Kimberley Motley is een pro-deo-advocaat die in Afghanistan al jaren (en soms met gevaar voor eigen leven) het onmogelijke voor elkaar krijgt. De wet van Motley beschrijft haar beroemdste zaken en is tegelijkertijd een biografie van een buitengewone vrouw die vecht voor gerechtigheid in een van de gevaarlijkste landen ter wereld. Een voorpublicatie.
Ik ben niet echt een mensenrechtenadvocaat, ik ben een strafrechtadvocaat. Ik heb heel veel respect voor mensenrechtenadvocaten en denk absoluut niet dat ik beter ben, maar er is een belangrijk verschil tussen hun werk en dat van mij.
In Afghanistan is men geneigd om allerlei soorten onrecht onder de noemer ‘mensenrechtenkwesties’ te laten vallen, maar ik vind het niet goed om daaraan vast te houden, want als je een zaak als een mensenrechtenzaak bestempelt kan die om die reden als minder belangrijk worden gezien en kan het gebeuren dat de cliënt minder mogelijkheden heeft. De mensenrechtenadvocaten die ik in Afghanistan ben tegengekomen, procederen niet en stappen niet naar de rechter. Ze focussen zich voornamelijk op verdragen en verklaringen die in de internationale mensenrechtenconventies zijn vastgelegd, schrijven rapporten en zijn vooral achter de schermen actief. Dus als zelfstandig advocaat die vaak procedeert, meestal in zaken waarbij mensenrechten een rol spelen, wil ik zeker in Afghanistan niet als ‘mensenrechtenadvocaat’ te boek staan.
Iedere vrouwelijke cliënt die ik in Afghanistan heb bijgestaan, heeft te maken gehad met kwesties die veel verder gingen dan mensenrechten. Een mensenrechtenbenadering vermijdt vaak de meest essentiële mechanismen van een strafrechtszaak. Daarom richt ik me juist op hoe dingen zich verhouden tot plaatselijke wetten. Dat is de meest effectieve manier om mijn cliënten te vertegenwoordigen en te beschermen. Ik probeer waar mogelijk uit de Koran te citeren, maak gebruik van islamitische wetten, haal plaatselijke Afghaanse wetten aan en pas als ik niet anders kan, zal ik terugvallen op internationale rechtsnormen uit verdragen en conventies. Als advocaat in Afghanistan bespreek ik mijn zaken niet met de media of met een panel van mensenrechtenexperts; ik bespreek ze met Afghaanse rechters en ik moet hen ervan zien te overtuigen dat mijn cliënt onschuldig is.
Het is voorgekomen dat mijn weerzin om op de mensenrechtentoer te gaan me in conflict bracht met ngo’s en ambassades in Kabul. Het label ‘mensenrechten’ kan ervoor zorgen dat een zaak belangrijker klinkt, en het kan zeker de aandacht van de media trekken, maar ik verdacht bepaalde ambitieuze individuen ervan dat ze dat etiket maar wat graag gebruikten omdat het goed stond op hun cv, zonder zich af te vragen of het wel goed was voor hun cliënt of diens zaak.
‘Overspel met geweld’
Een goed voorbeeld daarvan speelde zich af in de herfst van 2011, toen me werd gevraagd of ik een Afghaans meisje van zestien wilde bijstaan. Gulnaz had twaalf jaar gevangenisstraf gekregen voor ‘overspel met geweld’. Ze had het vonnis in de gevangenis gehoord kort nadat ze was bevallen van haar dochter – het resultaat van het overspel.
Gulnaz was verkracht. Ze was op bezoek bij haar nicht toen de veertigjarige echtgenoot van haar nicht haar verkrachtte. Hij greep Gulnaz beet, gooide haar op de koude, smerige vloer van de woonkamer en verkrachtte haar, terwijl zijn zoontje van vier in de kamer was.
Weken later ging Gulnaz samen met haar moeder naar een dokter omdat ze zich ziek voelde; ze bleek last te hebben van zwangerschapsmisselijkheid. Tot overmaat van ramp trok de dokter zich niets aan van zijn beroepsgeheim en droeg haar over aan de politie. De politie sloot Gulnaz meteen op. Ze werd beschuldigd van ‘overspel met geweld’, wat werd beschouwd als een morele misdaad.
Voor westerlingen was het onvoorstelbaar wat Gulnaz moest doormaken. Het was het schrijnendste voorbeeld van hoe het met de onderdrukking van Afghaanse vrouwen was gesteld: een verkrachte tiener die door de dokter die haar had onderzocht was overgeleverd aan de politie, gearresteerd, vervolgens veroordeeld, en uiteindelijk werd opgesloten voor haar morele misdaad. In 2011 onthulde een VN-studie dat meer dan de helft van de vrouwen die in Afghanistan opgesloten zitten, veroordeeld is voor zogenoemde ‘morele misdaden’.
