Alex en zijn familie verhuisden toen hij nog klein was van de Filipijnen naar Amerika. Lola ging mee. Ze bracht de kinderen naar school, kookte voor het gezin, waste hun kleren, bediende de ouders, en kreeg daarvoor nooit enige waardering. Pas rond zijn twaalfde realiseerde Alex wat Lola was: een slaaf.
» Hier leest of luistert u dit verhaal op Blendle
De as past in een plastic bakje ter grootte van een broodrooster. Het geheel weegt drieënhalve pond. Afgelopen juli heb ik het bakje in een canvas boodschappentas gedaan en in mijn koffer gestopt voor een trans-Atlantische vlucht naar Manilla. Vandaar wil ik per auto doorreizen naar een dorp op het platteland, waar ik de resten zal afstaan van de vrouw die zesenvijftig jaar lang slaaf is geweest in het huishouden van mijn familie.
Ze heette Eudocia Tomas Pulido. Wij noemden haar Lola. Ze mat één meter zevenenveertig en had een mokkabruine huid en amandelvormige ogen die ik nog steeds in de mijne zie kijken – mijn eerste herinnering. Mijn grootvader had haar op haar achttiende cadeau gegeven aan mijn moeder, en toen ons gezin naar de Verenigde Staten vertrok, namen we haar mee. Er is geen ander woord voor het leven dat zij leidde dan slavernij. Haar dagen begonnen voordat alle anderen wakker werden en eindigden nadat wij naar bed waren gegaan. Ze bereidde drie maaltijden per dag, maakte het huis schoon, bediende mijn ouders en zorgde voor mij en mijn vier broertjes en zusjes. Mijn ouders hebben haar nooit betaald en foeterden haar voortdurend uit. Ze was niet geketend, maar had dat net zo goed wel kunnen zijn. Hoe vaak heb ik haar niet ’s nachts, als ik naar het toilet moest, in een hoek zien slapen, weggezakt tegen een stapel wasgoed, met in haar vingers nog een half opgevouwen kledingstuk.
Modelimmigranten
In de ogen van onze Amerikaanse buren waren wij modelimmigranten, een voorbeeldig gezin. Dat zeiden ze tegen ons. Mijn vader was afgestudeerd in de rechten, mijn moeder studeerde voor arts en mijn broertjes en zusjes en ik haalden goede cijfers op school en zeiden altijd ‘alstublieft’ en ‘dank u wel’. We hadden het nooit over Lola. Ons geheim tastte de kern aan van wie we waren en, in ieder geval voor ons kinderen, van wie we wilden zijn.
Nadat mijn moeder in 1999 aan leukemie was gestorven, kwam Lola bij mij wonen in een stadje ten noorden van Seattle. Ik had een gezin, een carrière, een huis in een voorstad – de Amerikaanse droom. En toen had ik ook een slaaf.
Mijn moeder werd grootgebracht door een reeks utusans, “mensen die bevelen opvolgen”
Bij de bagageband in Manilla rits ik mijn koffer open om te controleren of Lola’s as er nog in zit. Buiten snuif ik de vertrouwde geur op: een dikke lucht van uitlaatgas en afval, oceaan, zoet fruit en zweet.
De volgende morgen vroeg vind ik een chauffeur, een vriendelijke man van middelbare leeftijd die ‘Doods’ wordt genoemd, en we gaan op pad in zijn truck, zigzaggend door het verkeer. Dit tafereel verbijstert me altijd weer. Al die auto’s en motorfietsen en jeepneys. De mensen die daar tussendoor laveren en grote bruine rivieren vormen die de trottoirs over stromen. De blootvoetse straatverkopers die naast auto’s opduiken om sigaretten, hoestpastilles en zakjes gebrande pinda’s uit te venten. De bedelende kinderen die hun gezicht tegen de ruiten drukken.
Doods en ik zijn op weg naar de plek waar het verhaal van Lola begint, op de noordelijke centrale vlaktes: de provincie Tarlac. Rijstland. De thuisbasis van de sigaar kauwende legerluitenant Tomas Asuncion, mijn grootvader. In de familieverhalen klinkt luitenant Tom als een ontzagwekkend man, met de neiging tot excentriciteit en sombere buien. Hij bezat veel land, maar weinig geld en hield er in verschillende huizen op zijn grond minnaressen op na. Zijn vrouw stierf bij de bevalling van hun enige kind, mijn moeder. Zij werd grootgebracht door een reeks utusans, ‘mensen die bevelen opvolgen’.
Slavernij kent een lange geschiedenis op de eilanden. Voor de komst van de Spanjaarden maakten de eilanders al andere eilanders tot slaaf: meestal krijgsgevangenen, misdadigers of schuldenaren. Er waren verschillende soorten slaven, van krijgers die door vertoon van moed hun vrijheid konden verdienen tot huisbedienden die als bezit werden beschouwd en gekocht, verkocht of geruild konden worden. Slaven met een hoge status konden zelf eigenaar zijn van slaven met een lage status, en die konden nog de allerlaagsten bezitten. Sommigen boden zichzelf uit pure overlevingsdrang aan als slaaf: in die hoedanigheid konden ze in ruil voor hun arbeid voedsel, onderdak en bescherming krijgen.
Kneedbaar
Toen de Spanjaarden in de zestiende eeuw kwamen, maakten zij eilanders tot slaaf en later brachten ze slaven uit Afrika en India mee. Uiteindelijk maakte de Spaanse kroon in eigen land en in de kolonies geleidelijk een einde aan de slavernij, maar sommige delen van de Filipijnen lagen zo afgelegen dat de autoriteiten er nauwelijks controle uitoefenden. De traditie bleef in verschillende vermommingen bestaan, zelfs nadat de Verenigde Staten in 1898 het bestuur over de eilanden hadden overgenomen. Tegenwoordig kunnen zelfs arme mensen er utusans of katulongs (helpers) of kasamnahays (huispersoneel) op na houden, zolang er mensen zijn die nog armer zijn dan zij. De vijver is diep.
Luitenant Tom had wel drie utusan-gezinnen op zijn land wonen. In het voorjaar van 1943, toen de eilanden bezet waren door Japan, kwam hij thuis met een meisje uit een dorp verderop aan de weg. Zij was een nichtje uit een arme tak van de familie, rijstboeren. De luitenant was gehaaid – hij zag dat dit meisje straatarm was, geen schoolopleiding had en waarschijnlijk kneedbaar zou zijn. Haar ouders wilden haar laten trouwen met een varkensboer die twee keer zo oud was als zij, en ze was doodongelukkig, maar kon nergens heen. Tom benaderde haar met een aanbod: ze kon eten en onderdak krijgen, als ze de zorg voor zijn dochter op zich zou nemen, die net twaalf was geworden.
Lola stemde toe, zonder te beseffen dat deze overeenkomst voor het leven was.
‘Je krijgt haar van mij cadeau,’ zei luitenant Tom tegen mijn moeder.
‘Ik wil haar niet,’ zei mijn moeder, maar ze wist dat ze geen keus had.
Luitenant Tom ging tegen de Japanners vechten en liet mama met Lola achter in zijn krakende huis in de provincie. Lola voedde, verzorgde en kleedde mijn moeder. Als ze naar de markt liepen, hield Lola een parasol op om haar tegen de zon te beschermen. ’s Avonds, wanneer ze klaar was met haar andere werk – de honden eten geven, de vloeren vegen, de was opvouwen die ze met de hand in de Camilingrivier had gewassen – zat Lola op de rand van mijn moeders bed en waaierde haar koelte toe tot ze sliep.
Op een dag tijdens de oorlog kwam luitenant Tom thuis en betrapte mijn moeder op een leugen – het had iets te maken met een jongen met wie ze niet mocht praten. Tom was woest en beval haar om ‘bij de tafel te gaan staan’. Mama fluisterde wat tegen Lola in een hoek van de kamer. Toen zei ze met trillende stem tegen haar vader dat Lola haar straf in ontvangst zou nemen. Lola keek mama smekend aan, maar liep toen zonder een woord te zeggen naar de eettafel en pakte de rand daarvan vast. Tom hief de riem en gaf twaalf slagen, waarbij hij elke klap onderstreepte met een woord. Jij. Liegt. Niet. Tegen. Mij. Jij. Liegt. Niet. Tegen. Mij.
Lola gaf geen kik.
Als mijn moeder, laat in haar leven, dit verhaal vertelde, verkneukelde ze zich over het schandelijke ervan, ze vertelde het op een toon alsof ze wilde zeggen: ‘Is het niet ongelooflijk, dat ik dat deed?’ Toen ik er een keer tegen Lola over begon, was ze benieuwd naar de versie van mijn moeder. Ze luisterde ingespannen, met neergeslagen ogen. Na afloop keek ze me bedroefd aan en zei alleen: ‘Ja, zo ging het inderdaad.’
Zeven jaar later, in 1950, trouwde mama met mijn vader; ze verhuisden naar Manilla en namen Lola mee. Luitenant Tom werd toen al een tijdlang geteisterd door demonen en in 1951 legde hij die met een .32-kaliber kogel het zwijgen op. Mama praatte daar bijna nooit over. Ze had zijn temperament – humeurig, overheersend, maar eigenlijk gevoelig – en ze nam ter harte wat hij haar had geleerd, onder andere over hoe een goede matrona te zijn: omarm je rol als gever van bevelen; houd degenen onder je altijd op hun plaats. Dat is het beste voor hen en voor het huishouden. Misschien huilen en klagen ze wel, maar in hun hart zijn ze je dankbaar. Ze houden van je, want jij helpt hen om te zijn zoals God heeft bedoeld.
Mijn broer Arthur werd in 1951 geboren. Daarna kwam ik, in rap tempo gevolgd door nog drie kinderen. Mijn ouders verwachtten van Lola dezelfde toewijding tegenover ons, de kinderen, als tegenover hen. Terwijl zij voor ons zorgde, gingen mijn ouders naar school en haalden wetenschappelijke diploma’s, waarna ze zich aansloten bij het leger van jonge mensen met mooie diploma’s maar zonder werk. Toen kwam de grote kans: mijn vader kreeg een baan aangeboden als commercieel analist bij Buitenlandse Zaken. Het salaris stelde weinig voor, maar de baan was in Amerika – een land waarvan hij en mijn moeder al hun hele leven droomden, waar al hun hoop bewaarheid kon worden.
Papa mocht zijn gezin meebrengen en één huishoudelijke hulp. Mijn ouders verwachtten dat ze allebei zouden moeten werken en dus hadden ze Lola nodig om voor de kinderen en het huishouden te zorgen. Mijn moeder lichtte Lola in, die tot haar grote ergernis niet meteen toestemde. Jaren later heeft Lola me verteld dat ze doodsbang was. ‘Het was te ver,’ zei ze. ‘Ik was bang dat je mama en papa me niet naar huis zouden laten gaan.’
