwapens beschikt (volgens sommige schattingen over wel vierhonderd kernkoppen), dus als bestrijder van nucleaire proliferatie is het weinig geloofwaardig. Bovendien bevestigen alle rapporten van het IAEA en Amerikaanse inlichtingendiensten van de afgelopen twintig jaar dat er geen bewijs is dat Iran een kernwapen probeert te maken. ‘We hebben, als u het mij vraagt, op dit moment geen tastbaar bewijs dat er een programma of een plan bestaat om een kernwapen te fabriceren,’ zegt het hoofd van het atoomagentschap.

    Het punt is vooral dat er geen sprake was van een ernstige directe dreiging. De bewering dat Iran over genoeg verrijkt uranium beschikt om in twee weken tien kernbommen te kunnen maken, is een halve waarheid. De andere helft is dat als Iran al zou besluiten zo’n bom te maken, het nog een of twee jaar nodig heeft om systemen te bouwen waarmee zo’n bom kan worden ingezet, zoals kernkoppen. ‘Tot de Israëlische aanval was er geen sprake van dat Iran dicht bij het maken een kernwapen was,’ aldus de American Arms Control Association.

    Dit is de eerste keer dat twee kernmogendheden een militaire aanval hebben uitgevoerd op een land zonder kernwapens. Dat toont aan dat het Non-proliferatieverdrag met name door Israël en de VS alleen maar als politiek drukmiddel is gebruikt. ‘Israël is niet aangevallen door Iran, het is deze oorlog zelf begonnen. De Verenigde Staten zijn niet aangevallen door Iran, ze zijn op dit punt zelf de confrontatie aangegaan,’ zegt Trita Parsi, vicevoorzitter van het Quincy Institute.

    ‘Benjamin Netanyahu heeft deze oorlog uitgelokt om zijn eigen politieke hachje te redden’

    De aanval van de VS druist duidelijk in tegen het VN-handvest. ‘Met zijn aanval op vreedzame nucleaire installaties in Iran maakt de VS, permanent lid van de Veiligheidsraad, zich schuldig aan een ernstige schending van het VN-Handvest, het internationaal recht en het Non-proliferatieverdrag,’ aldus de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken.

    Trumps nationale veiligheidsteam heeft de consequenties van een Amerikaanse aanval op Iran niet goed doordacht, of het wist Trump zo’n actie simpelweg niet uit het hoofd te praten. Hoe dan ook is deze aanval een veeg teken van de grote invloed die Netanyahu op het Witte Huis heeft. ‘Benjamin Netanyahu heeft deze oorlog uitgelokt om zijn eigen politieke hachje te redden, en Donald Trump geeft hem de militaire kracht van Amerika in handen om de oorlog voort te zetten. Amerika is geen loopjongen van andere landen, en onze strijdkrachten zijn geen wisselgeld in onderhandelingen,’ zei congreslid Bonnie Watson Coleman. In Iraanse ogen betekenen deze aanvallen door twee kernmachten dat het Non-proliferatieverdrag niet alleen waardeloos, maar ook schadelijk is. Landen als Noord- Korea, India, Pakistan en Israël, die zich er nooit bij aansloten en gewoon kernwapens hebben ontwikkeld, zijn verschoond gebleven van aanvallen door kernmogendheden. Het zou dus niet meer dan logisch zijn dat Iran zich nu gaat bezinnen op zijn nucleaire strategie, en ook op zijn aansluiting bij het Non- proliferatieverdrag.

    Iran heeft onherstelbare schade opgelopen, maar de negatieve gevolgen van deze aanval beperken zich niet tot Iran. Ook de Verenigde Staten en de vrede en veiligheid in de regio zullen eronder te lijden krijgen. Het is goed mogelijk dat deze oorlog geen duidelijke winnaar of verliezer zal kennen. Wel zitten Iran, Israël en de VS nu met het vooruitzicht van wederzijdse vernietiging, destabilisering van de regio en een langdurig nationaal trauma. In dat scenario zullen alle partijen op den duur veel meer verliezen dan ze er ooit bij kunnen winnen. De internationale gemeenschap moet daadkrachtig optreden om de situatie te de-escaleren. Gebeurt dat niet, dan dreigt een catastrofaal conflict te ontstaan in het Midden-Oosten, en misschien ook daarbuiten.

  • Waar ligt in de VS de grens tussen democratie en autocratie?

    Waar ligt in de VS de grens tussen democratie en autocratie?

    De Amerikaanse democratie takelt langzaam af terwijl mensen zich niet individueel tegen autoritarisme durven uit te spreken. De democratie is nog niet verloren, vinden politicologen Daniel Ziblatt, Lucan Way en Steven Levitsky. Er is echter wel collectieve actie nodig.

    Autocratische regeringen zijn tegenwoordig moeilijker te herkennen dan vroeger. De meeste autocraten van deze eeuw zijn gekozen. In plaats van oppositie met geweld de kop in te drukken, zoals Castro en Pinochet deden, maken zij de openbare instituties tot een wapen en gebruiken ze politie en justitie, de fiscus en andere instanties om tegenstanders af te straffen en de media en maatschappelijke organisaties te intimideren. Wij noemen dit ‘concurrerend autoritarisme’, een systeem waarin partijen het wel tegen elkaar opnemen in verkiezingen, maar de oppositie geen kans meer maakt vanwege systematisch machtsmisbruik door de zittende regering. Zo blijven autocraten aan de macht in Hongarije, India, Servië en Turkije, en zo deed Hugo Chávez het al die tijd in Venezuela.

    Bij het afglijden naar deze vorm van autoritarisme gaan de alarmbellen niet altijd af. Doordat regeringen gebruikmaken van op zichzelf wettige instrumenten zoals politiek gemotiveerde smaadprocessen, belastingcontroles en strafrechtelijke onderzoeken, hebben burgers niet meteen door dat ze zich aan een autoritair regime onderwerpen. Na ruim tien jaar onder Chávez dachten de meeste Venezolanen nog steeds dat ze in een democratie leefden.

    Hoe kunnen wij dan bepalen of Amerika de grens tussen democratie en autoritair regime heeft overschreden? Ons criterium is simpel: de prijs van verzet tegen de overheid. In een democratie wordt vreedzaam verzet tegen de zittende macht niet bestraft. Burgers kunnen met een gerust hart kritiek uiten, een oppositiekandidaat steunen of meedoen aan vreedzame betogingen, omdat ze weten dat de overheid hun dit niet betaald zal zetten. De hele gedachte van legitieme oppositie – dat burgers het recht hebben om kritiek te leveren, oppositie te voeren en de regering via verkiezingen naar huis te sturen – is een grondbeginsel van de democratie.

    Na ruim tien jaar onder Chávez dachten de meeste Venezolanen nog steeds dat ze in een democratie leefden

    Maar onder een autoritair bewind kleeft er een prijs aan oppositie. Wie dan met de regering botst, wordt slachtoffer van een keur aan strafmaatregelen. Politici kunnen worden vervolgd voor onbenullige of onbewezen feiten, media krijgen te maken met vergezochte smaadzaken of strenge toezichthouders, bedrijven met belastinginspecties en het verlies van opdrachten of vergunningen, universiteiten met het dichtdraaien van de geldkraan of het wegvallen van belastingvrijstellingen, en journalisten, activisten en andere critici met intimidatie, bedreiging of zelfs fysieke mishandeling door regeringsaanhangers. 

    Als burgers moeten oppassen omdat hun kritiek of verzet door de autoriteiten kan worden afgestraft, leven ze niet langer in een volwaardige democratie. Volgens dat criterium heeft Amerika de stap naar autocratie al gezet. Met de inzet van overheidsinstanties tegen burgers en een hoos aan sancties tegen critici heeft de regering-Trump de tol van oppositie verhoogd. Zo worden politie en justitie nu selectief ingezet tegen critici, worden grote advocatenkantoren geboycot en gedwarsboomd en moeten ook donateurs van de Democratische partij en andere progressieve organisaties het ontgelden. Daarnaast richt de regering, zoals zoveel autocratische regimes, haar pijlen op de media. Trump heeft rechtszaken aangespannen tegen ABC News, CBS News, Meta, uitgeverij Simon & Schuster en de regionale krant The Des Moines Register. Bovendien is de mediatoezichthouder gepolitiseerd om vooral onafhankelijke media op de korrel te nemen. En opmerkelijk genoeg zijn deze aanvallen op de media en politieke tegenstanders sneller en harder uitgevoerd dan vergelijkbare maatregelen in de eerste jaren van het bewind van verkozen autocraten in Hongarije, India, Turkije en Venezuela. 

    Ook in zijn aanval op universiteiten volgt Trump het draaiboek van andere autocraten. Zoals Jonathan Friedman van PEN Amerika zegt: ‘Het is alsof op alle universiteiten bij de geringste misstap de geldkraan kan worden dichtgedraaid.’ Tot slot worden zelfs Republikeinse politici fysiek bedreigd als ze zich tegen Trump uitspreken. De Republikeinse senator Thom Tillis zegt dat hij door de FBI is gewaarschuwd over ‘serieus te nemen doodsbedreigingen’ toen hij overwoog om tegen de benoeming van Pete Hegseth als minister van Defensie te stemmen. Voor veel Amerikaanse burgers en organisaties is de prijs van oppositie dus sterk gestegen. Het is nog niet zo erg als in een dictatuur zoals Rusland, waar critici simpelweg in de cel belanden of worden verbannen of vermoord, maar Amerika is met verbluffende snelheid afgegleden naar een situatie waarin tegenstanders van de regering moeten vrezen voor strafvervolging, civiele rechtszaken, belastingcontroles en andere sancties.

    ‘Het is alsof op alle universiteiten bij de geringste misstap de geldkraan kan worden dichtgedraaid’

    Het is niet de eerste keer dat critici van de Amerikaanse regering te maken krijgen met intimidatie, dreigementen en strafmaatregelen. In de communistenjacht van vlak na de Eerste Wereldoorlog en tijdens het McCarthy-tijdperk werden kopstukken van de burgerrechtenbeweging en linkse activisten decennialang door de FBI op de huid gezeten, en ook Nixon zette de fiscus en andere instanties in tegen politieke tegenstanders. Dat was natuurlijk ondemocratisch, maar het ging niet zover als wat we nu zien. En Nixons pogingen om het staatsapparaat voor zijn politieke karretje te spannen leidden uiteindelijk tot zijn aftreden en tot een reeks hervormingen die zulk machtsmisbruik na 1974 aan banden legde.

    Na Watergate kende Amerika de meest democratische halve eeuw van zijn bestaan. Met het aantreden van Trump kwam er niet alleen een abrupt einde aan dat tijdperk: het is ook de eerste keer – althans sinds de vervolging van de Jefferson-Democraten onder president Adams eind achttiende eeuw – dat de regering niet alleen de rivaliserende politieke partij, maar een heel segment van de samenleving op de korrel neemt.

    Want het autoritair offensief sorteert duidelijk effect. Burgers denken nu wel twee keer na voordat ze gebruikmaken van hun grondwettelijke recht op het voeren van oppositie. Veel politici en maatschappelijke organisaties die als waakhond en controleur van de zittende macht zouden moeten fungeren, doen er het zwijgen toe. De angst voor vergelding zet een rem op donaties aan de Democratische partij en andere progressieve organisaties. En na Trumps aanval op prominente advocatenkantoren is het voor critici van de regering moeilijker om een advocaat te vinden, want de rijke en gerenommeerde kantoren die vroeger de strijd met de regering wel aandurfden, zijn nu huiverig om Trumps toorn over zich af te roepen. Columbia University is gezwicht voor de eis om de vrije meningsuiting van studenten in te perken. Zoals Trump zei: ‘Je ziet wat we met de universiteiten doen, en ze buigen allemaal en zeggen: Dank u wel, meneer.’ 

    Bij de media zie je verontrustende signalen van zelfcensuur. Paramount, het moederbedrijf van CBS, dat toestemming van de overheid wil voor een fusie met Skydance Media, heeft het journalistieke programma 60 Minutes onder verscherpt toezicht gesteld. En ook Republikeinse politici verzaken hun taak als controleur van de macht. In de woorden van senator Lisa Murkowski: ‘We zijn allemaal bang. Dat is nogal een statement. Maar we zitten nu in een situatie die voor mij ongekend is. En ik moet zeggen dat ik vaak bang ben om me uit te spreken, want het wordt echt afgestraft. En dat is niet goed.’

    Wij Amerikanen leven dus onder een nieuw bewind. Nu is de vraag of we toelaten dat dit ook wortel schiet.

    De onmacht van het individu

    De reactie van de samenleving houdt nog niet over – het blijft angstwekkend stil. Maatschappelijke kopstukken komen moeilijk tot collectief optreden. De overgrote meerderheid leeft liever in een democratie en zou graag een eind maken aan dit machtsmisbruik. Maar op individueel niveau hebben ze eerder reden om de regering-Trump tegemoet te komen dan er de strijd mee aan te binden.

    Ze willen hun eigen organisatie immers tegen aanvallen van de overheid beschermen. Voor ieder afzonderlijk kan de tol van verzet te hoog lijken. Ze zien ook wel in dat iedereen beter af zou zijn als iemand vooropging in de strijd tegen Trump, maar slechts weinigen zijn bereid daarvoor zelf de prijs te betalen. Met als gevolg dat enkele van de meest invloedrijke Amerikanen aan de zijlijn blijven staan en hopen dat iemand anders de kastanjes uit het vuur haalt. Een klein beetje meewerken uit zelfbehoud lijkt hen het beste. Maar dat is de fatale fout van het appeasement-denken: het geloof dat stilletjes meebuigen op ondergeschikte, ogenschijnlijk tijdelijke punten uiteindelijk minder schade op de lange termijn zal opleveren.

    Meestal werkt het niet zo. En daden van individueel zelfbehoud hebben een hoge collectieve prijs. Meebuigen zal de regering waarschijnlijk alleen maar moed geven en stimuleren haar aanvallen te verhevigen. Autocraten bestendigen hun macht meestal niet alleen met geweld: ze worden geholpen door de meegaandheid en passiviteit van mensen die verzet hadden kunnen bieden. De neiging om de lieve vrede te bewaren is, zoals Churchill al waarschuwde, als het voeren van een krokodil in de hoop dat hij jou als laatste opvreet.

    [Autocraten] worden geholpen door de meegaandheid en passiviteit van mensen die verzet hadden kunnen bieden

    Individuele meegaandheid verzwakt ook de weerbaarheid van de Amerikaanse democratie als geheel. Als één partijdonateur of één advocatenkantoor zich drukt maakt dat misschien niet veel verschil, maar als ze zich collectief terugtrekken, ontbreekt het tegenstanders van de regering straks aan afdoende financiële en juridische middelen om zich te verweren. Alle nieuwsberichten die niet gepubliceerd worden, alle toespraken of preken die niet gehouden worden en alle persconferenties die niet gegeven worden, kunnen bij elkaar een aanzienlijk cumulatief effect hebben op de publieke opinie. Zolang de oppositie stommetje speelt, trekt de regering aan het langste eind.

    Het meebuigen van vooraanstaande burgers geeft een intens demoraliserend signaal af aan de samenleving. De boodschap die eruit spreekt, is dat de Amerikaanse democratie het verdedigen niet waard is, of dat verzet zinloos is. Als de meest bevoorrechte mensen en organisaties niet willen of kunnen opkomen voor de democratie, wat verwachten we dan van de gewone burger?

    Maatschappelijke oppositie

    De tol van verzet is wel te dragen. En het afglijden naar autoritarisme is niet onomkeerbaar. In Brazilië, Polen, Slowakije, Zuid-Korea en elders hebben democratische krachten het tij van de democratische neergang weten te keren. De Amerikaanse rechtspraak is nog steeds onafhankelijk en zal ongetwijfeld een aantal van de meest onrechtmatige regeringsmaatregelen tegenhouden. Maar rechters – nu ook zelf doelwit van dreigementen, intimidatie en zelfs arrestatie – kunnen de democratie niet in hun eentje redden. Bredere maatschappelijke oppositie is geboden.

    Ons maatschappelijk middenveld heeft genoeg financiële en organisatorische slagkracht om Trumps autoritaire offensief te weerstaan. Het telt honderden miljardairs, tientallen advocatenkantoren met een jaaromzet van een miljard, meer dan zeventienhonderd universiteiten en hogescholen, een enorm netwerk van kerken, vakbonden, particuliere stichtingen en non-profitorganisaties en een goed georganiseerde en goed gefinancierde oppositiepartij. 

    Maar dan moeten die wel samen optrekken. Als ze zich samen inzetten voor de collectieve verdediging van de democratische rechtsstaat, dragen ze ook samen de tol van hun verzet. De regering kan niet iedereen tegelijk aanvallen. Als de tol van het verzet wordt verdeeld over het collectief, is de last makkelijker te dragen voor het individu.

    De regering kan niet iedereen tegelijk aanvallen

    De meest uitgesproken oppositie komt momenteel niet van prominenten, maar van gewone burgers die zich roeren op bijeenkomsten van hun volksvertegenwoordigers of op de Hands Off-demonstraties die overal in het land plaatsvinden. Onze leiders moeten hun voorbeeld volgen. De collectieve verdediging van de democratie heeft de meeste kans van slagen als prominente en bemiddelde mensen en organisaties, zij die het best bestand zijn tegen de klappen van de regering, ook meedoen aan de strijd.

    Er zijn tekenen dat ze wakker worden. Harvard weigert te voldoen aan eisen die de academische vrijheid ondermijnen. Microsoft heeft gebroken met een advocatenkantoor dat aan de regering toegeeft en in plaats daarvan een kantoor in de arm genomen dat het er juist tegen opneemt. En een nieuw advocatenkantoor in Washington zegt te willen opkomen voor burgers die onterecht slachtoffer zijn geworden van het regeringsbeleid. Als de invloedrijkste leden van een samenleving in verzet komen, geven zij anderen politieke rugdekking. En dat stimuleert gewone burgers ook weer om mee te vechten.

    Het afglijden van Amerika naar autoritarisme is niet onomkeerbaar. Maar niemand heeft ooit een autocratie verslagen vanaf de zijlijn.

  • Het Westen verveelt zich dood

    Het Westen verveelt zich dood

    Ons politiek nihilisme is de vrucht van de verpletterende verveling en geestelijke leegte van onze moderne maatschappij. Burgers weten zich geen raad met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht.