Als advocaat in een door Amerika gesponsord programma in Afghanistan nam Motley het op tegen de taliban, vocht tegen corruptie en maakte zich het Afghaanse rechtssysteem eigen om haar cliënten vrij te krijgen. De wet van Motley verschijnt deze week bij Uitgeverij Luitingh-Sijthoff in vertaling van Fons Oltheten.
Elke handeling van een vrouw die door een man binnen haar familie als vernederend wordt opgevat valt in Afghanistan onder de noemer morele misdaad. Naast overspel is weglopen de andere veelvoorkomende morele misdaad waarvoor Afghaanse vrouwen worden bestraft. Dus vrouwen – vaak erg jonge vrouwen – die zijn weggelopen uit een slechte, vaak levensbedreigende situatie thuis, eindigen meestal voor de rechter. Het zijn bijna uitsluitend vrouwen die worden beschuldigd van morele misdaden die normaal gesproken worden begaan in de nasleep van extreem huiselijk geweld. Het is een effectief middel om vrouwen te onderwerpen.
Gulnaz’ zaak stond voor veel meer dan alleen maar een aantasting van haar mensenrechten. In wezen stond die voor extreem huiselijk geweld, kindermishandeling en systematische vrouwenhaat – en dat was precies het argument dat de Verenigde Staten in eerste instantie hadden gebruikt als rechtvaardiging om Afghanistan binnen te vallen. De regering-Bush wilde de vrouwenrechtenorganisaties in de VS aanspreken en verklaarde officieel dat bestrijding van de systematische onderdrukking van vrouwen een van de speerpunten was. In november 2001, in de aanloop naar de oorlog in Afghanistan, nam het Congres de Afghan Women and Child Relief Act aan, waarin de nadruk werd gelegd op de ernstige onderdrukking van de vrouw door de taliban. Toen ik bezig ging met Gulnaz’ dossier, werd me duidelijk dat haar geval een voorbeeld was van hoe weinig vooruitgang er was geboekt.
Uiteraard stortte de hele mensenrechtengemeenschap in Kabul zich op Gulnaz’ zaak. Maar het was van meet af aan duidelijk dat deze advocaten niet zagen dat Gulnaz was beschuldigd van een bijzonder specifieke misdaad. Ze zou haar vrijheid niet terugkrijgen door wat voor mensenrechtenrapport ook; ze moest bewijzen dat ze niet schuldig was aan de specifieke beschuldigingen die tegen haar waren ingebracht. Vanuit juridisch oogpunt zou ze moeten aantonen dat de seks zonder wederzijds goedvinden had plaatsgevonden en dat ze was verkracht.
Slaaf-eigenaar
Ze had een strafrechtadvocaat nodig, geen mensenrechtenadvocaat.
Het is opmerkelijk dat vrouwen in Afghanistan zelden worden gezien als slachtoffers van verkrachting. In een dergelijke op mannen gerichte cultuur is die uitleg simpelweg onmogelijk. De vrouw móét de seks wel zelf hebben gewild; ze moet de man op de een of andere manier hebben aangezet of verleid, en dat betekent dat het niet de fout van de man kan zijn geweest. Er worden vragen gesteld als: ‘Waarom was ze daar eigenlijk?’, ‘Waarom heeft ze niet geschreeuwd?’, ‘Waarom heeft ze tegen niemand iets gezegd?’, ‘Waarom heeft ze in godsnaam niet geprobeerd om te ontsnappen?’
Vlak voordat ik bij de zaak betrokken raakte, ging ik naar een winkelcentrum in Kabul om een blouse te kopen. Toen ik half ontkleed was, drongen drie mannen de paskamer binnen. Mijn gevoel zei me dat ik niet moest schreeuwen, want als ik dat deed, zouden er andere mannen komen en zou ík als het probleem worden gezien. Dus wat moest ik? Ik vocht, gebruikte mijn lichaam om die klootzakken tegen de spiegel te rammen en duwde hen omver. Er ontstond net genoeg ruimte om te kunnen wegglippen. Ik rende voor mijn leven, sprintte de straat op en bedekte mezelf terwijl ik me naar mijn auto haastte. Het was een angstaanjagende ervaring en ik heb geluk gehad dat ik heb weten te ontkomen.
De meeste Afghaanse vrouwen zijn minder fortuinlijk. Vrouwen hebben geen stem; ze hebben niets te zeggen. Hun relatie met mannen is een soort slaaf-eigenaarrelatie. Dat vrouwen door Afghaanse mannen worden achtergesteld komt vooral voor op het platteland, waar Afghanistan voor het grootste deel uit bestaat. In tegenstelling tot wat men algemeen aanneemt, beginnen deze praktijken niet bij de taliban; het was lang voordat de taliban in 1996 de macht overnamen al een culturele norm.