Wat Lola uiteindelijk over de streep trok was mijn vaders belofte dat in Amerika alles anders zou zijn. Hij zei tegen haar dat zodra hij en mama hun draai hadden gevonden, zij een ‘toelage’ zou ontvangen. Dan kon Lola geld naar haar ouders sturen, naar al haar familieleden in het dorp. Haar ouders woonden in een hut met een vloer van aangestampte aarde. Lola kon een huis van beton voor hen bouwen, ze kon hun leven voorgoed veranderen. Stel je dat eens voor.
Op 12 mei 1964 landden we in Los Angeles, met al onze bezittingen in kartonnen, met touw dichtgebonden dozen. Lola was toen eenentwintig jaar bij mijn moeder. In veel opzichten was zij voor mij meer een ouder dan mijn moeder of mijn vader. Haar gezicht was het eerste dat ik ’s morgens zag en het laatste dat ik zag voordat ik ging slapen. Als baby brabbelde ik Lola’s naam (die ik in het begin uitsprak als ‘Oo-Aa’) lang voordat ik ‘mama’ of ‘papa’ leerde zeggen. Als peuter weigerde ik te gaan slapen als Lola me niet in haar armen hield, of in ieder geval dicht bij me was.
Ik was vier toen we in de VS aankwamen, te jong om vraagtekens te plaatsen bij Lola’s plaats in ons gezin. Maar naarmate mijn broertjes en zusjes en ik opgroeiden, gingen we de wereld anders zien. De sprong over de oceaan veroorzaakte ook een sprong in ons bewustzijn, die onze ouders niet wilden of konden maken.
Die toelage heeft Lola nooit gekregen. Ze heeft mijn ouders er omzichtig naar gevraagd, toen we een paar jaar in Amerika woonden. Haar moeder was ziek geworden (later hoorde ik dat ze dysenterie had gehad), en haar familie had geen geld voor de medicijnen die ze moest hebben. ‘Pwede ba?’ vroeg ze aan mijn ouders. Is dat mogelijk? Mijn moeder slaakte een zucht. ‘Hoe durf je het zelfs al te vragen?’ antwoordde papa in het Tagalog. ‘Je ziet toch hoe krap wij zitten. Schaam je je niet?’
Soms gingen mijn ouders samen net zo lang tekeer tot Lola in tranen uitbarstte, bijna alsof ze daarop uit waren
Mijn ouders hadden geld geleend om naar de VS te kunnen emigreren, en vervolgens nog meer om er te kunnen blijven. Mijn vader was van het consulaat in L.A. overgeplaatst naar het Filipijnse consulaat in Seattle. Hij verdiende 5600 dollar per jaar. Hij nam een tweede baan aan als schoonmaker van vrachtwagens en een derde als deurwaarder. Mama vond werk als technicus in een paar medische laboratoria. Wij zagen hen zelden, en als we hen zagen waren ze meestal doodop en kortaangebonden.
Als mijn moeder thuiskwam schold ze Lola vaak de huid vol, omdat ze het huis niet goed genoeg had schoongemaakt of vergeten was de post uit de brievenbus te halen. ‘Ik heb je toch gezegd dat ik de brieven hier wil hebben als ik thuiskom?’ zei ze dan in het Tagalog, met giftige stem. ‘Zo moeilijk is het niet, naman! Elke idioot kan dat onthouden.’ Dan kwam mijn vader thuis en was het zijn beurt. Als papa zijn stem verhief, kromp iedereen in huis in elkaar. Soms gingen mijn ouders samen net zo lang tekeer tot Lola in tranen uitbarstte, bijna alsof ze daarop uit waren.
Ik raakte ervan in de war: mijn ouders waren goed voor mijn broers en zussen en mij, en we hielden van hen. Maar ze konden het ene moment lief tegen ons doen en het volgende gemeen tegen Lola. Ik was elf of twaalf toen ik Lola’s situatie duidelijk begon te zien. Bij mijn broer Arthur, die acht jaar ouder was dan ik, broeide het toen al een hele tijd. Hij was degene die het woord ‘slaaf’ introduceerde in mijn begrip van wat Lola was. Voordat hij dat woord gebruikte, had ik haar gezien als een lid van het huishouden, dat het slecht had getroffen. Ik vond het vreselijk als mijn ouders tegen haar schreeuwden, maar het was niet bij me opgekomen dat zij – en de hele regeling – immoreel konden zijn.
‘Ken je iemand die wordt behandeld zoals zij?’ vroeg Arthur. ‘Die leeft zoals zij?’ Hij somde Lola’s realiteit op. Kreeg niet betaald. Moest elke dag zwoegen. Werd uitgefoeterd als ze te lang zat of te vroeg in slaap viel. Kreeg slaag als ze iets terugzei. Droeg afdankertjes. At in haar eentje in de keuken onze restjes op. Kwam zelden het huis uit. Had geen vrienden of bezigheden buiten het gezin. Had geen eigen woonruimte. (In elk huis waar we hadden gewoond, sliep zij in een overgebleven ruimte – op een divan of in een bergruimte of een hoekje in de slaapkamer van mijn zus. Vaak sliep ze tussen stapels wasgoed.)
We konden niemand bedenken in een vergelijkbare situatie, behalve de slaven in tv-series en films. Ik weet nog dat ik een keer een western zag: The Man Who Shot Liberty Valance. John Wayne speelt daarin Tom Doniphon, een schietgrage rancher die bevelen blaft tegen zijn bediende Pompey, die hij zijn ‘boy’ noemt. Pak hem op, Pompey. Pompey, haal de dokter. Ga weer aan het werk, Pompey! Slaafs en gehoorzaam noemt Pompey zijn meester ‘Mistah Tom’. Ze hebben een ingewikkelde relatie. Tom verbiedt Pompey om naar school te gaan, maar zorgt wel dat Pompey in een kroeg voor blanken mag drinken. Tegen het eind redt Pompey zijn meester van een brand. Pompey haat Tom, maar houdt ook van hem, dat is duidelijk en hij rouwt om Toms dood. Dit heeft weinig te maken met het hoofdverhaal van de film over Toms krachtmeting met de schurk Liberty Valance. Maar ik kon mijn ogen niet van Pompey afhouden. Ik weet nog dat ik dacht: Lola is Pompey, Pompey is Lola.
Op een avond kwam papa erachter dat mijn zusje Ling, die toen negen was, geen avondeten had gehad, en hij blafte tegen Lola dat ze lui was. ‘Ik heb haar geprobeerd eten te geven,’ zei Lola, terwijl papa haar woest aankeek. Haar zwakke verdediging maakte hem alleen maar bozer en hij stompte haar net onder haar schouder. Lola holde de kamer uit en ik hoorde haar jammeren, als een gewond dier.
‘Ling zei dat ze geen honger had,’ zei ik.
Mijn ouders keerden zich om naar mij. Ze leken geschrokken. Ik voelde het trekken in mijn gezicht dat meestal aan tranen voorafging, maar deze keer zou ik niet gaan huilen. In mama’s ogen lag een schaduw van iets wat ik nog niet eerder had gezien. Jaloezie?
‘Wou jij Lola verdedigen?’ zei papa. ‘Wou je dat soms?’
‘Ling zei dat ze geen honger had,’ zei ik nog een keer, bijna fluisterend.
Ik was dertien. Het was mijn eerste poging om op te komen voor de vrouw die elke dag op mij paste. De vrouw die altijd Tagalog-melodietjes neuriede als ze me in slaap wiegde, die me toen ik ouder werd ’s morgens aankleedde, te eten gaf en naar school bracht en me ’s middags weer ophaalde. Op een keer, toen ik een hele tijd ziek was en te zwak om te eten, kauwde ze mijn voedsel voor me en stopte de kleine stukjes in mijn mond zodat ik ze kon doorslikken. De zomer dat mijn beide benen in het gips zaten (ik had iets aan mijn gewrichten), waste ze me met een washandje, bracht me midden in de nacht mijn medicijnen en hielp me door de maandenlange revalidatie heen. En ik was al die tijd alleen maar chagrijnig. Ze heeft nooit geklaagd, niet één keer haar geduld verloren.
Dat ik haar nu hoorde jammeren maakte me woest.
In ons vaderland hadden mijn ouders het niet nodig gevonden om te verbergen hoe ze Lola behandelden. In Amerika behandelden ze haar nog slechter, maar deden ze hun best dat te verhullen. In het bijzijn van bezoek negeerden mijn ouders haar en logen als iemand naar haar vroeg, waarna ze snel van onderwerp veranderden. In Noord-Seattle woonden we vijf jaar lang tegenover de Misslers, een lawaaiig, achtkoppig gezin dat ons liet kennismaken met zaken als mosterd, zalmvissen, en het gazon maaien. Rugby op tv. Schreeuwen tijdens de rugbywedstrijd. Tijdens die wedstrijden kwam Lola vaak eten en drinken brengen en dan lachten mijn ouders tegen haar en bedankten haar, waarna ze snel weer verdween. ‘Wie is dat dametje dat jullie in de keuken houden?’ vroeg Big Jim, de patriarch van de Misslers op een keer. Een familielid van thuis, zei mijn vader. ‘Heel verlegen.’
Billy Missler, mijn beste vriend, trapte er niet in. Hij kwam vaak genoeg bij ons over de vloer. Soms bleef hij een heel weekend, om af en toe een glimp op te vangen van het geheim van mijn familie. Eén keer hoorde hij mijn moeder in de keuken schreeuwen. Toen hij naar binnen ging om te kijken wat er aan de hand was, trof hij daar mama aan met rood aangelopen gezicht, terwijl ze woedend naar Lola keek, die bevend in een hoek stond. Ik kwam een paar tellen later binnen. De blik op Billy’s gezicht was een mengeling van gêne en verbazing. Wat was dat? Ik wuifde het weg en zei dat hij het maar moest vergeten.
Ik denk dat Billy medelijden had met Lola. Hij deed altijd uitbundig over het eten dat ze klaarmaakte en maakte haar aan het lachen zoals ik haar nooit had zien lachen. Als hij bij ons bleef slapen, maakte ze altijd zijn Filipijnse lievelingsgerecht, beef tapa met witte rijst. Koken was de enige taal die Lola goed sprak. Uit wat ze op tafel zette kon ik opmaken of ze ons alleen te eten gaf, of ook duidelijk wilde maken dat ze van ons hield.
Toen ik een keer zei dat Lola een verre tante was, herinnerde Billy me eraan dat ik bij onze eerste kennismaking had gezegd dat ze mijn oma was.
‘Nou, ze is min of meer allebei,’ zei ik geheimzinnig.
‘Waarom is ze altijd aan het werk?’
‘Ze vindt het fijn om te werken,’ zei ik.
‘En waarom schreeuwen je vader en moeder tegen haar?’