    Stel dat Schopenhauer gelijk heeft en het leven één voortdurende slingerbeweging is tussen pijn en verveling. De enorme materiële overvloed van de rijke geïndustrialiseerde samenleving heeft weliswaar een pijnstillende werking (er is simpelweg minder fysieke pijn dan vroeger, toen we nog geen fluoride, geen anesthesie en geen zittend leven hadden), maar de oplossing van het ene probleem lijkt het andere alleen maar te verergeren. In plaats van pijn lijden we nu aan verveling, dé kenmerkende gemoedstoestand van het moderne leven. Die verveling is een direct gevolg van overvloed: een onuitputtelijke stroom ‘videocontent’ of chocoladetaart of eender wat voor snoepgoed en verwennerij kan geen blijvende voldoening geven. Op den duur krijg je overal een keer genoeg van, en dan moet je op zoek naar je volgende kick.

    Volgens Schopenhauer komt verveling voort uit ‘botheid van geest’, uit de ‘innerlijke leegte’ die een mens doet ‘smachten naar prikkels van buitenaf’, naar alles wat afleiding schenkt en de tijd kan doden. Een man die in weelde baadt maar niet beschikt over de intellectuele gaven om verveling uit te bannen ‘zou beter af zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven’. Is het toeval dat zo veel jonge miljardairs in een gênante midlifecrisis belanden? Het probleem met ‘het bezit van vrije tijd’ is dat die tijd soms meer als een last dan als een geschenk gaat voelen, zowel voor de bezitter als voor de samenleving. Vrije tijd ‘brengt gevaren met zich mee’.

    Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit. Vandaar dat de Romeinen hun stadsbevolking voorzagen van brood én spelen. Vandaar dat de protestantse hervormers zo’n felle strijd voerden tegen ledigheid, om te voorkomen dat de armen ten prooi vielen aan de verlokkingen van de duivel. Maar materiële vooruitgang brengt altijd een potentieel teveel aan vrije tijd met zich mee. ‘Minstens even belangrijk als het grote probleem van werk’, schreef de Amerikaanse filosoof Alfred H. Lloyd in de jaren twintig van de vorige eeuw, is een probleem dat ‘om nadere beschouwing schreeuwt en iedereen opvalt die er de ogen voor opent en ze er niet koppig voor gesloten houdt: het probleem van de vrije tijd’. Vrije tijd kan een bedreiging voor de maatschappelijke orde vormen als mensen niet in staat zijn hun besteding ervan in goede banen te leiden. Daarom was John Dewey ook van mening dat een ‘waarlijk democratische samenleving’ in de moderne tijd ook een ‘zinvolle vrijetijdsbesteding voor iedereen’ moet garanderen.

    ‘Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit’

    Conservatieve critici hebben dat ideaal altijd afgedaan als luchtfietserij. ‘Het is bespottelijk om te denken dat als mensen maar vijftien of twintig uur per week werken, ze in hun vrije tijd in de weer zullen gaan met een brok marmer of een partituur’, schrijft Richard Posner. ‘Als ze geen consumptiegoederen en diensten hadden om hun tijd mee te vullen, zouden ze vechten, stelen, te veel eten en drinken en uitslapen.’ Los van de maatschappelijke functie van werk is het ook een noodzakelijk kwaad. Zonder zo’n overloopvat om de tomeloze hartstocht en de overtollige energie van mensen op te vangen zou de beschaving snel tot barbarij vervallen.

    Weinig standpunten zijn zo lang en zo consequent door de elite gehuldigd, en dat is niet zo gek. In de satirische middeleeuwse boerenutopie Luilekkerland of Cocagne, een land ‘sonder arbeit ende sonder pijn’, kon je met een uur slapen een stuiver verdienen en met drie keer boeren ‘oft eenen harden scheet te laten’ een hele daalder. In het Amerikaanse volksliedje Big Rock Candy Mountains wordt gejubeld dat ‘they hung the jerk that invented work’ en ‘little streams of alcohol come a-trickling down the rocks’. Toen in Groot-Brittannië de industrialisatie goed op gang kwam, was het aantal nationale feestdagen door de autoriteiten in 1834 van zeventien teruggebracht naar vier. Vrije dagen verleidden de mensen immers maar tot allerhande zedeloos gedrag, variërend van volkssporten als ‘hanenwerpen’ tot liederlijke dronkenschap. Zoals ook duidelijk geïllustreerd werd door de onuitroeibare traditie van ‘Blauwe Maandag’, of ‘Sint Maandag’ in het Engelse taalgebied, de dag waarop arbeiders met een weekendkater hun werk verzuimden.

    Deze arbeiders beschikten niet over de financiële armslag van de rijke man die volgens Schopenhauer beter af zou zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven, maar ook hun vrije tijd bracht gevaren met zich mee. Of het onvermogen om de vrije tijd nuttig te besteden nu leidde tot verveling en geestelijke leegte onder de rijken of tot driftige buien van genotsbevrediging onder het ‘klootjesvolk’, de wortel van het probleem is dezelfde. Te veel vrije tijd, te veel verveling maakt mensen licht vatbaar voor oplichters, volksmenners en hun eigen lage driften.

    De zoektocht naar identiteit

    In de ruim tien jaar dat ik nu schrijf en nadenk over werk en de opofferingskosten daarvan in de moderne tijd, heb ik het ‘probleem van de vrije tijd’ meestal alleen terloops aangestipt, vooral omdat ik hoopte dat het wel oplosbaar is. Maar de huidige politieke situatie in de Verenigde Staten (en in sommige andere geïndustrialiseerde democratieën) vraagt om nadere bezinning en kan niet volledig worden begrepen zonder het probleem van verkeerd bestede vrije tijd mee te wegen. Niet alleen is het aantal gewerkte uren gaandeweg steeds verder gedaald, maar het meeste werk (al die ‘niet-onmisbare’ functies) kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger. Uit een peiling van Gallup blijkt dat ‘werknemers in de VS zich steeds minder verbonden voelen met hun werkgever, lagere verwachtingen koesteren, minder voldoening putten uit hun organisatie en minder voeling hebben met de missie en doelstellingen daarvan’.

    Die trends onderstrepen hoe belangrijk het is dat vrije tijd voorziet in alle behoeften en verlangens die maken dat wij mensen zijn en niet slechts ‘aangeklede apen’, zoals C.S. Lewis het noemde. Maar het is geen geheim wat de meeste mensen met hun vrije tijd doen. Verslavende, sensatiebeluste en onbenullige media en amusementsvormen zijn doorgedrongen in alle uithoeken van het leven in de eenentwintigste eeuw, tot de werkvloer aan toe. Veel van dat amusement speelt natuurlijk in op de essentiële behoefte van de moderne mens: het blijvende verlangen naar iets wat ontzag en verwondering inboezemt, naar een gevoel van stralende genade, de ervaring van het sublieme in een onttoverde wereld.

    ‘het meeste werk […] kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger’

    Waar we nu mee kampen, zijn de gevolgen van deze combinatie van ontwikkelingen. Valse romantiek is sterk in opkomst bij hoogopgeleide jonge conservatieven, die zijn grootgebracht met de gedachte dat ze ertoe doen en nu tot de ontdekking komen dat er eigenlijk geen behoefte aan hun diensten bestaat. En een theatraal idealisme is het grote euvel van veel te veel hoogopgeleide linkse jongelui, die de historische overwinningen van eerdere progressieve generaties vaak dunnetjes over willen doen, ook al is die buit grotendeels allang binnen. Maar het resultaat dat voor de politiek het meest relevant is, is misschien dat politieke partijen uit de mode zijn en online massabewegingen zeer in trek. Hoe klein dat verschil ook lijkt, het gaat diep. Niet iedereen die als Republikein geregistreerd staat, zal zich meteen aansluiten bij een gewelddadige opstand of juichen als de pijlers van de Amerikaanse rechtsorde worden ontmanteld. Niet iedereen die op de Democraten stemt, wordt daarmee op slag een activist voor intens impopulaire maatschappelijke hervormingen. Daar is meer voor nodig.

    Zowel de MAGA-stroming als de intolerante, autoritaire equivalenten ter linkerzijde vertonen veel kenmerken van de massabeweging van ‘ware gelovigen’ zoals die begin jaren vijftig door de havenarbeider annex filosoof Eric Hoffer getypeerd werd. Beide stromingen zijn natuurlijk een afspiegeling van bredere sociaaleconomische ontwikkelingen, die variëren van verstoringen in de arbeidsmarkt en groeiende ongelijkheid tot dalende sociale mobiliteit en een ‘hoogopgeleiden-overschot’. Maar belangrijker is dat beide stromingen hun achterban bespelen via die kanalen en bezigheden die de meeste vrije tijd en aandacht van mensen opslurpen. Als er één ding is dat de maatschappelijk meest schadelijke achterbannen van onze tijd verenigt, is het dat ze allemaal ‘erg online’ zijn.

    Massabewegingen gedijen net als sommige strenge religieuze sekten bij de zelfhaat van hun volgelingen. Dat zijn mensen die zichzelf niets te bieden hebben. Als ze in zichzelf kijken, vinden ze slechts leegte. De gemiddelde volgeling is niet alleen gefrustreerd door zijn levensomstandigheden, maar ook murw van verveling en ontevreden over zichzelf. In zijn werk, zijn sociale leven en zijn privésituatie vindt hij volop bewijzen van zijn machteloosheid, dus zoekt hij een nieuwe identiteit voor zichzelf in het lidmaatschap van de beweging. Ineens hoort hij ergens bij.

    ‘Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land’

    De concrete boodschap van de beweging is bijzaak. De ongewenste eigen identiteit kan men afschudden door bij zichzelf een of andere geestelijke stoornis vast te stellen (die zelfdiagnose is een groeiende trend op sociale media) en zo toe te treden tot een nieuwe gemeenschap van lotgenoten. Door zichzelf weg te cijferen ten opzichte van historisch onrecht. Door zich een nieuwe identiteit of godsdienst aan te meten. Of door trouw te zweren aan een charismatische leider die belooft de instanties op de schop te nemen die jouw ontplooiing zogenaamd in de weg hebben gestaan. Dit gedrag tref je doorgaans niet aan onder mensen die zelf een gezonde en verrijkende invulling aan hun ongeregimenteerde vrije tijd geven.

    Dat het inhoudelijke programma van de beweging van ondergeschikt belang is, levert ironische situaties op. De traditioneel ‘mannelijke’ beeldtaal van de MAGA-beweging lijkt velen aan te spreken; maar wat zijn zij die braaf achter de alfafiguur van de grote leider aanlopen anders dan gedweeë meelopers? Veel aanhangers klagen over economische ongelijkheid, maar zijn zelf bepaald niet berooid. Wie echt straatarm en wanhopig is, heeft tijd noch middelen om af te reizen naar partijbijeenkomsten, aan opstanden mee te doen of memecoins en ander waardeloze merchandising te kopen. Die kan zich niet de uitrusting veroorloven om in het weekend soldaatje te spelen.

    Ook het nationalistische karakter en de hersenloze destructiedrang van de beweging zijn kenmerkend. Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land. ‘Wanneer we ons ik afzweren en opgaan in een compact geheel, doen we niet alleen afstand van ons individueel gewin, maar ook van onze individuele verantwoordelijkheid’, schreef Hoffer. ‘Wanneer we onze individuele onafhankelijk verruilen voor het groepsgevoel van een massabeweging, vinden we daarin een nieuwe vrijheid: de vrijheid om zonder wroeging of schaamte te haten, intimideren, liegen, martelen, moorden en verraden.’

    Een nieuwe vrijetijdsethiek

    Krijgen de oude puriteinse zedenmeesters dan toch gelijk? Misschien, maar alleen omdat zij ons een selffulfilling prophecy hebben nagelaten. Een samenleving die zo doortrokken is van het protestantse arbeidsethos en zo in het teken staat van het najagen van individueel succes, is niet in staat om zijn burgers op een ander soort leven voor te bereiden. 

    Terwijl onze eigen wijsgerige traditie toch oplossingen te over biedt voor het probleem van de vrije tijd, of die nu de nadruk leggen op het belang van vriendschap (Epicurus), bezinning (Aristoteles) of het dienen van de publieke zaak ‘met oog voor de ander’ (Cicero). Deze essentiële menselijke kwaliteiten zijn danig uitgehold, resulterend in een tijdperk van eenzaamheid, achteloosheid en opgeklopt groepsdenken. Maar met genoeg vrije tijd en bewuste benutting daarvan kunnen ze in ere worden hersteld. Demagogen, complottheorieën en sekteleiders zullen er altijd zijn, maar ze krijgen geen vat op een volk dat in zichzelf vervulling vindt.

    Een gezonde relatie met onze vrije tijd krijgen we niet vanzelf. Dat vereist een ethiek van de vrije tijd, en net als de deugdethiek van Aristoteles moet die ons waarschijnlijk met de paplepel worden ingegoten. Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement, tussen lagere en hogere geneugten, tussen het prikkelende en het sublieme. Zij die dit onderscheid ontkennen, zijn van dat idee niet af te brengen, want zij behoren niet tot de ingewijden. Zij weten niet waarover ze spreken.

    ‘Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement’

    Het leren waarderen van de meer verrijkende bronnen van zelfontplooiing vergt tijd en zelfdiscipline. Maar een complete entertainmentbranche is er louter op gericht ons van dat rechte pad af te brengen. Vanaf een bepaald moment kreeg onderwijs niet langer tot doel om te streven naar het vormen van evenwichtige burgers met een rijk geestelijk leven, politiek inzicht en geestelijke of emotionele zelfstandigheid, zoals Dewey ooit hoopte. Het doel is nu alleen nog om in een tijd van aanhoudende technologische veranderingen de voorraad ‘menselijk kapitaal’ voor onze economie op peil te houden.

    Enkele jaren geleden werd alle leerlingen nog op het hart gedrukt dat ze moesten ‘leren programmeren’, ongeacht of daar hun interesse lag. Maar nu krijgen we te horen dat juist op dit vlak de grote taalmodellen al veel beter zijn. Zal een deel van de voor bèta-onderwijs gereserveerde miljarden alsnog opzijgezet worden om de geesteswetenschappen te redden, de vakgebieden bij uitstek waarvan de waarde niet volledig van onvoorspelbare macro-economische ontwikkelingen afhankelijk is? Ik zou er maar niet op rekenen.

    De grootsheid van Amerika heeft een samenleving voortgebracht waarin de burgers zich geen raad weten met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht. We zijn er nu getuige van hoe deze erfenis wordt verkwanseld, en dat schouwspel is nog vunziger en stompzinniger dan gedacht.

  • Waarom Europa en de Verenigde Staten elkaar nodig blijven hebben

    Waarom Europa en de Verenigde Staten elkaar nodig blijven hebben

    De keuzes die in Washington worden gemaakt, hebben directe invloed op Europa’s welvaart en veiligheid. Met de oorlog in Oekraïne, spanningen in het Midden-Oosten en de opkomst van China is de trans-Atlantische band cruciaal.

    Het grappige aan Europeaan zijn tijdens Amerikaanse presidentsverkiezingen is de overtuiging dat ook wij toestemming zouden moeten krijgen om te stemmen. En kun je het ons kwalijk nemen? De vraag wie het Oval Office mag bezetten wordt door velen in Europa terecht gezien als een vraag van existentieel belang voor het welzijn en de veiligheid van het continent.

    Het is dan ook geen verrassing dat, zelfs nu er in Europa een oorlog woedt waarbij het Kremlin herhaaldelijk met kernwapens dreigt, de ontwikkelingen in de Amerikaanse campagnes nog meer aandacht krijgen in de Europese pers dan normaal. Gezien de oorlog in Oekraïne, de risico’s van een grotere oorlog in het Midden-Oosten en de almaar toenemende bedreiging van het Amerikaanse leiderschap door China, heeft Europa de Verenigde Staten meer nodig dan ooit sinds het einde van de Koude Oorlog. En Amerika heeft nog steeds een unieke en waardevolle troef in handen die zijn groeiende lijst rivalen en tegenstanders niet heeft: betrouwbare bondgenoten en partners in Europa.

    In de loop der jaren heeft de Veiligheidsconferentie van München, het internationale veiligheidsforum dat ik veertien jaar heb geleid, een lange lijst van trans-Atlantische to-do’s opgesteld. De kern ervan wordt gevormd door drie strategische uitdagingen die Amerika en Europa het hoofd zullen moeten bieden, ongeacht wie de Amerikaanse verkiezingen in november wint. Hoe we daarmee omgaan zal bepalen of de trans-Atlantische alliantie zal blijven bestaan als het hechte partnerschap dat we de afgelopen 75 jaar hebben gekend of zal uiteenvallen.

    De onenigheid over de beste manier om met China om te gaan is al zichtbaar en lijkt alleen maar groter te worden

    Ten eerste: We moeten het over China hebben. In tegenstelling tot de Europese Unie, die China definieert als een partner, concurrent en systemische rivaal, lijkt Amerika in een zeldzaam voorbeeld van tweepartijdige overeenstemming te hebben geconcludeerd dat China nu niet alleen zijn belangrijkste rivaal is, maar ook zijn belangrijkste tegenstander op lange termijn in termen van wereldwijde politieke en militaire macht en invloed. De trans-Atlantische onenigheid over de beste manier om met China om te gaan is al zichtbaar en lijkt alleen maar groter te worden.

    Als het aankomt op Rusland, hebben Europa en de Verenigde Staten de afgelopen zeventig jaar een uitgebreid overleg- en coördinatiemechanisme gehad: de NAVO. In het geval van China is er niets vergelijkbaars. Waarom werd Europa niet geraadpleegd toen de Verenigde Staten besloten om de export van bepaalde halfgeleiderchips naar China te verbieden? Is er een overeengekomen strategie met betrekking tot Taiwan? Vanuit Europa gezien is het steeds populairder wordende idee in Washington dat Amerika zich op China moet richten en Oekraïne aan de Europeanen moet overlaten, ronduit gevaarlijk. Veel Europeanen hebben het gevoel dat China de afnemende Amerikaanse steun voor Oekraïne weleens zou kunnen opvatten als een teken van zwakte. (Weet je nog, in Afghanistan?)

    De oprichting van een volledig bemand orgaan dat zich richt op de coördinatie met China en de regio Azië-Pacific zou hoog op onze gezamenlijke agenda moeten staan. Een uitgebreide Groep van 7 met Australië, Zuid-Korea en mogelijk andere regionale machten is een optie, maar volstaat misschien niet.

