verdwaald in het hiernamaals


Nadat Andy ernstig hersenletsel heeft opgelopen, denkt hij in contact te staan met de geestenwereld. Zijn broer, een waarheidsgetrouw journalist, besluit hem te vergezellen op een spiritueel zomerkamp. Een schitterend en ontroerend verhaal over het channelen van doden, kwantumverstrengeling en de kracht van broederliefde.

» Hier leest u dit verhaal op Blendle

Voor zover we kunnen vaststellen begonnen de geesten zich te roeren na Andy’s traumatische hersenletsel. Op kerstavond 2005 heeft een dronken man mijn oudere broer in elkaar geslagen voor een groezelige bar in Oost-Milwaukee. Hij heeft hem met zijn hoofd tegen een bakstenen alkoof gesmeten en hem voor dood achtergelaten op de besneeuwde stoep, buiten westen en met zeven hersenkneuzingen. We hebben zeven dagen gewaakt aan zijn bed op de intensive care, gebeden, gefluisterd met gebalde vuisten, ons hart vastgehouden bij de wisselende statusupdates van de arts. Aanvankelijk was de prognose uitzichtloos. De bloedingen waren zo zwaar dat de artsen ervan overtuigd waren dat het slechts een kwestie van tijd was voor Andy zou wegglijden in een onomkeerbaar coma. Maar als door een wonder kwam hij bij op de ochtend van de dertigste december, met grote ogen, alert. Van alles wat een mens op zo’n moment zou kunnen verlangen, wilde hij iets te eten van [fastfoodketen] Boston Market.

We vreesden het ergste en waren bang dat hij psychoses had overgehouden aan zijn hersenletsel

Na een negen maanden durende odyssee van aanvallen van duizeligheid en perioden van afasie, kreeg mijn broer, die destijds tweeëntwintig was, niet alleen het grootste deel van zijn geheugen terug maar ook, zoals wij grappend zeiden, de leukere kanten van zijn karakter. Hij kocht een appartement en maakte zijn studie af, trouwde en vond een baan als corporate sales executive. Maar in de jaren daarna gebeurde er iets vreemd. Hij hoorde ’s nachts krakende voetstappen op de gang en vreemde stemmen in de kast. We vreesden het ergste en waren bang dat hij psychoses had overgehouden aan zijn hersenletsel – wat, hoe naar ook, heel goed mogelijk was. Uiteindelijk nam mijn vader het vliegtuig van Milwaukee naar Houston om Andy op te zoeken in zijn nieuwe huis. Hij trof mijn broer in meditatieve kleermakerszit op de keukenvloer, terwijl de flakkerende lampjes in de kroonluchter boven zijn hoofd een geheel eigen leven leken te leiden. Andy liet uit niets blijken dat hij mijn vader had zien binnenkomen, maar hij zei, met een gewijd soort rust: ‘Er is een aanwezigheid in de kamer.’

Op zeker moment verkondigde mijn broer met een zekere stelligheid dat hij met de doden kon spreken en dat hij boodschappen kon ontvangen uit de spirituele wereld. Als ik hem opzocht aan de westkust, waar hij uiteindelijk een baan had gevonden in de tech industry, werd ik in de kroeg geregeld apart genomen door een van zijn vrienden, die zei dat Andy ‘contact had gelegd’ met een overleden dierbare. Iedereen wilde weten hoe het was geweest om samen met hem op te groeien. Het grootste deel van onze familie ging geloven in zijn paranormale gaven. (Vergeet niet dat mijn ouders tot aan die tijd van het geloof gevallen katholieken waren, wantrouwige westerlingen die niet veel op hadden met het bovennatuurlijke.) Mijn vader stond een keer met open mond te kijken naar de waterglazen die over het ontbijteiland schoven – wat het werk van de geesten zou zijn – terwijl Andy als aan de grond genageld in de deuropening van de keuken stond. Toen mijn oma overleed, zei mijn schoonzus dat ze een groene bol boven Andy’s bed had zien hangen. Ze had hem wakker geschud en samen hadden ze, perplex, toegekeken hoe de glinsterende smaragd naar het plafond zweefde en in het niets opging. ‘Je broer heeft magische krachten,’ had mijn moeder ooit op ernstige fluistertoon tegen me gezegd.

Korreltje zout

Het kwam tot een soort culminatie toen Andy zei dat hij was aangehouden vanwege een verkeersovertreding en dat hij, net op het moment dat de bon werd uitgeschreven, de geest had weten te channelen van de overleden moeder van de agent, die onlangs was overleden aan congestief hartfalen. Andy kwam er met een waarschuwing vanaf.

Natuurlijk nam ik al die verhalen met een korreltje zout. Andy, die drie jaar jonger is dan ik, heeft er altijd al een handje van gehad de aandacht te trekken – zijn collega’s noemden hem Bluf omdat hij zich door elke presentatie heen wist te bluffen – en wie hem goed kent zal met me eens zijn dat hij zijn hele leven de wind van zijn eigen charisma in de rug heeft gehad. Ik heb hem volle kroegen zien opzwepen met zijn karaokeversie van November Rain. Ik heb hem zien onderhandelen met tweedehandsautoverkopers, waarbij hij zich zo beminnelijk opstelt, en hij het zo handig weet te spelen, dat hij onveranderlijk het terrein af rijdt in een auto waar hij een paar duizend dollar minder voor heeft hoeven betalen. Ik ben ooit, heel even, op een rave geweest die mijn broer had georganiseerd in een club in Milwaukee – omdat ik me door hem had laten overhalen. Juist omdat ik hem kende als een podiumdier en wist dat hij als geen ander in staat was mensen in te palmen, reageerde ik enigszins sceptisch – en geamuseerd – op alle berichten over zijn paranormale elan.

Maar algauw deden deze ‘visitaties’, zoals Andy ze noemt, zich steeds vaker voor en waren ze van een heftigheid dat zijn vrouw er bang van werd. Als Andy op zakenreis was, naar steden als Amsterdam of Beijing, belde hij haar op de gekste uren, helemaal in de war, en praatte aan een stuk door over duistere geesten in de badkamer of onverklaarbaar gebonk op de muren van het hotel. Toen ik daarvan hoorde, probeerde ik de boel te sussen door guitig te opperen dat die geluiden misschien afkomstig waren van een of ander rendez-vous in de onderwereld, verloren zielen die weer met elkaar werden verenigd in de bruidssuite. Maar Andy negeerde mijn poging tot humor en zei, zonder ook maar een spoortje ironie: ‘Weet je, daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben.’

Ik ben me ervan bewust dat mijn toon alles loochent wat ik net heb gezegd over mijn ronduit sceptische houding. Maar als je hoort met welke ernst mijn broer vertelt over zijn ervaringen, kan het haast niet anders of er begint een zekere twijfel te knagen. Je moet je ongeloof haast wel opschorten. Kan het zijn dat mijn broer, doordat hij bij stom toeval ernstig hersenletsel heeft opgelopen, op de een of andere manier een maître d’ van de onderwereld is geworden, iemand die geesten kan oproepen om lijden te verzachten, of om onder een bekeuring uit te komen? Was hij een hedendaagse Charon, pendelend op de rivier tussen de levenden en doden?

Lily Dale

In het voorjaar van 2018 belde hij me zomaar ineens op en vroeg of ik ooit had gehoord van Lily Dale, een bijzonder dorpje op een uur rijden van Buffalo, New York. Het dorp heeft 275 inwoners, merendeels geregistreerde helderzienden en mediums. Elke zomer strijken er zo’n 22 duizend toeristen neer, voor séances en trommelsessies, in de hoop contact te kunnen leggen met hun overleden dierbaren. ‘Denk aan Wet Hot American Summer,’ zei Andy. ‘Maar dan met allemaal doden.’

Ik wimpelde het aanbod af, zei dat ik een drukke zomer voor de boeg had, met veel werk in de tuin en veel lessen aan de universiteit. ‘Ah, kom op. Broers onder elkaar,’ zei hij. ‘Bovendien kun je me dan een keer in actie zien. Ik durf te wedden dat je me aan het eind van de week een stuk serieuzer neemt.’

‘Ik neem je heus wel serieus,’ zei ik.

Er viel een stilte aan de andere kant van de lijn. Om eerlijk te zijn had ik het gevoel dat Andy iets probeerde te overschreeuwen, dat hij wellicht naar Lily Dale wilde omdat alles wat er gebeurde hem angst aanjoeg en hij er maar wat graag een verklaring voor zou vinden.
Even surfen en ik had een hele lijst van opzienbarende figuren die het kamp die zomer zouden bezoeken. Zo was er Michelle Whitedove, een vrouw met een wilde blik in haar ogen, er was iemand die zowel een ‘engelachtige channeler’ als een ‘forensisch medium’ was, een vrouw met kastanjebruine manen, een vrouw die tijdens een realityshow in 2007 was uitgeroepen tot Amerika’s Number One Psychic. Op YouTube vond ik een filmpje van America’s Psychic Challenge, waar Whitedove door een uitgestrekt woestijnlandschap loopt en precies de plek weet aan te wijzen waar iemand met een kleine zuurstoftank zo’n twee meter diep onder de aarde is ingegraven. Wie ook zou komen was Eerwaarde Anne Gehman, een met parels behangen medium dat veelvuldig met de ogen knipperde en een workshop zou geven over het verbuigen van lepels, en wier helderziende gaven de politie zouden hebben geholpen de seriemoordenaar Ted Bundy te pakken te krijgen.