‘Ze hoort niet zo goed…’
Getreiter
Als ik de waarheid toegaf zou dat betekenen dat ik ons allemaal verried. Die eerste tien jaar in Amerika probeerden we vooral te leren hoe het hoorde in dit nieuwe land, ons daaraan aan te passen. Dat we een slaaf hadden droeg daar niet aan bij. Dat we een slaaf hadden wekte bij mij ernstige twijfels over de vraag wat voor mensen wij waren, uit wat voor land we kwamen. Of we het wel verdienden om geaccepteerd te worden. Ik schaamde me voor dit alles, ook voor mijn eigen medeplichtigheid. At ik soms niet het eten dat zij klaarmaakte en droeg ik niet de kleren die zij waste en streek en in de kast hing? Maar het zou rampzalig zijn om haar te verliezen.
Er was nog een reden voor die geheimzinnigheid: Lola’s reisdocumenten waren in 1969 verlopen, vijf jaar nadat we in de VS waren gearriveerd. Ze was het land binnengekomen op een speciaal paspoort dat verbonden was aan mijn vaders baan. Na een reeks conflicten met zijn superieuren nam papa ontslag bij het consulaat en verklaarde dat hij van plan was om in de Verenigde Staten te blijven. Hij regelde een permanente verblijfsstatus voor zijn gezin, maar Lola viel daar niet onder. Hij werd geacht haar terug te sturen.
Lola’s moeder, Fermina, stierf in 1973; haar vader, Hilario, in 1979. Beide keren wilde ze wanhopig graag naar huis. Beide keren zeiden mijn ouders: ‘Helaas.’ Geen geld, geen tijd. De kinderen hadden haar nodig. Later hebben mijn ouders tegenover mij toegegeven dat ze ook bang waren geweest voor hun eigen hachje. Als de autoriteiten ontdekten hoe het met Lola zat, en dat zouden ze zeker ontdekken als ze het land probeerde te verlaten, konden mijn ouders in de problemen komen, misschien zelfs uitgewezen worden. Dat konden ze niet riskeren. Lola’s juridische status werd tago nang tago, zoals de Filipijnen het noemen – ‘op de vlucht’. Ze is bijna twintig jaar TNT gebleven.
Na de dood van haar ouders was Lola maandenlang somber en stil. Ze reageerde nauwelijks wanneer mijn ouders haar treiterden. Lola hield zich koest en deed haar werk. Maar het getreiter hield nooit op.
Ik had mijn ouders kunnen aangeven. Het zou ons hele gezin in één klap hebben opgeblazen
Met het ontslag van mijn vader begon een onrustige periode. Financieel werd het lastiger en mijn ouders keerden zich tegen elkaar. Telkens weer verplaatste het gezin – van Seattle naar Honolulu, terug naar Seattle, naar het zuidoosten van de Bronx en ten slotte naar Umatilla, Oregon, een nietszeggend plaatsje met zevenhondervijftig inwoners. Tussen al deze verhuizingen door draaide mijn moeder vaak 24-uursdiensten in ziekenhuizen, eerst als coassistent en vervolgens als arts, en mijn vader verdween vaak dagenlang voor allerlei losse baantjes, maar ook (zoals we later zouden horen) voor slippertjes met vrouwen en wie weet waarvoor nog meer. Op een keer kwam hij thuis en vertelde dat hij onze nieuwe stationcar met pokeren had verspeeld.
Lola was vaak dagenlang de enige volwassene in huis. Zij wist bijzonderheden over ons leven waarvoor mijn ouders nooit genoeg ruimte in hun hoofd hadden. We brachten vrienden mee naar huis en dan luisterde zij naar ons gepraat over school en meisjes en jongens en wat ons verder zoal bezighield. Alleen op basis van die gesprekken kon ze elk meisje opnoemen waar ik ooit verliefd op was geweest, mijn hele middelbareschooltijd lang.
Toen ik vijftien was, verliet mijn vader ons gezin voorgoed. Ik wilde het toen niet geloven, maar feit was dat hij ons, zijn kinderen, in de steek liet en mijn moeder na vijfentwintig jaar huwelijk aan de kant zette. Het zou nog een jaar duren voor ze haar artsendiploma had en haar specialisme, interne geneeskunde, leverde niet veel geld op. Mijn vader betaalde geen alimentatie, dus er waren altijd financiële problemen.
Mijn moeder hield zich net genoeg overeind om naar haar werk te gaan, maar ’s avonds zakte ze weg in zelfmedelijden en wanhoop. Haar belangrijkste bron van troost in deze periode: Lola. Hoe meer mama haar om kleinigheden afsnauwde, hoe beter Lola voor haar zorgde – ze bereidde mama’s lievelingseten, maakte haar slaapkamer met extra zorg schoon. Vaak trof ik die twee ’s avonds laat aan de keukentafel, waar ze zaten te klagen en verhalen te vertellen over mijn vader, soms onder hoongelach, dan weer in steeds grotere woede over zijn wandaden. Ons, de kinderen die de keuken in en uit glipten, merkten ze nauwelijks op.
Op een avond hoorde ik mama huilen en ik holde de woonkamer binnen, waar ze in Lola’s armen lag te snikken. Lola praatte zachtjes tegen haar, zoals ze dat vroeger met mijn broertjes en zusjes en mij had gedaan toen we klein waren. Ik bleef even hangen, maar ging toen terug naar mijn kamer, ongerust over mijn moeder en vol ontzag voor Lola.
MacArthur Highway
Doods zit te neuriën. Ik was weggedommeld, een minuutje naar mijn idee, en word wakker met zijn vrolijke deuntje. ‘Nog twee uur,’ zegt hij. Ik voel naar het plastic bakje in de boodschappentas bij mijn voeten – het is er nog – en kijk naar buiten, naar een lege weg. De MacArthur Highway. Ik kijk hoe laat het is. ‘Hé, twee uur geleden zei je ook al “nog twee uur.”’ Doods neuriet gewoon door.
Het is een opluchting dat hij niets weet over het doel van mijn reis. Ik heb genoeg aan de dialoog in mijn hoofd. Ik was geen haar beter dan mijn ouders. Ik had meer kunnen doen om Lola te bevrijden. Om haar een beter leven te geven. Waarom heb ik dat niet gedaan? Ik had mijn ouders kunnen aangeven, neem ik aan. Het zou ons hele gezin in één klap hebben opgeblazen. Dus hielden mijn broertjes, zusjes en ik onze mond. Ons gezin is niet in één klap ontploft, maar langzaam uiteen gevallen.
Doods en ik rijden door een prachtig landschap. Niet reisfolder-prachtig, maar echt en vol leven en, vergeleken met de stad, aangenaam overzichtelijk. Bergen liggen evenwijdig aan beide kanten van de weg, de Zambalesbergen in het westen, de Sierra Madre-keten in het oosten. Van bergrug tot bergrug, van west tot oost zie ik alle tinten groen, tot bijna zwart aan toe.
Doods wijst naar een vage omtrek in de verte. Mount Pinatubo. Ik ben hier in 1991 ook geweest, om verslag te doen over de gevolgen van de uitbarsting daarvan, de op een na grootste van de twintigste eeuw. Vulkanische modderstromen, lahars, zijn daarna nog ruim tien jaar lang omlaag gekomen, hebben eeuwenoude dorpen begraven, rivieren en valleien verstopt en hele ecosystemen vernietigd. De lahars reikten tot diep in het heuvelland van de provincie Tarlac, waar Lola’s ouders hun hele leven hebben doorgebracht, en waar zij en mijn moeder ooit samen hebben gewoond. Zoveel van onze familiegeschiedenis is al verloren gegaan in oorlogen en overstromingen, en nu liggen delen ervan begraven onder zeven meter modder.
Het leven hier wordt getekend door rampen. Dodelijke tyfoons die verscheidene keren per jaar toeslaan. Opstanden van bandietengroepen waar nooit een eind aan komt. Slapende bergen die op een dag besluiten wakker te worden. De Filipijnen is geen land als China of Brazilië, waarvan de massa het trauma absorbeert. Dit is een land van verspreide rotsblokken in zee. Als een ramp toeslaat, gaat het land een tijdje onder. Dan komt het weer boven, het leven gaat verder, en kun je een landschap aanschouwen zoals dit waar Doods en ik nu doorheen rijden. Het simpele feit dat het er is, maakt het mooi.
Een paar jaar nadat mijn ouders uit elkaar waren gegaan, hertrouwde mijn moeder en ze eiste Lola’s slaafse trouw aan haar nieuwe echtgenoot, een Kroatische immigrant die Ivan heette en die ze had leren kennen via een vriendin. Ivan had nooit de middelbare school afgemaakt. Hij was al vier keer eerder getrouwd geweest en was een onverbeterlijke gokker die zich maar al te graag door mijn moeder liet onderhouden en door Lola bedienen.
Ivan haalde een kant in Lola naar boven die ik nog nooit had gezien. Zijn huwelijk met mijn moeder was vanaf het begin explosief, en het belangrijkste strijdpunt was geld – vooral zijn gebruik van haar geld. Op een keer, tijdens een ruzie waarbij mijn moeder huilde en Ivan schreeuwde, kwam Lola aangelopen en ging tussen hen in staan. Ze keerde zich naar Ivan en zei met ferme stem zijn naam. Hij keek Lola aan, knipperde met zijn ogen en ging zitten.
Mijn zusje Inday en ik wisten niet wat we zagen. Ivan woog zo’n 125 kilo en zijn bariton kon de muren doen trillen. Lola zette hem met één woord op zijn plaats. Dit heb ik nog een paar keer zien gebeuren, maar verder bediende Lola Ivan zonder tegenwerpingen, zoals mijn moeder van haar verlangde. Ik vond het moeilijk om aan te zien hoe Lola zich aan een ander onderwierp, en zeker aan iemand als Ivan. Maar de aanleiding voor mijn aanvaring met mama was praktischer.
Zij werd altijd boos als Lola zich ziek voelde. Ze had geen zin in het gedoe en in de kosten, en beschuldigde Lola er altijd van dat ze zich aanstelde, of niet goed voor zichzelf zorgde. Mama koos voor die tweede benadering toen Lola’s tanden begonnen uit te vallen. Ze zei al maanden dat haar mond pijn deed.
‘Dat komt ervan als je niet goed poetst,’ zei mama tegen haar.
Ik zei dat Lola naar de tandarts moest. Ze was in de vijftig en nog nooit bij een tandarts geweest. Ik zat in die tijd op college, een uur reizen van huis en elke keer als ik thuiskwam, begon ik er weer over. Er ging een jaar voorbij, en nog een. Lola slikte elke dag aspirines tegen de pijn en haar tanden waren net een verbrokkelend Stonehenge. Op een avond, nadat ik had gezien hoe ze brood kauwde aan de kant van haar mond waar nog een paar goede kiezen zaten, barstte ik uit.
Mama en ik maakten de hele avond ruzie, waarbij we allebei op een bepaald moment in tranen waren. Zij zei dat ze dat ze het spuugzat was om zich altijd uit de naad te moeten werken om iedereen te onderhouden en dat ze ziek werd van haar kinderen die altijd Lola’s kant kozen. Waarom namen wij die Lola van ons niet gewoon zelf, zij had haar sowieso nooit gewild en ze wou in godsnaam dat ze nooit zo’n arrogante, schijnheilige bedrieger had gekregen als ik.