    Vervolgens moeten we als volwassenen gaan praten over het betalen van onze defensierekeningen. De grootste irritatie op lange termijn in de NAVO is zo goed als verdwenen: Europeanen weigeren niet langer om een eerlijk deel van de gemeenschappelijke defensielast te dragen. Overal zijn de defensiebudgetten gegroeid; de meeste leden van de alliantie zijn hun belofte uit 2014 om 2 procent van hun bnp uit te geven nagekomen. Wat is dan het probleem? Kort gezegd besteden we in Europa onze defensie-euro’s ongelooflijk inefficiënt omdat we het niet eens kunnen worden over waar en hoe we onze wapens produceren of wat we moeten kopen. In 2016 gebruikten de Verenigde Staten ongeveer 30 grote militaire systemen, van vliegtuigen tot fregatten, vergeleken met ongeveer 180 systemen bij de Europese bondgenoten.

    Erger nog, de Europeanen doen meer dan twee derde van hun militaire aankopen in de Verenigde Staten, waardoor Europese bedrijven verstoken blijven van broodnodige investeringen. Dit is geweldig nieuws voor de Amerikaanse defensie-industrie, maar op de langere termijn is het politiek onhoudbaar in Europa. Senatoren in Washington zijn blij als er veel werkgelegenheid voor defensieproductie in hun staat ontstaat. Dat is bij Europese politici niet anders.

    Verantwoordelijkheid

    Als Amerika echt wil dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de veiligheid van zijn continent, moet Washington de Europese partners aanmoedigen om meer wapens in Europa te ontwikkelen en te kopen en dit op een gecoördineerde manier te doen. Als we onze zaken op orde zouden krijgen en meer zouden schuiven en delen tussen de EU en de Europese NAVO-partners, zouden we ongeveer 15 miljard euro of meer per jaar kunnen besparen en dit uitgeven aan meer en betere systemen en aan meer munitie.

    Tot slot moeten we het hebben over onze gemeenschappelijke westerse waarden. Is het enige grote verschil tussen ons en autoritaire of dictatoriale regimes niet onze toewijding aan mensenrechten, aan de rechtsstaat, aan fatsoen in dit tijdperk van straffeloosheid, zoals David Miliband, de voormalige Britse minister van Buitenlandse Zaken, de huidige wereldwijde wanorde ooit noemde? We kunnen en moeten trots zijn op deze toewijding. Het probleem is dat de westerse wereld – en in het bijzonder de Verenigde Staten – ervan wordt beschuldigd met twee maten te meten als het gaat om oorlogen, conflicten en mensenrechtenschendingen.

    Dit is natuurlijk geen nieuw twistpunt. (Tijdens de recente pandemie dachten veel ontwikkelingslanden dat hun vaccins waren beloofd zodra die beschikbaar waren. In werkelijkheid moesten veel landen wachten tot iedereen in Brussel of Miami gevaccineerd was.) Maar de gelijktijdige oorlogen in Oekraïne en Gaza hebben het probleem veel erger gemaakt – en praktisch onbeheersbaar. Westerse naties verwachten dat de wereld onze resoluties steunt waarin het Russische gedrag in Oekraïne wordt veroordeeld, maar we vinden het moeilijk om hetzelfde te doen met betrekking tot het verloop van de oorlog in Gaza.

    Van geen van de twee Amerikaanse presidentskandidaten kunnen we wonderen verwachten

    Als gevolg daarvan heeft onze collectieve geloofwaardigheid een deuk opgelopen. Dat is een klap voor onze reputatie, maar het vermindert ook ons collectieve vermogen om de toenemende opmars van autoritaire regimes en de openlijke en toenemende minachting van het internationaal recht tegen te gaan. Is er een eenvoudig recept om deze geloofwaardigheidskloof te dichten? Nee, maar ons collectief en plechtig committeren aan de rechtsstaat en aan het Handvest van de Verenigde Naties in onze aanpak van internationale conflicten en crises zou een eerste stap kunnen zijn.

    Al deze uitdagingen zijn complex en niet gemakkelijk op te lossen. Europa moet zich geen illusies maken: van geen van de twee Amerikaanse presidentskandidaten kunnen we wonderen verwachten. Veel Europeanen hopen niettemin dat een presidentschap van Kamala Harris, in navolging van Joe Biden, meer geneigd zal zijn om te luisteren naar de Europese zorgen over Rusland en China, en over de trans-Atlantische veiligheid, dan Donald Trump, wiens trans-Atlantische staat van dienst er niet een was van voortdurende harmonie. De twijfels die hij tijdens en na zijn presidentschap uitte over de NAVO zitten veel Europese leiders nog steeds niet lekker. Toch zou de trans-Atlantische discussie met Harris in het Witte Huis net zo moeilijk kunnen zijn als met een tweede Trump-regering als het gaat om economie, handel, investeringen en technologie.

    Het maakt niet uit wie er in november in het Witte Huis komt, de nieuwe Amerikaanse president en de Europese leiders moeten zichzelf herinneren aan de zeer wezenlijke voordelen van deze zeer belangrijke relatie – en het gesprek gaande houden.

  • Het geld van de toekomst is digitaal. En dat verandert alles

    Het geld van de toekomst is digitaal. En dat verandert alles

    In een wereld zonder contant geld zullen mensen zich anders tot geld verhouden en verandert zelfs de definitie ervan. Bovendien zullen centrale banken hun rol moeten herdefiniëren. Maar daarvoor moeten ze eerst verouderde denkbeelden loslaten.

    Met geld heeft de economische wetenschap altijd een wat vreemde verhouding gehad die vaak voer voor discussie was. Door tal van economen, onder wie Nobelprijswinnaars als Merton Miller en Franco Modigliani, werd geld lange tijd als niet meer dan een ruilmiddel beschouwd. Maar economen die voortbouwen op het werk van John Maynard Keynes en Hyman Minsky hebben die nauwe kwantitatieve blik achter zich gelaten en meer oog gekregen voor de structurele rol van geld in de reële economie en het financiële systeem. 

    Dat inzicht wordt belangrijker naarmate de wereld steeds meer gedigitaliseerd raakt en er steeds minder met contant geld wordt betaald. Hierdoor groeit de noodzaak voor beleidsmakers om niet langer alleen toezicht te houden op de markt, maar de markt actief vorm te geven. In een wereld zonder contant geld zullen mensen zich anders tot geld verhouden, ontstaan er nieuwe mogelijkheden om ermee om te gaan en verandert zelfs de definitie ervan. Bovendien zullen centrale banken zich gedwongen zien hun rol te herdefiniëren en zich innovatiever op te stellen.

    Nieuwe mogelijkheden

    Er is al veel aandacht geweest voor centrale banken die experimenteerden met een digitale munt, maar een veel belangrijker ingreep in de economie is het opzetten en vormgeven van een nieuwe digitale infrastructuur voor interoperabele betalingssystemen. Gezien het structurele belang van kapitaal kan zo’n ingreep tot meer concurrentie en betere inclusiviteit en toegankelijkheid van bankdiensten leiden, en wellicht ook nieuwe instrumenten opleveren voor het bijsturen van de economie in tijden van crisis.

    Er wordt steeds minder met contant geld betaald, het digitale betalingsverkeer groeit sneller dan ooit. Consumenten, overheden en bedrijven kiezen duidelijk voor de kosteneffectiviteit en het gebruiksgemak van cashloze technologie. Betalen met je telefoon, ooit vooral een gadget voor de technologisch onderlegde stedeling, is inmiddels zelfs in rudimentaire economieën gemeengoed. Interoperabele betalingssystemen ontwikkelen zich in rap tempo tot de economische kerninfrastructuur van het digitale tijdperk. Dat is een duidelijke trendbreuk met de door de overheid uitgegeven fysieke valuta die de afgelopen tweeduizend jaar centraal stonden.

    Zoals elke technologische verandering is ook deze niet neutraal. Ze heeft haar eigen dynamiek en als beleidsmakers daar geen sturing aan geven, zou het uitsluiting van bepaalde partijen en andere structurele problemen in de gehele economie kunnen vergroten. Zo zijn digitale betalingssystemen in veel landen niet interoperabel, wat betekent dat de eigenaar van het systeem bepaalt wie er toegang toe heeft en onheuse tarieven kan opleggen. Mensen in de marge van de economie worden op die manier nog meer verdrongen uit de cashloze wereld of erger nog, uit de officiële economie. Een centrale bank kan op dit punt laten zien dat ze meer is dan alleen een toezichthouder en zich laten gelden door mee te beslissen over de gedeelde infrastructuur, of er zelf een op te zetten. Op die manier kunnen niet alleen de kosten van digitale transacties worden verlaagd, maar ook nieuwe mogelijkheden worden bedacht om het betalingsverkeer efficiënter en toegankelijker te maken voor deze mensen.

    Die nieuwe rol druist natuurlijk in tegen de traditionele opvatting dat centrale banken vooral toezichthoudende instanties zijn

    India heeft dit gedaan met UPI, een interoperabele infrastructuur voor digitaal betalingsverkeer, waarbij de centrale bank een grote vinger in de pap heeft gehad. En Brazilië heeft hetzelfde gedaan met Pix, een betalingsdienst waarmee particulieren en bedrijven op elk moment van de dag, meestal gratis of tegen zeer lage kosten, geld kunnen overmaken en ontvangen. Volgens de Braziliaanse centrale bank is het inmiddels de populairste betaalmethode van het land, populairder zelfs dan bankpasjes, creditcards en andere betaalmethoden waar geen contant geld aan te pas komt. Meer dan 66 procent van de bevolking maakt er inmiddels gebruik van.

    Dat klinkt misschien als een typisch succesverhaal van de fintech-sector. Maar het is de centrale bank geweest die inzag dat particuliere spelers hun systemen niet vrijwillig zouden laten samenwerken met die van anderen, en daarom de ontwikkeling van Pix gestimuleerd heeft. Tot de invoering van Pix had elke financiële instelling zijn eigen transactiesysteem met zijn eigen tarieven. Nu wordt er niet meer geconcurreerd op tarieven, maar op de kwaliteit en de verscheidenheid van het dienstenaanbod. De infrastructuur van Pix levert consumenten dus een reële besparing op en draagt bij aan de toegankelijkheid en inclusie van het betalingsverkeer.

    Algemeen nut

    Het stimuleren van deze verandering door de Braziliaanse centrale bank past in een bredere trend om zich ten dienste te stellen van het algemeen nut. Als het dienen van het algemeen nut de grondslag wordt voor economische activiteiten, zal dat nog veel meer mogelijkheden opleveren voor samenwerking, coördinatie en gezamenlijke investeringen door overheden, de particuliere sector, het maatschappelijk middenveld en internationale organisaties.

    Die nieuwe rol druist natuurlijk in tegen de traditionele opvatting dat centrale banken vooral toezichthoudende instanties zijn die alleen over de financiële stabiliteit moeten waken en kwesties als gelijkheid, toegankelijkheid en inclusie moeten overlaten aan de particuliere sector. Lange tijd had de publieke sector alleen tot taak om de waardescheppers tegen risico’s te beschermen, niet om zelf risico’s te nemen of waarde te scheppen. In zijn hoedanigheid van kredietverstrekker wordt de publieke sector gezien als een laatste toevlucht, niet als voor de hand liggende optie.

    Door deze beperkte kijk op de rol van de staat in het creëren van welvaart hebben beleidsmakers te weinig oog voor het scala aan instrumenten waarover ze beschikken om duurzame economische groei te stimuleren. Het zal een cruciale taak van centrale banken blijven om de stabiliteit van het financiële systeem te waarborgen, maar de actieve rol die de centrale banken van Brazilië en India hebben gespeeld bij de totstandkoming van een interoperabele betalingsinfrastructuur laat duidelijk zien dat ze meer voor het algemeen nut kunnen doen. Het verlangen naar een ambitieuzere opstelling bij het inrichten van markten lijkt om zich heen te grijpen. Zo is het faciliteren van innovatie door het leveren van financiële infrastructuurdiensten sinds kort officieel tot secundaire doelstelling van de Bank of England verklaard. Een goede ontwikkeling, want een rechtvaardige toekomst vraagt om deze inzet en ambitie van centrale banken.

  • Hoe WhatsApp de politiek hervormt

    Hoe WhatsApp de politiek hervormt

    Tegenwoordig domineren smartphones en apps de politieke communicatie. Dit heeft geleid tot nieuwe uitdagingen voor transparantie en ethiek. ‘Of het nu gaat om immigratiebeleid, inflatiebeleid of Israëlbeleid, de hamvraag zal zijn welke WhatsApp-groep de leiding heeft.’

    De uitoefening van openbaar gezag is altijd mede vormgegeven door de beschikbare technologieën. Van de drukpers tot de telegraaf, van radio tot e-mail, nieuwe uitvindingen drukten hun stempel op de manier waarop beslissingen worden genomen en door wie. Dit patroon zet zich voort in het tijdperk van de smartphone, die onmisbaar lijkt te zijn in het professionele leven van de hedendaagse ambtenaren en politici. ‘Je kunt tegenwoordig niet meer zonder,’ merkte de toenmalige premier Boris Johnson op tijdens de covid-19-pandemie, ‘ik moet in contact blijven met mensen.’ Zijn stijl van communiceren zou aan het licht komen toen Dominic Cummings zijn berichten lekte, waaronder een bericht waarin hij de minister van Volksgezondheid tijdens de pandemie Matt Hancock beschreef als ‘totaal f***ing kansloos’. Latere onthullingen uit die periode wekken de indruk dat het land wordt bestuurd via WhatsApp.

    Groot-Brittannië staat hierin niet alleen. De bezorgdheid over de macht van appjes reikt tot ver buiten de landsgrenzen. In Brussel hangt de schaduw van ‘Pfizergate’ boven de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, in de aanloop naar de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni. Het schandaal gaat terug tot een artikel in The New York Times van april 2021, waarin werd beweerd dat de covid-vaccindeal van de EU met Pfizer tot stand was gekomen door een reeks berichten en telefoontjes tussen haar en de directeur van het bedrijf. ‘Die persoonlijke diplomatie speelde een grote rol in een deal,’ zei de krant. Het gerucht van één-op-éénonderhandelingen over zo’n belangrijke kwestie leidde tot oproepen, met name van de Europese Ombudsman, om de berichten openbaar te maken. Het verzuim van de Commissie om dit te doen leidde ertoe dat de ombudsman concludeerde dat er sprake was van wanbeheer, en er lopen nog altijd rechtszaken tegen de EC.

    Kritische discussies over bestuur door middel van berichten spitsen zich vooral toe op toegankelijkheid. Ambtenaren, zo lijkt het, doen belangrijke zaken op een manier die nauwelijks transparant zijn voor het publiek. Deze zorgen zijn terecht. Dat IM-diensten in handen zijn van grote particuliere bedrijven is een ander deel van het probleem. En dan zijn er nog de veiligheidskwesties die aan de orde zijn gesteld sinds president Barack Obama zijn Blackberry meenam naar het Witte Huis. 

    Maar het gaat er ook om hoe belangrijke beslissingen op het moment zelf worden genomen. Als discussies zich verplaatsen van de vergaderzaal naar de virtuele ruimte van de chatgroep, begeven ze zich in een wereld van verhoogde informaliteit en vage ethische grenzen.

    Gênante details

    Laten we eens kijken naar bepaalde kenmerken van de technologie. In tegenstelling tot een fysieke vergadering is communicatie via berichten een vorm van interactie zonder vast begin of einde. Gesprekken beginnen op initiatief van één partij en worden gekenmerkt door snelle reacties. Een voorbeeld in Spanje op het hoogtepunt van de pandemie maakte de risico’s duidelijk. De burgemeester van Madrid, José Luis Martínez-Almeida, zou in een korte WhatsApp-uitwisseling rond 1 uur ’s nachts op 24 maart 2020 overeenstemming hebben bereikt over medische benodigdheden. Eén raadslid werd uitgesloten omdat hij zijn telefoon niet controleerde, anderen klaagden dat overhaast tot de overeenkomst was gekomen. Gênante details over het overleg kwamen al snel aan het licht: bij de deal was een familielid van de burgemeester betrokken, de leveringen waren te duur en er werden exorbitante commissies in rekening gebracht, redenen waarom het contract werd gehekeld als ‘oplichting’ ten koste van de stad. Almeida gaf toe dat het een vergissing was, maar verdedigde de acties van de raadsleden in een tijd waarin het zo moeilijk was om aan schaarse middelen te komen. Een anticorruptiezaak tegen de leveranciers werd later door de rechtbank onderzocht.

    Het spontane karakter van instant messaging betekent dat de betrokkenen vaak uit een andere activiteit worden gehaald of op een informeel moment worden benaderd. Deze manier van communiceren is direct en afleidend. Natuurlijk hangt veel af van hoe de technologie wordt gebruikt. Niet iedereen sms’t in zijn pyjama of kijkt tegelijkertijd tv, maar je weet het simpelweg niet van elkaar.

    Instant messaging stelt leiders bovendien in staat zich los te maken van de ondersteunende ambtenaren en ambtenaren die hun acties zouden kunnen reguleren. Lastige individuen kunnen buitengesloten worden en vertrouwde adviseurs of favoriete verslaggevers kunnen worden binnengehaald. Bedrijfsbelangen kunnen zich laten gelden. De technologie is zeer geschikt om hiërarchieën te omzeilen en invloedrijke schaduwnetwerken creëren, vaak zonder dat dat wordt opgemerkt. Degenen die in een fysieke omgeving aan de deur zouden worden tegengehouden, kunnen in een virtuele omgeving ‘in de kamer’ zijn, afwezigen die in persoon zouden opvallen, worden gemakkelijker over het hoofd gezien.

    De standaardreactie van ambtenaren is om te zeggen dat op deze manier niets belangrijks wordt beslist. In haar antwoord aan de Europese Ombudsman in de zomer van 2022 verklaarde de Europese Commissie het volgende: ‘Vanwege hun kortstondige en vluchtige aard bevatten sms- en instantberichten over het algemeen geen belangrijke informatie met betrekking tot beleid, activiteiten en besluiten van de Commissie.’ Je kunt je een spectrum van gebruiksmogelijkheden van messaging voorstellen: als het nemen van beslissingen de ene pool vormt, kan de andere worden gekarakteriseerd als ‘onschuldig geklets’, met een reeks praktijken in het grijze gebied daartussenin (informatie delen, overleggen, meningsvorming, cultiveren van contacten, privékritiek op collega’s). Maar we hebben genoeg gezien om te weten dat niet alles aan die onschuldigere kant valt. Op deze manier worden wel degelijk belangrijke beslissingen voorbereid en genomen.