‘Nou, wat zeg je ervan?’ vroeg Andy. ‘Zin om mee te gaan?’

In vrijwel elke stad die de zussen Flox bezochten, schoten de spirituele kringen uit de grond – clubs om de doden te channelen
Telkens wanneer ik, in de maanden die volgden, liet vallen dat ik naar ‘Silly Dale’ zou gaan, zoals grappenmakers op internet het plaatsje noemen, werd ik door collega’s van verschillende universiteiten getrakteerd op verhalen over paranormale ervaringen. Ik wil niemands reputatie bezoedelen, dus ik zal hier geen namen noemen, maar geloof me: het gaat om mensen die binnen hun vakgebied zeer hoog staan aangeschreven. Op gedempte toon vertelden ze zelf ook te hebben geworsteld met het fenomeen helderziendheid, over onverklaarbaar gebons in het holst van de nacht. Een collega, een hoogleraar poëzie, bleek geregeld te rade te gaan bij helderzienden en mediums; iemand anders liet zich geregeld leiden door de voorspellingen van Tarotkaartlezers. Dat alles leek te passen binnen de bredere herrijzenis van onrechtzinnige tradities, want in de dagen voorafgaand aan ons uitstapje stuitte ik overal op internet op verhalen van millennials die zich op de astrologie hadden gestort, van CEO’s die oosterse religies omarmden of van samenkomsten van jonge heksen in New York City. Zelfs de hernieuwde belangstelling voor psychedelica – denk aan Michael Pollans How to Change Your Mind en Tao Lins Trip – lijken een zoektocht naar andere vormen van waarneming.

Het is veelzeggend dat het spiritisme – wat je de religie van Lily Dale zou kunnen noemen – ergens halverwege de negentiende eeuw is ontstaan, een tijd waarin veel Amerkanen letterlijk hadden te lijden onder een groot aantal epistemologische omwentelingen – de Burgeroorlog en het darwinisme, de dood van God en de geboorte van het kapitalisme. De kerststal van het spiritisme stond in de staat New York, ergens rond 1840, toen een drietal adolescente zussen – Leah, Kate en Margaret Fox – herhaaldelijk een geheimzinnig kloppen hoorden op de muren van hun ouderlijk huis. Zodra het nieuws van hun etherische ervaringen de ronde deed, gingen de zussen als de wiedeweerga op tournee in New Engeland en het Midwesten. Ze hielden séances in stadhuizen en lobby’s van grote hotels en ze trokken publiek uit alle lagen van de bevolking. In de vier jaar daarna raakte de paranormale communicatie zeer in zwang en in vrijwel elke stad die de zussen bezochten, schoten de spirituele kringen uit de grond – clubs om de doden te channelen. Een verslaggever in Cincinnati schreef dat er na het bezoek van de zussen Fox maar liefst twaalfhonderd lokale mediums in de stad waren opgedoken.

Het idee dat geesten een rol konden spelen in wereldse kwesties was natuurlijk niet nieuw, maar niet eerder was er een heuse religie met als uitgangspunt dat mensen berichten konden ontvangen van de doden, of om preciezer te zijn: van hun overleden dierbaren. Terwijl de verschillende cultussen binnen de beweging kissebisten over doctrinaire verschillen, waren de spiritisten verenigd in het geloof dat een groep van zogenaamde spirituele gidsen elk afzonderlijk individu kon helpen de weg te vinden naar Zomerland, een term die binnen het spiritisme uiteindelijk gelijk zou komen te staan aan de hemel. En hoewel je zou kunnen verwachten dat de moderne wetenschap dergelijke opvattingen heeft uitgebannen uit de Amerikaanse verbeelding, is de spiritistische beweging opmerkelijk bestendig gebleken, zoals blijkt uit het politieke tumult in de jaren zestig van de twintigste eeuw – een periode waarin het narratief het onderspit leek te delven – toen veel mensen worstelden met existentiële vraagstukken en hun heil zochten bij de New Age-beweging.

Ook dat bood uiteindelijk geen soelaas. In 2018 ontbrak het Amerika aan een werkbare epistemologie en zelfs onze meest dierbare overtuigingen waren aan het wankelen gebracht of lagen al in duigen. Ik weet niet hoeveel voorbeelden ik moet aandragen. Misschien goed om te vermelden dat op de voorpagina van The New York Times stukken stonden over UFO’s. Of dat wetenschappers in zogeheten peerreviewed artikelen beweerden dat octopussen buitenaardse wezens waren, dat de realiteit weinig meer was dan een gepixeleerde schijnvoorstelling. Ondertussen waren onze nucleaire codes in handen van een kolderieke onroerend-goedmogol en waren miljoenen Amerikanen in de greep van fake news en samenzweringstheorieën. Misschien was dat de reden dat de gevestigde media de doodsklok luidden en stelden dat Amerika, met de verkiezingen van 2016, het gelijk had bewezen van John Adams, die in 1814 stelde dat elke democratie gedoemd is. ‘Ze zal snel verzwakken, verkommeren en zichzelf de das omdoen’, schreef hij in een brief. ‘Er is nog nooit een democratie geweest die geen zelfmoord heeft gepleegd.’

‘Er is nog nooit een democratie geweest die geen zelfmoord heeft gepleegd’

Het had er veel van weg dat we een duister, schimmig hiernamaals hadden betreden, een mistig vagevuur van feiten en alternatieve feiten waaruit angstaanjagende demonen zijn opgedoken als InfoWars, Stephen Miller en Space Force. Gezien het feit dat ons leven in feite postuum is geworden, is het ook weer niet zo heel gek dat ik me begon af te vragen of mijn broer echt in staat was geesten aan te roepen.

Death zone

De weg naar Lily Dale voerde door een groot stuk van upstate New York dat ooit een vruchtbare voedingsbodem was geweest voor het Amerikaanse utopische gedachtengoed – de Oneida-gemeenschap van John Humphrey Noyes, de abolitionistische krant van Frederick Douglas – terwijl het terrein zelf niet bepaald veelbelovend was. Een groot deel van dit gebied heeft het zwaar te verduren gehad tijdens de recessie van 2008, en in het kleurloze landschap staan her en der nog wat houtzaagmolens en fabrieken. Onderweg vingen Andy en ik af en toe een glimp op van de restanten van de oude Bethlehem-staalfabriek, en de Concord-wijngaarden ten zuiden van Buffalo lijken een postapocalyptisch Nappa Valley. Dit was zo’n desolate streek dat Donald Trump er – niet geheel ontoepasselijk– in de nadagen van de verkiezingen van 2016 aan refereerde als een death zone.

Ineengezakt achter het stuur werp ik zo nu en dan een steelse blik op mijn broer, die er bleekjes en dodelijk vermoeid uitziet. Normaal gesproken is hij een soort kale en gespierde versie van Elijah Wood, maar zijn vlucht van de vorige dag had een paar uur vertraging gehad, waardoor we allebei kampten met slaapgebrek en zelf een soort geestverschijningen leken.

‘Dit zijn een paar workshops die deze zomer worden gegeven,’ zei Andy, die op zijn smartphone het programma van de Lily Dale-website bestudeerde. ‘We kunnen naar “Elfologie: Elfenkunde voor beginners.” Of we kunnen naar “Cirkelfenomen: De cirkels zijn onder ons!” En anders kunnen we nog naar: “Leer uw spirituele gids kennen.” Dan is er vrijdag nog een trommelsessie, en morgenavond is er een seance.’
‘Weet je zeker dat je dit wilt?’ vroeg ik.

‘Ja, man,’ zei hij. ‘Laat je eens gaan.’