Ik liet haar woorden tot me doordringen. Toen sloeg ik terug, en zei dat zij wel wist hoe het was om een bedrieger te zijn, haar hele leven was één grote farce, en als zij voor één keer eens even geen medelijden met zichzelf had, zou ze zien dat Lola nauwelijks kon eten omdat die verdomde tanden van haar uit haar verdomde hoofd wegrotten, en kon ze haar nou niet eens één keer zien als een mens in plaats van als een slaaf die in leven werd gehouden om haar te bedienen?
‘Een slaaf,’ zei mama, terwijl ze het woord proefde. ‘Een slááf?’
De avond eindigde met haar verklaring dat ik haar relatie met Lola nooit zou begrijpen. Nóóit. Haar stem klonk zo hees en vol pijn, dat het zelfs na al die jaren aanvoelt als een stomp in mijn maag wanneer ik eraan denk. Het is iets verschrikkelijks om je eigen moeder te haten, en die avond haatte ik haar. De blik in haar ogen maakte duidelijk dat dat gevoel wederzijds was.
Cadeau
Die ruzie voedde alleen maar mama’s angst dat Lola de kinderen van haar had afgetroggeld, en ze liet Lola de tol betalen. Mam joeg haar nog meer op. Kwelde haar door te zeggen: ‘Ik hoop dat je blij bent nu je kinderen mij haten.’ Wanneer wij Lola hielpen met het huishouden, werd mama woedend. ‘Je kunt maar beter gaan slapen, Lola,’ zei ze dan sarcastisch. ‘Je hebt te hard gewerkt. Je kinderen maken zich zorgen om je.’ Later nam ze Lola dan mee een slaapkamer in voor een gesprek, en dan kwam Lola met gezwollen ogen weer naar buiten.
Uiteindelijk smeekte Lola ons om niet meer te proberen haar te helpen.
Waarom blijf je? vroegen wij.
‘Wie zal er koken?’ zei ze, wat ik opvatte als: Wie zou alles doen? Wie zou voor ons zorgen? Voor mama? Een andere keer zei ze: ‘Waar moet ik heen?’ Dit leek mij meer in de buurt van het echte antwoord te komen. Onze komst naar Amerika was een krankzinnige sprong in het diepe geweest en voor we het wisten waren er tien jaar voorbij geweest. We draaiden ons om en weer was het een decennium later. Lola’s haar was grijs geworden. Ze had gehoord dat familieleden thuis die de beloofde financiële steun niet hadden ontvangen, zich afvroegen wat er met haar gebeurd was. Ze schaamde zich om terug te gaan.
Ze had geen contacten in Amerika en geen mogelijkheid om te reizen. Van telefoons begreep ze niets. Van mechanische dingen – geldautomaten, intercoms, snoepautomaten, alles met een toetsenbord – raakte ze in paniek. Tegen mensen die snel praatten wist ze niets te zeggen en haar eigen gebroken Engels had op hen hetzelfde effect. Ze kon niet zonder hulp een afspraak maken, een reis regelen, een formulier invullen of een maaltijd bestellen.
Ik gaf Lola een bankpas voor mijn bankrekening en leerde haar hoe ze die moest gebruiken. Het is haar één keer gelukt, maar de tweede keer raakte ze in de war en daarna heeft ze het nooit meer geprobeerd. Ze bewaarde wel de pas, want die beschouwde ze als een cadeau van mij.
Ik probeerde ook om haar te leren autorijden. Ze wuifde het idee weg, maar ik pakte haar op en droeg haar naar de auto en zette haar in de bestuurdersstoel, terwijl we het allebei uitschaterden. Twintig minuten lang nam ik de bediening en metertjes met haar door. Haar blik veranderde van vrolijk in doodsbang. Toen ik het contact inschakelde en de dashboardverlichting aanging, was ze de auto uit en het huis binnen voordat ik nog iets kon zeggen. Ik heb het daarna nog een paar keer geprobeerd.
Ik dacht dat autorijden haar leven kon veranderen. Ze kon ergens naartoe gaan. En als het ooit ondraaglijk werd met mama, kon ze voorgoed wegrijden.
Een middag aan de kust en Lola vergat kennelijk jaren van ellende
Vier rijbanen worden twee, asfalt wordt grind. Driewielers zigzaggen tussen auto’s en waterbuffels die ladingen bamboe voorttrekken. Af en toe holt een hond of een geit vlak voor onze truck de weg over, rakelings langs de bumper. Doods mindert nooit vaart. Wat de oversteek niet haalt, belandt vandaag in de pan in plaats van morgen – de stelregel van de plattelandsweg.
Ik haal een kaart tevoorschijn en bekijk de route naar het dorp Mayantoc, onze bestemming. Door het raam, in de verte, voorovergebogen figuurtjes, als gekromde nagels. Mensen die rijst oogsten, zoals ze dat al duizenden jaren doen. We zijn er bijna.
Ik trommel op het plastic bakje en heb spijt dat ik niet een echte urn heb gekocht, van porselein of rozenhout. Wat zullen Lola’s familieleden wel niet denken? Niet dat er nog veel over zijn. Er woont nog maar één zus in de omgeving, Gregoria, 98 jaar oud, en ik heb begrepen dat haar geheugen haar in de steek laat. Volgens familieleden barst ze altijd in tranen uit als ze Lola’s naam hoort, en vergeet dan al snel weer waarom.
Ik heb contact gehad met een nicht van Lola. Zij heeft deze dag georganiseerd: na mijn aankomst een sobere herdenking, dan een gebed, waarna we haar as gaan bijzetten op een plek op het Mayantoc Eternal Bliss Memorial Park. Het is vijf jaar geleden dat Lola is gestorven, maar ik heb nog niet het definitieve afscheid genomen dat nu zal komen. De hele dag al voel ik een intens verdriet en vocht ik tegen de drang om dat te uiten, omdat ik niet wil huilen waar Doods bij is. Sterker dan de schaamte over de manier waarop mijn familie Lola heeft behandeld, sterker dan mijn bezorgdheid over hoe haar familieleden in Mayantoc mij zullen behandelen, voel ik het verschrikkelijke gewicht van het verlies van haar, alsof ze pas gisteren is overleden.
Doods draait naar het noordwesten op de Romulo Highway en slaat dan scherp linksaf naar Camiling, de stad waar mijn moeder en luitenant Tom vandaan kwamen. Twee rijbanen worden één, grind wordt zand. Het pad volgt de Camilingrivier, opzij staan groepjes bamboe huizen, voor ons liggen groene heuvels. Het doel van onze reis.
Ik heb de toespraak gehouden op de uitvaart van mijn moeder en alles wat ik zei was waar. Dat ze dapper en levendig was. Dat ze de nodige pech had gehad, maar er het beste van had gemaakt. Dat ze kon stralen als ze gelukkig was. Dat ze dol op haar kinderen was en ons een echt thuis had gegeven, in Salem, Oregon, dat in de jaren tachtig en negentig de vaste basis was geworden die we daarvoor nooit hadden gekend. Dat ik wilde dat we haar nog een keer konden bedanken. Dat we allemaal van haar hielden.
Ik sprak niet over Lola. Net zoals ik Lola altijd uit mijn gedachten had gebannen wanneer ik bij mijn moeder was in haar laatste jaren. Dat soort hersenchirurgie was nodig, als je van mijn moeder wilde houden. Het was de enige manier waarop we moeder en zoon konden zijn – en dat wilde ik, zeker toen halverwege de jaren negentig haar gezondheid achteruit begon te gaan. Diabetes. Borstkanker. Acute myelogene leukemie, een snelgroeiende kanker van het bloed en beenmerg. Het was alsof ze van de ene op de andere dag van stevig in breekbaar veranderde.
Na de grote ruzie vermeed ik het zoveel mogelijk om naar huis te komen en op mijn 23ste verhuisde ik naar Seattle. Als ik wel kwam, zag ik een verandering. Mama was nog steeds mama, maar niet meer zo onbuigzaam. Ze zorgde dat Lola een mooi kunstgebit kreeg en gaf haar een eigen slaapkamer. Ze werkte mee toen mijn broers en zussen en ik Lola’s TNT-status wilden veranderen. De beroemde immigratiewet van Ronald Reagan bood miljoenen illegale immigranten in 1986 de kans op amnestie. Het was een lange procedure, maar Lola werd Amerikaans staatsburger, in oktober 1998, vier maanden nadat mijn moeder was gediagnosticeerd met leukemie. Mama heeft nog een jaar geleefd. In die tijd maakten Ivan en zij tochtjes naar Lincoln City, aan de kust van Oregon, en soms namen ze Lola mee. Lola was dol op de oceaan. Aan de andere kant lagen de eilanden waar ze ooit naar terug hoopte te keren. En Lola was het allergelukkigst wanneer mama ontspannen tegen haar deed. Een middag aan de kust, of alleen maar een kwartier in de keuken herinneringen ophalen aan vroeger in de provincie, en Lola vergat kennelijk jaren van ellende.
Ander licht
Ik kon het niet zo gemakkelijk vergeten. Maar ik ging mijn moeder wel in een ander licht zien. Voor ze stierf, gaf ze me haar dagboeken, twee hutkoffers vol. Al bladerend, terwijl zij een meter van me af lag te slapen, zag ik stukjes van haar leven die ik jarenlang niet had willen zien. Zij was medicijnen gaan studeren toen nog niet veel vrouwen dat deden. Ze was naar Amerika gekomen en had gevochten voor respect, als vrouw en als immigrant-arts. Ze had in Salem twintig jaar bij het Fairview Training Center gewerkt, een staatsinstelling voor mensen met een ontwikkelingsstoornis. De ironie: ze had het grootste deel van haar professionele leven voor zwakkeren gezorgd. Ze aanbaden haar. Vrouwelijke collega’s werden hechte vriendinnen. Ze deden dwaze meidendingen samen – schoenen inslaan, kledingruilfeestjes houden, elkaar rare cadeautjes geven, zoals zeep in de vorm van een penis of een kalender met halfnaakte mannen, alles onder hysterisch gelach. De foto’s van hun feestjes herinnerden me eraan dat mijn moeder een eigen leven had, en een identiteit los van het gezin en van Lola. Uiteraard.
Mama had heel gedetailleerd over al haar kinderen geschreven, en over haar gevoelens voor ons op een bepaalde dag – trots, of liefde, of ergernis. Ze wijdde boekdelen aan haar echtgenoten, waarin ze hen als complexe personages in haar verhaal afschetste. Wij waren allemaal hoofdpersonen. Lola was bijzaak. Als zij al een rolletje kreeg, was het in het verhaal van iemand anders. ‘Lola heeft mijn lieve Alex naar zijn nieuwe school gebracht vanmorgen. Ik hoop dat hij snel nieuwe vriendjes vindt, zodat hij niet meer zo verdrietig is dat hij weer moest verhuizen.’ Dan konden er nog twee pagina’s over mij volgen, zonder dat Lola erin voorkwam.