Hoofddoek
Het wijdverspreide misbruik van vrouwen is een van de redenen waarom ik me niet verplicht voel om een hoofddoek te dragen. Ik wil niet oneerbiedig zijn, maar gedwongen een hoofddoek dragen voelt voor mij als een keten, een teken van vrouwenhaat. Ik vind dat een vrouw zelf mag kiezen of ze wel of niet een hoofddoek wil dragen, omdat er geen wetten zijn die anders bepalen. Natuurlijk respecteer ik het geloofsaspect, en bedek ik mijn hoofd als ik naar de moskee ga. De hoofddoek en de sluier zorgen voor een onderscheid tussen mannen en vrouwen; in Afghanistan onderscheid ik me met opzet, omdat ik pertinent niet alleen op grond van mijn geslacht beoordeeld wil worden.
Toen ik naar Afghanistan kwam en besloot om mensen te gaan bijstaan, wilde ik dat ík mensen bijstond en niet een of andere versie van mij. Oké, ik ben tot op zekere hoogte gevoelig voor cultuur, zelfs in het openbaar. Ik draag geen korte broek en ik zou nooit in het openbaar een kort rokje dragen. Maar om mijn cliënten goed te kunnen vertegenwoordigen moet ik krachtig overkomen, en dat betekent dat ik me als een man moet gedragen.
Ik schud mannen de hand, kijk hen recht aan en zit als enige vrouw in dezelfde kamer als zij. Ik krijg de kriebels als ik terugdenk aan mijn eerste JSSP-training [Afghanistan Justice Sector Support Program] in Arlington, waar ik te horen kreeg dat vrouwen dat soort dingen niet mochten doen. Maar hoe zou er voor Afghaanse vrouwen iets kunnen veranderen als westerse vrouwen simpelweg het hoofd buigen en deze absurde regels accepteren als ze zich er in elke andere omgeving niets van aan zouden trekken?
Gulnaz’ zaak kreeg in de internationale media behoorlijk veel aandacht, en dat betekende dat mijn onbedekte hoofd dat ook kreeg. Veel berichten hadden echter te maken met iets wat was gebeurd ver voordat ik erbij betrokken raakte.
Een verkrachte tiener die door de dokter die haar had onderzocht was overgeleverd aan de politie
Voordat ik Gulnaz ging bijstaan had een team buitenlandse filmmakers van de Europese Unie de opdracht gekregen om een documentaire te maken over drie Afghaanse vrouwen die vastzaten voor morele misdaden.
Gulnaz was een van hen. Maar toen de film klaar was, maakte de eu een ommezwaai en gaf geen toestemming om hem te vertonen. Ze stelde dat de release van de film een bedreiging zou vormen voor de drie mensen over wie de film ging, ondanks het feit dat deze vrouwen zelf dolgraag wilden dat hun verhalen gehoord zouden worden. Ik was niet de enige die zich afvroeg of de ware reden niet de angst van de EU was dat de vertoning van de film haar relatie met de Afghaanse overheid zou schaden.
De beslissing om de film te verbieden haalde niet alleen de krantenkoppen, maar voegde ook een politieke dimensie toe aan Gulnaz’ zaak. De hypocrisie was zonneklaar: de film die was bedoeld om de aandacht te vestigen op de afgrijselijke behandeling van vrouwen in Afghanistan, was verboden om de mensen die verantwoordelijk waren voor die onderdrukking niet tegen de haren in te strijken.
Het mag dan zo zijn dat mannen in Afghanistan zijn opgevoed in een cultuur waarin vrouwen worden onderdrukt, maar dat was wat mij betreft geen excuus voor de internationale gemeenschap om hen daarin te volgen. Toch hield de EU de vrouwenhaat in stand door voorbij te gaan aan de wens van deze vrouwen om te worden gehoord. Het was allemaal te gek voor woorden.
Beroep
Ondertussen zaten Gulnaz en haar dochtertje na hun laatste rechtszaak een gevangenisstraf van acht jaar uit. De rechters hadden haar een lichtere straf aangeboden, maar alleen als ze zou trouwen met de man die haar had verkracht. Ze noemden haar een hoer, beweerden dat ze de seks zelf had gewild, en één rechter beweerde zelfs in de rechtszaal dat het voor een vrouw fysiek onmogelijk was om van de eerste keer seks zwanger te worden.
Natuurlijk weigerde Gulnaz om met haar verkrachter te trouwen, en in plaats daarvan ging ze tegen de uitspraak in beroep. Tegen die tijd was ze in Afghanistan algemeen bekend, wat niet echt hielp. De media hadden lang voordat ik erbij betrokken raakte bericht dat ze was verkracht, wat heel gevaarlijk is om over een Afghaanse vrouw te zeggen.
Veel van de vrouwen die ik heb vertegenwoordigd zijn verkracht, maar dat heb ik nooit naar voren gebracht. Ik richt me in plaats daarvan op de niet-seksuele fysieke mishandeling en breng het seksuele misbruik alleen maar ter sprake tijdens rechtszittingen achter gesloten deuren als dat absoluut noodzakelijk is. Als je in Afghanistan zegt dat een vrouw is verkracht, kan dat namelijk betekenen dat ze de doodstraf krijgt.
Gulnaz’ familie, gestigmatiseerd door de verkrachting, had haar verstoten. Voor de meeste Afghanen was zij schuldig.