    Als de technologie ondanks de risico’s toch wordt omarmd, dan laat dat iets zien over de prioriteiten van de machthebbers

    Dergelijke technologieën hebben het vervagen van grenzen tot gevolg – tussen het formele en het informele, tussen verschillende instellingen, en tussen de zaken van de overheid en de wereld daarbuiten. De politiek is altijd afhankelijk geweest van rituelen om de scheiding tussen ambten en personen te versterken. Of het nu gaat om de kroon van een monarch of de inrichting van een parlement, kledingvoorschriften en de inrichting van een ruimte dienen om gewicht te geven aan een situatie en deelnemers bewust te maken van een breder belang. Sommige rituelen kunnen gerepliceerd worden in gemediatiseerde communicatie, maar de meeste niet. Degenen die elkaar op deze manier, zijn verstoken van de contextuele aanwijzingen die elders bedoeld zijn om hun ontmoeting te depersonaliseren. Gezelligheid troef.

    Het regeren via instant messaging is emblematisch voor iets breders – voor een wereld waarin belangrijke politieke beslissingen informeel worden genomen en de macht geconcentreerd is in de handen van sleutelfiguren en de netwerken die zij vormen. We hebben de neiging om over politiek te denken in termen van droge instellingen en bureaucratische logica, maar dit beeld kan behoorlijk misleidend zijn. Van binnenlands tot buitenlands beleid is er een breder verhaal van de ‘de-institutionalisering’ van macht, naarmate ambtenaren handelen met persoonlijke discretie en vertrouwensbanden de formele definitie van rollen overrulen. Zo ziet de vorming van een heersende elite eruit. Lockdowns hebben deze trend misschien een bijzondere impuls gegeven, maar de patronen zullen waarschijnlijk blijven bestaan. Of het nu gaat om immigratiebeleid, inflatiebeleid of Israëlbeleid, de hamvraag zal zijn welke WhatsApp-groep de leiding heeft.

    Valkuilen

    Hoeveel hiervan is echt nieuw? In de politiek heerst al lang de zorg dat de belangrijke gesprekken in de wandelgangen worden gevoerd, waar geen openbare notulen worden gemaakt. Je kunt ervan uitgaan dat instant messaging deels aantrekkelijk is omdat het de gezagsdragers in staat stelt te doen wat ze al geneigd zijn te doen. Dus hoeveel waarde moeten we hechten aan de technologie? Is het gewoon de nieuwste manier om te doen wat al lang gedaan wordt en dus ook zonder deze middelen gedaan kan worden?

    Eén manier waardoor de technologie zich onderscheidt, is dat ze deze gedragspatronen beter traceerbaar maakt. Berichten kunnen worden verwijderd, wat een gevoel van controle kan geven, maar niemand kan er zeker van zijn dat ze niet inmiddels zijn gekopieerd of gedeeld door hun gesprekspartner(s). Er bestaat, zoals we hebben gezien, een groot potentieel voor lekken – met soms rampzalige gevolgen.

    Uiteraard is het gebruik van deze technologie handig. Het kan ook sociaal en psychologisch lonend zijn; deel uitmaken van een ‘inner circle’ kan prestige betekenen, de kans om je superieur te voelen ten opzichte van de buitenwereld. Maar de traceerbaarheid van de berichten betekent dat er duidelijke risico’s aan verbonden zijn. Want wanneer ze onder de aandacht van het publiek komen – wanneer kranten verhalen kunnen publiceren over de ‘persoonlijke diplomatie’ van een ambtenaar – veroorzaken ze ontevredenheid en reputatieschade. Von der Leyen was eerder betrokken bij een schandaal in Duitsland dat te maken had met de transparantie van haar mobiele telefoongebruik toen ze minister van Defensie in Berlijn was. Hoewel ze werd vrijgesproken van verantwoordelijkheid in dat eerdere geval, zal ze niet onwetend zijn geweest van de valkuilen van messaging.

    Als de technologie ondanks de risico’s toch wordt omarmd, dan laat dat iets zien over de prioriteiten van de machthebbers. Informele methoden zijn aantrekkelijk omdat de betrokkenen meer geïnteresseerd zijn in het behalen van tastbare ‘resultaten’ dan in het naleven van de democratische regels. Ze vinden dat het genoeg is om dingen gedaan te krijgen, de manier waarop maakt niet veel uit. Politicologen maken onderscheid tussen de legitimiteit van goede resultaten en die van goede methoden – tussen output en procedurele legitimiteit. Het overwicht van instant messaging weerspiegelt de dominantie van de eerste over de tweede.

    Maak één technologie transparant en er zal worden overgestapt op andere technologieën die hetzelfde mogelijk maken

    De legitimiteit van de output heeft altijd centraal gestaan bij transnationale instellingen. Dit komt overeen met de centrale rol van technocratie in instellingen zoals de EU, waar een instrumentalistische, oplossingsgerichte visie centraal staat in het openbaar gezag. In de loop der tijd is deze visie echter ook centraal komen te staan in het gezag in de nationale context. De verzwakking van partijen, en van georganiseerde ideologische politiek in het algemeen, heeft ertoe geleid dat vertegenwoordigers zichzelf minder definiëren op basis van normatieve verbintenissen dan op basis van hun vermogen om besluitvaardig op te treden. In het besef dat een aanzienlijk deel van hun electoraat zich aangetrokken voelt tot technocratische, populistische of ‘techno-populistische’ stijlen van politiek bedrijven die zonder bemiddeling het algemeen belang nastreven, kunnen ook zij ongeduldig worden met procedures en erop gebrand zijn hun probleemoplossend vermogen te tonen. Op de lange termijn hangt die aanspraak op legitimiteit af van het behalen van goede resultaten, maar in eerste instantie hangt het gewoon af van resultaten – beslissingen die kunnen worden aangehaald als teken van activiteit.

    Dit heeft gevolgen voor een eventuele poging tot inperking. Hervormers pleiten meestal voor een betere regulering van de technologie. De Europese Ombudsman heeft verschillende aanbevelingen gedaan: dat instant messages erkend worden als EU-documenten, bewaard worden als archiefdocumenten en beschikbaar zijn voor inspectie wanneer er verzoeken voor publieke toegang worden gedaan. Er bestaan strengere regels voor het gebruik van communicatietechnologie op gebieden zoals financiële regulering, wat suggereert dat ze kunnen worden opgesteld als de politieke wil er is.

    Dergelijke stappen gaan er echter aan voorbij dat de technologie aansluit bij de bredere aantrekkingskracht van onregelmatige manieren van regeren. Maak één technologie transparant en er zal worden overgestapt op andere technologieën die hetzelfde mogelijk maken. Positieve verandering zou betrekking moeten hebben op het veranderen van de bredere voorwaarden die ongepast gebruik van de technologie aantrekkelijk maken, met name het opnieuw in evenwicht brengen van de normen van legitimiteit waaraan ambtenaren worden gehouden. In plaats van een technocratische nadruk op outputs alleen, zou dit betekenen dat er een nieuw bestuursmodel moet komen waarin bredere participatie en controle gewaardeerd worden. Het zou betekenen dat grondwettelijke mechanismen worden versterkt en dat leiders meer worden gebonden aan democratische instellingen en organisaties die hen kunnen straffen voor hun overtredingen.

    Regeren via berichtgeving maakt de neigingen van de hedendaagse politiek extremer en beter traceerbaar, maar vormt niet de kern van het probleem. Het zal niet worden tegengehouden door regels, noch door al dan niet moedwillig lekken. Alleen structuren die minder discretionaire macht overlaten aan het individu zullen iets structureels kunnen veranderen aan het probleem.

  • ‘Algemene verkiezingen zijn een aanfluiting voor de democratie’

    ‘Algemene verkiezingen zijn een aanfluiting voor de democratie’

    De mankementen van een gekozen volksvertegenwoordiging vragen om een ander politiek systeem. Alternatieven, die prima uitvoerbaar zijn, worden volgens George Monbiot tegengehouden door machthebbers die vooral goed zijn in zelfpromotie en campagne voeren in plaats van problemen aanpakken.

    Alles hangt ervan af, maar er verandert weinig. Weken- of maandenlang domineren verkiezingen het nationale leven. Mediaberichten en openbare gesprekken worden gemonopoliseerd door heftig gesteggel en verwoede speculaties. Al het andere – beleidsvorming, probleemoplossing, de logica zelf – komt tot stilstand. Het zal niemand verbazen dat, wanneer de waanzin voorbij is, bijna geen van onze problemen zijn opgelost.

    Verkiezingen zijn een middel om conflicten te maximaliseren en democratie te minimaliseren. Partijen winnen terrein door verdeeldheid en woede te zaaien, vaak rond triviale kwesties die ze in hun voordeel laten spelen. Maar terwijl de grote spelers bezig zijn met lobby’en en de miljardenpers paaien, zijn ze het rampzalig genoeg vaak helemaal eens als het aankomt op veel belangrijkere kwesties, zoals bezuinigingen, geprivatiseerde openbare diensten, de enorme ongelijke verdeling van rijkdom en de zich ontvouwende genocide in Gaza. De meesten die om verkiezingen roepen manipuleren, leiden je af van waar het echt om gaat en liegen.

    Gemeenschappen worden tegen elkaar opgezet: kijk hoe de Tories een beroep doen op hun oudere basis door jongeren te behandelen als een probleem dat moet worden opgelost, momenteel door middel van de nationale dienstplicht. De verschillende partijen reduceren onze complexe keuze tot een zwart-witkwestie; soms, zoals bij de verkiezingen van 2019, tot een slogan van drie woorden (Get Brexit Done). Grote vraagstukken, zoals de milieucrisis, de rijke 1 procent, de mogelijkheid dat het voedselsysteem faalt of de heroplevende dreiging van een kernoorlog, blijven onopgelost en worden over het algemeen niet genoemd. Het enige wat ons na die ene, tien seconde durende actie een keer in de vijf jaar rest is rustig afwachten. Uiteindelijk eindigen we, in ons zogenaamde representatieve systeem, met een zeer niet-representatief parlement en een constant gevoel van teleurstelling.

    Alternatieven

    Zoals kapitalisme aantoonbaar het tegenovergestelde is van markten, zo kunnen we algemene verkiezingen zoals we ze nu kennen zien als het tegenovergestelde van democratie. Zoals in het openbare debat zo vaak gebeurt worden de concepten met elkaar verward. Verkiezingen zijn geen democratie en democratie is geen verkiezingen.

    Eerdere samenlevingen erkenden dit onderscheid. Aristoteles en Montesquieu merkten  (respectievelijk) op dat verkiezingen ‘oligarchische’ en ‘aristocratische’ heersers voortbrachten. Na de Amerikaanse en Franse revoluties kozen de ontwerpers van de nieuwe politieke systemen verkiezingen als een manier om te voorkomen dat de meerderheid, die ze niet vertrouwden, al te veel inspraak in de macht zou krijgen. Sommigen van hen, zoals John Adams, James Madison, Antoine Barnave en Boissy D’Anglas protesteerden tegen het angstaanjagende concept van democratie en drongen erop aan dat de gekozenen een aparte klasse zouden vormen, die zich van het volk onderscheidde als een ‘natuurlijke aristocratie’ van wijze, deugdzame en bekwame mensen. Inmiddels kunnen we wel bepalen hoe goed dat heeft uitgepakt.

    In het Verenigd Koninkrijk werd ons politieke model vastgelegd in de achttiende eeuw, toen democratie een vies woord was en het parlement op het volk neerkeek met een mengeling van angst en minachting. Toch bleef het na de invoering van het algemeen kiesrecht vrijwel ongeschonden. Waarom blijven we mensen kiezen die qua inkomen, vermogen, belangen en psychologie enorm verschillen van ons? Omdat het systeem daarop ontworpen is.

    Er zijn veel alternatieven, die prima uitvoerbaar zijn maar worden tegengehouden door machthebbers die vastberadenheid zijn om de controle te behouden. In eerdere columns heb ik het volksvertegenwoordigingsmodel van Murray Bookchin genoemd, dat is geïmplementeerd in Rojava in het noordoosten van Syrië. Beslissingen worden hier genomen vanuit lokale gemeenschappen, in plaats van vanuit een verafgelegen centrum. Ook noemde ik het zeer succesvolle participatieve budgetteren in Porto Alegre, in het zuiden van Brazilië, dat ervoor zorgde dat geld daar terechtkwam waar het het hardst nodig was, in plaats van bij bevoorrechte groepen. Maar het gaat me er niet om voor te schrijven welke vorm deliberatieve, participatieve democratie moet aannemen. Er zijn tientallen mogelijkheden, die prima kunnen werken.

    Gewone burgers nemen snel hun verantwoordelijkheid, informeren zichzelf, luisteren respectvol en streven naar consensus

    In het uitstekende boek Tegen verkiezingen van David Van Reybrouck toont hij zich voorstander van loting: het kiezen van leden van politieke organen door loting. Zo verliep een groot deel van het politieke leven in het oude Athene en in Venetië, Florence en andere Europese steden in het tweede millennium. Vandaag de dag kunnen algoritmes worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de resultaten van de loterij een goede afspiegeling zijn van de samenleving.

    Wacht even, zeg je. Wat als incompetente, corrupte, roekeloze, egoïstische mensen zonder expertise in machtige posities terechtkomen? Dat zal ongetwijfeld gebeuren. Maar deliberatieve processen [waarbij informatievergaring, overleg en de uitwisseling van argumenten centraal staan] bezitten de buitengewone eigenschap dat ze de betrokkenen transformeren. Ze werken in de praktijk dus beter dan in theorie. Gewone burgers nemen snel hun verantwoordelijkheid, informeren zichzelf, luisteren respectvol en streven naar consensus. Hun beslissingen zijn meestal eerlijker, groener, moediger en meer inclusief dan die van verkozen kamers.

    Elk argument hiertegen gaat in grotere mate op voor een gekozen vertegenwoordiging. Incompetent, corrupt, roekeloos, zelfzuchtig? Breek me de bek niet open. Degenen die door het lot worden gekozen, van wie de selectie dus niet kan worden beïnvloed door geld of lobbyen, zijn daar waarschijnlijk beter tegen bestand. Geen expertise? Onze vertegenwoordigers zijn zeker experts, maar meestal in zelfpromotie en campagne voeren. Zoals keer op keer blijkt, zijn de meesten niet in staat om onze problemen aan te pakken.

    Snobisme

    Veel van de kritiek op de participatiedemocratie is gericht op de klassen. Men kan er niet op vertrouwen dat de arbeidersklasse zelf nadenkt; ze moet gestuurd worden door verlichte beschermers. Dit snobisme loopt helemaal van Edmund Burke, in Bespiegelingen over de revolutie in Frankrijk, tot Karl Marx, in Het communistisch manifest.

    We zouden geen enkele verandering in ons politieke systeem moeten accepteren zonder bewijs dat het werkt. Maar dat bewijs is er steeds meer, aangezien regeringen volksvergaderingen en grondwettelijke conventies inzetten om kwesties op te lossen die te verdeeld, complex of langdurig zijn voor het heersende systeem. Als deze goed zijn ingericht, blijken ze zeer effectief te zijn in het oplossen van problemen die gekozen vertegenwoordigers niet aankunnen. Ierland gebruikte burgergroepen om de debatten over het homohuwelijk en abortus op te lossen en doorbrak daarmee de schijnbaar hardnekkige verdeeldheid in een grotendeels katholieke natie. Frankrijk heeft een burgervergadering ingesteld om zich een weg te banen door de complexe en politiek gevoelige kwestie van stervenshulp.

    Tussen 2021 en 2023 werden honderdzestig nieuwe volksvergaderingen opgericht om moeilijke problemen op te lossen. Veertig van deze organen zijn nu permanent. Ze helpen bijvoorbeeld bij de aanpak van dakloosheid in Parijs, stadsplanning in Lissabon en klimaatbeleid in Brussel. In het Duitstalige deel van België vormt een burgerraad de tweede kamer van het regionale parlement.

    Een volgende stap, die ook Van Reybrouck en anderen voorstellen, kan zijn om dit model gangbaar te maken en één parlementaire kamer, zoals het Hogerhuis of de Amerikaanse Senaat, te vervangen door een volksvergadering. Zo zou een volledig participatief systeem kunnen ontstaan, grotendeels gebaseerd op loting, waarin iedereen evenveel mogelijkheid heeft om mee te beslissen over de zaken die ons leven bepalen. Geef je om democratie? Dan moet je hopen dat er een einde komt aan de huidige verkiezingen.

  • ‘Boeren moeten minder produceren voor een betere boterham’

    ‘Boeren moeten minder produceren voor een betere boterham’

    Boeren in heel Europa protesteren massaal omdat hun verdienmodel onder druk staat. De Franse landbouweconoom Guilhem Roux heeft daar een oplossing voor: de landbouwsector moet niet streven naar maximale productie, maar naar maximale winst.

    Boeren verzetten enorm veel werk, zonder dat ze hun uren tellen. Het voedsel dat ze produceren is van wezenlijk belang voor de samenleving, en toch verdienen ze maar weinig. Hoe is dat mogelijk?

    Boeren worden door niemand uitgebuit. Ze zijn vrije ondernemers, die op individuele basis werken, of in een klein familiebedrijf. Ze leven van de winst van hun onderneming. Hoe valt dan uit te leggen dat deze actieve ondernemers, die vaak innovatief te werk gaan en produceren om aan een reële vraag te voldoen, er desondanks niet in slagen om van hun werk te leven?

    Naast regelmatig genoemde oorzaken als prijsvorming en het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie, is er ook een factor die minder vaak genoemd wordt. Boeren opereren in een omgeving die van hen eist dat ze steeds meer produceren. Maar als ondernemer hoeven ze daar niet altijd blij mee te zijn. Vanuit economisch oogpunt gezien moet een producent niet naar maximale productie streven, maar naar maximale winst. En dat is zeker niet hetzelfde.

    De boer is slechts een schakel in een economische keten, met upstreampartijen die hem dingen verkopen om te kunnen produceren (gebouwen, machines, meststoffen, fytosanitaire producten) en downstreampartijen die zijn producten kopen om ze te verwerken en op de markt te brengen (coöperaties, levensmiddelenindustrie, supermarkten). En deze sporen hem allemaal aan om meer te produceren, aangezien ze er allemaal belang bij hebben dat hij meer produceert.