De dag voordat mama stierf kwam een katholieke priester naar het huis om de laatste sacramenten toe te dienen. Lola zat naast mijn moeders bed, met een beker met een rietje, klaar om die naar mama’s mond te brengen. Ze was extra zorgzaam voor mijn moeder geworden en extra lief. Ze had misbruik kunnen maken van mama in haar zwakte, zelfs wraak kunnen nemen, maar ze deed het tegenovergestelde.
Lola had misbruik kunnen maken van mama in haar zwakte, zelfs wraak kunnen nemen, maar ze deed het tegenovergestelde
De priester vroeg mama of er iets was dat ze wilde vergeven of waar ze vergiffenis voor wilde. Ze keek met zware, half geloken ogen de kamer rond, zei niets. Toen, zonder naar Lola te kijken, stak ze haar hand uit en legde die open op Lola’s hoofd. Ze zei geen woord.
Vuilnis
Lola was 75 toen ze bij mij kwam wonen. Ik was getrouwd, had twee jonge dochters, en woonde in een gezellig huis omringd door bomen. Vanaf de bovenverdieping konden we Puget Sound zien. We gaven Lola een slaapkamer en toestemming om te doen waar ze zin in had: uitslapen, tv-series kijken, de hele dag nietsdoen. Voor het eerst van haar leven kon ze ontspannen – en vrij zijn. Ik had moeten weten dat het zo simpel niet zou zijn.
Ik was al die dingen vergeten die Lola deed en waar ik altijd een beetje gek van werd. Ze zei altijd weer tegen me dat ik een trui aan moest trekken omdat ik anders kou zou vatten (ik was in de veertig). Ze mopperde onophoudelijk over mijn vader en Ivan: mijn vader was lui, Ivan een klaploper. Ik leerde om haar stem buiten te sluiten. Moeilijker te negeren was haar fanatieke zuinigheid. Ze gooide nooit iets weg. En ze had de gewoonte om door het afval heen te gaan, om te kijken of wij niet iets hadden weggegooid dat nog bruikbaar was. Papieren handdoekjes waste en hergebruikte ze eindeloos, tot ze in haar handen uit elkaar vielen. (Niemand anders in huis durfde ze aan te raken.) De keuken raakte verstopt met boodschappentasjes, yoghurtbakjes en glazen potjes en delen van ons huis veranderden in een opslagplaats voor – er is geen ander woord voor – vuilnis.
Ze maakte altijd ontbijt klaar, ook al aten wij allemaal ’s morgens hooguit een banaan of een granolareep, meestal terwijl we de deur uit renden. Ze maakte onze bedden op en deed onze was. Ze poetste het huis. Ik hoorde mezelf zeggen, eerst nog vriendelijk: ‘Lola, dat hoef je niet te doen.’ ‘Lola dat doen we zelf wel.’ ‘Lola, dat is de taak van de meisjes.’ Oké, zei ze dan, maar ze ging gewoon door.
‘Ik ben mijn vader niet. Je bent hier geen slaaf’
Het ergerde me als ik haar betrapte terwijl ze staand in de keuken haar eten opat, of zag hoe ze opschrok en ging schoonmaken wanneer ik de kamer binnenkwam. Na een aantal maanden zette ik haar op een dag in een stoel.
‘Ik ben mijn vader niet. Je bent hier geen slaaf,’ zei ik, en ik noemde een lange lijst op van slaafdingen die ze steeds deed. Toen ik besefte dat ze geschrokken was, haalde ik diep adem en legde mijn handen om haar gezicht, dat elfengezichtje dat me nu hulpzoekend aankeek. Ik gaf haar een kus op haar voorhoofd. ‘Dit is nu jóúw huis,’ zei ik. ‘Je bent niet hier om ons te bedienen. Je kun je ontspannen, oké?’
‘Oké,’ zei ze, en ze ging verder met schoonmaken.
Ze wist niet hoe ze anders zou moeten zijn. Ik besefte dat ik mijn eigen raad moest opvolgen en me moest ontspannen. Als zij het eten wil klaarmaken, laat haar dan. Bedank haar en doe zelf de afwas. Ik moest steeds weer tegen mezelf zeggen: Laat haar maar.
Op een avond kwam ik thuis en vond haar op de bank, waar ze een kruiswoordpuzzel zat te maken, met haar voeten op de bank, de tv aan, een kop thee. Ze keek naar me op, glimlachte schaapachtig met dat volmaakte witte gebit en boog zich weer over de puzzel. We gaan vooruit, dacht ik.
Ze legde een tuin aan op het erf achter het huis, met rozen en tulpen en allerlei soorten orchideeën, en was daar hele middagen bezig die te verzorgen. Ze maakte wandelingetjes door de buurt. Rond haar tachtigste kreeg ze veel last van artritis en ging met een stok lopen. In de keuken veranderde ze van kok voor dagelijkse kost in een soort ambachtelijke chef, die alleen creëerde als ze de geest kreeg. Ze maakte copieuze maaltijden klaar en grijnsde blij als wij die met smaak verorberden.
Als ik langs de deur van Lola’s slaapkamer kwam, hoorde ik haar vaak een cassette met Filipijnse volksliedjes afspelen. Telkens weer hetzelfde bandje. Ik wist dat ze vrijwel al haar geld – mijn vrouw en ik gaven haar 200 dollar per week – aan familieleden thuis stuurde. Op een middag vond ik haar op de achterveranda, waar ze zat te kijken naar een kiekje van haar dorp dat iemand haar had gestuurd.
‘Wil je naar huis, Lola?’
Ze draaide de foto om en ging met haar vinger over het opschrift, draaide hem toen weer terug en bestudeerde zo te zien één detail.
‘Ja,’ zei ze.
Anders
Vlak na haar 83ste verjaardag betaalde ik haar ticket naar huis. Ik zou een maand later komen om haar mee terug te nemen naar de VS – als ze terug wilde. Het onuitgesproken doel van haar reis was om te zien of ze zich nog steeds thuis kon voelen op de plek waarnaar ze zoveel jaren had verlangd.
Ze vond haar antwoord.
‘Alles was anders,’ zei ze tegen me terwijl we door Mayantoc wandelden. De oude boerderijen waren weg. Haar huis was weg. Haar ouders en de meeste van haar broers en zussen waren weg. Vriendinnen van vroeger, voor zover ze nog leefden, waren net vreemden. Het was leuk om hen te zien, maar… alles was anders. Ze zou nog steeds graag haar laatste jaren hier willen doorbrengen, zei ze, maar ze was nog niet klaar.
‘Jij bent klaar om terug te gaan naar je tuin,’ zei ik.
‘Ja, laten we naar huis gaan.’
Lola was even toegewijd aan mijn dochters als ze aan mijn broers, zusjes en mij was geweest toen we jong waren. Na schooltijd luisterde ze naar hun verhalen en maakte dan iets te eten voor hen klaar. En anders dan mijn vrouw en ik (vooral ik) genoot Lola van elke minuut van elk schoolevenement en elke schoolvoorstelling. Ze kon er geen genoeg van krijgen. Ze ging op de eerste rij zitten, bewaarde de programma’s als souvenir.
Het was zo gemakkelijk om Lola gelukkig te maken. We namen haar mee op vakanties met het gezin, maar ze vond het even fijn om naar de boerenmarkt onderaan de heuvel te gaan. Dan werd ze net een kind op schoolreisje, één en al verwondering. ‘Moet je die courgettes zien!’ Het eerste wat ze elke morgen deed was alle gordijnen in het huis opentrekken, en dan bleef ze bij elk raam even naar buiten staan kijken.
En ze leerde zichzelf lezen. Dat was bijzonder. Op de een of andere manier had ze in de loop der jaren klanken verbonden aan letters. Ze maakte van die puzzels waarbij je in een blok van letters bepaalde woorden moet zoeken en omcirkelen. Er lagen stapels woordpuzzelboekjes in haar kamer, duizenden met pen omcirkelde woorden. Elke dag keek ze naar het nieuws en probeerde woorden op te vangen die ze herkende. Die verbond ze weer met woorden in de krant en zo achterhaalde ze hun betekenis. Ze begon elke dag de krant te lezen, van voor tot achter. Mijn vader had altijd gezegd dat ze simpel was. Ik vroeg me af wat ze had kunnen worden als ze op haar achtste niet op de rijstvelden had gewerkt, maar had leren lezen en schrijven.
In de twaalf jaar dat ze in ons huis heeft gewoond, heb ik haar vragen gesteld over haarzelf, om te proberen haar levensverhaal in beeld te krijgen, een gewoonte die ze maar raar vond. Vaak antwoordde ze op mijn vragen eerst met ‘Waarom?’ Waarom wilde ik iets over haar kindertijd weten? Over hoe ze luitenant Tom had leren kennen?
Ik probeerde mijn zus Ling zover te krijgen dat ze Lola naar haar liefdesleven vroeg. Ling giechelde, wat haar manier was om me duidelijk te maken dat ik er alleen voor stond. Op een dag waren Lola en ik bezig boodschappen op te bergen, toen ik het er zomaar uitgooide: ‘Lola, ben je ooit romantisch met iemand geweest?’ Ze glimlachte en toen vertelde ze me het verhaal van de enige keer dat ze daar dichtbij was geweest. Ze was een jaar of vijftien, en er was een knappe jongen die Pedro heette, van een boerderij in de buurt. Een paar maanden lang hadden ze samen, zij aan zij, rijst geoogst. Op een keer had ze haar bolo laten vallen – een snijgereedschap – en hij had die snel opgepakt en aan haar teruggegeven. ‘Ik vond hem aardig,’ zei ze.
Stilte.
‘En?’
‘Toen verhuisde hij,’ zei ze.
‘En?’
‘Dat is alles.’
‘Lola, heb je ooit seks gehad?’ hoorde ik mezelf vragen.
Misschien zou haar leven beter zijn geweest als ze in Mayantoc was gebleven, getrouwd was en een gezin had gekregen, net als haar broers en zussen. Maar misschien zou het juist slechter zijn geweest
‘Nee,’ zei ze.
Ze was niet gewend om persoonlijke vragen te krijgen. ‘Katulong lang ako,’ zei ze dan. Ik ben maar een bediende. Vaak antwoordde ze met een of twee woorden en het was een spel van twintig vragen dat dagen of weken kon duren om zelfs maar het simpelste verhaal naar boven te krijgen.