De EU-functionarissen wilden niet dat ik Gulnaz vertegenwoordigde, omdat ze vonden dat Afghanen door Afghanen bijgestaan zouden moeten worden. Maar hun mening was onbelangrijk, omdat zij niet mijn cliënt waren en niets voor haar zaak deden. De EU, die miljoenen euro’s stak in pretentieuze rule-of-law-programma’s in het hele land, had er weliswaar veel kritiek op dat ik Gulnaz bijstond, maar had zelf niet eens geprobeerd om een Afghaanse advocaat voor haar te vinden. Vermoedelijk werd Gulnaz door alle Afghaanse advocaten beschouwd als een dusdanig heet hangijzer dat niemand haar zelfs maar wilde ontmoeten.
Uiteindelijk ontmoette ik Gulnaz in 2011 in de Badam Bagh-gevangenis in Kabul. Ze zat in de cel waar ze bijna twee jaar eerder op de vloer was bevallen van haar dochter, Muska. Ik besefte dat ik niet in mijn werkmodus moest schieten als ik haar vertrouwen wilde winnen. Ze had veel meegemaakt en had geen reden om de eerste de beste Amerikaanse te vertrouwen die beweerde dat ze haar wilde helpen. Maar omdat ik een goede band had met andere gevangenen in Badam Bagh stonden de vrouwen daar voor me in. Langzaam maar zeker begon Gulnaz te praten.
Ik wilde echt begrijpen wat zich die dag in het huis van haar nicht had afgespeeld. Voelde ze zich daar in aanwezigheid van haar aanvaller op haar gemak? Hoe zag de kamer eruit? Hoe voelde de vloer aan? Ik wilde alle details horen. Wat was er nog meer in de kamer? Wat voor dag was het? Volgens mij had nog niemand Gulnaz naar de details gevraagd.
Ik zorgde er tijdens onze eerste ontmoeting voor dat ze begreep hoe onze relatie in elkaar zou steken. Ik wil mijn cliënten altijd iets bijbrengen en mondiger maken. Dat is een van mijn topprioriteiten. Ik doe dat door ze vertellen dat ik voor hen werk. Ik doe wat zij willen en treed op als hun spreekbuis. En ik zeg hun ook dat ze me op elk moment en om wat voor reden dan ook kunnen ontslaan.
Contract
Ik zou me zonder rancune terugtrekken.
‘Je kunt me ontslaan,’ zei ik tegen haar.
Zij leek daar niet zo zeker van.
Ik leg dat tijdens de eerste ontmoeting aan al mijn cliënten uit en laat hen vervolgens achter met mijn contract. Op die manier kunnen ze weloverwogen beslissen of ze willen dat ik hen vertegenwoordig, ook al werk ik pro bono.
Gulnaz kon haar naam niet schrijven en in plaats daarvan ondertekende ze het contract door haar beïnkte vingers op het papier te drukken. Het was het eerste document dat ze ooit had ondertekend.
Voor veel van mijn vrouwelijke cliënten zal dit contract de eerste en enige keer in hun hele leven zijn dat ze iets ondertekenen. Het betekent echt heel veel. Zodra ze hebben ondertekend zie ik een verandering bij hen optreden. Op dat moment beginnen ze me vragen te stellen. Dat is echt gaaf, omdat het onderdeel is van het leerproces om voor jezelf op te komen.
‘Ik kan niet naar huis,’ zei Gulnaz verdrietig. ‘Dus wat kunt u doen?’
‘Ik zal namens jou een verdediging schrijven en voor het Hooggerechtshof voor je pleiten.’
‘Nee,’ zei ze.
‘Nee?’
‘Ik wil niet terug naar de rechtszaal. De laatste keer wilde mijn advocaat dat ik met mijn verkrachter zou trouwen en de rechters zeiden allemaal slechte dingen over me,’ antwoordde Gulnaz.
‘Ik snap het.’ Ik kon begrijpen dat ze dat niet nog een derde keer wilde meemaken. ‘Vind je het dan goed dat ik in de rechtszaal de zaak voor jou bepleit?’
Ze dacht er heel lang over na.
‘Oké.’
Gedwongen een hoofddoek dragen voelt voor mij als een keten, een teken van vrouwenhaat
Ik hoorde dat de Afghaanse overheid vanwege de uitgebreide media-aandacht de man die Gulnaz had verkracht met tegenzin had gearresteerd, dus ik ging naar Pul-e-Charkhi om met hem te praten. In veel verkrachtingszaken waren de mannen vrijwel nooit ondervraagd, laat staan gearresteerd. Je zou verwachten dat hij me niet wilde ontmoeten, maar zoals bijna iedereen die ik ooit in een Afghaanse gevangenis heb ontmoet, wilde hij graag praten.