    ‘Marginale’ economen

    Omdat de boer, om meer te produceren, upstream moet investeren in grotere gebouwen, grotere machines, productievere rassen en zaaigoed, meer meststoffen moet gebruiken, meer veevoer moet kopen, profiteren degenen die deze goederen leveren navenant. Bovendien moet hij deze investeringen financieren door middel van leningen, en dus de bank betalen; hij moet deze investeringen verzekeren, en dus de verzekeringsmaatschappij betalen.

    Downstream beschikken de bedrijven die de landbouwgrondstoffen afnemen, verwerken en distribueren over grote nationale en internationale markten waar ze hun producten kwijt kunnen: hoe meer de boeren produceren, hoe goedkoper de grondstoffen worden, hoe meer ze kunnen verkopen en hoe groter hun winst wordt. Iedereen lijkt er dus baat bij te hebben dat de boer meer produceert.

    Iedereen? Strikt economisch gesproken is het niet altijd in het belang van de producent zelf om meer te produceren. De reden is simpel: als een bepaalde grens is gepasseerd, stijgen de kosten die met een productieverhoging gepaard gaan uit boven de winst die van deze groei mag worden verwacht. Dat is de klassieke redenering van de zogeheten ‘marginale’ economen: om te weten of hij er belang bij heeft om zijn productie te verhogen, vergelijkt de ondernemer de toename van zijn kosten met de extra inkomsten die hij eraan hoopt over te houden. En er komt een moment waarop de producent geen belang meer heeft bij de groei.

    De boeren die momenteel het beste af lijken te zijn, zijn degenen die er niet langer naar streven om almaar groter te worden

    Als reactie op de woede van de boeren gaan er stemmen op om alle groeibeperkingen dan maar op te heffen: onbeperkte toegang tot water, tot diesel; ongelimiteerd gebruik van pesticiden; geen groeibeperking meer voor veestapels, stallen et cetera. Maar de productietoename zal het inkomensprobleem van boeren alleen maar verergeren, omdat die in de eerste plaats ten goede zal komen aan de industrieën die op de landbouw aangewezen zijn.

    De boeren die momenteel het beste af lijken te zijn, zijn degenen die er niet langer naar streven om almaar groter te worden en begrijpen dat niet omzet het belangrijkste is voor een ondernemer, maar winst. Zij hebben ervoor gekozen hun kosten aanzienlijk te verlagen door minder te produceren; ze hebben geïnvesteerd in de transformatie en commercialisering van hun productie, zodat die rendabeler wordt. Op die manier hebben ze weer invloed op hun winstmarge en kunnen ze hun kosten in de hand houden.

    En dat is het economische model dat momenteel zou moeten worden gepropageerd om boeren meer inkomsten te bezorgen. Op micro-economisch niveau moet de voorkeur worden gegeven aan landbouwbedrijven van bescheiden omvang, die zorgen dat ze steeds minder afhankelijk worden van grondstoffen als water, diesel, meststoffen, stikstofhoudende voedingsmiddelen, en fytosanitaire producten (die allemaal steeds schaarser een dus steeds duurder zullen worden), die hun productiekosten verlagen en die om hun winstmarge te verbeteren investeren in transformatie en commercialisering door middel van directe verkoop. Op macro-economisch niveau moet de toename van zulke bedrijven worden gestimuleerd om de nationale productie op peil te houden.

    Guilhem Roux is een gepromoveerd econoom die zich in 2018 als boer heeft gevestigd in het Franse departement Lozère, waar hij schapen houdt en boerderijvakanties aanbiedt.

  • ‘Beijing houdt zich voorlopig gedeisd tegenover de nieuwe leider van Taiwan’

    ‘Beijing houdt zich voorlopig gedeisd tegenover de nieuwe leider van Taiwan’

    Amerikaanse deskundigen en politici beweren dat Beijing het conflict met Taiwan wil laten escaleren en zelfs een oorlog wil riskeren om de bevolking af te leiden van de binnenlandse problemen, maar volgens columnist Alex Lo denkt de Chinese regering daar zelf heel anders over.

    Zoals verwacht wordt William Lai Ching-te van de Democratische Progressieve Partij de volgende president van Taiwan. Maar de DPP heeft de controle over de Wetgevende Yuan verloren aan de oppositie. De Taiwanese kiezers hebben laten zien dat ze de voorkeur geven aan een machtsevenwicht in plaats van een dominante DPP.

    Vanwege Lai’s verkiezingsoverwinning zijn nu vrijwel alle westerse analisten het erover eens dat Beijing de aanval zal inzetten en de agressie opvoeren. Dat is precies wat Washington wil – een excuus om het eiland Taiwan en de Filipijnen te versterken terwijl het zich ondertussen bezighoudt met het in toom houden van China, in lijn met zijn zogenaamde ‘pivot to Asia’ [het Amerikaanse buitenlandbeleid waarbij de meeste aandacht naar Azië uitgaat].

    Voor de Amerikanen zullen de crises in Oekraïne en het Midden-Oosten ooit ophouden; het echte gevecht vindt plaats in Azië en de Stille Oceaan. Dat alleen al kan reden genoeg zijn om te denken dat Beijing het tegenovergestelde zal doen of zich op zijn minst met enige terughoudendheid zal opstellen om Lai’s intenties op de proef te stellen.

    Het Chinese vasteland moet inmiddels de politieke realiteit onder ogen zien dat de DPP een gevestigde partij is die niet weggaat. Er is een meer genuanceerde modus operandi nodig. Agressie als standaardreactie volstaat niet langer.

    Win-winsituatie

    Lai’s overwinningstoespraak zou een hoopvol signaal kunnen zijn. ‘We moeten met de anderen in gesprek gaan en daarbij niet de confrontatie maar de dialoog aangaan om vrede en gezamenlijke welvaart te bereiken. We moeten streven naar vrede, gelijkheid en een democratische dialoog,’ zei hij. ‘Dit komt het meest overeen met de belangen van de mensen aan beide zijden van de Straat van Taiwan en is de enige weg naar een win-winsituatie.’ 

    ‘Win-win’ is een geliefde uitdrukking bij de Chinese diplomatie. Gezien de talloze economische problemen van het Chinese vasteland zal Beijing willen voorkomen dat het met de VS in een strijd over het eiland verwikkeld raakt.

    Amerikaanse deskundigen en politici beweren vaak dat Beijing de spanningen wil laten escaleren en zelfs een oorlog wil riskeren om de bevolking af te leiden van de binnenlandse problemen. Zo is het gegaan in de geschiedenis van de VS en vandaag de dag gaat het nog steeds zo. Maar bij de Chinezen ligt dat anders. Beijing riskeert niet graag een oorlog en zal zich eerder zorgen maken dat de spanningen overzee de binnenlandse problemen zullen verergeren.

    Alles hangt dus af van wat Lai de komende maanden zal zeggen en doen. De aftredende DPP-president, Tsai Ing-wen, heeft het eiland nagenoeg gemaakt tot een regionale partner van Washington, en het provoceren van Beijing is praktisch een beleid geworden. Als Lai deze lijn voortzet, zal Beijing waarschijnlijk met agressie reageren. Lai’s in het verleden verraden een onmiskenbare afscheidingsdrang. Maar nu hij aan de macht is, zou hij zich weleens wat pragmatischer kunnen gaan opstellen. Uit de ene na de andere opiniepeiling blijkt dat een overweldigende meerderheid van het Taiwanese publiek de voorkeur geeft aan de status quo, namelijk de facto zelfbestuur in plaats van onafhankelijkheid de jure.

    Wederzijds wantrouwen betekent dat uiteindelijke escalatie alleen in het voordeel van de VS zal uitpakken

    Dit is een duidelijk geval van het gevangenendilemma. Beide partijen aan weerszijden van de Straat van Taiwan zullen er baat bij hebben als ze allemaal instemmen met een de-escalatie. Maar wederzijds wantrouwen betekent dat uiteindelijke escalatie alleen in het voordeel van de VS zal uitpakken, die in het gevangenendillema de ondervragende agent zijn.

    Politiek is echter zelden iets eenmaligs, maar bestaat eerder uit spelletjes die zichzelf steeds weer herhalen. Empirische experimenten met menselijke proefpersonen in een gevangenendilemma laten zien dat het mogelijk is om te de-escaleren als beide partijen kleine stappen zetten. Als de ene partij een ‘micro-non-agressie’-stap zet, zou de andere partij hetzelfde moeten doen, enzovoort.

    Natuurlijk kan het ook de andere kant opgaan, en daar zet Washington nu juist op in door vierkant achter het eiland te gaan staan en zo het Chinese vasteland uit te dagen. Misschien zal Taipei onder Lai de bezoeken van strijdlustige Amerikaanse wetgevers en voormalige regeringsfunctionarissen beleefd afwijzen of op zijn minst ontmoedigen. Het Chinese vasteland zou op zijn beurt het aantal gevechtsvliegtuigen van de PLA in de buurt van het luchtruim van het eiland kunnen verminderen.

    Natuurlijk, als Lai besluit het pad van Tsai te volgen en er zelfs nog een schepje bovenop doet, dan heeft Beijing geen andere keuze dan met gelijke munt terug te betalen. Maar in dat geval zal Beijing niet de enige schuldige zijn. Zoals ze zeggen: It takes two to tango, maar met de VS als bemiddelaar heb je er drie nodig.

  • Verdeeld Duitsland 

    Verdeeld Duitsland 

    Hoewel Duitsland in het verleden in menig crisis verzeild is geraakt, voorspelt journalist Wolfgang Münchau dat de huidige situatie van het verdeelde land stugger van aard is.

    Sinds de Tweede Wereldoorlog maakte Duitsland ongeveer elke twintig jaar een crisis door die onoverkomelijk leek: eind jaren zestig, de eerste helft van de jaren tachtig, het begin van deze eeuw, en nu weer. Op het moment dat ze plaatsvonden, zagen de oude crises er uitzichtloos uit, maar toch kwam er een einde aan door een regeringswisseling of door hervormingen. De huidige crisis echter is fundamenteler van aard: ze heeft te maken met de rol van Duitsland in de wereld en met het economische groeimodel van het land. De regering heeft geen duidelijke hervormingsagenda om Duitsland hier doorheen te loodsen. En in de coulissen staat ook geen alternatieve regering of coalitie klaar die iets nieuws wil proberen. Dit keer is het dus anders.

    Tot een jaar geleden genoot Duitsland van zijn rol als geopolitieke scheidsrechter

    De grootschalige invasie van Rusland in Oekraïne in februari 2022 is niet de onderliggende oorzaak van iets specifieks, maar wel de aanleiding tot alles. Tot een jaar geleden genoot Duitsland van zijn rol als geopolitieke scheidsrechter. Het land had zowel iets met het Oosten als het Westen: het was van de VS afhankelijk voor veiligheid, van Rusland voor gas en van China voor export.

    De Russische invasie legde de onhoudbaarheid van deze diplomatieke neutraliteit bloot, namelijk hoezeer Duitsland afhankelijk is van oude, energieverslindende industrieën en hoe weinig het aan industriële modernisering heeft gedaan. Het debat in Duitsland laat zien dat er niet veel animo bestaat voor ingrijpende veranderingen. Misschien krijgt het land te maken met een situatie zoals die zich voordeed in Italië na de invoering van de euro in 1999; daarop volgde een lange periode van economische depressie, afkalving van het klassieke politieke centrum en de opkomst van extreme partijen.

    Rusland

    Deze zomer verstevigde de extreemrechtse Alternative für Deutschland (AfD) haar landelijke positie als de op een na grootste partij van Duitsland – groter nog dan de partijen in de driepartijencoalitie van Olaf Scholz – ook diens eigen sociaaldemocraten (SPD). Bij Tolstoj lezen we dat elke ongelukkige familie ongelukkig is op zijn eigen manier. De AfD is bij uitstek de ongelukkige familie van Oost-Duitsland. De partij werd ongeveer tien jaar geleden opgericht als een beweging van West-Duitse hoogleraren economie die tegen de euro waren. Later werd zij geïnfiltreerd door nationalisten die zich tegen immigratie keren, tegen het EU-lidmaatschap en alles wat buitenlands is.

    Het politieke zwaartepunt van de AfD verschoof van het westen naar het oosten en werd gaandeweg extremer. Ik zou de partij niet fascistisch willen noemen, al tonen sommige leden zich tolerant tegenover neonazi’s en namen ze deel aan neonaziprotesten. Volgens de laatste peilingen geniet de AfD steun van 21 à 22 procent van het Duitse electoraat. In Oost-Duitsland scoort de AfD tussen de 29 en 35 procent. In vier van de vijf Oost-Duitse deelstaten is zij de grootste partij in de peilingen.

    De meest recente opleving van de AfD kwam toen Duitsland Oekraïne ging steunen na de Russische invasie

    De meest recente opleving van de AfD kwam toen Duitsland Oekraïne ging steunen na de Russische invasie. De meeste Oost-Duitsers zijn tegen wapenleveranties aan Oekraïne. Oost-Duitsland staat bekend als een regio van oude mannen en vrouwen, van wie velen nog steeds een sterke band met Rusland hebben. In hun volwassen leven hebben ze drie perioden meegemaakt die zwaar overschaduwd werden door Rusland: het Koude Oorlog-tijdperk van de aan de Sovjet-Unie verbonden Duitse Democratische Republiek van 1949 tot 1990, het tijdperk van de Russisch-Duitse dooi in het verenigde Duitsland van 1990 tot 2021, en het huidige tijdperk tegenover het Rusland van Vladimir Poetin.

    Economisch en financieel maakt Duitsland deel uit van het Westen, ondanks dat het op veel vlakken ook sterk afhankelijk is van Rusland. Cultureel en politiek is Duitsland opgedeeld in een oosten dat naar het Oosten kijkt en een westen dat naar het Westen kijkt.

    Een Berlijnse journalist vertelde me een paar jaar geleden dat voor hem Moskou politiek en cultureel gezien dichter bij Berlijn ligt dan Parijs of Londen. Voor de Eerste Wereldoorlog gold dat gevoel voor heel Duitsland. De gespleten geopolitieke persoonlijkheid van het land bepaalde tot voor kort ook de houding ten opzichte van de NAVO. Frank-Walter Steinmeier, de Duitse bondspresident en minister van Buitenlandse Zaken van 2005 tot 2009 en van 2013 tot 2017, was een van de architecten van het pro-Russische beleid van Duitsland. In 2016 beschreef hij een NAVO-oefening in Oost-Europa als oorlogspropaganda. Het was een opvallende opmerking, die dan niet onopgemerkt bleef in Oost-Europa, waar Steinmeier met argusogen wordt bekeken.

    Boegbeeld

    Steinmeier is sindsdien van standpunt veranderd, maar veel Oost-Duitsers zijn dat niet. Zij hebben geprofiteerd van de nauwe betrekkingen tussen Duitsland en Rusland. Nord Stream – de Baltische gaspijpleiding – verbond de Baltische kust met Oost-Duitsland. Oost-Duitse sociaaldemocraten behoorden tot de belangrijkste voorstanders van dit nu ter ziele gegane project. Een SPD-deelstaatpremier hielp zelfs – met geld van Gazprom – bij het opzetten van een overheidsstichting om de Amerikaanse sancties tegen het consortium in Russische handen te omzeilen.

    Een Berlijnse journalist vertelde me voor hem Moskou politiek en cultureel gezien dichter bij Berlijn ligt dan Parijs of Londen

    Het boegbeeld van de Nord Stream-pijpleiding was Gerhard Schröder, bondskanselier tussen 1998 en 2005. Hij en verschillende Oost-Duitse politici creëerden hechte netwerken voor Duits-Russische politieke, economische en culturele diplomatie. In die periode ontstonden ook Russisch-Duitse maatschappelijke organisaties, die inmiddels zijn opgeheven. De inval van Rusland in Oekraïne en de reactie van het Westen maakten een einde aan een periode van dertig jaar nauwe politieke en economische samenwerking.

    Is dit nu allemaal voorbij? Wie vanuit Londen, Washington of Brussel naar Duitsland keek, was onder de indruk van de inmiddels beroemde toespraak van Olaf Scholz in maart 2022, waarin hij een Zeitenwende aankondigde: een omwenteling die Duitsland dichter bij de veiligheidsarchitectuur van het Westen zou brengen. Ik ben daar sceptischer over. 

    Ik denk niet dat Duitsland weer een gemoedelijke relatie met Rusland zal opbouwen. Maar de belofte van Scholz, die een nieuw tijdperk aankondigt ten aanzien van Duits buitenlands beleid en vooral van meer defensie-uitgaven, zal niet worden ingelost. Duitsland zal moeite blijven houden met het behalen van de NAVO-doelstelling: defensie-uitgaven ter waarde van 2 procent van de economische productie. Veel Duitsers, vooral in het oosten, willen daar niet aan meedoen.

    De invasie van Rusland heeft deze nieuwe verdeeldheid versterkt, maar ook op andere gebieden zijn er al langer spanningen. Oost-Duitsers zijn het minst groen, woke en globalistisch van alle Duitsers. Ze beschouwen zichzelf niet als deel van een door de VS geleide westerse wereld. Ik herinner me nog levendig de teleurstelling die veel Oost-Duitsers na de hereniging voelden toen Helmut Kohl instemde met de invoering van de euro. Ze hadden net de Deutschmark als nieuwe munteenheid gekregen en moesten nu alweer overstappen.

    Veel mensen realiseerden zich niet hoe ver de twee kanten tijdens de Koude Oorlog uit elkaar waren gegroeid

    Op het eerste gezicht was de hereniging in 1990 een succes, maar zij creëerde ook nieuwe vormen van verdeeldheid. Sommige daarvan worden nu pas zichtbaar. Oost-Duitsland onderhandelde niet over een nieuwe grondwet, maar nam de West-Duitse grondwet volledig over. Dat was destijds een democratische politieke keuze van de Oost-Duitsers. Een paar jaar later kregen ze wroeging. Niemand wilde of kon de hereniging ongedaan maken. Maar veel mensen realiseerden zich niet hoe ver de twee kanten tijdens de Koude Oorlog uit elkaar waren gegroeid.

    De VS waren voor het naoorlogse West-Duitsland het grootste politieke en culturele referentiepunt. Voor Oost-Duitsland was Rusland natuurlijk de belangrijkste partner. Ik heb familieleden die in het oosten van Duitsland woonden voordat de Berlijnse Muur werd gebouwd. Met tegenzin en onder dwang leerden ze Russisch op school, en ze hoopten dat ze dat later weer snel zouden vergeten. Maar misschien is mijn familie atypisch.