Waar ik wel achter ben gekomen: ze was boos op mijn moeder omdat ze al die jaren zo wreed tegen haar was geweest, maar miste haar toch. Toen Lola jong was, had ze zich soms zo eenzaam gevoeld dat ze alleen maar kon huilen. Ik weet dat er jaren zijn geweest waarin ze ervan droomde om met een man te zijn. Ik zag het aan de manier waarop ze ’s nachts met haar armen om een groot kussen lag. Maar op haar oude dag vertelde ze me dat het leven met de twee echtgenoten van mijn moeder haar het idee had gegeven dat het nog niet zo slecht was om alleen te zijn. Die twee miste ze helemaal niet. Misschien zou haar leven beter zijn geweest als ze in Mayantoc was gebleven, getrouwd was en een gezin had gekregen, net als haar broers en zussen. Maar misschien zou het juist slechter zijn geweest. Twee jongere zussen, Francisca en Zepriana waren ziek geworden en gestorven. Een broer, Claudio, was vermoord. Wat had het voor zin om je dat nu af te vragen? vroeg ze. Bahala na was haar motto. Het komt zoals het komt. Wat op haar pad was gekomen was een ander soort gezin. In dat gezin had zij acht kinderen: mama, mijn vier broers en zussen en ik, en nu ook mijn twee dochters. Wij achten, zei ze, maakten haar leven de moeite waard.
Soort heilige
We waren er geen van allen op voorbereid dat ze zo plotseling dood zou gaan.
Haar hartaanval begon in de keuken, terwijl ze eten stond klaar te maken en ik net een boodschap was gaan doen. Toen ik terugkwam zat ze er middenin. Een paar uur later in het ziekenhuis, voordat ik doorhad wat er gebeurde, was ze weg, om 22:56 uur. Alle kinderen en kleinkinderen merkten op dat ze stierf op 7 november. Dezelfde dag als mama. Met een tussenpoos van twaalf jaar. We wisten niet goed wat we daarmee aan moesten.
Lola heeft de 86 gehaald. Ik zie haar nog op die brancard liggen. Ik weet nog hoe ik keek naar de ambulancemedewerkers rondom deze bruine vrouw die niet groter was dan een kind, en bedacht dat zij geen idee hadden van het leven dat zij had geleid. Zij had niets van de zelfzuchtige ambitie die de meesten van ons drijft en met haar bereidheid om alles op te geven voor de mensen om haar heen, had ze onze liefde en uiterste loyaliteit gewonnen. Ze is een soort heilige geworden in mijn uitgebreide familie.
Het kostte me maanden om door haar dozen op zolder heen te gaan. Ik vond recepten die ze in de jaren zeventig uit tijdschriften had geknipt voor als ze ooit zou leren lezen. Fotoalbums met foto’s van mijn moeder. Oorkondes die mijn broertjes en zusjes en ik hadden gewonnen, al vanaf de lagere school, waarvan wij de meeste hadden weggegooid en die zij had ‘gered’. Op een avond kon ik mijn tranen bijna niet meer bedwingen toen ik onderin een doos een stapel vergeelde krantenartikelen vond die ik had geschreven en zelf al lang vergeten was. Zij kon in die tijd niet lezen, maar ze had ze toch bewaard.
In deze streken krijgen mensen hun dierbaren niet vaak gecremeerd terug
Doods’ truck stopt voor een klein, betonnen huis midden tussen een groepje huizen waarvan de meeste van bamboe en houten planken zijn gemaakt. Rond het plukje huizen: rijstvelden, groen en ogenschijnlijke eindeloosheid. Voordat ik zelfs maar uit de truck kan stappen, komen er al mensen naar buiten.
Doods leunt achterover in zijn stoel om een dutje te gaan doen. Ik hang mijn boodschappentas om mijn schouder, haal diep adem en doe het portier open.
‘Deze kant op,’ zegt een zachte stem en ik word het korte pad naar het betonnen huis op geleid. Als we allemaal binnen zijn, gaan zij op de stoelen en banken zitten die langs de muren staan, zodat het midden van de kamer leeg is, afgezien van mij. Ik blijf staan wachten om mijn gastvrouw te begroeten. De kamer is klein en donker. Mensen kijken me verwachtingsvol aan.
‘Waar is Lola?’
Een stem uit een andere kamer. Het volgende moment wandelt een vrouw van middelbare leeftijd in eenvoudige jurk glimlachend de kamer binnen. Ebia, Lola’s nicht. Dit is haar huis. Ze omhelst me en vraagt weer: ‘Waar is Lola?’
Ik laat de boodschappentas van mijn schouder glijden en geef hem aan haar. Ze kijkt me recht aan, nog steeds met een glimlach, pakt voorzichtig de tas aan en loopt naar een houten bank, waarop ze gaat zitten. Ze steekt haar hand in de tas, haalt het bakje eruit en bekijkt het van alle kanten. ‘Waar is Lola?’ vraagt ze zachtjes. In deze streken krijgen mensen hun dierbaren niet vaak gecremeerd terug. Ik denk dat ze niet wist wat ze moest verwachten. Ze zet het bakje op haar schoot en buigt voorover tot haar voorhoofd op de bovenkant ervan rust. Eerst denk ik dat ze lacht (van blijdschap), maar al snel besef ik dat ze huilt. Haar schouders beginnen te schokken, en dan jammert ze – een diepe, smartelijke, dierlijke jammerklacht, zoals ik ooit van Lola heb gehoord.
Dat ik niet eerder ben gekomen om Lola’s as af te leveren, komt gedeeltelijk doordat ik niet zeker wist of er wel iemand zoveel om haar gaf. Dit verdriet had ik niet verwacht. Voordat ik Ebia kan troosten, komt er een vrouw uit de keuken die haar armen om haar heen slaat en ook begint te jammeren. Het volgende moment barst de hele kamer in huilen uit. De oude mensen – één blind, enkele zonder tanden – zitten allemaal, zonder enige terughoudendheid, te jammeren. Het duurt een minuut of tien. Ik ben zo gefascineerd dat ik nauwelijks opmerk hoe de tranen over mijn eigen wangen lopen. Het snikken ebt weg en dan is het weer stil.
Ebia snuft nog eens en zegt dat het tijd is om te eten. Iedereen staat op en loopt naar de keuken, met gezwollen ogen, maar opeens lichter, en klaar om verhalen te vertellen. En ik kijk naar de lege boodschappentas op de bank, en weet dat het goed is geweest om Lola terug te brengen naar de plek waar ze is geboren.
Auteur: Alex Tizon
Vertaler: Annemie de Vries
Alex Tizon was journalist en auteur van onder andere Big Little Man: In Search of My Asian Self.
Hij won in 1997 een Pulitzer Prize en overleed in maart 2017. Dit was het laatste verhaal dat hij schreef.
Cadeau
Die ruzie voedde alleen maar mama’s angst dat Lola de kinderen van haar had afgetroggeld, en ze liet Lola de tol betalen. Mam joeg haar nog meer op. Kwelde haar door te zeggen: ‘Ik hoop dat je blij bent nu je kinderen mij haten.’ Wanneer wij Lola hielpen met het huishouden, werd mama woedend. ‘Je kunt maar beter gaan slapen, Lola,’ zei ze dan sarcastisch. ‘Je hebt te hard gewerkt. Je kinderen maken zich zorgen om je.’ Later nam ze Lola dan mee een slaapkamer in voor een gesprek, en dan kwam Lola met gezwollen ogen weer naar buiten.
Uiteindelijk smeekte Lola ons om niet meer te proberen haar te helpen.
Waarom blijf je? vroegen wij.
‘Wie zal er koken?’ zei ze, wat ik opvatte als: Wie zou alles doen? Wie zou voor ons zorgen? Voor mama? Een andere keer zei ze: ‘Waar moet ik heen?’ Dit leek mij meer in de buurt van het echte antwoord te komen. Onze komst naar Amerika was een krankzinnige sprong in het diepe geweest en voor we het wisten waren er tien jaar voorbij geweest. We draaiden ons om en weer was het een decennium later. Lola’s haar was grijs geworden. Ze had gehoord dat familieleden thuis die de beloofde financiële steun niet hadden ontvangen, zich afvroegen wat er met haar gebeurd was. Ze schaamde zich om terug te gaan.
Ze had geen contacten in Amerika en geen mogelijkheid om te reizen. Van telefoons begreep ze niets. Van mechanische dingen – geldautomaten, intercoms, snoepautomaten, alles met een toetsenbord – raakte ze in paniek. Tegen mensen die snel praatten wist ze niets te zeggen en haar eigen gebroken Engels had op hen hetzelfde effect. Ze kon niet zonder hulp een afspraak maken, een reis regelen, een formulier invullen of een maaltijd bestellen.
Ik gaf Lola een bankpas voor mijn bankrekening en leerde haar hoe ze die moest gebruiken. Het is haar één keer gelukt, maar de tweede keer raakte ze in de war en daarna heeft ze het nooit meer geprobeerd. Ze bewaarde wel de pas, want die beschouwde ze als een cadeau van mij.
Ik probeerde ook om haar te leren autorijden. Ze wuifde het idee weg, maar ik pakte haar op en droeg haar naar de auto en zette haar in de bestuurdersstoel, terwijl we het allebei uitschaterden. Twintig minuten lang nam ik de bediening en metertjes met haar door. Haar blik veranderde van vrolijk in doodsbang. Toen ik het contact inschakelde en de dashboardverlichting aanging, was ze de auto uit en het huis binnen voordat ik nog iets kon zeggen. Ik heb het daarna nog een paar keer geprobeerd.
Ik dacht dat autorijden haar leven kon veranderen. Ze kon ergens naartoe gaan. En als het ooit ondraaglijk werd met mama, kon ze voorgoed wegrijden.
Vier rijbanen worden twee, asfalt wordt grind. Driewielers zigzaggen tussen auto’s en waterbuffels die ladingen bamboe voorttrekken. Af en toe holt een hond of een geit vlak voor onze truck de weg over, rakelings langs de bumper. Doods mindert nooit vaart. Wat de oversteek niet haalt, belandt vandaag in de pan in plaats van morgen – de stelregel van de plattelandsweg.
Ik haal een kaart tevoorschijn en bekijk de route naar het dorp Mayantoc, onze bestemming. Door het raam, in de verte, voorovergebogen figuurtjes, als gekromde nagels. Mensen die rijst oogsten, zoals ze dat al duizenden jaren doen. We zijn er bijna.
Ik trommel op het plastic bakje en heb spijt dat ik niet een echte urn heb gekocht, van porselein of rozenhout. Wat zullen Lola’s familieleden wel niet denken? Niet dat er nog veel over zijn. Er woont nog maar één zus in de omgeving, Gregoria, 98 jaar oud, en ik heb begrepen dat haar geheugen haar in de steek laat. Volgens familieleden barst ze altijd in tranen uit als ze Lola’s naam hoort, en vergeet dan al snel weer waarom.
Ik heb contact gehad met een nicht van Lola. Zij heeft deze dag georganiseerd: na mijn aankomst een sobere herdenking, dan een gebed, waarna we haar as gaan bijzetten op een plek op het Mayantoc Eternal Bliss Memorial Park. Het is vijf jaar geleden dat Lola is gestorven, maar ik heb nog niet het definitieve afscheid genomen dat nu zal komen. De hele dag al voel ik een intens verdriet en vocht ik tegen de drang om dat te uiten, omdat ik niet wil huilen waar Doods bij is. Sterker dan de schaamte over de manier waarop mijn familie Lola heeft behandeld, sterker dan mijn bezorgdheid over hoe haar familieleden in Mayantoc mij zullen behandelen, voel ik het verschrikkelijke gewicht van het verlies van haar, alsof ze pas gisteren is overleden.