Gelukkig leek alles weer wat zonniger uit toen we onze bestemming naderden. Aan de kant van de weg stond een bord met ‘Lily Dale 1 mile’. We zoefden langs drie meren met kleine huisjes op de oevers en toen het wolkendek openbrak zagen we een schilderachtig, opwekkend blauw boven ons. Toch bekroop me een ongemakkelijk gevoel over dit doldwaze avontuur. Niet alleen was het de eerste keer in mijn leven dat ik met mijn broer op stap ging, maar eerlijk gezegd betwijfelde ik of ik – in emotionele, spirituele zin – was opgewassen tegen de week die voor ons lag. Stel dat Andy door alle capriolen met verschillende mediums een psychose zou krijgen en dat ik met hem naar het ziekenhuis zou moeten? Er waren precedenten van dergelijke psychoses. In 1852 zouden zo’n negentig mensen, verspreid over het land, hun verstand zijn verloren na een seance met klopgeesten, waarna ze in een krankzinnigengesticht waren beland. Of stel dat ik erachter zou komen dat Andy had gelogen over zijn gaven en dat er zo een onherstelbare verwijdering tussen ons zou ontstaan, die onze relatie voorgoed zou verstoren? Ook bestond de mogelijkheid dat hij een bona fide-medium zou blijken, en ik had geen idee wat dat voor gevolgen zou hebben. Om redenen die ik niet helemaal goed kan uitleggen, hoopte ik stilletjes dat mijn broer niet door de mand zou vallen, dat hij uiteindelijk mijn ongelijk zou bewijzen. Ik had het gevoel dat er iets heel wezenlijks van afhing, iets wat diep in ons verleden wd geworteld – een moment dat nooit was benoemd en allang vergeten.

© Getty
© Getty

Aan het einde van een stille weg kwam Lily Dale in zicht.

‘Moet je mijn onderarmen zien,’ zei Andy. Hij had kippenvel, zo sterk dat het leek alsof er in braille op zijn huid was geschreven. ‘Echt waanzinnig, de energie die hier hangt.’

We reden door lommerrijke straten met pastelkleurige huizen in victoriaanse stijl, zagen een bataljon stenen engelen die de veranda bewaakten van een gotisch aandoend huis, en een paar blokken verderop zagen we een erker die helemaal was volgeplakt met plakplaatjes van een stipfiguurgeest. Kon het zijn dat ik ergens in de verte een groep mensen Blowin’ in the Wind van Bob Dylan hoorde zingen? Niet veel later kwamen we langs een heuveltje vlak bij het grote auditorium, waar een groepje toeristen op leeftijd een lome tai chi-wals deed. Bij de dierenbegraafplaats namen we de verkeerde afslag en passeerden een open vlakte, waar al de nodige tenten en campers stonden. Mijn eerste gedachte was dat Lily Dale eruitzag als een ouderwets zomerkamp, met als verschil dat er geen valspelletjes werden gedaan en niet met pijl en boog werd geschoten, maar je astrologiewandelingen kon maken en kletsen met geesten.

Toen we bij het hek van de parking waren aangekomen, keek de parkeerwacht ons even aan, drukte toen zijn vingers tegen zijn slapen, alsof hij via zijn vullingen een signaal binnenkreeg. ‘Welkom, welkom,’ zei hij met een schalkse glimlach. ‘We verwachtten jullie al.’

Onze eerste dag was een derby van occulte activiteiten. Na het mediteren in de healingtempel troffen we Pilar, de Reiki-instructeur van in de zeventig, die met superlijm een stel pauwenveren aan haar bril had geplakt. Ze legde uit dat ze een geleidelijke transformatie doormaakte, van mens in merel. Op de veranda van een koffietentje maakte Andy kennis met Jayson, een innemende blonde man die vertelde dat hij een medium in opleiding was, dat hij in Brooklyn woonde en dat zijn eerste wapenfeit als medium was dat hij voor een van zijn klanten de toekomstige bruid had voorzien. (Het paar had later hun dankbaarheid geuit op de pagina met huwelijksberichten in The New York Times.) Andy en hij hadden het reuze naar hun zin met het bespotten van mijn sceptische houding – God, hij is emotioneel wel heel erg geblokkeerd, hè – en ondertussen scrolde Jayson wat op zijn telefoon en liet me korrelige, donkere beelden zien van de betoverende Leolyn Woods bij nacht: duidelijk dé plek voor nimfen en cirkels.

‘Oké, kijk, hiervan zou je nog kunnen zeggen dat het insecten zijn of zo. Maar dan dit,’ zei hij, terwijl hij op de foto in kwestie wees, van een krekel die met gespreide vleugels was gevangen in het flitslicht van een smartphone. ‘Ja, jezus man, zeg nou zelf. Dit is een elf.’
De hele dag door lieten mensen elkaar foto’s zien. Een grijsharige pilgrim, Susan, stapte de veranda op. ‘Mag ik jullie iets demonstreren?’ zei ze. Zonder ons antwoord af te wachten rommelde ze wat in haar tas en haalde tientallen foto’s tevoorschijn, die ze uitspreidde op het rotan tafeltje. ‘Er is heel veel activiteit bij mij in huis,’ zei ze. Op een van de foto’s waren allemaal Scrabble-letters te zien, waarin ik heel langzaam de boodschap ontwaarde. ‘MOEDER HOUDT VAN SUSAN,’ stond er. ‘ZIJ IS MIJN DOCHTER.’

‘Ja, jezus man, zeg nou zelf. Dit is een elf’

‘Tekenen op gevoel met Miss Bonnie,’ vond plaats in het achthoekige gebouw niet ver van het Lily Dale-museum. Na een kort gebed en begeleide ademhalingssessies, werden we opgedeeld in koppels en werd ons gevraagd onze ogen te sluiten voordat we ons zouden ‘overgeven aan de geest’. Vanaf de andere kant van de ruimte zag ik Andy met gesloten ogen een tableau tekenen. Om heel eerlijk te zijn kwam het tableau op mij over als een verzameling penissen en ik was bang dat zijn partner, een medium in opleiding uit Pennsylvania, er aanstoot aan zou nemen. Toen de tijd voorbij was, deelde Andy zijn boodschap met ons. ‘Het klinkt misschien gek,’ zei hij, ‘maar ik zag steeds de naam “Tom” verschijnen op al die fallische symbolen.’

De vrouw hapte naar adem. ‘Mijn man heet Tom,’ zei ze. ‘En dat is precies waar hij mee worstelt. Ik zit in de overgang, dus laten we zeggen dat hij gefrustreerd is over bepaalde aspecten van ons huwelijk.’ Andy en zij barstten uit in bulderen gelach, waarna Andy mij aankeek en triomfantelijk glimlachend zijn wenkbrauwen optrok. Toch vond ik lastig om dit als keihard bewijs te aanvaarden. Toon iemand een willekeurige verzameling beelden en als hij de ketenen van logica en gezond verstand weet af te werpen zal hij ongetwijfeld associaties weten te leggen met zijn eigen interpersoonlijke dilemma’s. Evengoed was ik licht verbijsterd dat Andy de naam van de echtgenoot had aangevoeld.

Aan mijn kant van het lokaal ging het er minder gemoedelijk aan toe. Ik was gekoppeld aan Ashley, een broodmagere, blonde vrouw van ergens eind dertig, die samen met haar ouders naar Lily Dale was gekomen. Ze was nors en had een gruizige stem. Ze had een voltijdbaan in een Walgreens-vestiging en hoewel er een Amazon-distributiecentrum bij haar in de straat was, had ze daar geen baantje weten te bemachtigen. De boodschappen die ze tot in Lily Dale had doorgekregen ‘van het hogere’ waren heel raak en opbeurend geweest – aanmaningen om niet zo te stressen. Ik vroeg waar ze zich allemaal zo druk om maakte.

‘Soms zou ik willen dat ik was gaan studeren en echt iets van mijn leven had gemaakt,’ zei Ashley. ‘Het punt was dat ik niet wist wat ik wilde. Dus uiteindelijk deed ik gewoon niets.’

Na zoveel ongeïnspireerde openhartigheid was ik ineens niet meer in staat het journalistieke lef op te brengen om een vervolgvraag te stellen. Maar in de loop van de dagen zou ik tot de ontdekking komen dat Ashleys verhaal resoneerde in veel van de getuigenissen van de Lily Dale-pilgrims. Afkomstig uit geteisterde plattelandssteden in New England en het Midwesten gingen ze allemaal gebukt onder emotionele of financiële problemen en hunkerden ze naar een optimistischere boodschap – dat hun leven werd geleid door kaders van goedwillende geesten, dat het leven er misschien niet al te rooskleurig uitzag, maar dat ze nooit het geloof in de geest moesten verliezen.

Broederband

Die avond in het Maplewood Hotel pakte ik mijn koffer uit terwijl Andy op zijn bed hing en loom aan het swipen was op zijn telefoon. Hij beantwoordde een stortvloed aan werkmails en vertelde me ondertussen, op ontstellend achteloze toon, dat hij een terugkerend visioen had van een meisje uit het Midwesten dat die zomer was ontvoerd en wier gezicht enkele maanden het nieuws had beheerst. Hij was vaag over wat die visioenen precies behelsden, maar de beelden die hij beschreef waren niet erg hoopgevend (korenveld, hoofdwond). Toen zei hij ineens, uit het niets: ‘Als je op reis bent, is het belangrijk om uit te pakken. Daarvoor voel je je thuis.’

Ik wist niet goed hoe ik hier allemaal op moest reageren – de visioenen, het ongevraagde reisadvies – en dus vielen er lange, ongemakkelijke stiltes.