    De hereniging heeft geen einde gemaakt aan de verdeeldheid

    De hereniging heeft geen einde gemaakt aan de verdeeldheid. Economisch gezien was de eenwording een overname – geen fusie. West-Duitsland betaalde naar schatting met grote tegenzin een miljard euro aan overdrachtskosten: een ongekend groot bedrag. Kort na de hereniging zou Oost-Duitsland modernere wegen en infrastructuur krijgen, maar het voelde als een gouden kooi. Oost-Duitsland is voor West-Duitsland wat Zuid-Italië is voor Noord-Italië: hoeveel geld er ook in wordt gepompt, er wordt nooit een economische wisselwerking mee gecreëerd.

    Het was Rusland dat oost en west weer met elkaar verbond. Toen Schröder in 1998 kanselier van Duitsland werd, was een van zijn prioriteiten om de zakelijke banden met Rusland aan te halen. Hij en Poetin, die in 2000 president van Rusland werd, ze hadden een goede en zelfs persoonlijke band. Hun vriendschap overleefde het aftreden van Schröder, de annexatie van de Krim door Poetin, en later de volledige invasie van Oekraïne. Toen Rusland geleidelijk veranderde in een strategische partner voor het verenigde Duitsland, was er opeens een belangrijke rol weggelegd voor de Oost-Duitsers: ze kenden de Russen beter dan de West-Duitsers.

    Omwenteling

    Daar kwam op 24 februari vorig jaar in één klap een einde aan. Samen met de politieke omwentelingen kwam de economische schok. De eerste twee decennia van deze eeuw waren ongewoon gunstig geweest voor Duitsland, zowel in het oosten als in het westen, en Rusland speelde daarbij een belangrijke rol. Toen Schröder in 2005 zijn ambt neerlegde, sloot hij zich onmiddellijk aan bij het consortium Nord Stream 2, dat twee gaspijpleidingen uit Rusland zou aanleggen.

    Duitsland heeft geen andere natuurlijke energiebronnen dan steenkool. In het begin van de jaren 2000 was het voor elektriciteit afhankelijk van kernenergie. Maar de enige beschikbare politieke machtsoptie voor Schröder – en vandaag de dag voor Scholz – was een coalitie met de Groenen, die zijn voortgekomen uit de beweging tegen kernenergie in de jaren zeventig. Sindsdien is het standpunt van de Groenen hetzelfde gebleven.

    De Groenen maken deel uit van de regering en ze behaalden een grote zege met de controversiële ontmanteling van de laatste zes kerncentrales van Duitsland. Die voorzagen het land tot twee jaar geleden van ongeveer 14 procent van het totale elektriciteitsverbruik. De prijs die wordt betaald voor een kernenergievrij Duitsland is de toename van steenkool: een derde van alle elektriciteit komt daar nu vandaan; het resultaat van een ondoordacht energiebeleid.

    Het land werd nog afhankelijker van Russische gas- en olievoorraden

    Schröder en het Duitse bedrijfsleven wisten dat het oude, zakelijke Duitsland een alternatieve energiebron nodig zou hebben en zijn vriend Poetin was de man om die te leveren. In 2005 werd Schröder opgevolgd door Angela Merkel, de eerste leider van het verenigde Duitsland die afkomstig was uit Oost-Duitsland. Zij stond persoonlijk niet zo dicht bij Poetin als Schröder, maar voerde hetzelfde beleid. En zoals veel Oost-Duitsers – en in tegenstelling tot Schröder – sprak ze vloeiend Russisch. Tijdens het zestienjarige kanselierschap van Merkel kon Duitsland zijn positie als industriële grootmacht verstevigen, maar werd het land nog afhankelijker van Russische gas- en olievoorraden. De Duitse industrie werd een van de belangrijkste economische begunstigden van de industriële globalisering en geïntegreerde mondiale toeleveringsketens.

    In de jaren voor de pandemie boekte Duitsland overschotten op de lopende rekening ter grootte van 8 procent van zijn nationale economische productie. Dat is enorm veel, vooral voor een relatief grote economie die meer op de binnenlandse vraag zou moeten vertrouwen. Veel mensen waren opgetogen over wat ze – ten onrechte – als een sterke prestatie beschouwden. Slechts een klein aantal economen en commentatoren, meestal net als ik afkomstig uit het buitenland, wees op wat zij zagen als het onhoudbare bedrijfsmodel van Duitsland.

    De exportoverschotten bleken niet zozeer een teken van succes, als wel van een groot gebrek aan balans tussen besparingen en investeringen. Opeenvolgende regeringen verzuimden te investeren in het leger, in moderne digitale infrastructuur en in nieuwe energiebronnen. De meeste mensen werden zich pas het afgelopen jaar acuut bewust van deze problemen. Duitse media stellen sindsdien zeer kritische vragen over de Duits-Russische alliantie, vooral over de rol van Schröder en Merkel. Maar over het algemeen onderschrijven ze nog steeds de notie van het oude industriemodel, dat op export is gericht.

    De oude Duits-Russische relaties herstellen zich niet, weten ze daar, ook niet onder een nieuwe Russische leider

    Aan het eind van het vorige decennium werden de eerste krassen op dat model zichtbaar. De Duitse auto-industrie bleef vasthouden aan oude dieselmotoren en verzuimde te investeren in infrastructuur die nodig is om elektrische voertuigen te bouwen. Het hele Nord Stream-project was een poging om het speelveld te verschuiven ten gunste van Duitse industriële bedrijven. Dat gebeurde terwijl China en de VS investeerden in kunstmatige intelligentie, elektrische auto’s en andere hedendaagse technologieën. De Duitse economie deed het goed in die periode. Maar waar te weinig bij werd stilgestaan, is dat die bleef steken in het analoge tijdperk van dieselmotoren en koperen telefoonkabels.

    Het stortte allemaal ineen door de pandemie en de oorlog in Oekraïne. Het meest zichtbare symbool van de verandering was de ontploffing van drie van de vier Nord Stream-pijpleidingen in 2022. Het is nog steeds niet zeker wie er achter de bomaanslag zit. In de Duitse media zijn er berichten dat het een Oekraïens commando was. Of dat nu waar is of niet, de brokstukken van de ontplofte pijpleiding die boven kwamen drijven, markeerden het einde van een tijdperk. Ontkenning is meestal de eerste fase van rouw. Merkel zit nog steeds in de ontkenningsfase, net als haar partij en een groot deel van West-Duitsland. Het is allemaal de schuld van Poetin, wij konden er niets aan doen – dat is hun verhaal.

    Oost-Duitsland zit intussen al in de tweede fase van rouw: woede. De oude Duits-Russische relaties herstellen zich niet, weten ze daar, ook niet onder een nieuwe Russische leider. De oorlog heeft een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. Samen met de rest van de westerse wereld legde Duitsland economische sancties op aan Rusland.

    Oost-Duitsland zit intussen al in de tweede fase van rouw: woede

    Volgens cijfers van de Duitse Oostelijke Handelsvereniging is de handel met Rusland sinds het begin van de oorlog met 76 procent gedaald. Om Russisch gas te vervangen, bouwde Duitsland in allerijl haventerminals voor vloeibaar aardgas. Het moet worden vervoerd met grote zeeschepen, en om het aardgas te lossen is een speciale haveninfrastructuur vereist. Tegenwoordig koopt Duitsland zijn gas op de wereldmarkt. De gaspijpleidingen zullen nooit worden herbouwd.

    Ik verwacht dat Duitsland verankerd zal blijven in het westerse bondgenootschap maar dat de Duitse samenleving geen zin heeft om de militaire uitgaven te verhogen of om een alternatief EU-breed veiligheidssysteem op te zetten. Voor zijn veiligheid blijft het land afhankelijk van de VS. Daarnaast zijn de VS intussen de grootste exportmarkt van Duitsland geworden. Tenzij de VS hun betrokkenheid bij de Europese veiligheid eenzijdig intrekken – bijvoorbeeld als Donald Trump opnieuw president wordt –, blijft Duitsland een trouwe bondgenoot. Maar daar hangt een prijskaartje aan, want Oost-Duitsland zal niet meedoen. Oude tegenstellingen zullen opnieuw de kop opsteken.

    Wagenknecht-partij

    De AfD profiteert het meest van deze geopolitieke verschuivingen, maar waarschijnlijk niet de enige. Er is een nieuwe linkse partij in de maak, die zal worden opgericht door Sahra Wagenknecht, voormalig leider van Die Linke en echtgenote van Oskar Lafontaine, voormalig SPD-leider en oud-minister van Financiën. De gedachte achter een Wagenknecht-partij is de creatie van een links alternatief dat zich afzet tegen grootstedelijk, liberaal links. Het belangrijkste campagnethema van Wagenknecht is haar verzet tegen wapenleveranties aan Oekraïne. Schröder en Lafontaine, die in 2000 ruzie kregen over economisch beleid, hebben onlangs hun meningsverschillen bijgelegd. Wat hen nu bindt is dat beiden paria zijn vanwege hun verzet tegen de Duitse steun aan Oekraïne.

    Een nieuwe linkse partij zou het politieke centrum verder uithollen. Hoe sterker de radicalen worden, hoe moeilijker het voor de centrumpartijen wordt om coalities te vormen en die hervormingen door te voeren die Duitsland gewend is. Blijven de hervormingen uit, dan zal dat meer mensen naar de extremen drijven.

    Blijven de hervormingen uit, dan zal dat meer mensen naar de extremen drijven

    Het is mogelijk dat Duitsland een manier vindt om de oude industrieën nieuw leven in te blazen. Misschien zit er nog een decenniumlang leven in. Je kunt ook nooit uitsluiten dat een externe wereldwijde schok de internationale vraag doet verschuiven naar vorkheftrucks van Duitse makelij, kettingzagen, analoge camera’s en zelfs, wie weet, naar auto’s die op brandstof rijden zolang regeringen de overstap naar elektrische voertuigen blijven uitstellen. Duitsland heeft te kampen met een acuut tekort aan vaardigheden, maar het zou nieuwe, nog niet aangeboorde bronnen van hoogopgeleide arbeidskrachten kunnen vinden. Noordzeeolie verbeterde de Britse economie in de jaren tachtig aanzienlijk: je kan altijd geluk bij een ongeluk hebben.

    Maar dat geldt ook voor onverwachte pech. Ik verwacht dat Duitsland zal proberen het oude industriële model te versterken, omdat het geen ander kent. Maar tenzij er een onvoorziene verschuiving plaatsvindt, is dat model niet duurzaam. De geschiedenis leert ons dat het niet-duurzame ofwel duurzaam wordt gemaakt, ofwel zal eindigen. In dit geval zal het eindigen, is mijn idee.

  • Trump wordt steeds extremer. Waarom krijgt hij toch de steun van de Republikeinen?

    Trump wordt steeds extremer. Waarom krijgt hij toch de steun van de Republikeinen?

    Het is ongelofelijk dat de christelijke achterban van Trump trouw blijft klappen voor zijn ontmenselijkende retoriek, vindt journalist Peter Wehner. Volgens hem verraden ze daarmee niet alleen ‘hun menselijkheid, ze verraden ook de Heer die ze beweren lief te hebben en te dienen’.

    Hoe had de jarenlang aangewakkerde haat in Rwanda tot zulke gruwelijke massamoorden kunnen leiden? Kennedy Ndahiro, redacteur van het Rwandese dagblad The New Times, gaf in 2019 aan de lezers van The Atlantic antwoord op die vraag. Hij schreef: ‘In Rwanda weten we wat er kan gebeuren als politiek leiders en media bepaalde groepen mensen als niet-menselijk bestempelen.’

    Ndahiro beschreef hoe Joseph Habyarimana Gitera, een invloedrijk politiek figuur van de Hutu’s, de grootste etnische groep in Rwanda, in 1959 openlijk had opgeroepen tot het uitroeien van de Tutsi’s, de op een na grootste etnische groep in Rwanda. Gitera noemde de Tutsi’s ‘ongedierte’.

    ‘Zo begon de stigmatisering en ontmenselijking van de Tutsi’s,’ schreef Ndahiro. Het leidde in 1994 tot een periode van honderd dagen waarin naar schatting een miljoen mensen werden vermoord. De meesten waren Tutsi’s. ‘De verschrikkelijkste vorm van haat was losgebarsten,’ schreef Ndahiro. ‘Wat begon met ontmenselijkende woorden eindigde in bloedvergieten.’

    Op Veteranendag, toen Donald Trump zijn vijanden in een toespraak ‘ongedierte’ noemde, moest ik terugdenken aan dat begin van de Rwandese genocide.

    ‘We beloven jullie dat we het ongedierte gaan uitroeien: alle communisten, marxisten, fascisten en de radicaal-linkse schurken die in ons land leven – die liegen en stelen en verkiezingsfraude plegen,’ zei Trump aan het slot van zijn toespraak in Claremont, New Hampshire. ‘Ze zullen alle legale en illegale middelen inzetten om Amerika en de Amerikaanse droom te vernietigen.’ Hij ging verder: ‘Een dreiging die van buitenaf komt is veel minder sinister, veel minder gevaarlijk en veel minder ernstig dan een dreiging van binnenuit. Onze dreiging komt van binnenuit.’ Na Trumps toespraak barstte een luid applaus los.

    Bloedbad

    Slechts een paar weken voor die toespraak werd Trump door een presentator van een rechtse website geïnterviewd over immigratie en de zuidgrens. ‘Had u ooit gedacht dat u in Amerika zo’n bloedbad zou zien?’ vroeg de interviewer aan Trump.

    ‘Nee. Niemand heeft ooit zoiets gezien,’ antwoordde Trump. ‘Ik denk wereldwijd niet. Ik denk dat je nog niet in de ergste bananenrepubliek zult aantreffen wat wij hier nu meemaken.’ Trump, momenteel koploper in de race om het Republikeinse presidentskandidaatschap, waarschuwde ervoor dat immigranten een directe bedreiging vormen. ‘We weten dat ze uit gevangenissen komen. We weten dat ze uit psychiatrische inrichtingen en gekkenhuizen komen. We weten dat het terroristen zijn. Niemand heeft ooit zoiets meegemaakt als wij nu. Het is heel triest voor ons land. Het bloed van ons land wordt vergiftigd.’

    Op 20 september zei Trump in een toespraak in Dubuque, Iowa: ‘Ze zijn ons land kapot aan het maken. Het bloed van ons land. Ze maken ons land kapot.’

    Trumps retoriek is een vrijbrief voor zijn aanhangers: ze gaan nu dezelfde ontmenselijkende taal gebruiken als hij. Trump ziet anderen als existentiële bedreigingen, die vastbesloten zijn om alles te vernietigen wat hij en zijn aanhangers zo mooi vinden aan Amerika. Trump doet twee dingen tegelijk: hij propageert het verhaal dat zijn vijanden verslagen moeten worden, en neemt de natuurlijke remmingen weg die de meeste mensen ervan weerhouden anderen te haten en te schaden. Zijn aanhangers krijgen het signaal dat elk middel mag worden ingezet om de andere kant te verslaan; de gebruikelijke beperkingen die menselijke interacties in goede banen leiden, zijn niet langer van toepassing.

    Ontmenselijkte mensen kunnen worden gezien als veel lager dan dieren

    ‘Ontmenselijkers’ denken dat hun doelwitten ‘een menselijk uiterlijk hebben maar vanbinnen geen mens zijn’, meent David Livingstone Smith, een professor filosofie die onderzoek heeft gedaan naar de geschiedenis en de complexe psychologische wortels van ontmenselijking. ‘Ontmenselijking ontleent een kenmerkend psychologisch element aan het feit dat de ontmenselijker zich pijnlijk bewust blijft van de menselijkheid van de ander,’ schrijft hij. ‘Ironisch genoeg zorgt uitgerekend ons onvermogen om andere mensen als niet meer dan dieren te beschouwen voor onvoorstelbare wreedheid en destructie.’ Ontmenselijkte mensen kunnen worden gezien als veel lager dan dieren; ze kunnen worden veranderd in monsters. Ze zijn niet alleen gevaarlijk; ze vormen een bedreiging. Ze zijn niet alleen onmenselijk; ze zijn onherroepelijk destructief.

    Dit is het gewiekste retorische en psychologische spel dat Trump speelt, en hij speelt het erg goed. Hij is de enige Amerikaanse politicus die aanvoelt hoe hij de haat en wrok van zijn aanhangers kan aanwakkeren en er tegelijkertijd voor kan zorgen dat ze hem niet alleen trouw blijven, maar zelfs aanbidden.

    Trumps tegenstanders, waaronder de pers, zijn ‘de absolute vijanden van het volk’. Trump heeft geëist dat er een onderzoek wordt ingesteld naar het moederbedrijf van nieuwskanalen MSNBC en NBC wegens ‘landverraad’. Ze zouden zich volgens hem schuldig maken aan ‘eenzijdige en kwaadaardige berichtgeving’. Op zijn sociale netwerk Truth Social heeft hij geïnsinueerd dat de voormalig voorzitter van de Joint Chiefs of Staff, Mark Milley, het verdient om geëxecuteerd te worden wegens landverraad. Dagen later vroeg een van zijn aanhangers bij een Trump-evenement in Iowa waarom Milley niet ‘binnen een maand voor een vuurpeloton zou staan’. Een ander zei tegen NBC News: ‘Verraad is verraad. Er is maar één medicijn voor verraad: de dood.’

    Trump maakt geregeld grappen over de gewelddadige aanval op de man van Nancy Pelosi, die daarbij ernstige verwondingen opliep: onder andere een schedelbasisfractuur waarvoor hij geopereerd moest worden. Special counsel Jack Smith, die twee aanklachten tegen de voormalige president heeft ingediend, zou een ‘Trump-hatende aanklager’ zijn die ‘gestoord’ is en een ‘schande vormt voor Amerika’. Zijn vrouw en familie zouden Trump ‘nog veel meer verachten dan hijzelf’. Trump heeft op Truth Social de naam, een foto en het persoonlijke Instagram-account gedeeld van een ambtenaar in dienst van rechter Arthur Engoron, die momenteel de rechtszaak over Trumps civiele fraude voorzit. Trump veracht Engoron en heeft hem herhaaldelijk aangevallen. Hij noemt hem ‘GESTOORD’ en ‘GESTOORD in zijn haat tegen mij’. (Trump heeft de post over de ambtenaar, die hij een ‘Trump Hating Clerk’ noemde, later verwijderd, maar pas nadat hij al op grote schaal was gedeeld.)