Aanvankelijk ontkende hij dat hij ooit seks met Gulnaz had gehad en zei hij dat de baby niet van hem was. Maar de rechtbank had opdracht gegeven voor een vaderschapstest. Dat was genoeg om hem zo bang te maken dat hij bekende. Voordat de testuitslag bekend was, gaf hij toe dat hij toch wel de vader zou kunnen zijn. (In werkelijkheid zijn er in Afghanistan geen instellingen waar vaderschapstesten gedaan kunnen worden, dus feitelijk hadden ze alleen maar een simpele bloedtest gedaan.)
Tijdens mijn volgende bezoek aan de veertigjarige man gaf hij weliswaar toe dat hij seks had gehad met de zestienjarige Gulnaz, maar ook dat hij niet begreep wat daar problematisch aan was. Hij was kwaad dat hij in de gevangenis zat en gaf Gulnaz daarvan de schuld. Zijn woede leek op haar gericht en op hoe ze er zelfzuchtig voor had gezorgd dat hij niet bij zijn vrouw en kinderen kon zijn. Zijn reactie verraste me niet, want dit was een voorbeeld van de vrouwenhaat die ik keer op keer bij Afghaanse mannen zag.
Ik had Gulnaz nu zover dat ze wilde dat ik haar vertegenwoordigde, maar de rechtbanken zouden een groter obstakel vormen. Tot dan toe had ik alleen Irene en Bill Shaw vertegenwoordigd. Ik had Bevan en een paar andere expats als cliënt, maar geen Afghanen. Er waren Amerikaanse diplomaten en buitenlandse VN-functionarissen die zich afvroegen of een buitenlander ooit een Afghaan voor een Afghaanse rechtbank zou kunnen vertegenwoordigen. Dat was interessant, om dat geen enkele Afghaan er vraagtekens bij zette dat ik Gulnaz wilde bijstaan.
Maar de wet kan iets wonderlijks zijn. Zoekt en gij zult vinden!
Advocatenwet
Jaren eerder was ik een artikel in de Advocatenwet tegengekomen waarin stond dat een buitenlander andere buitenlanders kon vertegenwoordigen als hij volledig bevoegd is. Volgens dat artikel mocht ik Bill Shaw en Robert Langdon vertegenwoordigen, maar ik moest verder spitten om iets te vinden wat me in staat stelde om Gulnaz te vertegenwoordigen.
Ik had opnieuw succes. In artikel 2 van de Afghaanse Advocatenwet staat: ‘Ieder persoon heeft het recht om vanaf het moment van arrestatie een advocaat van zijn/haar keuze aan te stellen om zijn/haar rechten te verdedigen en te vertegenwoordigen.’
Het was me weer gelukt. Of liever gezegd: het was de wet gelukt. Volgens de Afghaanse wet mocht ik Gulnaz, een Afghaanse, vertegenwoordigen, en in de toekomst zou ik diezelfde wet gebruiken om andere Afghanen voor de rechtbank bij te staan.
Na mijn ontmoeting met Gulnaz ging ik meer onderzoek doen naar overspel in Afghanistan. Ik vond in de Afghaanse wet niets over ‘overspel met geweld’. Het is vanuit strafrechtelijk oogpunt belangrijk dat noch ‘overspel met geweld’, noch ‘weglopen’ in de Afghaanse wet wordt gekwalificeerd als een misdaad. Het mag dan cultureel geaccepteerd zijn dat een verkrachte vrouw overspel – of als ze wegvlucht een misdaad – heeft gepleegd, maar dat is nergens terug te vinden in hun wet.
Hooggerechtshof
In de media en in alles wat is geschreven door de mensenrechtenactivisten die beweerden dat ze betrokken waren bij Gulnaz’ zaak, wordt er nergens melding van gemaakt dat dergelijke wetten ontbreken.
Ondertussen had de Afghaanse advocaat die Gulnaz tijdens de eerste twee rechtszaken had vertegenwoordigd zich er alleen op gefocust een huwelijk tussen haar en haar verkrachter te regelen.
De vraag bleef: welke wet zou Gulnaz hebben gebroken? En hoe kon ze schuldig zijn aan het gebruik van geweld? Als ze was gedwongen, betekende dat per definitie dat ze niet had meegewerkt. Het een sluit het ander uit. Binnen mijn bewijsvoering werd dat het punt waarop ik me zou focussen.
We gingen terug naar het Hooggerechtshof. Ik begon mijn argumentatie met de stelling dat overspel met geweld geen misdaad was. Ik zei dat Gulnaz volgens de Afghaanse en islamitische wet inderdaad in deze situatie was gedwongen, zoals iedereen tijdens de eerste rechtszaak had vastgesteld, maar dat dit feit alleen al bewees dat ze niet had meegewerkt en daarom niet schuldig was aan overspel. Dat de seks niet met wederzijds goedvinden had plaatsgevonden en dat ze op dat moment minderjarig en nog maagd was geweest waren volgens mij allemaal verzachtende omstandigheden waarmee rekening gehouden moest worden. Ik stelde dat ook haar dochtertje een slachtoffer was, terwijl de twee jaar oude baby als een misdadiger werd behandeld. Ten slotte zei ik dat een rechtbank haar volgens de Afghaanse en islamitische wet niet kon dwingen om met haar aanvaller te trouwen.
De EU hield de vrouwenhaat in stand door voorbij te gaan aan de wens van deze vrouwen om te worden gehoord
De rechters van het Hooggerechtshof waren het met me eens en zetten haar gevangenisstraf van acht jaar om in een van drie jaar. Ze waren het ook eens met onze juridische argumenten dat ze nooit gedwongen had mogen worden om met haar aanvaller te trouwen. Gulnaz had al twee jaar en een paar maanden gevangengezeten toen het nieuwe vonnis werd uitgesproken, dus moest ze nog steeds een tijd vastzitten.
Ik vond dat ze had moeten worden vrijgesproken. Gulnaz had nu twee opties. De eerste was de zaak opnieuw bepleiten bij het Hooggerechtshof. Gezien onze eerste ervaring met het gerechtshof en de urgentie waarmee Gulnaz vrijgelaten wilde worden leek dat niet de beste keuze. De tweede optie was om gratie te vragen aan president Karzai.
Vanuit strategisch oogpunt leek vragen om gratie risicovoller. In een morelemisdaadzaak was in Afghanistan nooit eerder gratie verleend. En vanuit politiek oogpunt was de zaak zo opvallend dat het waarschijnlijk opgevat zou worden als een test van Karzai en zijn houding ten opzichte van vrouwenrechten.
Als we eerst om gratie zouden vragen en dat tevergeefs zou blijken te zijn, konden we nog steeds bij het Hooggerechtshof een verzoek om herziening indienen. Al met al besloten we dat het de moeite waard was om eerst druk uit te oefenen op Karzai en te zien of hij bereid was de zaak te steunen.
Presidentieel pardon
Ik begon namens Gulnaz de petitie voor een presidentieel pardon te schrijven – de eerste die ik ooit geschreven had. Ik zette mijn juridische argumenten op papier en was me er tijdens het schrijven voortdurend van bewust dat ik aan president Karzai schreef. Dé president.
In de islam is familie erg belangrijk. Daarom zou het geweldig zijn als ik brieven van Gulnaz’ familie zou kunnen meesturen, maar helaas kreeg ze die steun niet. Haar broers wilden haar vermoorden en haar moeder weigerde om met haar te praten. In plaats daarvan besloot ik een onlinepetitie te starten. Op die manier wilde ik mensen vinden die Gulnaz’ gratieverzoek wilden steunen, en ik hoopte op een paar honderd handtekeningen. De documentairemakers Leslie, Clem en Sam waren erg betrokken bij deze poging, en samen verspreidden we het nieuws dat Gulnaz handtekeningen nodig had.
Voordat we het wisten had Gulnaz van over de hele wereld meer dan zesduizend handtekeningen gekregen, en ik voegde die bij de petitie. Alle internationale publiciteit rond deze zaak had eindelijk iets goeds voor Gulnaz opgeleverd.
Voordat ik het gratieverzoek bij Karzai indiende, bezocht ik Gulnaz in de gevangenis. Het was belangrijk dat ze instemde met alles wat namens haar werd ingediend. Ik las het hele verzoek aan haar voor, liet haar de petitie met alle namen zien en las sommige boodschappen die mensen wereldwijd hadden geschreven aan haar voor. De handtekeningen waren van mensen uit Afghanistan, Denemarken, Dubai, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten… De lijst was eindeloos. Ze werd erg emotioneel en was erdoor aangedaan dat zoveel mensen om haar gaven.
Gratieverzoek
‘Gulnaz, heel veel mensen trekken zich jouw lot aan en vinden je erg moedig. Je hebt zelfs je eigen Wikipedia-pagina!’ Het nieuws leek haar te verwarren. Ik denk niet dat ze wist wat Wikipedia was.
Op 11 november 2011 zette Gulnaz haar duimafdruk op het tweede document in haar leven en ondertekende zo het gratieverzoek dat naar de president zou gaan.
Vanuit de vrouwengevangenis ging ik rechtstreeks naar het presidentieel paleis, vastberaden en geïnspireerd. Ik was daar nog niet eerder geweest. Tijdens mijn onderzoek naar hoe je in Afghanistan precies een gratieverzoek moest schrijven had ik verzuimd onderzoek te doen naar het protocol bij de indiening ervan. Dus ik verscheen bij het presidentieel paleis met in mijn handen drie netjes ingebonden gratieverzoeken van elk vijfhonderd pagina’s dik.
‘Ah, kunnen we u helpen?’ De twee paleiswachters bij het hek leken oprecht verward.
‘Ja, graag. Ik moet deze documenten aan president Karzai afgeven,’ zei ik op een toon die zo goed mogelijk uitdrukte: Dit is niet idioot, ik moet hier echt zijn.
‘Hebt u een afspraak?’ vroeg een van hen terwijl hij zijn AK-47 liet zakken.
‘Deze documenten zijn erg dringend,’ zei ik, de vraag ontwijkend, ‘en moeten vandaag nog afgegeven worden aan president Karzai. Het is echt heel belangrijk.’ Ik bleef hem met een pokerface aankijken.
Ze wisten niet hoe ze moesten reageren. Uiteindelijk knipperde een van hen met zijn ogen.
‘Wie moeten we bellen?’
‘Bel de president,’ zei ik. ‘Het is bijzonder dringend. Ik weet zeker dat hij deze documenten meteen wil inzien.’
Ik wilde de wachters natuurlijk niet vertellen dat dit te maken had met Gulnaz, omdat ik bang was dat de documenten Karzai anders nooit zouden bereiken. Terwijl zij gingen bellen ging ik op de stoeprand zitten. Ik wist dat het hun een ongemakkelijk gevoel gaf als buiten het presidentieel paleis een vreemde buitenlandse vrouw op de grond zat.
Uiteindelijk verscheen de woordvoerder van Karzai. Hij nam de documenten van me aan, gaf me zijn kaartje en beloofde dat hij ze aan Karzai zou geven.
De volgende dag vroeg ik iedere journalist die ik in Kabul kende of ze Karzai naar het gratieverzoek wilden vragen. Ik was bang dat dat ondanks de verzekering van zijn woordvoerder nooit op het bureau van Karzai zou terechtkomen. Hoe meer mensen ervan wisten, hoe waarschijnlijker het volgens mij was dat hij zich erover zou buigen.
Op 1 december kreeg ik ’s ochtends een sms’je van de woordvoerder, waarin hij schreef dat de petitie op het bureau van president Karzai lag. Nog geen kwartier later kreeg ik weer een sms’je, waarin stond dat Karzai het gratieverzoek, getiteld ‘gratieverlening Gulnaz’, had ingewilligd. Hij had mijn verzoek minder dan een week.
Gulnaz’ zaak heeft een enorme impact op gehad op vrouwenrechten in Afghanistan
De gratie sprak Gulnaz op alle punten vrij, en Karzai gaf ook toe dat bij de aanklacht van overspel tegen haar sprake was geweest van een ‘verkeerde beoordeling’. Dat werd toegegeven dat de culturele normen die ervoor hadden gezorgd dat ze werd aangeklaagd allang hervormd hadden moeten worden was eigenlijk het belangrijkste.
Kort daarop kreeg ik een telefoontje van Karzais woordvoerder. Hij wilde dat ik de president iets zou bezorgen.
‘We begrijpen dat er een film is gemaakt over Gulnaz en een paar andere vrouwen in de gevangenis,’ zei hij. ‘Zijne Excellentie zou die graag willen zien.’
Ik nam contact op met de EU. Uit angst dat ze uit de gratie zou raken als ze geen gehoor gaf aan dit directe verzoek van de president deed die afstand van alle rechten op de film.
Obstakels
Voor Gulnaz’ vrijlating waren er al landen geweest die haar en haar dochter asiel hadden aangeboden. Natuurlijk wilde ik dat ze Afghanistan zou verlaten, maar dat was niet aan mij. Gulnaz was een jonge vrouw, vervreemd van haar familie, en met een dochtertje van twee. Ik dacht lang na over de voor- en nadelen van elke locatie. Ondertussen maakte ik haar duidelijk dat ze snel zou moeten beslissen.
Maar ze verraste me. Ze wilde niet naar een ander land, maar koos ervoor in Afghanistan te blijven om te proberen haar relatie met haar familie weer op te bouwen.
Ik werd door andere buitenlanders, de EU, de VS en verscheidene ambassades onder druk gezet. Ze zeiden me allemaal dat ik Gulnaz ertoe moest overhalen weg te gaan uit Afghanistan. Ik begreep hun standpunt, maar ik vond de druk niet prettig. Misschien waren we het niet eens met haar keus, maar het was wel háár keus. De hypocrisie was verbazingwekkend: de mensen die voor vrouwenrechten zouden moeten zijn waren juist degenen die Gulnaz wilden tegenhouden als ze die rechten zelf liet gelden.
Gulnaz had in haar leven nog nooit een school vanbinnen gezien. Als ze het land verliet, zou ze volkomen geïsoleerd zijn, alleen, met een nieuwe taal en cultuur die ze zou moeten leren. Een verzoening met haar familie, die ze ontzettend graag wilde, zou onmogelijk worden. Er waren te veel obstakels. Ik wilde weliswaar dat ze wegging, maar ik wist ook dat mijn cliënt nooit zou leren om het heft in eigen hand te nemen als ik de beslissing niet aan haarzelf liet.
Al mijn cliënten hebben het recht om hun eigen beslissingen te nemen
Uiteindelijk besloot Gulnaz om naar een opvanghuis voor vrouwen in Kabul te gaan. Daar begon ik pas echt te begrijpen hoe slecht Afghanistan met vrouwenrechten is gesteld. Je zou mogen verwachten dat vrouwen andere vrouwen beschermen, maar dat gold kennelijk niet voor Gulnaz. In het opvanghuis maakten de andere vrouwen haar voor leugenaar uit. In Afghanistan is vrouwenonderdrukking zo diepgeworteld dat zelfs andere vrouwen die in die cultuur zijn opgegroeid vonden dat Gulnaz’ vervolging rechtvaardig en juist was. Veel Afghaanse vrouwen worden in hun leven voortdurend zo gehersenspoeld dat ze geloven dat mannen superieur zijn. En ze vinden het een slechte zaak als een andere vrouw die culturele norm trotseert, en nemen daarover geen blad voor de mond.
Gulnaz zat in een opvanghuis waar het zelfs nog hardvochtiger toeging dan in de gevangenis. In de gevangenis kon ze in elk geval nog naar de binnenplaats, maar volgens de regels van het opvanghuis moest ze elke keer als ze het huis verliet een boerka dragen. Ze zat vast op een plek met vrouwen die haar haatten, en dan heb ik het nog niet eens over de stammenkwesties die daar speelden, tussen de Pasjtoes, de Hazara’s en de Tajiks. Gulnaz klaagde vaak over deze omstandigheden. Ik wilde bij haar op bezoek, maar daarvoor moest zij eerst toestemming vragen. Een personeelslid dat per se bij onze ontmoeting aanwezig wilde zijn zei: ‘Ik ben niet geïnteresseerd in jullie gesprek, ik moet hier zijn om veiligheidsredenen.’
‘Ik moet mijn advocaat onder vier ogen spreken,’ snauwde Gulnaz terug. Uiteindelijk ging de vrouw weg.
Gulnaz’ broers bleven haar bedreigen, en ze vertelde me dat het ministerie van Vrouwenzaken haar nog steeds onder druk zette om met haar verkrachter te trouwen. Gulnaz kreeg te horen dat haar verkrachter van haar hield en veel spijt had van wat er was gebeurd. Ik ging terug naar de landen die contact met me hadden opgenomen, om te zien of asiel nog steeds mogelijk was, maar helaas: zonder de media-aandacht was Gulnaz’ zaak niet meer zo belangrijk, en geen land was bereid om de asieloptie open te houden.
Moed
Nadat ze meer dan een jaar in het opvanghuis had vastgezeten en het gevoel had gekregen dat alle mogelijkheden waren uitgeput trouwde Gulnaz met haar verkrachter. Ik was er kapot van. Bij mij overheerste het gevoel dat al ons werk voor niets was geweest.
Maar ik had ongelijk. Gulnaz’ zaak heeft historische implicaties gehad, en een enorme impact op vrouwenrechten in Afghanistan. Het was de eerste keer dat een Afghaanse president gratie had verleend in een morele misdaadzaak. Gulnaz’ zaak had de Afghaanse cultuur recht in het hart geraakt en aangetoond hoe Afghanistan zijn rechtssysteem heeft vormgegeven om vrouwen te onderdrukken.
Niet lang nadat president Karzai Gulnaz’ gratieverzoek had ondertekend vaardigde hij Presidential Decree 107, tweede lid, uit, waarin stond dat weglopen niet langer als misdaad werd beschouwd. Dit werd gevolgd door een formele richtlijn van het kantoor van de procureur-generaal. Volgens die richtlijn moesten alle aanklagers worden geïnstrueerd ‘om geen onverdedigbare dossiers voor te bereiden met betrekking tot wegloopzaken die niet strafbaar zijn gesteld in de Afghaanse wetten en niet behandeld kunnen worden door rechtbanken, en ze moeten afzien van het doen van ongefundeerde onderzoeken’.
De zaak van Gulnaz heeft meer vrouwen de moed gegeven om naar de autoriteiten te stappen nadat ze slachtoffer zijn geweest van geweld. Binnen het kantoor van de procureur-generaal was nu ook een pas opgerichte Elimination of Violence Against Women Unit waar vrouwen naartoe konden.
Gulnaz leidt nu een moeilijk leven, maar in zekere zin laat haar keus om met haar verkrachter te trouwen zien dat ze voor haar eigen rechten opkomt. Toen ze eenmaal gratie had gekregen had Gulnaz een keus. Ze had asiel kunnen accepteren en haar land kunnen verlaten; in plaats daarvan koos ze ervoor om te proberen de relatie met haar familie te herstellen.
Al mijn cliënten hebben het recht om hun eigen beslissingen te nemen. En Gulnaz maakte een keus die velen niet gemaakt zouden hebben. Ze besloot te blijven en te vechten voor een leven in haar eigen land, liever dan weg te vluchten en op zoek te gaan naar een beter leven in een vreemd land. Ik was daar misschien niet blij mee, maar ik respecteerde dat wel.
Auteur: Kimberley Motley
Kimberley Motley is een Amerikaanse mensenrechtenadvocaat en schrijver. Ze is ook de eerste vrouwelijke advocate die iemand vertegenwoordigt in een Afghaanse rechtszaal sinds 2008.