Sinds onze kindertijd hadden Andy en ik niet meer zo dicht op elkaar gezeten, en ook toen al resulteerde dat maar al te vaak in geruzie, waarbij we elkaar soms letterlijk te lijf gingen. Ik denk dat je onze band in die tijd het best kunt vergelijken met die tussen Kaïn en Abel. Dat was niet in de laatste plaats te danken aan ons sterk verschillende temperament. Hij zat ’s avonds meestal in de kelder met een elektrische gitaar, terwijl ik in het flauwe licht van een bureaulamp zat in een poging de hoogste cijfers van de klas te halen. Terwijl hij oorbellen droeg en in een leren jack rondliep, rende ik door de stad met gewichten om mijn enkels in de hoop te worden toegelaten tot het universiteitsteam. Onze moeder reflecteerde geregeld op het verschil in karakter met de woorden: ‘Wonderlijk toch, hè, genen?’

Maar in ons volwassen leven wisten we een redelijke broederband op te bouwen, al voelde het soms een beetje geforceerd en gewild nostalgisch. Als de familie bijeenkwam, op verjaardagen of met kerst, waren we geheel op elkaar gericht en binnen enkele minuten nadat hij me van het vliegveld had gehaald, citeerden we zinnen uit oude films, deden samen Al Pacino na of plaagden elkaar met onze terugwijkende haargrens, en dat alles met de spitsvondigheid van twee broers in een sitcom. We brachten echter zelden tijd met z’n tweeën door. En hoewel er in de loop der jaren de nodige grappen waren gemaakt over zijn paranormale gaven, hadden we ons niet een keer gewaagd aan een serieus gesprek daarover.

Daarom had het iets ongemakkelijks toen we ineens met zijn tweeën in die hotelkamer zaten en op nog geen meter van elkaar onze tanden stonden te poetsen, of ons in elkaars bijzijn moesten verkleden.

In een soort reflex werd ik ineens heel nieuwsgierig naar al zijn gewoontes – hoe hij zich precies scheerde, de oefeningen die hij voor het slapengaan deed – net als vroeger, wanneer ik zijn kamer binnen was geslopen om me te vergapen aan zijn spullen. Ik keek dan naar zijn cd’s – Nine Inch Nails, Spiritualized – of ik paste zijn flanellen broek. Heel soms wist ik voldoende moed te verzamelen om een paar akkoorden te spelen op zijn Fender. En hoewel ik inmiddels een man van in de dertig was – een echtgenoot, iemand die aan de universiteit werkte – was ik in Lily Dale op de een of andere manier weer het kleine broertje.

Misschien vond ik het daarom wel zo fijn dat de vrolijke inwoners van Lily Dale ons steeds als een eenheid benaderden. Terwijl we van de ene paranormale afspraak naar de volgende sloften, of over de campus liepen op weg naar een seance, hoorden we aan de overkant van de straat iemand roepen: ‘Hé, daar heb je de broers!’ Toen Andy en ik aan een picknicktafel zaten te eten kwam er een medium op ons af en zei: ‘En, maken we al een beetje vorderingen met hem?’ Ik veronderstelde dat hij refereerde aan mijn ijzige ongeloof, en ik was benieuwd wat mijn broer zou zeggen. ‘Volgens mij wordt hij al wat milder,’ zei Andy. ‘Maar ik geloof nog niet dat hij om is.’

‘Bah,’ zei het medium, dat me wegwoof, als een personage van Dickens. Vervolgens gaf hij Andy een liefdevolle klap op zijn rug en vertrok naar de healingtempel. We kauwden een poosje in stilte. Toen wierp Andy mij een sceptische blik toe. ‘In jouw ogen is iedereen hier gestoord, dat weet ik heus wel.’

Ik bracht hem in herinnering dat we net een man hadden gezien die sieraden had opgebraakt, die volgens hem relikwieën uit de spirituele wereld waren. Dat was tijdens een demonstratie van wat hij een ‘apport’ noemde, waarbij een medium bovennatuurlijke voorwerpen tevoorschijn tovert via een transdimensionale doorgang (in dit geval zijn mond).

‘Weet je, ik hoopte heel erg hier antwoorden te vinden,’ zei Andy. Hij vertelde dat zijn vrouw zich meer en meer zorgen over hem maakte. Voordat hij naar Lily Dale was vertrokken, was de bom gebarsten. Ze hadden ruzie gemaakt in de auto bij het vliegveld, met gefronste wenkbrauwen en priemende vingers. Zijn voorspellingen waren in de loop der jaren steeds grimmiger geworden, steeds verontrustender, en zij wilde niet horen wat hij had te vertellen.

‘Niet dat ze een ultimatum heeft gesteld of zo, maar ik weet dat ze vindt dat ik het onder controle moet zien te krijgen,’ zei hij.
Een van de vroege aanhangers was ervan overtuigd dat elektriciteit ‘een vehikel van goddelijke gesteldheid’ was en dat elektriciteit kon worden aangewend om te communiceren met ‘alle deeltjes en onderdelen van het universum’.

Halverwege de negentiende eeuw waren de eerste beoefenaars van het spiritisme geneigd te geloven dat bepaalde aspecten van de technologische vooruitgang, zoals elektriciteitssnoeren, goddelijke doorgangen waren voor de spirituele wereld. Om die reden werd Benjamin Franklin een van patroonheiligen van de beweging en werd het blad van de beweging omgedoopt in The Spiritual Telegraph. Een van de vroege aanhangers was ervan overtuigd dat elektriciteit ‘een vehikel van goddelijke gesteldheid’ was en dat elektriciteit kon worden aangewend om te communiceren met ‘alle deeltjes en onderdelen van het universum’. Met de kennis van twee eeuwen later is het makkelijk om deze Amerikanen af te doen als naïevelingen, maar laten we niet vergeten dat ze in een periode van twee decennia de overgang hadden doorgemaakt van maanden wachten op een brief naar binnen enkele minuten een telegram ontvangen van de andere kant van het land. Qua logica is de stap naar het idee dat je met geesten zou kunnen communiceren dan niet eens zo groot.

Ergens vroeg ik me af of mijn broer door zijn werk in de tech industry extra ontvankelijk was voor uitgerekend dit soort waanideeën. Hij was een evangelist van de cloud software en had in de loop der jaren een vracht aan smart technologie in huis gehaald: een thermosstaat die reageert op stemcommando’s, een koelkast die bijhoudt of er nog genoeg eieren zijn. Amazons Alexa nam zelfs geregeld deel aan het gesprek aan de eettafel, door zijn kinderen moppen te vertellen of hem en zijn vrouw op de hoogte te brengen van allerhande weetjes. Als je je terugtrekt in een dergelijke omgeving – die naadloos is afgestemd op al je grillen en voorkeuren – is het misschien slechts een kwestie van tijd voordat je het gevoel krijgt zelf ook min of meer alwetend te zijn.

De algemene consensus in Lily Dale was echter anders. Vrijwel alle mediums die ik sprak benadrukten dat mijn broers voorspellende gaven vermoedelijk waren veroorzaakt door een hersenbloeding. ‘Daardoor kan het worden getriggerd, net als door hoge koorts,’ aldus vijfde-generatie spiritist Gretchen Clark. Lauren Thibodeau, een Lily Dale-medium dat psychologie had gestudeerd, legde uit dat je zoiets wel vaker ziet bij bijna-doodervaringen. ‘Afhankelijk van het onderzoek dat je leest,’ aldus Thibodeau, ‘zegt vijfenzeventig tot honderd procent van de mensen die een bijna-doodervaring hebben gehad daarna paranormaal te zijn geworden of helende of mediamieke krachten te hebben gekregen.’

Halverwege de negentiende eeuw waren de eerste beoefenaars van het spiritisme geneigd te geloven dat bepaalde aspecten van de technologische vooruitgang, zoals elektriciteitssnoeren, goddelijke doorgangen waren voor de spirituele wereld
Deze veronderstelling is min of meer in lijn met de bevindingen van Diane Hennacy Powell, een neurowetenschapper die is opgeleid aan de Johns Hopkins School of Medicine. Powell heeft een boek geschreven, getiteld The ESP Enigma: The Scientific Case for Psychic Phenomena (‘Het raadsel van bovennatuurlijke waarneming: de wetenschappelijke onderbouwing van paranormale verschijnselen’) dat ik had meegenomen naar Lily Dale en waarin ik stiekem had zitten lezen wanneer Andy ging hardlopen of onder de wol kroop. Hoewel het boek door recensenten wordt afgedaan als gezwets, zitten er interessante stukken in, met name daar waar een direct verband wordt gelegd tussen hersenletsel en helderziende gaven. Terwijl sommige mediums deze gave van nature hebben meegekregen, schrijft Powell, ‘zijn er ook gevallen bekend van mensen die pas paranormale gaven ontwikkelden nadat ze hersenletsel hadden opgelopen. Wat deze mensen gemeen hebben, is dat door het hersenletsel de structuur en de functie van de hersenen zijn veranderd.’

Normaal gesproken zou ik weinig waarde hechten aan dergelijke theorieën. Als braaf kind van het poststructuralisme ben ik me er tenslotte maar al te goed van bewust dat de wetenschap kampt met een geniepige confirmation bias – je hoeft niet zo heel diep te graven om voorbeelden te vinden van gemanipuleerde onderzoeken of selectief gebruikte gegevens. Maar naar blijkt kunnen moderne wetenschappers de resultaten van parapsychologische onderzoeken overnemen – onderzoeken die het bestaan van helderziendheid en telepathie zouden bevestigen. Vlak voor ons uitstapje naar Lily Dale had ik een artikel uit American Psychologist opgediept, geschreven door Etzel Cardeña, verbonden aan Lund University. Volgens Cardeña zijn de meest steekhoudende en overtuigende verklaringen voor deze fenomenen te vinden in de randfysica en de kwantumverstrengeling, waarin objecten niet langer als op zichzelf staand en entropisch worden beschouwd, maar als onderling verbonden in een onmetelijk weefsel, waar alle bewegingen met elkaar zijn verbonden via schitterende, netvormige spindels, zelfs dwars door tijd en ruimte heen. Het wordt nog gekker. Cardeña borduurt voort op het werk van Hans Halvorson, een natuurkundig filosoof verbonden aan Princeton, die heeft gesteld dat deze ‘superverstrengeling’ kan verklaren waarom iemand, zelfs van heel grote afstand, de plotselinge dood van een dierbare kan aanvoelen. Het was met name die gedachte waar ik keer op keer naar terugkeerde in de dagen en weken die volgden. Was het mogelijk dat er sprake was van kwantumverstrengeling tussen familieleden?

Godvormig gat

Ongeveer een jaar voor ons uitstapje naar Lily Dale begon ik tijdens een niet aflatende depressie zelfmoord te overwegen. Ik ga niet sentimenteel alle redenen daarvoor opsommen. Het volstaat als ik zeg dat ik al sinds mijn jeugd last had van een neurochemische verstoring en dat ik er in sommige perioden van mijn leven slechter aan toe was dan in andere. Ik had alles geprobeerd: Prozac en CrossFit, yoga en therapie. Normale voorvallen prikkelden mijn gedachten als wind die tegen een brandwond blaast, en tegen de meeste dagen zag ik op als tegen een berg. Voor het eerst in twintig jaar zat ik op mijn knieën, de handen gevouwen, spontaan te bidden, en fluisterde ik smeekbeden en verontschuldiging tegen het Godvormige gat in mijn geest. Niemand, zelfs mijn vrouw niet, vertelde ik van mijn plannen, dat ik de ontsnapping die leren riemen en plafondbalken me boden steeds aantrekkelijker begon te vinden.

Toen stond op een ochtend het bericht van mijn moeder op mijn voicemail dat ik haar moest bellen zodra ik opstond. Natuurlijk was ik bang dat er iemand was overleden, dat ons gezin weer door een ramp was getroffen. Maar het bleek dat Andy haar midden in de nacht had gebeld, doodsbang en ontroostbaar. Ze klonk verdrietig. Aan de westkust had hij tijdens een kroegentocht met vrienden een uiterst verontrustend voorgevoel gekregen.

‘Wat zei hij dan?’ vroeg ik.

‘Hij…’ begon mijn moeder, en haar stem klonk angstig. ‘Nou ja,’ zei ze. ‘Hij had gewoon te veel gedronken. Ik zal tegen hem zeggen dat alles goed met je is, schat.’

Op onze tweede middag in Lily Dale wandelden Andy en ik naar de Bostempel voor een van de twee dagelijkse ‘boodschap’-diensten waarbij zeven of acht mediums in een kring voor een amfitheater lukraak geesten stonden aan te roepen. We gingen onder een door de zon beschenen baldakijn van dennen en iepen zitten, tussen zo’n tweehonderd andere toeristen en keken toe terwijl de mediums een voor een hun ding deden.

Zoals alle nichegemeenschappen hebben de spiritisten in Lily Dale hun eigen uitgebreide lingua franca ontwikkeld, vol idiote eufemismen voor de harde werkelijkheid, waarvan de meeste omschrijvingen van de dood zijn, zoals: ‘overgaan’, ‘gene zijde’, ‘de aardse wereld verlaten’, ‘vertrekken naar Zomerland’. Veel van dat etherische jargon is mierzoet en geitenwollensokkengedoe, maar soms heeft de poëzie ervan iets vaag erotisch, vooral als een medium op iemand uit het publiek afstapt en vraagt: ‘Mag ik tot u komen?’ Andere idiomatische uitdrukkingen versterken de zinnelijke ondertoon met penetratieassociaties. ’Mag ik in jouw vibraties komen?’ of ‘Mag ik bij jou invoelen, beste vriend?’

Dat vragen om toestemming lijkt terecht. De boodschappen kunnen nogal heftig zijn. Tegen het einde van de dienst die we bijwoonden bracht een van de mediums een bericht over voor een twintiger met een wilde haardos die Bobby heette en achteraan zat met zijn vrienden, een groepje losbandig uitziende bohémiens. Het medium beschreef de geest van een broodmagere, doodsbleke man die in de laatste ogenblikken voor zijn dood nerveus heen en weer had gelopen in zijn appartement en voor wie ‘een rivier aan tranen was vergoten’. Na de dienst schoot Andy Bobby aan en vroeg of hij de beschrijving van het medium had kunnen plaatsen.

‘Ja, man, dat is mijn neef, die aan een overdosis heroïne is overleden,’ zei Bobby. ‘De afgelopen dagen volgt hij me overal.’

Die avond ontmoetten we Bobby en zijn vrienden in de belvedère van het haventje van Lily Dale, die aan de rand van het Cassadagameer stond en ons bescherming bood tegen een heel fijne miezer. Algauw werden er blikken Budweiser opengetrokken en pakjes sigaretten opengeritst. Het waren zeven vrienden, een hechte groep twintigers, die kleren droegen van hennepstof en allerlei geknoopverfd spul. Je kreeg het gevoel dat hun Birkenstocks menig festivalterrein hadden betreden. Iedereen stelde zich voor met een grappig feitje van zichzelf en hun sterrenbeeld; dat deden ze altijd als ze nieuwe mensen ontmoetten. Bobby was een Stier die druk bezig was met een masterscriptie over bewegingen die zich inzetten voor landbouwhervormingen in het postkoloniale West-Afrika. Zijn vriendin Erica was een studente met een bobbykapsel die als grappig feitje had dat ze fanatieke fan was van de Red Hot Chili Peppers. Maar de duidelijke leider van de groep was Mekenna, een snel pratende kapster met grote ogen en een Harry-Pottertatoeage. Een Vis natuurlijk, zei ze, en iedereen moest lachen.
Mekenna en haar nicht Meredith kwamen uit een familie van al zeven generaties spiritisten, en hun verre voorouders hadden aan het begin van de twintigste eeuw geholpen bij de stichting van Lily Dale. In hun jeugd kwamen ze hier iedere zomer, bestudeerden de zusters Fox en speelden tikkertje tussen de drommen bijgelovige toeristen die van juni tot augustus de straten overspoelden. Mekenna’s oma woont al lang in Lily Dale en haar moeder is een praktiserend medium in Milwaukee. Even probeerde ik me een jeugd voor te stellen waarin je ouders altijd aan het kletsen waren met geesten – waarin nachtelijke gebeden soms gepaard gingen met een ectoplastische manifestatie van de overleden opa. Het moet voor een digital native knap lastig zijn geweest om met dergelijke fenomenen om te gaan. Dat je dan als chagrijnige, geïrriteerde puber de neiging hebt om berichten te posten over familieséances: FML, mam is opa weer aan het channelen. Hij vindt dat ik te veel een jongensgek ben voor mijn leeftijd. LOLZ Maar tijdens hun jeugd probeerden Mekenna en Meredith de theologie geheim te houden. Hun leeftijdgenoten bleken er niet echt ontvankelijk voor te zijn. Tijdens de pauzes werden ze op het schoolplein vaak uitgescholden: Duivel! Satanist!

‘Mag ik in jouw vibraties komen?’

Nu iedere tak van het Amerikaanse occultisme plotseling een wederopleving ervaarde had de groep natuurlijk niet veel last meer van dergelijke verwensingen. Er was volgens hen een grotere markt voor esoterische spullen: jadestenen voor kegeloefeningen, kristallen voor ontregelde chakra’s. Zelfs een lifestylemerk zoals Goop kon rijk worden door New-Agecuriositeiten te verkopen. Het riep vanzelf de vraag op waarom het occultisme weer in de mode was gekomen.

‘Kijk nu eens naar de stand van de planeten,’ legde Meredith uit. ‘Dat kan helpen dingen te verklaren. De buitenste planeten zijn generationeel, dus als we denken aan grote bewegingen of bepaalde decennia die unieke karakteristieken hebben, komt dat waarschijnlijk omdat Pluto in Weegschaal staat. Pluto in Weegschaal blijkt een essentiële astrologische formatie te zijn onder astrologen, die verantwoordelijk zou zijn voor de explosieve stijging van het aantal scheidingen in de jaren zeventig. Welk kil materialisme ik voor ons uitstapje ook aanhing, nu raakte ik gebiologeerd door het wereldbeeld dat zo mooi grote sociale ontwrichtingen kon verklaren. Ergens was ik bang dat de groep zou denken dat ik hen provoceerde, maar toch vroeg ik het: ‘Waarom hebben we nu dan Trump?’

In de belvedère weerklonk hun gekreun. Maar Meredith had haar antwoord klaar: ‘De zonsverduistering van vorig jaar stond precies in lijn met zijn horoscooptekening, op talloze manieren.’

‘Maar astrologie is niet deterministisch, dus dat is niet de oorzaak dat we nu Trump hebben,’ onderbrak Bobby haar. ‘Er zijn veel sociaal-politieke oorzaken voor de problemen in onze maatschappij.’ Anders dan Meredith, die was opgegroeid in de schoot van het spiritisme, raakte Bobby pas als volwassene geïnteresseerd in de theologie en ik kreeg het gevoel dat hij bang was dat ik hen een stelletje sukkels zou vinden die vasthielden aan achterhaalde verklaringen.

Daar reageerde Meredith weer op met een blik naar de sterren: ‘Je kunt de horoscoop leggen van landen of gebeurtenissen – van alles wat een tijd en een plaats heeft – maar de geboortekaart van Amerika is heel, heel erg Kreeft,’ zei ze. ‘Waarom is de VS zo bezig met zijn defensie? Waarom willen we ons vaderland zo beschermen?’

‘Nou,’ zei Bobby, ‘wie we ook kiezen, hij of zij is een symptoom van een grotere ziekte – dat is ons economische systeem van kapitalistische uitbuiting. Ook Obama was een symptoom van die grotere ziekte. Hij kwam op zijn eigen tijd en zijn eigen plaats. En onder Obama zijn we niet echt veranderd.’ Vlug geeft hij een overzicht van de geopolitieke ellende van het afgelopen decennium – Syrië, Libië, Turkije – voordat hij met syllogistische beslistheid afsluit: ‘Dat maakt allemaal deel uit van een grotere ziekte die in de VS heerst.’
‘Maar dat was al voor Obama aan de gang,’ zei Meredith.

© Getty
© Getty

‘O ja,’ zei hij. ‘Zo gaan we al sinds de oprichting van dit land te werk.’

‘Obama is een Leeuw,’ zei Mekenna, ‘mocht iemand dat willen weten.’

‘De analytische Waterman’

Terwijl de avond zich ontrolde en de regen in het meer plensde, veranderde het gespreksonderwerp, en werd de groep nieuwsgierig naar hoe mijn broer ooit medium was geworden. ‘Ik hoorde dingen,’ zei Andy. ‘Eerst dacht ik dat ik gek werd, totaal gestoord.’ Toen een paar jaar geleden een oom van zijn vrouw overleed, gebeurden er allerlei maffe dingen in hun huis. Meubels bewogen. Ze lagen op een avond in bed toen een schilderijlijst over de ladekast gleed. ‘Telkens als we ruzie hadden, kwam iets tussenbeide,’ vertelde Andy. ‘Dan liepen we schreeuwend naar elkaar een kamer in – twee Schorpioenen, hè? – en begonnen de lampen te flikkeren of flitste het geluid van de tv heen en weer tussen hard en zacht.’ Op een avond werd hij wakker en zag hij de geestverschijning van de oom van zijn vrouw wat rommelen in een hoek van de slaapkamer.

‘Ik begreep er niks van. Ik wist bij god niet wat er aan de hand was,’ zei hij. ‘Maar uiteindelijk kreeg ik zoiets van: ik snap het. En toen kon ik de boodschappen horen. Ik bad en dan kreeg ik echt antwoord.’

Ik had Andy al eerder stukjes van dat verhaal horen vertellen, maar altijd op een luchtige, half grappende manier. Om hem nu zo serieus te horen spreken was ietwat verontrustend en ik keek naar de anderen om te zien of ze met hun ogen rolden of zaten te giechelen. Maar daar was geen sprake van.

Hij begon berichten door te geven van dode familieleden van zijn vrouw, wat lastig was, zei hij, want dat waren Nederlanders en ze spraken slecht Engels. (Op dat moment stak mijn scepsis weer even de kop op – ze kunnen wel het tijd-ruimtecontinuüm doorbreken maar hebben geen toegang tot Google Translate?) Hij begon readings te doen voor zijn vrouw en voorspelde dat op dat en dat moment in de toekomst bepaalde gebeurtenissen zouden plaatsvinden. Tot haar verbazing kwamen die voorspellingen altijd uit. Algauw nam ze aan het einde van stapavondjes vriendinnen mee naar huis – ‘als ze om twee uur ’s nachts allemaal dronken waren’ – en dan kon hij ook readings voor hen doen. Soms liep hij zomaar naar buiten en reed hij naar de supermarkt. Pas als hij daar een bepaalde klant zag, wist hij waarom hij daar was: ‘Dan liep ik door de gangpaden en zei: “Heet jij soms Mandy? En dan: “Eh, je moeder is hier.”’

‘Dat lijkt de serie Long Island Medium wel,’ zei Mekenna. Andy zag mijn scepsis en zei: ‘Barrett denkt dat ik gek ben, omdat hij nog nooit zoiets heeft meegemaakt.’

‘De analytische Waterman,’ zei een meisje dat Fargus heette, nogal vermoeid.

‘Het hele weekend heeft hij al gegoogeld naar “Hoe kom ik erachter of mijn broer paranormaal begaafd is”,’ zei Andy.

Voor het eerst schaamde ik me een beetje voor mijn kleingeestige ongeloof, misschien omdat ik me er nu van bewust was hoeveel behoefte mijn broer aan dit verhaal had – een Ilias waarin zijn hersenkneuzing niet puur toeval was maar een buitenkans waardoor hij werd begiftigd met een spiritistische gave. Misschien was er een verband met de bredere culturele aantrekkingskracht van een wereldbeeld zoals dat van de astrologie. In elk geval hielden enkele millennials zich intensief bezig met het lezen van onze aardse woelingen in de sterren, wat het aanlokkelijke vooruitzicht bood dat als ik dergelijke astrologische wisselingen kon begrijpen, ik misschien vrede zou hebben met de gedachte dat Saturnus binnenkort retrograde loopt, dat Trump wordt afgezet, dat woorden zoals ‘waarheid’ en ‘feiten’ op een dag echt weer iets gaan betekenen. Uitgaande van het leed dat we hebben doorstaan onder deze regering, om nog maar te zwijgen van de duizelingwekkende instabiliteit die werd veroorzaakt door onze meest recente recessie, is het excusabel als je een dergelijk alles overkoepelend narratief aanhangt, met geruststellende plotwendingen in het conflict, een climax en dan de fijne ontknoping. Wat mijn broer en die jongelui verbond was dat ze op zoek waren naar een plezierige, ruimhartige manier om in het leven te staan, een verhaal dat helder kon verklaren wat er gebeurde en waarom, en onwillekeurig bewonderde ik de pure onschuld daarvan.

Toen de regen weer een miezer werd, liepen we terug naar het kamp, waar de geur van houtvuur hing en de lichten nog steeds aan waren in hotel Maplewood. Misschien waren er nog enkele séances bezig? Ons afscheid ging gepaard met knuffels en de belofte dat we elkaar morgen weer zouden opzoeken. Misschien lag het aan de lange reeks activiteiten van die dag, maar ik was vreemd gecharmeerd van deze spiritistische jongeren die mijn broer op een aandoenlijke manier hielpen bij zijn zoektocht naar een New-Agecommunity. Mekenna bood aan om Andy in contact te brengen met haar moeder. Fargus en Meredith wisten zeker dat er spiritistische kerken waren in Californië. Maar Andy bekende dat hij bang was om openlijk als medium naar buiten te treden. ‘De energie hier is echt veilig,’ zei hij. ‘Maar thuis ben ik gewoon een mafkees voor dronken vriendinnen die met dode familieleden willen praten.’

De volgende ochtend werd ik vroeg wakker omdat het schelle zonlicht door het raam naar binnen viel. Zangvogels tjilpten metalig in de bomen. Ik had weinig en licht geslapen, niet alleen vanwege Andy’s exorbitante gesnurk, dat leek op het scheetachtige geluid van een scheepshoorn, maar ook omdat onze accommodatie wel erg rustiek was. In onze smalle kamer prijkten twee bedden, elk kloosterachtig uitgerust met kriebeldekens en stijfheid veroorzakende kussens. Het beddengoed leek voor het laatst tijdens de regering Reagan te zijn vernieuwd.

Waarschijnlijk viel mijn slapeloosheid deels toe te schrijven aan onze klas met Eerwaarde Mychael Shane, een medium dat een acht (!) uur durende workshop gaf over het vergroten van je paranormale vaardigheden. Als er ooit een test zou zijn die kon bewijzen dat mijn broer gelijk had, was dat deze wel, en daarom haastte ik ons over het terrein; Andy drupte nog na van de korte douche, maar onderweg naar de aula spoorde ik hem voortdurend aan.

Snel liepen we naar het podium, waarboven op een groot gebrandschilderd raam ‘Kerk van de Levende Geest’ te lezen stond. Daar zat Eerwaarde Shane, een vlezige man met plukjes zilvergrijs haar en zachte berenogen, gekleed in een lavendelkleurige polo en een ecru pantalon. Onze klasgenoten zaten op klapstoeltjes die in een hoefijzervorm om hem heen stonden opgesteld. Daar zaten Mark en Allen, een stel uit een spiritistische kerk in Florida; Karen, een lokaal medium die in de Healingtempel werkte; Eerwaarde Jane, een ‘internationaal medium’ met een uitwaaierend kapsel en make-up uit de discotijd; en Margaret, een zelf benoemde ‘Mychael-Shanegroupie’. In de acht uur daarna kregen we een stoomcursus mediamiek functioneren, waaronder dingen zoals teleportatie en ‘channelen in trance’.

Tijdens het voorstelrondje vertelde Andy het verhaal van zijn hersenkneuzing, waarna Shane een persoonlijke preek begon.

‘Er is niets mis met jou,’ zei hij.

Andy moest lachen. ‘Kunt u mij dat op schrift geven?’

‘Ik probeer het een beetje serieus te houden, oké?’ zei Shane, duidelijk geïrriteerd. ‘Er is niets mis met jou. Wie heeft het recht om te beweren van wel? Wie mag zeggen dat jij een probleem hebt of dat er iets niet goed functioneert? Misschien denk je “Waarom overkomen mij die dingen?” Alleen jij kunt daarop het antwoord vinden. Gelukkig word je gesteund door je familie. Ik bedoel, je broer zit naast je.’
Plotseling voelde ik me een gemene indringer, die hier alleen maar was om de spot te drijven met gekwetste mensen zoals mijn broer
Andy keek naar me. De rest van de groep keek naar me. Verlegen stak ik mijn hand even op. Plotseling voelde ik me een gemene indringer, die hier alleen maar was om de spot te drijven met gekwetste mensen zoals mijn broer. Meteen zag ik weer Andy voor me die uitgestrekt op zijn ziekenhuisbed lag, met die bloedende wond op zijn voorhoofd, een wirwar aan infuusslangen aan zijn armen.

Daarna gaf Shane, bijna als een terloopse toevoeging, Andy het advies om te investeren in PepsiCo en Aflac.

Mijn broer keek me weer aan, nu met grote angstige ogen. Later zou hij vertellen dat hij net van beide bedrijven aandelen had gekocht.
‘Anderen zullen je altijd vreemd vinden,’ ging Shane verder. ‘Dat zal nooit veranderen, maar dat geeft niet. Want je bent een goddelijke, prachtige entiteit met een doel en die noodzakelijk en nodig is in deze wereld.

Spirituele dyslexie

Daarna kwam het onderdeel ‘kaartjes lezen’. Shane legde uit dat we ieder van ons, een voor een, naar voren moest komen om een dollarmunt met ductape op onze ogen te laten plakken, waar dan weer een oogmasker en een bandana overheen gingen. De anderen in de kamer zouden een vraag op een kaartje schrijven en op de andere kant een getal. ‘Dat kan 10 zijn, maar ook 10.043. Maakt niet uit,’ zei Shane. De kaartjes van iedereen kwamen dan in een tenen mand, die dan zou worden overhandigd aan het geblinddoekte medium, die op zijn beurt beide kanten van de kaartjes zou ‘lezen’. Zo’n kunststukje kan ‘de wurm aan de haak zijn om de interesse in dit soort dingen te wekken bij mensen.’

De eerste resultaten waren bedroevend. Eerwaarde Jane had nul uit zes, ook Mark en Allen scoorden matig. Ik had twee van de getallen goed en voelde me even de koning – is paranormale begaafdheid misschien een familietrekje? – maar had het daarna bij ieder kaartje mis.
‘Kun je erdoorheen kijken?’ vroeg Shane aan Andy toen ik hem had geblinddoekt. Deze scène had iets van een ceremonie, iets griezelig religieus, zoals Andy daar zat te wachten op zijn test, met zijn ogen dicht, zo nederig als een monnik.

‘Nee,’ zei Andy. ‘Kon ik dat maar. Om eerlijk te zijn heb ik nogal wat last van claustrofobie. Sinds mijn verwondingen krijg ik het benauwd in krappe ruimtes.’

Ik liep terug naar mijn stoel en zag hoe Andy begon te schokschouderen op een vaag Touretachtige manier, en toen hij het eerste kaartje pakte, beefde zijn hand duidelijk, wat me deed denken aan de spasmes ten gevolge van het hersenoedeem tijdens die lange, angstige nachten op de IC. Even wilde ik alles afblazen, maar toen drukte hij het eerste kaartje tegen zijn voorhoofd en haalde diep en hoorbaar adem. ‘Negen,’ zei hij. ‘En eh, ik weet niet of het aan mijn claustrofobie ligt, maar het getal is negen en het is een vraag over ruimte.’

Hij gaf het kaartje aan Eerwaarde Shane. ‘Het getal is negen. En de vraag is: “Wat is voor mij een heilige ruimte om naartoe te gaan?”’

‘Goed gedaan,’ zei Karen, de healer.

‘Niet slecht,’ zei Shane. ‘Goed, mijn werk zit erop. Tot ziens allemaal.’

Iedereen moest lachen.

Andy woelde met zijn hand door de mand voordat hij het volgende kaartje eruit haalde. ‘Ik zie een 1 en een 7, dus misschien 71, maar de vraag zie ik niet.’ Hij gaf het kaartje aan Shane. ‘17,’ zei de eerwaarde. ‘Dat noemen we spirituele dyslexie. De vraag is: “Waar komen mijn schoenen vandaan?”’

Bij het volgende kaartje zei mijn broer: “Ik weet niet of dat het antwoord is op de vraag of op het getal, maar ik zie alleen een 1.”’

‘Het is een cirkel met een 1 erin,’ zei Shane. ‘Niet slecht. Goed, nog een paar.’

Ook al was hij geblinddoekt, ik kon zien dat mijn broer bang was. Zijn wangen gloeiden, alsof hij er een klap op had gekregen, en op zijn voorhoofd parelden zweetdruppels. Shanes assistente, Cynthia, zag dat ook. ‘Je bent er bijna,’ zei ze. Hij hengelde de volgende eruit, en dat was mijn kaartje, maar dat verklapte ik niet. Toen zei hij ongevraagd: ‘Dat is het kaartje van mijn broer.’

Ik schudde mijn hoofd, blij verrast, maar voordat ik cynisch kon reageren, pakte hij een volgend kaartje uit de mand. ‘Ik zie het getal 2019. En ik zie mijn tatoeage.’ Op zijn linkerarm stond het oneindigheidssymbool getatoeëerd.

‘Je tatoeage staat op het kaartje,’ zei Shane. ‘En de vraag is: “Wat wordt het belangrijkste nieuwsfeit van 2019?”’

Op dat moment begonnen alle mensen in de kamer hun hoofd te schudden, met een vrolijk-naïeve blik in hun ogen, op een kinderlijke manier verbaasd. Ik keek om me heen om de reacties van twee Lily-Daleassistenten te peilen, die tijdens de hele workshop achterin hadden gezeten en nu onopvallend hun duim opstaken naar Shane, alsof ze wilde bevestigen dat mijn broer een echte was. De volgende middag zou een van die vrouwen voorstellen dat Andy de ‘boodschappen’-dienst van vier uur zou leiden. Een ander zou er bij hem op aandringen dat hij zich officieel liet certificeren door het bestuur van Lily Dale. Zelfs Eerwaarde Shane zou aan het einde van de avond aanbieden om Andy’s mentor te worden.

Andy kon het laatste kaartje niet lezen, maar zelfs met een paar missers, was de aula nog steeds overtuigd van zijn kunnen. Karen de Healer zei: ‘Wil je nog eens zeggen wat je achternaam is, zodat als je rijk en beroemd bent geworden, ik kan zeggen dat ik je weleens heb ontmoet?’

‘Dat vond ik echt ongemakkelijk,’ zei Andy.

‘Je had alle getallen goed,’ zei Mark. (En de meeste vragen ook, volgens mij.)

‘Die kan in het archief,’ zei Allen.

Onder de rinkelende windklokken en de blauwe hemel was ik vrij van elk cynisme en oprecht geroerd door die onverholen uitingen van pathos en zielensmart

Tegen de tijd dat de workshop was afgelopen, was het middernacht, en boven ons hing een grote maan, die de grasvelden van de campus dompelde in een ijl etherisch licht. Ietwat voorspelbaar werd onze wandeling terug naar het hotel onderbroken door uitbarstingen van puur broederlijk gepoch (‘Zo, broertje, wat dacht je daarvan?’ – dat soort dingen), en ik was bang dat het gelach van mijn broer, dat ricocheerde over de binnentuin, boze geesten zou wekken of misschien een paar pelgrims die probeerden na een séance een uiltje te knappen.

Ik vroeg Andy wat hij voelde toen hij werd geblinddoekt, hoe hij zoveel kaartjes kon lezen.

‘Ik voelde al die verschillende energieën op me afkomen,’ zei hij. ‘Dus ik vroeg of ze het snel voorbij wilden laten gaan.’

Zwijgend schuifelden we verder onder een gewelf van ruisende iepen en zonder er verder bij na te denken, stelde ik de vraag die al de hele week aan me knaagde en die, besef ik nu, de eigenlijke reden was dat we hier waren.

‘Een jaar geleden belde mama me midden in de nacht op en ze zei dat je je zorgen om mij maakte. Weet je dat nog?’

‘Ja,’ zei hij.

‘Weet je nog waarom je je zorgen maakte?’ vroeg ik.

Meteen had ik spijt van mijn vraag. Ik wist eigenlijk niet goed wat ik aan moest met waar ik die avond getuige van was geweest, en plotseling was ik bang voor wat hij zou gaan zeggen.

‘Ik kreeg steeds visioenen waarin jij zelfmoord pleegde.’

Ik bleef staan en keek naar mijn broer, die doorliep en om zich heen tuurde. Zelfs in de schemer kon ik zien dat zijn ogen donker waren van de spanning en het tekort aan slaap, de aanstaande erosie van de middelbare leeftijd, en dat er aan de andere kant van het continent een heel ander leven op hem lag te wachten. Het was een nare gedachte dat deze week niet eeuwig door zou gaan, dat we op de een of andere manier mannen waren geworden van halverwege de dertig, vastzittend in een baan en aan de verplichtingen van onze gezinnen. De volgende dag zouden we terugrijden naar Buffalo, maar die nacht was hij opeens spoorloos verdwenen, nam hij een Ubertaxi naar het vliegveld en liet hij mij alleen wakker worden in de stilte van een treurige vroege ochtend in juli.

Maar op dat moment, in het donker van de spiritistische campus, geloofde ik dat mijn broer iets wist wat ik gewoonweg niet kon bevatten. Als hij intuïtief weet had van mijn worstelingen – als hij kon voelen op welk moment in mijn leven mijn verhaal begon vast te lopen, wanneer de plot een wending nam – dan kon hij misschien ook in de toekomst kijken, die steeds onzekerder was geworden, een monstrueuze leegte van verandering en onheil. Uitgaande van wat ik hem net had zien doen, wilde ik geloven dat mijn broer wist hoe het verhaal afliep. Ik wilde geloven dat ik zou luisteren. Maar ik kwam niet verder dan een vage erkenning, de onbeholpen bekentenis van het jongere broertje.

‘Dat was een eenzame tijd voor me,’ zei ik.

Hij zweeg even. Toen haalde hij zijn schouders op. ‘Maar je was niet alleen,’ zei hij.

De volgende ochtend stonden de pelgrims in de rij voor de Healingtempel. Er zaten ouderen tussen die met behulp van hun looprek langzaam naar de ingang schuifelden, maar ook een groepje jonge vrouwen met slordige knotjes en boodschappentassen met de opdruk feministische heksen. Een vrouw met kastanjebruin haar uit Cleveland kletste met me over de overstap van LeBron James naar de Lakers, bood toen aan om mijn chakra’s in balans te brengen met haar pendelhalsketting. De rij schoot niet hard op. Maar toen de eerste parochianen door de zware eiken deuren naar buiten kwamen was de blik in hun ogen veranderd en straalden ze.

Naast het pad naar de tempel stond de knoestige en onvolgroeide gebedenboom, waarvan de kroon van spitse takken was versierd met duizenden linten in allerlei tinten blauw-groen, magenta, oranje en roze. Daarop hadden eenzame Amerikanen gebedjes geschreven, hoopvolle teksten, lieve berichtjes aan de doden. ‘Mam, ik mis je iedere dag. Veel plezier in de hemel!’ en ‘Liefde en Licht voor hen die dat nodig hebben!’ en ‘Breng mijn familie bij elkaar’.

Thuis zou ik deze uitbarstingen van wensdenken sentimenteel en sneu hebben gevonden. Maar onder de rinkelende windklokken en de blauwe hemel was ik vrij van elk cynisme en oprecht geroerd door die onverholen uitingen van pathos en zielensmart. Als in de toekomst historici proberen te begrijpen hoe wij omgingen met onze culturele en politieke rampen, konden ze aan de hand van deze bonte verzameling linten zien hoe wanhopig en verdrietig we waren geweest. Ik dacht aan Susan die wachtte op nog meer berichten in scrabble-letters van haar moeder. Ik dacht aan Ashley, thuis in Connecticut, aan het werk in het magazijn van Walgreens. En ik dacht aan die stralend kijkende millennials, onze spirituele gidsen – Erica en Mekenna, Kate en Fargus, Meredith en Bobby. Zes van de gekleurde linten die ik aan de gebedenboom vastmaakte waren voor hen. Daarna moest ik denken aan mijn eigen vader en moeder, aan de rest van mijn familie, die zich allemaal zorgen maakten om mij en Andy, die tegen beter weten in bleven hopen dat het, ondanks alles, toch nog goed zou komen met ons.

In de tempel stonden negen healers bij het altaar. Ze droegen hagelwitte kielen, alsof het afgezanten van de hemel waren. Voor ieder van hen zat op een houten stoel een parochiaan met zijn handpalmen naar boven en de ogen gesloten. De healers bewogen hun handen boven de lichamen van de parochiaan heen en weer, mimeachtig en zonder hen aan te raken, stille magische gebaren. Achter in de ruimte blies een grote man met een grijze paardenstaart op een houten fluit en de gevoelvolle, treurige klanken waren tegelijk troostend en weemoedig. Prikkelende wierook vervulde de lucht en ten slotte gebaarde de tempelbewaarder me naar het altaar te komen. Ik ging zitten voor een man met een zachte stem en een bril die me vroeg de ogen te sluiten. Haal, zo zei hij, al je doden voor je geestesoog, allen die zijn overgegaan naar gene zijde. ‘Wij geloven in het eeuwige leven,’ zei hij, ‘dus al die mensen zijn op dit moment bij je.’

Misschien denkt u dat ik overdrijf, maar er gebeurde toen iets met me. Terwijl hij zijn geheimzinnige rituelen uitvoerde, vloog er links in mijn voorhoofd een valluik open en eeuwen gelaagde zwartheid begon eruit te lekken. Al snel stroomden de tranen over mijn wangen.
Op de een of andere manier werd ik getransporteerd naar een moment twintig jaar eerder, toen ik tijdens mijn eerste echte depressie aan de oever van een rivier stond. Ik was twaalf, had sombere, duizelende gedachten, was weggelopen van het familiekamp en tuurde in de diepte van de rivier, zag het donkere water schuimen en kolken bij een groepje puntige stenen. Ik kan niet vertellen wat me toen bezielde, maar even later verdween ik in het geweld van een bruin-kristallen turbulentie.

De stroming was sterk, als mannenhanden, en ik kreeg bijna meteen spijt van mijn beslissing. Toen ik even boven water kwam, zag ik in een waas mijn broer de oever op komen, met zijn donkere jeans en rode T-shirt, en net toen ik kopje onder ging, stapte hij het water in. Op de een of andere manier belandde ik op een vlot van afgevallen takken, waar mijn broer ons op had getrokken, waar ik even tot mezelf kon komen, het water uit mijn ogen kon vegen. Ik huilde, nog steeds doodsbang, nog steeds kinderlijk verward over wat ik had gedaan en wat ik misschien nog steeds zou doen. Ik was zo dicht bij het punt geweest dat ik totaal verdween, mijn doden achternaging naar de andere kant van de rivier, dat ik zo intens verlangde naar een definitief en onherroepelijk vertrek.

Mijn broer zei niets. Zijn gezicht was een en al vreselijk begrip. Altijd, zelfs dwars door tijd en afstand heen, was zijn gezicht een en al vreselijk begrip geweest. Toen zei hij dat het tijd was om te gaan. Met onze hoofden nauwelijks boven water pakte hij me beet en ik hield me aan hem vast, en hij bracht me terug over het water.

Auteur: Barrett Swanson
Vertalers: Paul Bruijn, Nicolette Hoekmeijer

The Atavist


Deel dit artikel


Recent verschenen