    Bestorming van het Capitool

    Bij de eerste bijeenkomst van zijn huidige presidentscampagne, in Waco, Texas, werkte Trump mee aan een opname van het J6-gevangeniskoor. Dat koor bestaat uit mannen die gevangen hebben gezeten voor hun aandeel in de bestorming van het Amerikaanse Capitool op zes januari 2021. In het nummer ‘Justice for All’ zegt Trump de Pledge of Allegiance op terwijl op de achtergrond het volkslied gezongen wordt.

    ‘Onze mensen houden van hen,’ zei Trump tijdens de bijeenkomst in Waco over degenen die in de gevangenis zaten. ‘Wat er in die gevangenis gebeurt… Het is een hel. Die mensen horen daar niet.’

    The Washington Post ‘identificeerde vijf van de ongeveer vijftien mannen die in de video te zien zijn. Vier van hen zijn aangeklaagd voor het aanvallen van de politie. Ze gebruikten wapens zoals een koevoet, stokken en chemische spray, onder andere tegen agent Brian D. Sicknick, die de volgende dag overleed.’

    Tijdens de bijeenkomst in Waco verklaarde Trump: ‘Ik ben jullie strijder. Ik ben jullie gerechtigheid.’ Hij voegde eraan toe: ‘Voor degenen die onrechtvaardig behandeld en verraden zijn – en dat zijn er veel – ik ben jullie vergelding.’ Trump heeft 2024 beschreven als ‘onze laatste strijd’. Hij is bloedserieus, en zijn tientallen miljoenen aanhangers zijn dat ook.

    De retoriek van Trump is zonder meer fascistisch. Tegenwoordig probeert hij ‘veel openlijker een autoritaire figuur te worden en Amerika te veranderen in een soort autocratie’, zegt Ruth Ben-Ghiat, historicus aan NYU, in een interview op PBS NewsHour. Dat betekent nog niet dat Amerika, als Trump in 2024 tot president wordt verkozen, een fascistische staat zou worden. Onze instituties zijn waarschijnlijk sterk genoeg om hem te weerstaan – maar ook dat is niet zeker. Hoe dan ook kan Trump veel dingen doen die Amerika ernstige schade kunnen toebrengen.

    Hij heeft gepleit voor ‘afschaffing van alle regels, voorschriften en wetsartikelen, zelfs die in de Grondwet’

    Trump is uiteindelijk al twee keer bijna afgezet, vier keer aangeklaagd voor maar liefst 91 vergrijpen en schuldig verklaard aan seksueel misbruik en laster. Rechtbanken in New York hebben vastgesteld dat hij of zijn bedrijven bankfraude, verzekeringsfraude, belastingfraude en liefdadigheidsfraude hebben gepleegd. Trump heeft geprobeerd de verkiezingen van 2020 ongedaan te maken. Hij was de katalysator die leidde tot een gewelddadige aanval op het Capitool. En hij heeft gepleit voor ‘afschaffing van alle regels, voorschriften en wetsartikelen, zelfs die in de Grondwet’.

    Volgens voormalig vicepresident Dick Cheney, die in vier Republikeinse regeringen heeft gediend en in het Huis van Afgevaardigden werkte, ‘is er in de geschiedenis van onze natie nog nooit iemand geweest die een grotere bedreiging vormde voor onze republiek dan Donald Trump’.

    Dat Trump dit alles heeft gezegd en gedaan, is geen verrassing; hij is een diep beschadigd mens, zowel emotioneel als psychologisch. En hij is altijd volledig transparant geweest over wie hij is. Het meest verontrustend zijn de mensen in de Republikeinse Partij die zich, tegen beter weten in, keer op keer hebben neergelegd bij de verdorvenheden van Trump. Sommigen juichen hem toe, anderen doen in stilte mee. Een paar van hen uiten een beetje kritiek en veranderen dan snel van onderwerp. Maar ze laten hem nooit in de steek.

    Inmiddels weet ik hoe dit afloopt: de meeste Republikeinen zouden in een gigantische cognitieve spagaat terechtkomen als ze tegenover zichzelf en anderen erkennen wie Trump werkelijk is maar hem toch trouw blijven. In plaats daarvan zoeken ze manieren om dat innerlijke conflict te sussen. Dus omarmen ze samenzweringstheorieën om te onderbouwen waar ze zo wanhopig in willen geloven: bijvoorbeeld dat er verkiezingsfraude gepleegd is, of dat het onderzoek naar de Russische banden met de Trumpcampagne van 2016 een ‘hoax’ was, of dat Joe Biden overtredingen heeft begaan waarvoor hij moet worden afgezet. Ze geven zich over aan whataboutism [het constante gebruik van irrelevante tegenwerpingen waardoor de discussie ontspoort] en catastrophism – het geloof dat de samenleving op instorten staat – om hun steun voor Trump te rechtvaardigen. Ze hebben een vurige psychologische behoefte om te rationaliseren waarom het voor hen, op dit moment in de geschiedenis, gerechtvaardigd is om te geloven dat het doel de middelen heiligt.

    Fatsoen

    Zoals een aanhanger van Trump het eerder deze maand in een e-mail aan mij verwoordde: ‘Trump is beslist niet goed en fatsoenlijk’ – maar, voegde hij eraan toe, ‘goed en fatsoenlijk brengt ons politiek gezien niet echt ver’. En: ‘We hebben geprobeerd om het op een goede en fatsoenlijke manier te doen. Maar bij de stembus werkt dat niet. Dus moeten we het op een andere manier proberen.’

    Dat sentiment heb ik vaker gehoord. In 2016, tijdens de Republikeinse voorverkiezingen, schreef iemand die ik al vele jaren via de kerk ken, het volgende aan me: ‘Ik denk dat we als land voorbij het point of no return zijn afgegleden en ik hoop vurig op een leider die het tij kan keren. Ik geloof niet dat iemand van de gevestigde orde dat zal doen. Volgens mij is dat de reden dat mensen zich openstellen voor Trump. Hij is inderdaad al die slechte dingen die jij opnoemt, maar wat heeft het Republikeinse establishment mij de afgelopen zestien jaar opgeleverd? Ik zal het je vertellen: BHO.’ BHO is een denigrerende afkorting van Barack Obama’s naam, die gebruikt wordt om zijn tweede naam, Hussein, te benadrukken.

    Als ik deze persoon in 2016 had verteld wat Trump in de daaropvolgende acht jaar zou zeggen en doen, zou hij het hoogstwaarschijnlijk hebben weggelachen en afgedaan als het ‘Trump Derangement Syndrome’ of hij zou me op het hart hebben gedrukt dat hij, als Trump al die dingen echt zou doen, uiteraard afstand van hem zou nemen. Maar kijk waar we nu zijn. Ondanks het feit dat de verdorvenheid van Trump zo goed gedocumenteerd is, heeft hij de Republikeinse Partij nog altijd in zijn greep. In 2020 haalde hij 94 procent van de Republikeinse stemmen, een stijging ten opzichte van 2016. Bovendien heeft hij een voorsprong van meer dan 45 punten ten opzichte van de eerstvolgende Republikeinse presidentskandidaat.

    De evangelische beweging in Amerika is veranderd onder invloed van Trump en zijn aanhangers

    Witte evangelische protestanten behoren tot de meest loyale achterban van de Republikeinse partij, en volgens het Pew Research Center stemden meer dan acht op de tien witte evangelische protestantse kiezers die vaak naar religieuze diensten gaan, in 2020 op Trump. Van de witte evangelische protestanten die minder vaak religieuze diensten bezoeken, stemde 81 procent op hem. Dat is een stijging ten opzichte van 2016. De steun voor Trump onder witte evangelisten is nog steeds extreem hoog: volgens een peiling uit juni heeft eveneens 81 procent een positief beeld van hem – zelfs nadat Trump dus al voor de tweede keer was aangeklaagd.

    De evangelische beweging in Amerika is veranderd onder invloed van de opvattingen en het gedrag van Trump en zijn aanhangers. In een enquête zei bijvoorbeeld bijna een derde van de witte evangelisten achter de volgende uitspraak te staan: ‘Aangezien de zaken zo ver uit de hand zijn gelopen, kunnen de ware Amerikaanse patriotten misschien niet anders dan hun toevlucht te nemen tot geweld om ons land te redden.’

    Mensen die beweren volgelingen van Jezus te zijn, blijven trouw aan een man wiens wrede ethiek steeds meer lijnrecht tegenover die van Jezus staat. Dat is opmerkelijk. Veel mensen die de christelijke invloed op de beschaving bezingen, die propageren dat ieder mens dezelfde rechten en waardigheid heeft, die de lessen van de Bergrede en de Gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan vieren en die, in de woorden van mijn overleden vriend Michael Gerson, geloven in een ‘transcendente orde van rechtvaardigheid en hoop die boven de politiek staat’, blijven trouw aan een man die Mein Kampf-retoriek gebruikt.

    Maar dat hoeft niet. Je geweten volgen, zelfs lang nadat je dat eigenlijk al had moeten doen, is altijd de juiste keuze.

    ‘Als we ontmenselijkende retoriek gebruiken en ontmenselijkende beelden promoten’, schrijft bestsellerauteur Brené Brown, ‘dan doen we daarmee af aan onze eigen menselijkheid.’ Zij gelooft dat we geroepen zijn om het gezicht van god te vinden in iedereen die we ontmoeten, ook in degenen met wie we het oneens zijn. ‘Als we hun goddelijkheid ontheiligen, ontheiligen we ook die van onszelf en verraden we onze menselijkheid.’

    Veel te veel christenen in Amerika verraden niet alleen hun menselijkheid, ze verraden ook de Heer die ze beweren lief te hebben en te dienen.

    Peter Wehner is redacteur bij The Atlantic, auteur van The Death of Politics en voormalig speechschrijver voor de regeringen van drie Republikeinse presidenten van de VS.

  • ‘Argentinië, wat bezielde ons?’ Deze schrijver begrijpt niet waarom Milei zo populair is

    ‘Argentinië, wat bezielde ons?’ Deze schrijver begrijpt niet waarom Milei zo populair is

    Zondag zijn de presidentsverkiezingen in Argentinië. Schrijver Martín Caparrós is diep teleurgesteld over de opkomst van de radicaal-rechtse kandidaat Javier Milei. ‘Het verbijsterendst is het idee dat er acht of tien miljoenen Argentijnen rondlopen die hem kennelijk als president willen.’

    Keuze uit het archief

    In Argentinië is het armoedecijfer nu de 50 procent overschreden. 52,9 procent van de Argentijnen leeft in armoede als gevolg van het bezuinigingsprogramma van de regering, aldus Financial Times, die spreekt van ‘een wake-up call voor president Javier Milei, wiens populariteit begint af te brokkelen’.
    Dat was een jaar geleden wel anders: in dit artikel van El País van een jaar geleden beklaagt schrijver Martín Caparrós zich erover dat hij een van de weinige Argentijnen is die niet achter de extreemrechtse Milei aanlopen. De beroerde economische situatie in Argentinië hielp Milei in het zadel, maar de vraag is hoe lang hij nog in het zadel blijft zitten nu hij niet in staat blijkt te zijn het land uit het slop te trekken.

    Ik herinner me die zondagavond in Medellín, een paar jaar geleden, na afloop van het door president Santos uitgeschreven referendum om ja of nee te zeggen tegen het vredesakkoord dat hij met de FARC had gesloten. Ik kende niemand die tegen was: iedereen die ik in die tijd tegenkwam steunde hem – wie was er nu tegen vrede? Toch bleek uit de binnenkomende resultaten die avond dat maar een derde van de bevolking zijn stem had uitgebracht en dat Nee won. De verwarring was groot. Ik herinner me vooral het ongemak bij velen toen ze ontdekten dat hun land anders was dan ze dachten en beseften dat ze zich almaar hadden vergist. Zoiets doet zich vaak genoeg voor, en het is altijd schokkend: het moment dat de mensen om je heen anders blijken te zijn dan je  dacht dat ze waren. Dat je in zekere zin zelf anders was dan je dacht. 

    Dat heb ik nu, met permissie, met Argentinië. Iedereen heeft het over Milei, maar voor mij is hij niet het ergste. Dat is de bevreemding deel uit te maken van een land waar een derde – of zelfs de helft – van de bevolking bereid is de macht over te dragen aan een gestoorde geest. Het verbijsterendst is niet de verkiezingsuitslag maar de stemmers, het idee dat er acht of tien miljoenen Argentijnen rondlopen die hem kennelijk als president willen. Ik weet niet wie het zijn, ik snap de landgenoten niet die hem bij de eerste kiesronde van 22 oktober dreigen te kiezen. Natuurlijk snap ik dat ze wanhopig en ten einde raad zijn vanwege de armoede en de rechteloosheid; wat ik niet snap is dat ze geen beter alternatief zien om de problemen op te lossen. Ik snap dat zij – wij – ieder geloof in de politici en hun gesol met de democratie hebben verloren. Wat ik niet snap is dat ze een rare snuiter die met zijn dode hond praat, die iedereen beledigt die hem geen bwana noemt, die organen en wapens wil verkopen omdat de markt dicteert en die over straat gaat met een motorzaag, echt zien als de best denkbare – of enige – optie. Dat ze alles in feite kapot willen maken en er niet bij stilstaan dat er behoefte is aan opbouw. 

    Alles draait om hem en hem alleen. Deze week eindigt de lange provinciale verkiezingsronde die aan de landelijke voorafgaat en nergens hebben de kandidaten uit het kamp Milei meer dan 5 procent gehaald, ook niet op plekken waar hij zelf bij de voorverkiezingen 20 tot 30 procent haalde. De stemmen gaan dus niet naar de partij of haar rechts-populistische ideeën, ze gaan naar zijn dolzinnige getier. Het is deze operettefiguur die al die mensen in zijn ban heeft. (En die in het presidentsdebat van afgelopen zondag het lef had de woorden van stal te halen die admiraal Massera, het bloeddorstigste lid van de junta, sprak tijdens het proces waarbij hij in 1985 werd veroordeeld voor moord: de genocide van de militairen viel voor in ‘een oorlog, en dan heb je nu eenmaal excessen’, aldus de opperbevelhebber van de marine. Milei herhaalde het letterlijk.) 

    De stemmen gaan niet naar de partij of haar rechts-populistische ideeën, ze gaan naar zijn dolzinnige getier

    Ik kan er niet bij met m’n verstand. Ik ben nooit peronist geweest maar ik begreep het peronisme: het bood miljoenen betere leefomstandigheden. Ik ben nooit een Kirchner-aanhanger geweest maar ik begreep haar politiek na een zeer diepe crisis. Ze wist de juiste toon te vinden en de hervorming van de welzijnszorg hield haar in het zadel. Ik ben nooit een Macri-fan geweest maar ik begreep zijn beleid: het herinnerde een heleboel Argentijnen aan het oude misverstand dat rijken kunnen regeren zonder te willen stelen. Ik begreep het, ik meende het te begrijpen. Deze keer niet.

    En het valt me zwaar er werkelijk geen klap van te begrijpen. Het is voor iemand wiens globale wereldbeeld is gebaseerd op respect voor de meerderheid – zeg maar het volk – een hard gelag om te moeten erkennen dat hij niet begrijpt waar dat volk mee bezig is, waar die meerderheid voor kiest. Om te moeten accepteren dat hij niet meer weet wat hij dacht te weten, dat hij in het duister tast. En om diep in zijn hart, met permissie, te geloven dat wat al die mensen doen en kiezen een ramp is. Dat ze ons naar de afgrond voeren. Het verwart me en beschaamt me. Niets zo sneu of karikaturaal als beweren dat het volk een beroerde keus heeft gemaakt en dat proberen te rechtvaardigen vanuit de slechte invloed van de reclame, massamedia en sociale netwerken waarin de wereld bestaat uit blokjes van 20 seconden muziek en kleur, je reinste hersenspoeling. Of zeggen dat alles de schuld is van de marginalisering en achteruitgang van het onderwijs, de logische irritatie van wie geen uitweg of toekomst meer ziet, en beginnen over het zoeken naar een leider die zich onderscheidt van de verfoeide traditionele leiders en van een wereldwijde golf half gare schreeuwlelijken à la Trump, Bolsonaro, Poetin, Boris Johnson. 

    Minkukel

    Ik denk namelijk niet dat genoemde factoren, hoe valide op zich ook, de keus kunnen rechtvaardigen van zo’n lachwekkende minkukel. Dus moet ik – mezelf – toegeven dat ik geen flauw idee heb hoe zulke mensen denken: hoe ze hier in hemelsnaam toe komen, hoe het bestaat dat ze kiezen voor een uitweg die de neergang van een land dat allang langzaam maar zeker naar de bliksem gaat definitief bevestigt. Vervolgens betrap ik me op de gedachte dat ze totaal de kluts kwijt zijn: dat ze niet op de hoogte zijn, niet weten wat ze zeggen, geen idee hebben van de mogelijke gevolgen. Het zijn veronderstellingen die me vat moeten geven op de zaak, maar ik verwerp ze. Ik weet dat ze een hopeloze karikatuur laten zien van de falende intellectueel die er niet uitkomt met zijn intellect, begrip of zucht naar verbinding. Toch lijkt het me even makkelijk om te begrijpen dat hun keus rampzalig is, als het me moeite kost om te bedenken waarom. 

    Ik zou dus lang kunnen praten – of schrijven – over het ondoorgrondelijke karakter van de heer Milei en de gevaren die een regering onder zijn leiding met zich mee zou brengen, maar eigenlijk heb ik alleen vragen over zijn miljoenen aanhangers: wat bezielde hen, wat bezielde ons? Waren we altijd al zo, zijn we nu zo, zijn we niet zo? Wat willen we? En, vooral, wat voor ellende staat ons te wachten als we zijn waar het op lijkt?

    Laten we hopen dat we niet zo zijn, al lijken zeer velen overtuigd van wel. En maar een paar van niet, wat eens te meer het oude vraagstuk van de ‘voorhoede’ opwerpt: is het ergens goed voor dat er een kleine kern is die wel kennis van zaken heeft, die voorziet wat uiteindelijk kan gebeuren? Er zijn door de bank genomen twee opties: of niemand slaat acht op hen – zo gaat het meestal – of dat gebeurt wel, en dan komen ze aan de macht, wat bijna altijd leidt tot despotisme met als voorwendsel meer kennis dan de rest. Hoe speel je het dan klaar belangrijke veranderingen voor te stellen en door te voeren? Dat is momenteel de vraag. Het enige wat ik zeker weet is dat het antwoord niet Javier Milei is en door dit te zeggen verwijder ik me meer en meer van die miljoenen. Ik begrijp mijn eigen land niet meer en het maakt me bang.