Doods draait naar het noordwesten op de Romulo Highway en slaat dan scherp linksaf naar Camiling, de stad waar mijn moeder en luitenant Tom vandaan kwamen. Twee rijbanen worden één, grind wordt zand. Het pad volgt de Camilingrivier, opzij staan groepjes bamboe huizen, voor ons liggen groene heuvels. Het doel van onze reis.
Ik heb op de uitvaart van mijn moeder een toespraak gehouden en alles wat ik zei was waar. Dat ze dapper en levendig was. Dat ze de nodige pech had gehad, maar er het beste van had gemaakt. Dat ze kon stralen als ze gelukkig was. Dat ze dol op haar kinderen was en ons een echt thuis had gegeven, in Salem, Oregon, dat in de jaren tachtig en negentig de vaste basis was geworden die we daarvoor nooit hadden gekend. Dat ik wilde dat we haar nog een keer konden bedanken. Dat we allemaal van haar hielden.
Ik sprak niet over Lola. Net zoals ik Lola altijd uit mijn gedachten had gebannen wanneer ik bij mijn moeder was in haar laatste jaren. Dat soort hersenchirurgie was nodig, als je van mijn moeder wilde houden. Het was de enige manier waarop we moeder en zoon konden zijn – en dat wilde ik, zeker toen halverwege de jaren negentig haar gezondheid achteruit begon te gaan. Diabetes. Borstkanker. Acute myelogene leukemie, een snelgroeiende kanker van het bloed en beenmerg. Het was alsof ze van de ene op de andere dag van stevig in breekbaar veranderde.
Na de grote ruzie vermeed ik het zoveel mogelijk om naar huis te komen en op mijn 23ste verhuisde ik naar Seattle. Als ik wel kwam, zag ik een verandering. Mama was nog steeds mama, maar niet meer zo onbuigzaam. Ze zorgde dat Lola een mooi kunstgebit kreeg en gaf haar een eigen slaapkamer. Ze werkte mee toen mijn broers en zussen en ik Lola’s TNT-status wilden veranderen. De beroemde immigratiewet van Ronald Reagan bood miljoenen illegale immigranten in 1986 de kans op amnestie. Het was een lange procedure, maar Lola werd Amerikaans staatsburger, in oktober 1998, vier maanden nadat mijn moeder was gediagnosticeerd met leukemie. Mama heeft nog een jaar geleefd. In die tijd maakten Ivan en zij tochtjes naar Lincoln City, aan de kust van Oregon, en soms namen ze Lola mee. Lola was dol op de oceaan. Aan de andere kant lagen de eilanden waar ze ooit naar terug hoopte te keren. En Lola was het allergelukkigst wanneer mama ontspannen tegen haar deed. Een middag aan de kust, of alleen maar een kwartier in de keuken herinneringen ophalen aan vroeger in de provincie, en Lola vergat kennelijk jaren van ellende.
Ander licht
Maar zelf kon het niet zo gemakkelijk vergeten. Wel ging ik mijn moeder in een ander licht zien. Voor ze stierf, gaf ze me haar dagboeken, twee hutkoffers vol. Al bladerend, terwijl zij een meter van me af lag te slapen, zag ik stukjes van haar leven die ik jarenlang niet had willen zien. Zij was medicijnen gaan studeren toen nog niet veel vrouwen dat deden. Ze was naar Amerika gekomen en had gevochten voor respect, als vrouw en als immigrant-arts. Ze had in Salem twintig jaar bij het Fairview Training Center gewerkt, een staatsinstelling voor mensen met een ontwikkelingsstoornis. De ironie: ze had het grootste deel van haar professionele leven voor zwakkeren gezorgd. Ze aanbaden haar. Vrouwelijke collega’s werden hechte vriendinnen. Ze deden dwaze meidendingen samen – schoenen inslaan, kledingruilfeestjes houden, elkaar rare cadeautjes geven, zoals zeep in de vorm van een penis of een kalender met halfnaakte mannen, alles onder hysterisch gelach. De foto’s van hun feestjes herinnerden me eraan dat mijn moeder een eigen leven had, en een identiteit los van het gezin en van Lola. Uiteraard.
Mama had heel gedetailleerd over al haar kinderen geschreven, en over haar gevoelens voor ons op een bepaalde dag – trots, of liefde, of ergernis. Ze wijdde boekdelen aan haar echtgenoten, waarin ze hen als complexe personages in haar verhaal afschetste. Wij waren allemaal hoofdpersonen. Lola was bijzaak. Als zij al een rolletje kreeg, was het in het verhaal van iemand anders. ‘Lola heeft mijn lieve Alex naar zijn nieuwe school gebracht vanmorgen. Ik hoop dat hij snel nieuwe vriendjes vindt, zodat hij niet meer zo verdrietig is dat hij weer moest verhuizen.’ Dan konden er nog twee pagina’s over mij volgen, zonder dat Lola erin voorkwam.
De dag voordat mama stierf kwam een katholieke priester naar het huis om de laatste sacramenten toe te dienen. Lola zat naast mijn moeders bed, met een beker met een rietje, klaar om die naar mama’s mond te brengen. Ze was extra zorgzaam voor mijn moeder geworden en extra lief. Ze had misbruik kunnen maken van mama in haar zwakte, zelfs wraak kunnen nemen, maar ze deed het tegenovergestelde.
De priester vroeg mama of er iets was dat ze wilde vergeven of waar ze vergiffenis voor wilde. Ze keek met zware, half geloken ogen de kamer rond, zei niets. Toen, zonder naar Lola te kijken, stak ze haar hand uit en legde die open op Lola’s hoofd. Ze zei geen woord.
‘Ik ben mijn vader niet. Je bent hier geen slaaf’
Lola was 75 toen ze bij mij kwam wonen. Ik was getrouwd, had twee jonge dochters, en woonde in een gezellig huis omringd door bomen. Vanaf de bovenverdieping konden we Puget Sound zien. We gaven Lola een slaapkamer en toestemming om te doen waar ze zin in had: uitslapen, tv-series kijken, de hele dag nietsdoen. Voor het eerst van haar leven kon ze ontspannen – en vrij zijn. Ik had moeten weten dat het zo simpel niet zou zijn.
Ik was al die dingen vergeten die Lola deed en waar ik altijd een beetje gek van werd. Ze zei altijd weer tegen me dat ik een trui aan moest trekken omdat ik anders kou zou vatten (ik was in de veertig). Ze mopperde onophoudelijk over mijn vader en Ivan: mijn vader was lui, Ivan een klaploper. Ik leerde om haar stem buiten te sluiten. Moeilijker te negeren was haar fanatieke zuinigheid. Ze gooide nooit iets weg. En ze had de gewoonte om door het afval heen te gaan, om te kijken of wij niet iets hadden weggegooid dat nog bruikbaar was. Papieren handdoekjes waste en hergebruikte ze eindeloos, tot ze in haar handen uit elkaar vielen. (Niemand anders in huis durfde ze aan te raken.) De keuken raakte verstopt met boodschappentasjes, yoghurtbakjes en glazen potjes en delen van ons huis veranderden in een opslagplaats voor – er is geen ander woord voor – vuilnis.
Ze maakte altijd ontbijt klaar, ook al aten wij allemaal ’s morgens hooguit een banaan of een granolareep, meestal terwijl we de deur uit renden. Ze maakte onze bedden op en deed onze was. Ze poetste het huis. Ik hoorde mezelf zeggen, eerst nog vriendelijk: ‘Lola, dat hoef je niet te doen.’ ‘Lola dat doen we zelf wel.’ ‘Lola, dat is de taak van de meisjes.’ Oké, zei ze dan, maar ze ging gewoon door.
Het ergerde me als ik haar betrapte terwijl ze staand in de keuken haar eten opat, of zag hoe ze opschrok en ging schoonmaken wanneer ik de kamer binnenkwam. Na een aantal maanden zette ik haar op een dag in een stoel.
‘Ik ben mijn vader niet. Je bent hier geen slaaf,’ zei ik, en ik noemde een lange lijst op van slaafdingen die ze steeds deed. Toen ik besefte dat ze geschrokken was, haalde ik diep adem en legde mijn handen om haar gezicht, dat elfengezichtje dat me nu hulpzoekend aankeek. Ik gaf haar een kus op haar voorhoofd. ‘Dit is nu jóúw huis,’ zei ik. ‘Je bent niet hier om ons te bedienen. Je kun je ontspannen, oké?’
‘Oké,’ zei ze, en ze ging verder met schoonmaken.
Ze wist niet hoe ze anders zou moeten zijn. Ik besefte dat ik mijn eigen raad moest opvolgen en me moest ontspannen. Als zij het eten wil klaarmaken, laat haar dan. Bedank haar en doe zelf de afwas. Ik moest steeds weer tegen mezelf zeggen: Laat haar maar.
Op een avond kwam ik thuis en vond haar op de bank, waar ze een kruiswoordpuzzel zat te maken, met haar voeten op de bank, de tv aan, een kop thee. Ze keek naar me op, glimlachte schaapachtig met dat volmaakte witte gebit en boog zich weer over de puzzel. We gaan vooruit, dacht ik.
Ze legde een tuin aan op het erf achter het huis, met rozen en tulpen en allerlei soorten orchideeën, en was daar hele middagen bezig die te verzorgen. Ze maakte wandelingetjes door de buurt. Rond haar tachtigste kreeg ze veel last van artritis en ging met een stok lopen. In de keuken veranderde ze van kok voor dagelijkse kost in een soort ambachtelijke chef, die alleen creëerde als ze de geest kreeg. Ze maakte copieuze maaltijden klaar en grijnsde blij als wij die met smaak verorberden.
Als ik langs de deur van Lola’s slaapkamer kwam, hoorde ik haar vaak een cassette met Filipijnse volksliedjes afspelen. Telkens weer hetzelfde bandje. Ik wist dat ze vrijwel al haar geld – mijn vrouw en ik gaven haar 200 dollar per week – aan familieleden thuis stuurde. Op een middag vond ik haar op de achterveranda, waar ze zat te kijken naar een kiekje van haar dorp dat iemand haar had gestuurd.
‘Wil je naar huis, Lola?’
Ze draaide de foto om en ging met haar vinger over het opschrift, draaide hem toen weer terug en bestudeerde zo te zien één detail.
‘Ja,’ zei ze.
Anders
Vlak na haar 83ste verjaardag betaalde ik haar ticket naar huis. Ik zou een maand later komen om haar mee terug te nemen naar de VS – als ze terug wilde. Het onuitgesproken doel van haar reis was om te zien of ze zich nog steeds thuis kon voelen op de plek waarnaar ze zoveel jaren had verlangd.
Ze vond haar antwoord.