    Lees ook:

  • Kaja Kallas: ‘We hebben een gevechtsklaar Europa nodig’

    Kaja Kallas: ‘We hebben een gevechtsklaar Europa nodig’

    Volgens de premier van Estland is het van groot belang de EU flink gaat investeren in defensie, omdat Europa volgens haar momenteel niet in staat zou zijn burgers te beschermen. ‘Onze defensie-industrie moet op oorlogssterkte gaan draaien.’

    Zestien maanden oorlog in Oekraïne hebben strategische kansen en uitdagingen aan het licht gebracht voor de trans-Atlantische veiligheid en de Europese defensie. Met de vergadering van de Europese Raad en de NAVO-top in Vilnius voor de deur is dit het moment om te zorgen dat onze defensie voldoet aan de eisen van de nieuwe veiligheidsrealiteit – want straks is het misschien te laat.

    Op aandringen van Estland heeft de EU onlangs besloten Oekraïne tussen nu en maart 2024 een miljoen artilleriegranaten te leveren. Die steun is van groot belang voor Oekraïne, een stap vooruit in het opvoeren van de Europese defensieproductie en een blijk van wat we met daadkracht en eensgezindheid kunnen bereiken. De Russische agressie heeft ons eraan herinnerd dat we samen moeilijke dingen voor elkaar kunnen krijgen. Maar als het gaat om de Europese gevechtsgereedheid, doen we nog niet genoeg.

    De voor een oorlog allesbepalende munitievoorraden en de ondersteunende capaciteiten van Europa voldoen niet aan de nieuwe veiligheidsrealiteit van het continent, en onze defensie-industrie heeft zich er niet snel genoeg op aangepast. We zijn maar zeer beperkt in staat tot het ondersteunen, in stand houden en snel opschalen van onze defensie. Het is onze verantwoordelijkheid als Europese leiders om hier snel verandering in te brengen, want zoals het er nu voorstaat kunnen we niet voldoen aan onze belofte om onze bevolking te beschermen en elke centimeter Europees grondgebied te allen tijde te verdedigen. 

    Maar hoe is het zover gekomen?

    Streefcijfers

    We kampen momenteel met de gevolgen van decennia van achterblijvende investeringen in de Europese defensie. Op het hoogtepunt in 2005 bedroegen de defensie-uitgaven van alle EU-landen samen 1,6 procent van het bbp, en we zijn nog steeds aan het herstellen van de flinke bezuinigingen in de jaren daarna. De afgesproken streefcijfers voor de defensie-uitgaven zijn voorlopig nog niet meer dan dat: een streven. Ook mondiaal bezien lopen de Europese defensie-uitgaven achter bij de rest van de wereld. Tussen 1999 en 2021 stegen de totale defensie-uitgaven van de EU-landen maar met 19,7 procent, terwijl de defensiebegroting van de VS met 65,7 procent steeg, die van Rusland met 292 procent en van China met 592 procent. Door de verschillen in koopkracht valt deze vergelijking nog verder uit in het voordeel van de laatste twee landen.

    Ook de inflatie en structurele kostenstijgingen dragen sterk bij aan onze beperkte nominale groei. Van elke euro die naar defensie gaat, wordt maar zo’n twintig cent besteed aan aanschaf en R&D – dus aan daadwerkelijke verbetering van onze verdedigingskracht. En hoe cruciaal munitie ook is voor onze paraatheid en afschrikking, slechts een fractie van de investeringen gaat daarheen. Serieuze verbetering van de Europese defensie blijft dus nog gevaarlijk ver buiten ons bereik.

    Europa moet zich instellen op de veiligheidsrealiteit van nu. De agressie van Rusland, dat voor het eerst in de geschiedenis oorlog voert in een buurland van de NAVO, leidt tot een drastische verhoging van de maatstaven waar onze defensie aan moet voldoen. Onze strategische capaciteit moet flink worden opgevoerd en onze defensie-industrie moet op oorlogssterkte gaan draaien. Wat wij nodig hebben, is een gevechtsklaar Europa dat in zijn eigen defensie voorziet. Alleen zo kunnen we een afschrikkingsmacht opbouwen die geloofwaardig genoeg is om een oorlog te voorkomen en een eind te maken aan de Russische geweldsspiraal.

    Al sinds het begin van de invasie zien we Rusland in Oekraïne in één dag hoeveelheden artilleriemunitie afvuren die gelijkstaan aan wat Europa maandelijks produceert. Capaciteit en uithoudingsvermogen zullen de uitkomst van deze oorlog bepalen. Precisieaanvallen, luchtafweergeschut en antitankwapens zijn allemaal van vitaal belang gebleken voor Oekraïne, maar om stand te kunnen houden heeft het land constant schreeuwende behoefte aan meer munitie. Daar moeten wij in onze defensieplannen rekening mee houden. We moeten bij het aanleggen van munitievoorraden niet langer rekenen in hoeveelheden voor dagen maar voor maanden. Tien dagen oorlogscapaciteit te land voor honderd brigades van Europese bondgenoten kost honderd miljard euro. En dat is alleen nog maar voor de pantserinfanterie. Europa moet van alle categorieën munitie die bepalend zijn voor de strijd de voorraden op peil brengen, en dat gaat biljoenen kosten.

    Ik weet uit eigen ervaring hoe moeilijk het is om voor hogere defensie-uitgaven te pleiten

    Eerste vereiste hiervoor is een sterke technologische en industriële basis. Langdurige afnamecontracten van overheden kunnen Europese defensiebedrijven helpen hun productie en capaciteit op te voeren. Maar spoed is geboden. In 1933 bestond er in Estland niet genoeg politieke steun voor verhoging van de defensiebegroting, en een vertienvoudiging van die begroting in 1939 kwam te laat om ons nog te behoeden voor de daaropvolgende invasie en bezetting. De Europese Raad heeft in Versailles vorig jaar toegezegd meer te gaan investeren in defensie, met name in een aantal strategische tekortkomingen. Die belofte moet nu in daden worden omgezet.

    Als de bondgenoten volgende zomer in Washington het 75-jarig bestaan van de NAVO vieren, moeten wij Europeanen laten zien dat we niet alleen in ons denken een strategische omslag hebben gemaakt, maar ook in de praktijk. Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het voor een democratisch gekozen leider is om voor hogere defensie-uitgaven te pleiten. In Estland trekken we de defensie-uitgaven op naar 3 procent van het bbp en verhogen we ook de belastingen. Maar Europa heeft vaker blijk gegeven van haar slagkracht. Zomaar twee voorbeelden: NextGenerationEU, het coronaherstelfonds van 806,9 miljard euro, en de 758 miljard waarmee de gevolgen van de energiecrisis worden verzacht. Nu is er weer behoefte aan een gezamenlijke strategische inspanning, ditmaal gericht op de gevechtsklaarheid van de Europese defensie. De EU moet haar belofte nakomen, leiderschap tonen en meer geopolitiek gewicht in de schaal gaan leggen. Waar het met individuele inspanningen niet lukt, moet met vereende krachten een stap vooruit worden gezet.

    Lees ook:

  • Wat zij zeggen over wel of geen Israëlische grondoorlog in Gaza

    Wat zij zeggen over wel of geen Israëlische grondoorlog in Gaza

    Wat schrijven internationale commentatoren en opiniemakers over wel of geen Israëlische grondoorlog in Gaza? ‘Wat Israël nu gaat doen, is bepalend voor hoe het land wordt gezien en of er daarna een kans is op een duurzame vrede.’

    Tomms Rostoks – directeur Centrum Veiligheid en Strategische Research Letland

    Delfi.tv

    ‘De Israëlische strijdkrachten moeten proberen een evenwicht te vinden om de infrastructuur van Hamas te ontmantelen, maar ook te voorkomen dat er veel slachtoffers vallen onder de burgerbevolking en het Israëlische leger. Het probleem is de tunnels die Hamas heeft gebouwd. In theorie zijn er verschillende manieren om hiermee om te gaan, maar het is zeer waarschijnlijk dat daar gegijzelden worden vastgehouden. Israël staat voor een groot dilemma, dat het grondoffensief in Gaza heeft vertraagd.’


    Redactionele analyse

    The Economist

    ‘De druk van families heeft de regering gedwongen haar plannen te wijzigen. De hoop op een overeenkomst met Hamas over de vrijlating van ten minste enkele gegijzelden is een van de redenen waarom de Israëlische invasie van Gaza is uitgesteld. De angst van de families voedt een bredere woede die veel Israëli’s voelen over wat zij zien als de trage en onbekwame hulpverlening door de regering aan de door Hamas verwoeste gemeenschappen, en aan de duizenden die gedwongen werden hun huizen te verlaten.’


    René Pfister – chef de bureau in Washington

    Der Spiegel

    ‘De VS verspeelden na 9/11 het vertrouwen en de sympathie van grote delen van de wereld, omdat de oorlog in Irak geen democratie maar chaos opleverde en omdat de VS hun eigen waarden overboord gooiden in de strijd tegen terreur. Wat Israël nu gaat doen, is bepalend voor hoe het land wordt gezien, en of er daarna een kans is op een duurzame vrede. Israël zou − anders dan de VS − bezonnen op zijn eigen 9/11 moeten reageren, door het heethoofdige verlangen naar wraak te verruilen voor koele planning.’


    Igor Litwak – Israëlisch journalist op het onafhankelijke Russische nieuwskanaal Radio Echo

    Radio Echo

    ‘Ik ben er helemaal niet zeker van of Israël binnenkort een grondoorlog zal beginnen. Dat die gaat beginnen, dat weet ik zeker. Maar over “binnenkort” ben ik nog niet zo zeker. Wachten op een invasie is zeer onaangenaam voor de partij wiens grondgebied wordt aangevallen. Deze zal voortdurend gespannen zijn. En als mensen nerveus zijn, maken ze fouten. Het belangrijkste voordeel van de aanvallende partij is dat die weet wanneer de aanval zal beginnen.’

  • Wereldnieuws: Belarus pakt Wikipedia-redacteur op & Meer

    Wereldnieuws: Belarus pakt Wikipedia-redacteur op & Meer

    Ruikende telefoon als ziekte-ontdekker

    Honden kunnen kanker, Parkinson, malaria en andere aandoeningen ruiken die veranderingen in de lichaamsgeur veroorzaken. Ze kunnen zelfs corona ruiken. Het zou enorme gevolgen voor de volksgezondheid hebben om dat vermogen van honden in een draagbare, toegankelijke vorm te hebben zodat ziekten in een vroeg stadium kunnen worden gesignaleerd, aldus Vox. Een smartphone kan al horen, zien en voelen, maar nog niet ruiken.

    Het zal niet lang duren voordat het zover is, denkt Andreas Mershin, onderzoeker en uitvinder aan het MIT. ‘Ik denk dat het nog ongeveer vijf jaar zal duren om geurdetectie in een telefoon te krijgen. In miljoenen telefoons.’ De privacy-implicaties zijn niet gering, maar het voordeel lijkt duidelijk: een robotneus in zakformaat kan immers levensreddend zijn. ‘Ieder van ons kan een moedervlek hebben die kwaadaardig wordt,’ zegt Mershin. ‘Als je zes maanden wacht, wordt dat soms een doodvonnis.’ Maar met een telefoon die een geurverandering waarneemt, word je mogelijk eerder gewaarschuwd.

    lucas ludwig RTG5GeI6aQ0 unsplash kopie
    © Unsplash

    Moestuin van Europa

    In de Zuidspaanse provincie Almeria, ook wel de moestuin van Europa genoemd, wordt behalve veel groente en fruit elk jaar ook zo’n 30.000 ton plastic afval geproduceerd. In The Greenhouse Series II brengt de Duitse fotograaf Tom Hegen dit door landbouw overspoelde landschap, dat zich uitstrekt over 360 vierkante kilometer ruig, bergachtig terrein, in beeld als een abstracte landkaart. De meestal zelfgebouwde kassen bestaan bijna volledig uit een soort folie dat wordt achtergelaten zodra het niet meer bruikbaar is. De kleine plastic deeltjes komen uiteindelijk in de zee terecht, dus in de vis en uiteindelijk bij de consument.

    N°TGSII 08 640x480@2x 1
    © Tom Hegen / Colossal

    Mannen over- en vrouwen onderschatten hun IQ

    Recent onderzoek keek naar verschillen tussen mannen en vrouwen die hun eigen intelligentie of IQ moesten schatten. Het blijkt dat eerst het biologische en daarna het psychologische geslacht het sterkst de overschatting van IQ voorspellen, aldus The Conversation. Oftewel: geboren zijn als man of sterke mannelijke eigenschappen hebben (zowel mannen als vrouwen) vergroot de kans op een opgeblazen intellectueel zelfbeeld. Over het algemeen denken mannen dat ze beduidend slimmer zijn, terwijl vrouwen zichzelf veel bescheidener inschatten. 

    Dit effect wordt wel het probleem van de mannelijke hybris en de vrouwelijke nederigheid genoemd. Voor onderwijspsychologen is dit onderzoek belangrijk omdat het iets zegt over bijvoorbeeld vakkenkeuze op school: als je denkt dat je iets niet kunt, doe je het niet. De onderzoekers denken dat de uitkomsten voor een deel ook de genderloonkloof kunnen verklaren.


    Bibliotheek voor verboden boeken

    In de bibliotheek van het afgelegen, honderd inwoners tellende Matinicus Isle, 35 kilometer voor de kust van Maine, zijn alle boeken welkom, maar de bibliotheek heeft een speciale voorkeur voor boeken die elders in het land verboden zijn. Zo kwam bewoner Eva Murray onlangs terug van het vasteland met onder meer And Tango Makes Three, het verhaal van twee mannelijke pinguïns die samen een kuiken grootbrengen. Volgens de American Library Association is dat een van de meest verboden boeken in de VS. ‘We kopen verboden boeken om publiekelijk weerstand te bieden tegen de drang om boeken te verbieden,’ zegt vrijwilliger Murray in gesprek met Bangor Daily News. Het past bij Matinicus, waar tolerantie voor leven en laten leven en waardering voor verschillen essentieel is. ‘Wij zijn in de bevoorrechte positie om te zeggen: we verbieden geen boeken.’


    Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand meisjes in India

    In conservatieve delen op het platteland van India is het taboe voor meisjes om mobiele telefoons te gebruiken, uit angst dat ze online mogelijk jongens zullen ontmoeten of gecorrumpeerd zullen worden door online-invloeden, aldus NPR. Jongens met een smartphone worden daarentegen gezien als vooruitstrevend en slim. Dit zegt Shabnam Aziz, hoofd gendergelijkheid en inclusiviteit bij Educate Girls, een non-profitorganisatie voor meisjesonderwijs die in meer dan 20.000 dorpen in India werkt. Een UNICEF-rapport van vorig jaar bevestigt dat meisjes van 15 tot 19 jaar in de voorafgaande twaalf maanden minder vaak een mobiele telefoon bezaten dan jongens van hun leeftijd en minder vaak internet gebruikten. Dat was vooral het geval in Zuid-Azië, inclusief India. Daardoor was het voor meisjes tijdens de pandemie bijzonder moeilijk om over te stappen naar online-onderwijs, zeggen experts en activisten.

    Het gebrek aan toegang tot mobiele telefoons brengt hoge kosten met zich mee voor meisjes: het kan wezenlijk hun toekomst beïnvloeden, zegt econoom Mitali Nikore. Haar denktank Nikore Associates bestudeert de genderbarrières waarmee meisjes worden geconfronteerd als het gaat om technologie. Zonder telefoon hebben meisjes veel moeilijker toegang tot online-inhoud, nodig om in de toekomst een baan te vinden. ‘Ze kunnen niet op kantoor werken zonder kennis van Word of Excel. Ze kunnen geen ondernemer worden als ze niet weten hoe ze betaalapps moeten gebruiken. En voor digitale marketing moet je sociale media kunnen gebruiken,’ aldus Nikore.


    Belarus pakt Wikipedia-redacteur op

    Half maart werd Mark Bernstein uit Minsk gearresteerd door Belarussische troepen. Hij zou zijn gearresteerd voor ‘het verspreiden van valse anti-Russische informatie’, meldt Haaretz. Bernstein, die werkt onder de gebruikersnaam Pessimist2006, is een van de meest prominente en productieve redacteuren van het Russische Wikipedia. Zijn artikelen worden door het Kremlin gezien als kritisch ten aanzien van de Russische president Vladimir Poetin.

    Toen de eerste Russische troepen de grens met Oekraïne overstaken, startten vrijwilligers in Rusland een Russischtalig Wikipedia-lemma over de ‘Russisch-Oekraïense oorlog’ van 2022. Dat is sindsdien omgedoopt tot ‘Russische invasie van Oekraïne’ en werd al miljoenen keren gelezen. Bernstein had er verschillende artikelen over de invasie voor geredigeerd.

    Wikimedia Foundation (WMF), een in de VS gevestigde non-profitorganisatie die toezicht houdt op verschillende ‘wiki’-projecten waaronder Wikipedia’s in verschillende talen, ontving onlangs een brief met het verzoek sommige artikelen over de invasie te verwijderen. Afzender: het Russische bureau dat de facto de autoriteit is op het gebied van internetcensuur. WMF, die zich nooit bemoeit met de inhoud van de open encyclopedie, weigerde dat. In een verklaring aan de San Francisco Examiner gaf Maryana Iskander, CEO van WMF, daar een verklaring voor: ‘In een tijd waarin kennis en informatie steeds meer gepolitiseerd worden, is het belangrijker dan ooit om de betrouwbaarheid van de informatie op Wikipedia te handhaven.’ 

    De arrestatie van Mark Bernstein is de meest recente en expliciete poging van het Kremlin om de online-encyclopedie, die wordt gemaakt door vrijwilligers in de hele wereld, te ondermijnen. Moskou verzet zich al langer tegen Wikipedia. In het kader van een breder optreden tegen onafhankelijke media dreigde Poetin eerder al de toegang tot Wikipedia te blokkeren. Drie jaar geleden suggereerde hij plannen te hebben voor een Grote Russische Encyclopedie online die, anders dan Wikipedia, ‘betrouwbare’ informatie zou bevatten.

    Wiki Report 14 09 2014 18
    Mark Bernstein op een bijeenkomst van de Russische Wikipedia in Moskou. – ©  Wikipedia