‘Alles was anders,’ zei ze tegen me terwijl we door Mayantoc wandelden. De oude boerderijen waren weg. Haar huis was weg. Haar ouders en de meeste van haar broers en zussen waren weg. Vriendinnen van vroeger, voor zover ze nog leefden, waren net vreemden. Het was leuk om hen te zien, maar… alles was anders. Ze zou nog steeds graag haar laatste jaren hier willen doorbrengen, zei ze, maar ze was nog niet klaar.
‘Jij bent klaar om terug te gaan naar je tuin,’ zei ik.
‘Ja, laten we naar huis gaan.’
Lola was even toegewijd aan mijn dochters als ze aan mijn broers, zusjes en mij was geweest toen we jong waren. Na schooltijd luisterde ze naar hun verhalen en maakte dan iets te eten voor hen klaar. En anders dan mijn vrouw en ik (vooral ik) genoot Lola van elke minuut van elk schoolevenement en elke schoolvoorstelling. Ze kon er geen genoeg van krijgen. Ze ging op de eerste rij zitten, bewaarde de programma’s als souvenir.
Het was zo gemakkelijk om Lola gelukkig te maken. We namen haar mee op vakanties met het gezin, maar ze vond het even fijn om naar de boerenmarkt onderaan de heuvel te gaan. Dan werd ze net een kind op schoolreisje, één en al verwondering. ‘Moet je die courgettes zien!’ Het eerste wat ze elke morgen deed was alle gordijnen in het huis opentrekken, en dan bleef ze bij elk raam even naar buiten staan kijken.
En ze leerde zichzelf lezen. Dat was bijzonder. Op de een of andere manier had ze in de loop der jaren klanken verbonden aan letters. Ze maakte van die puzzels waarbij je in een blok van letters bepaalde woorden moet zoeken en omcirkelen. Er lagen stapels woordpuzzelboekjes in haar kamer, duizenden met pen omcirkelde woorden. Elke dag keek ze naar het nieuws en probeerde woorden op te vangen die ze herkende. Die verbond ze weer met woorden in de krant en zo achterhaalde ze hun betekenis. Ze begon elke dag de krant te lezen, van voor tot achter. Mijn vader had altijd gezegd dat ze simpel was. Ik vroeg me af wat ze had kunnen worden als ze op haar achtste niet op de rijstvelden had gewerkt, maar had leren lezen en schrijven.
In de twaalf jaar dat ze in ons huis heeft gewoond, heb ik haar vragen gesteld over haarzelf, om te proberen haar levensverhaal in beeld te krijgen, een gewoonte die ze maar raar vond. Vaak antwoordde ze op mijn vragen eerst met ‘Waarom?’ Waarom wilde ik iets over haar kindertijd weten? Over hoe ze luitenant Tom had leren kennen?
Ik probeerde mijn zus Ling zover te krijgen dat ze Lola naar haar liefdesleven vroeg. Ling giechelde, wat haar manier was om me duidelijk te maken dat ik er alleen voor stond. Op een dag waren Lola en ik bezig boodschappen op te bergen, toen ik het er zomaar uitgooide: ‘Lola, ben je ooit romantisch met iemand geweest?’ Ze glimlachte en toen vertelde ze me het verhaal van de enige keer dat ze daar dichtbij was geweest. Ze was een jaar of vijftien, en er was een knappe jongen die Pedro heette, van een boerderij in de buurt. Een paar maanden lang hadden ze samen, zij aan zij, rijst geoogst. Op een keer had ze haar bolo laten vallen – een snijgereedschap – en hij had die snel opgepakt en aan haar teruggegeven. ‘Ik vond hem aardig,’ zei ze.
Stilte.
‘En?’
‘Toen verhuisde hij,’ zei ze.
‘En?’
‘Dat is alles.’
‘Lola, heb je ooit seks gehad?’ hoorde ik mezelf vragen.
‘Nee,’ zei ze.
Ze was niet gewend om persoonlijke vragen te krijgen. ‘Katulong lang ako,’ zei ze dan. Ik ben maar een bediende. Vaak antwoordde ze met een of twee woorden en het was een spel van twintig vragen dat dagen of weken kon duren om zelfs maar het simpelste verhaal naar boven te krijgen.
Waar ik wel achter ben gekomen: ze was boos op mijn moeder omdat ze al die jaren zo wreed tegen haar was geweest, maar miste haar toch. Toen Lola jong was, had ze zich soms zo eenzaam gevoeld dat ze alleen maar kon huilen. Ik weet dat er jaren zijn geweest waarin ze ervan droomde om met een man te zijn. Ik zag het aan de manier waarop ze ’s nachts met haar armen om een groot kussen lag. Maar op haar oude dag vertelde ze me dat het leven met de twee echtgenoten van mijn moeder haar het idee had gegeven dat het nog niet zo slecht was om alleen te zijn. Die twee miste ze helemaal niet. Misschien zou haar leven beter zijn geweest als ze in Mayantoc was gebleven, getrouwd was en een gezin had gekregen, net als haar broers en zussen. Maar misschien zou het juist slechter zijn geweest. Twee jongere zussen, Francisca en Zepriana waren ziek geworden en gestorven. Een broer, Claudio, was vermoord. Wat had het voor zin om je dat nu af te vragen? vroeg ze. Bahala na was haar motto. Het komt zoals het komt. Wat op haar pad was gekomen was een ander soort gezin. In dat gezin had zij acht kinderen: mama, mijn vier broers en zussen en ik, en nu ook mijn twee dochters. Wij achten, zei ze, maakten haar leven de moeite waard.
We waren er geen van allen op voorbereid dat ze zo plotseling dood zou gaan.
Haar hartaanval begon in de keuken, terwijl ze eten stond klaar te maken en ik net een boodschap was gaan doen. Toen ik terugkwam zat ze er middenin. Een paar uur later in het ziekenhuis, voordat ik doorhad wat er gebeurde, was ze weg, om 22:56 uur. Alle kinderen en kleinkinderen merkten op dat ze stierf op 7 november. Dezelfde dag als mama. Met een tussenpoos van twaalf jaar. We wisten niet goed wat we daarmee aan moesten.
Lola heeft de 86 gehaald. Ik zie haar nog op die brancard liggen. Ik weet nog hoe ik keek naar de ambulancemedewerkers rondom deze bruine vrouw die niet groter was dan een kind, en bedacht dat zij geen idee hadden van het leven dat zij had geleid. Zij had niets van de zelfzuchtige ambitie die de meesten van ons drijft en met haar bereidheid om alles op te geven voor de mensen om haar heen, had ze onze liefde en uiterste loyaliteit gewonnen. Ze is een soort heilige geworden in mijn uitgebreide familie.
Het kostte me maanden om door haar dozen op zolder heen te gaan. Ik vond recepten die ze in de jaren zeventig uit tijdschriften had geknipt voor als ze ooit zou leren lezen. Fotoalbums met foto’s van mijn moeder. Oorkondes die mijn broertjes en zusjes en ik hadden gewonnen, al vanaf de lagere school, waarvan wij de meeste hadden weggegooid en die zij had ‘gered’. Op een avond kon ik mijn tranen bijna niet meer bedwingen toen ik onderin een doos een stapel vergeelde krantenartikelen vond die ik had geschreven en zelf al lang vergeten was. Zij kon in die tijd niet lezen, maar ze had ze toch bewaard.
Dat ik niet eerder ben gekomen om Lola’s as af te leveren, komt gedeeltelijk doordat ik niet zeker wist of er wel iemand zoveel om haar gaf
Doods’ truck stopt voor een klein, betonnen huis midden tussen een groepje huizen waarvan de meeste van bamboe en houten planken zijn gemaakt. Rond het plukje huizen: rijstvelden, groen en ogenschijnlijke eindeloosheid. Voordat ik zelfs maar uit de truck kan stappen, komen er al mensen naar buiten.
Doods leunt achterover in zijn stoel om een dutje te gaan doen. Ik hang mijn boodschappentas om mijn schouder, haal diep adem en doe het portier open.
‘Deze kant op,’ zegt een zachte stem en ik word het korte pad naar het betonnen huis op geleid. Als we allemaal binnen zijn, gaan zij op de stoelen en banken zitten die langs de muren staan, zodat het midden van de kamer leeg is, afgezien van mij. Ik blijf staan wachten om mijn gastvrouw te begroeten. De kamer is klein en donker. Mensen kijken me verwachtingsvol aan.
‘Waar is Lola?’
Een stem uit een andere kamer. Het volgende moment wandelt een vrouw van middelbare leeftijd in eenvoudige jurk glimlachend de kamer binnen. Ebia, Lola’s nicht. Dit is haar huis. Ze omhelst me en vraagt weer: ‘Waar is Lola?’
Ik laat de boodschappentas van mijn schouder glijden en geef hem aan haar. Ze kijkt me recht aan, nog steeds met een glimlach, pakt voorzichtig de tas aan en loopt naar een houten bank, waarop ze gaat zitten. Ze steekt haar hand in de tas, haalt het bakje eruit en bekijkt het van alle kanten. ‘Waar is Lola?’ vraagt ze zachtjes. In deze streken krijgen mensen hun dierbaren niet vaak gecremeerd terug. Ik denk dat ze niet wist wat ze moest verwachten. Ze zet het bakje op haar schoot en buigt voorover tot haar voorhoofd op de bovenkant ervan rust. Eerst denk ik dat ze lacht (van blijdschap), maar al snel besef ik dat ze huilt. Haar schouders beginnen te schokken, en dan jammert ze – een diepe, smartelijke, dierlijke jammerklacht, zoals ik ooit van Lola heb gehoord.
Dat ik niet eerder ben gekomen om Lola’s as af te leveren, komt gedeeltelijk doordat ik niet zeker wist of er wel iemand zoveel om haar gaf. Dit verdriet had ik niet verwacht. Voordat ik Ebia kan troosten, komt er een vrouw uit de keuken die haar armen om haar heen slaat en ook begint te jammeren. Het volgende moment barst de hele kamer in huilen uit. De oude mensen – één blind, enkele zonder tanden – zitten allemaal, zonder enige terughoudendheid, te jammeren. Het duurt een minuut of tien. Ik ben zo gefascineerd dat ik nauwelijks opmerk hoe de tranen over mijn eigen wangen lopen. Het snikken ebt weg en dan is het weer stil.
Ebia snuft nog eens en zegt dat het tijd is om te eten. Iedereen staat op en loopt naar de keuken, met gezwollen ogen, maar opeens lichter, en klaar om verhalen te vertellen. En ik kijk naar de lege boodschappentas op de bank, en weet dat het goed is geweest om Lola terug te brengen naar de plek waar ze is geboren.
Auteur: Alex Tizon
Vertaler: Annemie de Vries
Bekijk voor meer familiefoto’s het originele artikel.
Alex Tizon was journalist en auteur van onder andere Big Little Man: In Search of My Asian Self. Hij won in 1997 een Pulitzer Prize en overleed in maart 2017. Dit was het laatste verhaal dat hij schreef.
The Atlantic
Verenigde Staten, maandblad, oplage 478.000
Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie

