de zwarte tol van het witte goud


De geschiedenis van suiker is een geschiedenis van zwart leed. In de achttiende eeuw maakte de tot slaaf gemaakte Afrikanen het mogelijk om de arbeidsintensieve zoetstof op grote schaal te verbouwen op het Amerikaanse continent. En zelfs na de afschaffing van de slavernij werden zwarte mensen tot diep in de twintigste eeuw uitgebuit op suikerplantages. ‘Het was verschrikkelijk. Nog erger dan de nor.’

Domino Sugar’s Chalmette, een suikerraffinaderij in Arabi, in Louisiana, staat aan de oever van de machtige Mississippi, een kleine tien kilometer ten oosten van de French Quarter, langs de bocht in de rivier, en net een kilometer ten zuiden van de Lower Ninth Ward, waar orkaan Katrina en de doorgebroken dijken zo veel zwarte slachtoffers hebben geëist. Het is de grootste suikerraffinaderij van Noord-Amerika, die jaarlijks zo’n miljard kilo suiker en suikerproducten levert. Overal kom je ze tegen, de gele papieren tweekilozakken met het logo van het bedrijf. Tijdens het productieseizoen rollen er elke minuut honderdtwintig van dit soort zakken van de band, vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week.

In de Verenigde Staten wordt jaarlijks zo’n negen miljoen ton suiker geproduceerd, waarmee het land wereldwijd de op acht na grootste producent is. De Amerikaanse suikerindustrie ontvangt jaarlijks zo’n vier miljard dollar aan subsidie, in de vorm van prijsondersteuning, gegarandeerde leningen, tarieven en importheffingen op buitenlandse suiker, die volgens sommige schattingen twee keer zo goedkoop zou zijn als Amerikaanse suiker. De suikerrietindustrie in Louisiana vertegenwoordigt een waarde van vier miljard dollar en levert naar schatting zo’n 16.400 banen op.

Het overgrote deel van de binnenlandse suiker blijft in Amerika, en daarnaast wordt er jaarlijks nog zo’n twee tot drie miljoen ton geïmporteerd. Amerikanen consumeren jaarlijks maar liefst vijfendertig kilo suiker en aanverwante zoetstoffen per persoon, volgens de gegevens van het United States Department of Agriculture. Dat is bijna twee keer zo veel als de aanbevolen maximum hoeveelheid, gebaseerd op een totale inname van tweeduizend calorieën per dag.

De levensverwachting van de tot slaaf gemaakten op de suikerrietvelden van Jamaica was erg laag, zo vielen de meest overwerkte en mishandelde krachten al na zeven jaar dood neer. – © Samuel Howitt, Beating sugar-canes for a hog, 1807 / Getty
De levensverwachting van de tot slaaf gemaakten op de suikerrietvelden van Jamaica was erg laag, zo vielen de meest overwerkte en mishandelde krachten al na zeven jaar dood neer. – © Samuel Howitt, Beating sugar-canes for a hog, 1807 / Getty

Suiker wordt in Amerika in verband gebracht met diabetes, obesitas en kanker. Het jaagt ons de dood in, en zwarten nog sneller dan witten. In de afgelopen dertig jaar is het aantal Amerikanen met overgewicht of obesitas onder volwassenen met 27 procent toegenomen, van 56 naar 71 procent, afgaande op cijfers van het Center for Disease Control. Afro-Amerikanen zijn oververtegenwoordigd in de landelijke statistieken. In diezelfde periode is over de gehele linie het aantal gevallen van diabetes verdrievoudigd. Er zijn bijna twee keer zoveel zwarte niet-hispanic vrouwen met diabetes als witte niet-hispanic vrouwen met diabetes, en anderhalf keer zoveel zwarte mannen als witte mannen.

Dit alles – het op ongekend grote schaal commodificeren van suiker, de economische macht en de immense impact op de gezondheid van Amerikanen – was op geen enkele manier voorbeschikt, of zelfs maar te voorspellen, toen Christopher Columbus in 1493 voor de tweede keer de Atlantische Oceaan overstak, met aan boord suikerriet van de Canarische eilanden. Destijds was geraffineerde suiker in Europa een luxeartikel: de slopende arbeid en de gevaren die gepaard gingen met de productie van suiker vormden een onoverkomelijke barrière om het op grote schaal te gaan verbouwen. Het lijkt heel goed voorstelbaar dat dit zo zou zijn gebleven als er niet een enorme markt was ontstaan van tot slaaf gemaakte arbeidskrachten die zich op geen enkele manier konden onttrekken aan dit gevaarlijke werk.

Gedurende duizenden jaren was suikerriet een zwaar en onhandelbaar gewas geweest, dat met de hand moest worden gekapt en dan ogenblikkelijk moest worden geperst om het sap eruit te halen, aangezien het anders binnen een dag of twee zou bederven. En voor het suikerriet geoogst kon worden, moesten er geulen worden gegraven en stengels worden geplant en moest er voldoende hout worden gekapt om het vocht te koken en te laten indikken tot suikerkristallen en melasse. Vanaf de allereerste tekenen van de domesticatie van suikerriet op het eiland Nieuw-Guinea tienduizend jaar geleden totdat het suikerriet in 350 voor Christus al eilandhoppend oprukte naar het oude India, was suiker een zeer arbeidsintensief product dat enkel lokaal werd geconsumeerd. Het was niet meer dan een exotische specerij, een medicinaal glazuurlaagje of een zoetstof voor echte fijnproevers.

Er zijn ontelbare inheemse levens verwoest en bijna elf miljoen Afrikanen tot slaaf gemaakt

Maar met de introductie van de suikerslavernij in de Nieuwe Wereld werd alles anders. ‘Het ware Tijdperk van de Suiker nam een aanvang – en dat zou de wereld een ander aanzien geven, meer dan welke heerser, keizerrijk of oorlog ooit had weten te bewerkstelligen,’ schrijven Marc Aronson en Marina Budhos in hun boek uit 2010, Sugar Changed the World. In de vier eeuwen na de komst van Columbus zijn op het vasteland van Midden- en Zuid-Amerika, in Mexico, Guyana en Brazilië, en op de Caraïbische suikereilanden, onder andere Cuba, Barbados en Jamaica, ontelbare inheemse levens verwoest en zijn bijna elf miljoen Afrikanen tot slaaf gemaakt – en dat zijn dan nog alleen diegenen die de overtocht hadden overleefd.

Het ‘witte goud’ leidde tot een levendige handel in goederen en mensen, vergrootte de rijkdom van Europese landen en stelde met name de Engelsen in staat hun Noord-Amerikaanse koloniën te financieren. ‘Er was weliswaar sprake van directe handel met de koloniën en van directe handel tussen de koloniën en Europa, maar het merendeel van de Atlantische handel verliep in een driehoek: tot slaaf gemaakte mensen uit Afrika; suiker uit West-Indië en Brazilië; geld en goederen uit Europa,’ schrijft Walter Johnson, een historicus verbonden aan Harvard, in zijn boek uit 1999, Soul by Soul: Life Inside the Antebellum Slave Market. ‘Aan de onderkant van de driehoek werden mensen verhandeld; de winst bleef bovenin zitten.’

Voordat de Franse jezuïeten in 1751 het eerste suikerriet plantten bij Baronne Street in New Orleans, werd er in het Britse New York al goed aan verdiend. In de jaren twintig van de achttiende eeuw was een op de twee schepen die de haven aandeden op weg naar het Caraïbisch gebied óf kwam daar net vandaan.

De schepen importeerden suiker en tot slaaf gemaakte mensen en exporteerden bloem, vlees en benodigdheden voor de scheepsbouw. De handel was dermate lucratief dat in die tijd twee van de meest indrukwekkende gebouwen aan Wall Street verrezen: de Trinity Church aan de ene kant, met uitzicht over de Hudson, en de vijf verdiepingen hoge suikerpakhuizen aan de andere kant, dicht bij de East River en niet ver van de drukke slavenmarkt. Op zeker moment bestond de bevolking voor 20 procent uit tot slaaf gemaakten, waarop de New York General Assembly in 1730 besloot een zogeheten slavencode uit te vaardigen, die bepaalde dat het onwettig was wanneer ‘meer dan drie slaven zelfstandig zouden samenkomen’ en die elke stad ‘het recht’ gaf iemand aan te stellen ‘om de slaven te ranselen’.

Louisiana

In 1795 slaagde Étienne de Boré, een plantagehouder uit New Orleans, er als eerste in suiker te granuleren en de eerste suikerkristallen van Louisiana te vervaardigen. Met de opkomst van de lokale suikerproductie schoten aan beide oevers de suikerplantages als paddenstoelen uit de grond. Dat was mogelijk dankzij de ongekend rijke alluviale grond, in combinatie met het technische vakmanschap van de door de wol geverfde Franse en Spaanse planters afkomstig uit de bakermat van de suikerteelt, de Golfkust en het Caraïbisch gebied – en dankzij de zware tol die duizenden tot slaaf gemaakten betaalden.

Nadat Toussaint Louverture en Jean-Jacques Dessalines een succesvolle revolutie hadden geleid voor de onafhankelijkheid van Haïti, dat onder Frans bewind had gestaan, trokken er meer succesvolle planters naar Louisiana. Binnen vijf decennia leverden de suikerplantages van Louisiana een kwart van de wereldsuikerrietvoorraad. In de bloeiperiode voor de Burgeroorlog sloot koningin Suiker een verbond met koning Katoen en zo groeide Louisiana uit tot de op een na rijkste staat van Amerika, gerekend naar het inkomen per hoofd van de bevolking. In 1840 stond de staat op de derde plaats – na New York en Massachusetts – waar het bankkapitaal betrof, aldus historicus Richard Follett.

Voorplaat van bladmuziek van een lied uit 1875 waarop de pijnlijke dood door uitputting van een tot slaaf gemaakte suikerplantagewerker wordt geromantiseerd. – © Sheridan Libraries / Getty
Voorplaat van bladmuziek van een lied uit 1875 waarop de pijnlijke dood door uitputting van een tot slaaf gemaakte suikerplantagewerker wordt geromantiseerd. – © Sheridan Libraries / Getty

Alleen al de waarde van de tot slaaf gemaakte mensen liep in de tientallen miljoenen dollars, waarmee investeringen, leningen en ondernemingen konden worden gefinancierd. Veel van die investeringen stroomden weer terug naar de suikermolens, ‘de meest geïndustrialiseerde tak van landbouw in de zuidelijke staten’, schrijft Follett in zijn boek uit 2005, Sugar Masters: Planters and Slaves in Louisiana’s Cane World 1820-1860. Aan de vooravond van de Burgeroorlog kwam geen enkele andere landbouwregio ook maar in de buurt van dergelijke landbouwinvesteringen. In 1853 noemde afgevaardigde Miles Taylor uit Louisiana het succes van zijn staat ‘ongeëvenaard in de Verenigde Staten, of waar ook ter wereld, in willekeurig welke bedrijfstak’.

De tot slaaf gemaakte bevolking nam in razend tempo toe, verviervoudigde zelfs binnen twintig jaar, tot maar liefst 125 duizend mensen halverwege de negentiende eeuw. New Orleans groeide uit tot een supermarkt van mensenhandel. Het aantal slavenploegen op suikerplantages verdubbelde. En in elke suikerstreek woonden meer zwarte mensen dan witte. Dit waren vaak de meest vaardige arbeidskrachten, die het gevaarlijkste werk opknapten in de landbouw- en industriesector van de Verenigde Staten.

In de suikermolens werkten niet alleen volwassenen maar ook kinderen, die als volleerde fabrieksarbeiders met grote precisie en nauwkeurigheid aan de lopende band stonden, met de voortdurende dreiging van kokend heet water, loeiende ovens en meedogenloze machines. ‘Langs de hele band staan slavenkinderen, die tot taak hebben de suikerrietstengels op de band te leggen, waarna ze door de schuur naar het hoofdgebouw worden getransporteerd,’ schrijft Solomon Northup in Twelve Years a Slave, zijn memoires uit 1853, waarin hij vertelt hoe hij wordt gevangengenomen en als slaaf te werk wordt gesteld op plantages in Louisiana.

‘Een van zijn wrede straffen was dat een opstandige slaaf in een kist moest gaan staan waar spijkers in zaten’

Om een zo hoog mogelijke productie te halen – net als de Domino-raffinaderij vandaag de dag – waren de suikermolens dag en nacht in bedrijf. ‘In het suikerseizoen is er op de plantages geen verschil tussen de verschillende dagen van de week,’ schreef Northup. Vermoeidheid kon betekenen dat je arm werd vermalen tussen de walsen, of dat je werd afgeranseld omdat je het tempo niet kon bijhouden. Verzet werd gewoonlijk op ongekend wrede wijze gebroken.

Mevrouw Webb, een voormalige tot slaaf gemaakte zwarte vrouw, beschreef een martelkamer die haar eigenaar, Valsin Marmillion, gebruikte. ‘Een van zijn wrede straffen was dat een opstandige slaaf in een kist moest gaan staan waar spijkers in zaten, op zo’n manier dat de arme ziel zich niet kon verroeren,’ zei ze in 1940 tegen een journalist van de Slave Narrative Collection. ‘Hij kon zelfs geen vlieg van zich afslaan, noch de mieren die soms over zijn lijf kropen.’

Louisiana nam het voortouw in het verwoesten van de levens van zwarte mensen voor economisch gewin. Historicus Michael Tadman heeft aangetoond dat in de suikerregio’s van Louisiana ‘het sterftecijfer stelselmatig hoger was dan het geboortecijfer’.

In 2000 schreef Tadman: ‘Het slopende werk en het ontoereikende dieet betekenden dat slaven op suikerplantages, in vergelijking met andere volwassen slaven in de Verenigde Staten, veel minder bestand waren tegen de levensbedreigende ziekten waarmee armoede en smerige leefomstandigheden gepaard gaan.’ De levensverwachting was lager dan die van een arbeider op een katoenplantage en kwam dichter in de buurt van die van mensen op de suikerrietvelden van Jamaica, waar de meest overwerkte en mishandelde krachten na zeven jaar dood konden neervallen.

‘Witgewassen’

Deze verhalen over wreedheden, martelingen en vroegtijdige sterfgevallen zijn vrijwel nooit aan bod gekomen in leerboeken of historische musea. Ze zijn verfraaid en ‘witgewassen’ in de fabrieken en raffinaderijen van de zuidelijke folklore: het romantische Zuiden, de zogeheten Lost Cause, de populaire rondleidingen over de plantages, waarvoor wordt geadverteerd met termen als ‘maanlicht en magnolia’ en die zo’n belangrijke rol spelen in het hedendaagse agritoerisme in Louisiana.

Wanneer ik op een warme dag in juni het Whitney Plantation Museum bezoek, zeg ik tegen Ashley Rogers (36), de directeur van het museum, dat ik zo’n twintig kilometer terug langs het Nelson Coleman Correctional Center ben gekomen. ‘Op weg naar de plantage ben je langs een vuilstortplaats en een gevangenis gereden,’ zegt ze. ‘Dat is geen toeval.’

Het Whitney Museum, dat vijf jaar geleden de deuren heeft geopend als het enige suikerslavernijmuseum van het land, staat pal in het midden van een landkaart van menselijke ellende. Het museum verhaalt over de alledaagse strijd en het verzet van zwarte mensen die alles waren verloren, behalve hun waardigheid. Het is gelegen op de westelijke oever van de Mississippi, aan de noordelijke rand van St. John the Baptist Parish, waar zich ooit tientallen bloeiende plantages bevonden; slechts een paar kilometer ten zuiden van het museum ligt Marmillions plantage, met de martelkist.

Foto uit circa 1870 van twee tot slaaf gemaakte kinderen. In de suikermolens stonden kinderen dag en nacht aan de lopende band. © Hulton Archive / Getty
Foto uit circa 1870 van twee tot slaaf gemaakte kinderen. In de suikermolens stonden kinderen dag en nacht aan de lopende band. © Hulton Archive / Getty

Het museum ligt ook tegenover de plek, op de andere oever, waar in 1811 de German Coast-opstand plaatsvond, een van de grootste opstanden van tot slaaf gemaakte mensen in de Verenigde Staten. Niet minder dan vijfhonderd suikeropstandelingen sloten zich aan bij een bevrijdingsleger dat richting New Orleans trok. Onderweg werd hun de pas afgesneden door federale troepen en plaatselijke milities. Ongeveer honderd mensen werden gedood in de strijd of zijn later geëxecuteerd. Van velen werd het hoofd afgehakt en die hoofden werden verspreid door het gebied op palen gespietst.

Volgens schattingen van geschiedkundigen was het aantal geëxecuteerden twee keer zo hoog als bij Nat Turners opstand van 1831, die meer bekendheid geniet. De opstand is min of meer uit de officiële geschiedschrijving verdwenen. Zo niet in het Whitney. Toch vertellen toeristen geregeld aan Rogers, een witte vrouw, dat ze door de portier van hun hotel of een touroperator zijn gewaarschuwd dat het juist het Whitney Museum is dat een vertekend beeld geeft van het verleden. ‘In het plantagetoerisme in Louisiana is het de bedoeling dat je je verplaatst in de plantage-eigenaren, bij wie je te gast bent,’ zegt Rogers in haar kantoortje. ‘Niemand kijkt ervan op dat het verleden wordt vervormd.’

Angola

Het landschap is een stille getuige die Whitney’s versie van het verleden onderschrijft. De Coleman-gevangenis, die de naam draagt van een Afro Amerikaanse hulpsheriff die in het harnas is gestorven, werd in 2001 geopend, maar Rogers plaatst deze in de context van een lange geschiedenis van gedwongen tewerkstelling, landroof en raciale controle na de afschaffing van de slavernij. Op boerderijen rondom de Coleman-gevangenis groeit suikerriet, maar in de nabijgelegen Louisiana State Penitentiary, ook wel Angola genoemd, verbóúwen de gevangenen suikerriet.

Angola is wat oppervlakte betreft de grootste extra beveiligde gevangenis van het land. De gevangenis werd in 1901 op de huidige plek geopend en de naam is afkomstig van een van de plantages die zich daar destijds bevond. Zelfs nu nog oogsten de gevangenen het suikerriet van Angola.

Veel zwarte inwoners van Louisiana hebben gemerkt dat het slopende werk van de suikerrietoogst in vrijheid maar weinig verschilt van datzelfde werk in slavernij. Zelfs na de Burgeroorlog, toen men burgerrechten kreeg, bleef het land vrijwel uitsluitend in bezit van witte planters. Vrijgemaakte slaven hadden vrijwel geen andere mogelijkheid dan hun intrek te nemen in de oude slavenverblijven.

Een print uit The Black Man’s Lament; or How to Make Sugar by Amelia Opie (1826). Zwarte tot slaaf gemaakte arbeiders bewerken het suikerrietveld terwijl de opzichter ze met een zweep tot werken maant. – © Art Media / Getty
Een print uit The Black Man’s Lament; or How to Make Sugar by Amelia Opie (1826). Zwarte tot slaaf gemaakte arbeiders bewerken het suikerrietveld terwijl de opzichter ze met een zweep tot werken maant. – © Art Media / Getty

Omdat ze nu betaald kregen, probeerden ze zo goed mogelijke arbeidsvoorwaarden te bedingen en tekenden ze contracten, soms voor een jaar. Ze trokken geregeld van de ene plantage naar de andere op zoek naar een leven dat hun iets anders kon bieden dan voorheen. Maar als je het vergelijkt met het bestaan als deelpachter in de katoenindustrie, zegt Rogers, ‘werd op de suikerplantages de raciale hiërarchie veel meer behouden’. Historicus John C. Rodrigue schrijft: ‘In de suikerregio’s werd tot diep in de twintigste eeuw het leven van zwarte mensen overschaduwd door het werk op de plantages.’

De zwarte suikerrietarbeiders legden soms collectief het werk neer tijdens het plant- en oogstseizoen, waardoor de oogst dreigde te mislukken. Zo nu en dan werd er iets verbeterd aan de lonen en de arbeidsvoorwaarden. Maar ook werd het verzet geregeld met zeer harde hand de kop ingedrukt. Na een grote arbeidersopstand in 1887, onder aanvoering van de Knights of Labor, een landelijke vakbond, werden minstens dertig zwarte mensen – volgens sommige schattingen honderden – vermoord in hun huis en in de straten van Thibodaux in Louisiana. ‘Ik denk dat nu zeker voor de komende vijftig jaar de vraag wel is beantwoord wie de baas is, de neger of de blanke,’ schreef Mary Pugh, de weduwe van een witte plantage-eigenaar, verheugd aan haar zoon.

Schuldslavernij

Eind negentiende eeuw hadden veel Afro-Amerikanen de ambitie een eigen suikerplantage te bezitten of te pachten, maar zij stuitten op maatregelen die bewust waren bedoeld om het aantal zwarte boeren en landeigenaren beperkt te houden. Historica Rebecca Scott constateert dat ‘zwarte boeren heel soms in staat waren een stukje suikerplantage te kopen wanneer een planter failliet was gegaan, of zich op een andere manier als producent wisten te manifesteren, maar dat planters over het algemeen op zoek gingen naar witte huurders of pachters’.

Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog trokken zwarte mensen niet langer van de ene plantage naar de andere, maar van de suikerrietvelden naar autofabrieken in het noorden. Inmiddels hadden landbouwmachines misschien niet al het werk overgenomen, maar wel een groot deel ervan. Omdat er minder en minder zwarte arbeidskrachten waren, gingen bemiddelaars uit Louisiana en Florida, na enkele mislukte pogingen aan het einde van de negentiende eeuw om Chinese, Italiaanse, Ierse en Duitse immigranten te rekruteren, op zoek naar arbeidskrachten in andere staten. 

In 1942 begon het ministerie van Justitie een groot onderzoek naar de rekruteringspraktijken van een van de grootste suikerproducenten van het land, de United States Sugar Corporation, gevestigd in Zuid-Florida. Zwarte mannen die geen idee hadden hoe zwaar het werk was, werd een seizoensbaan in de suiker in het vooruitzicht gesteld, tegen een hoge vergoeding, maar vervolgens belandden ze in een vorm van schuldslavernij en moesten al vanaf de eerste dag de kosten afbetalen van vervoer, onderdak en uitrusting – en dat van een loon van 1 dollar 80 per dag. Een voormalig arbeider zei: ‘Het was verschrikkelijk. Nog erger dan de nor.’

De FBI was het daarmee eens. Als de arbeiders probeerden te ontsnappen werden ze weer gevangengenomen op de snelweg, of ‘neergeschoten terwijl ze probeerden mee te liften op de suikertrein’. Het bedrijf werd door een federale grand jury in Tampa veroordeeld voor ‘een samenzwering om slavernij in stand te houden’, schrijft Alec Wilkinson in zijn boek uit 1989, Big Sugar: Seasons in the Cane Fields of Florida. (Het vonnis werd later op procedurele gronden nietig verklaard.) Een officieel onderzoek door het congres, in de jaren tachtig van de twintigste eeuw, wees uit dat de suikerbedrijven stelselmatig hadden geprobeerd seizoenswerkers uit de Caraïben uit te buiten en hen volkomen in hun macht te houden met de voortdurende dreiging dat ze elk moment konden worden teruggestuurd.

Zwarte mannen belandden in een vorm van schuldslavernij en moesten de kosten afbetalen van vervoer, onderdak en uitrusting

Op de Whitney-plantage, die tussen 1752 en 1975 continu actief is geweest, zijn de twaalf medewerkers van het museum vrijwel allemaal Afro-Amerikaanse vrouwen. Een derde van hen heeft familieleden die ofwel op de plantage hebben gewerkt ofwel er zijn geboren in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Deze zwarte vrouwen leiden de toeristen rond langs de slavenhutten en de suikerrietvelden die hun eigen familieleden maar al te goed kenden.

In de suikerrietindustrie in Louisiana zijn maar liefst 16.400 mensen werkzaam in de landbouw, de suikermolens en -raffinaderijen. Maar het zijn de eigenaren van de elf molens en de 391 commerciële suikerboeren die de meeste invloed hebben en die het grootste deel van het geld binnenhalen. En het aantal zwarte suikerrietboeren in Louisiana is vermoedelijk op de vingers van een hand te tellen, afgaande op schattingen van mensen die werkzaam zijn in de bedrijfstak. Zij vormen de steeds zeldzamere uitzonderingen op de regel van een systeem dat is ontworpen om het zwarte verlies te verhullen.

Desondanks worden twee van deze zwarte boeren, Charles Guidry en Eddie Lewis III, geportretteerd in een aantal grote nieuwsitems en in divers marketingmateriaal. Hun aanwezigheid hierin staat niet in verhouding tot hun economische voetafdruk binnen de bedrijfstak. Lewis en Guidry zijn onafhankelijk van elkaar uitgelicht in onlinevideo’s. De American Sugar Cane League heeft beide mannen ook onafhankelijk van elkaar in de schijnwerpers gezet in de onlinenieuwsbrief, Sugar News.

Lewis vertelt me dat hij zich geen enkele illusie maakt over de beweegredenen om aandacht aan hem te besteden: suikerriet is een lucratieve markt, en om dat zo te houden moet de bedrijfstak samenwerken met de overheid. ‘Je hebt een paar minderheden nodig, want deze molens houden het hoofd boven water met enorme subsidies en daarvoor moet je met minderheden werken,’ zegt hij. Lewis, een voormalig financieel adviseur bij Morgan Stanley, heeft een succesvolle carrière in de financiële sector opgegeven om zijn rechtmatige plek in te nemen als vijfde generatie boer. Zijn familie boerde eind negentiende eeuw min of meer op hetzelfde stuk land, zegt hij, waar zijn tot slaaf gemaakte voorouders ooit hadden gewerkt. Een groot deel van de twaalfhonderd hectare die hij nu bewerkt, heeft hij te danken aan de relaties met witte landeigenaren die zijn vader, Eddie Lewis junior, en zijn grootvader, hebben aangeknoopt en onderhouden.

Tot slaaf gemaakte mannen en vrouwen malen suiker met de hulp van muildieren en een simpele machine op een boerderij in Georgia in het midden van de negentiende eeuw. © L.J. Schira / Hulton Archive / Getty
Tot slaaf gemaakte mannen en vrouwen malen suiker met de hulp van muildieren en een simpele machine op een boerderij in Georgia in het midden van de negentiende eeuw. © L.J. Schira / Hulton Archive / Getty

Lewis is de minderhedenadviseur van de federale Farm Service Agency (FSA) in St. Martin en Lafayette Parish, en hij is een van de mensen die lobbyt bij federale wetgevers. Dat doet hij omdat er zo veel op het spel staat, zegt hij. ‘Als er niets verandert,’ zegt Lewis, ‘dan ben ik de komende tien, vijftien jaar waarschijnlijk een van de twee of drie boeren die nog overeind blijft. In feite proberen ze ons uit te roeien.’ Aangezien de controle over de bedrijfstak in handen is van een steeds kleiner groepje mensen, vreest Lewis dat de zwarte suikerboeren het onderspit zullen delven, wat past binnen een bredere trend in heel Amerika, waar het totale aandeel volledig Afro-Amerikaanse boeren sinds begin van de twintigste eeuw drastisch is gedaald, van meer dan veertien procent naar twee procent nu. Negentig procent van het land van zwarte boeren is in de loop van vele decennia verloren gegaan door het racistisch optreden van overheidsinstellingen, banken en projectontwikkelaars.

‘Er zijn heus ook wel een paar goede witte mannen,’ zegt Lewis. ‘Ze zijn echt niet allemaal slecht. Maar dit is zonder meer een gemeenschap waar je ja en amen moet zeggen en vooral niet moeilijk moet doen als iemand “boy” tegen je zegt, of dat soort dingen.’ Een van de belangrijkste spelers in deze gemeenschap is M.A. Patout and Son, de grootste suikerrietmolen in Louisiana. Het bedrijf is opgericht in 1825 en Patout ging er altijd prat op dat ‘de oudste producent van ruwe suiker in de Verenigde Staten volledig een familiebedrijf is en ook door de familie wordt gerund.’ Het bedrijf heeft drie van de elf overgebleven suikerrietmolens in Louisiana in handen en produceert ruwweg een derde van alle suiker in de staat. Het bedrijf wordt voor de rechter gedaagd door een voormalige zwarte boer van de vierde generatie.

Zoals voor het eerst gemeld in The Guardian, beweert Wenceslaus Provost Jr. dat het bedrijf oogstovereenkomsten heeft verbroken in een bewuste poging zijn bedrijf te dwarsbomen. Provost, wiens roepnaam June luidt, en zijn vrouw Angie zijn in 2018 hun huis kwijtgeraakt bij openbare verkoop nadat ze in gebreke waren gebleven bij het afbetalen van hun door de FSA gegarandeerde lening. June Provost heeft ook een rechtszaak aangespannen tegen First Guaranty Bank en een senior vicevoorzitter van de bank, wegens discriminatie bij het verstrekken van leningen en wegens valsheid in geschrifte door verkeerde informatie door te geven aan medewerkers van de federale bank van lening. In de tenlastelegging wordt een klokkenluider genoemd, werkzaam bij de bank van lening, die in april 2015 ‘tegen meneer Provost heeft gezegd dat hij stelselmatig werd gediscrimineerd door de First Guaranty Bank.’

‘Er zijn heus ook wel een paar goede witte mannen,’ zegt Lewis

Lewis is zelf partij in een afzonderlijke petitie tegen witte landeigenaren. Hij beweert dat ze ‘unilateraal, uit het niets en zonder geldige reden’ een zeven jaar oude overeenkomst hebben beëindigd waarin hem toestemming werd verleend zijn suikerriet te verbouwen op hun land. Hij is daarmee het kapitaal kwijtgeraakt van de oogst die nog op het land staat. Lewis eist een schadevergoeding van meer dan tweehonderd duizend dollar, gebaseerd op een onafhankelijke taxatie die hij heeft laten uitvoeren, zo lezen we in het gerechtelijk dossier. De landeigenaren hebben niet gereageerd op zijn verzoek om toelichting.

Maar de nieuwe pachter, Ryan Doré, een witte boer, heeft Lewis aangeboden de waarde van zijn gewassen te vergoeden, volgens een plaatselijke taxateur geschat op vijftigduizend dollar. Doré betwist niet hoeveel suikerriet Lewis op de 34,9 hectare heeft staan. Wat hij betwist is dat Lewis daar net zoveel winst op zou kunnen maken als hij. Doré vertelt ook dat hij een deel van het land bebouwt waar June Provost voorheen boerde.

Volgens zowel Lewis als June Provost zou Doré zijn positie als gekozen lid van de FSA misbruiken om de zwarte boeren de pas af te snijden bij de witte landeigenaren. ‘Hij heeft het voordeel dat hij over geweldige hoeveelheden informatie beschikt,’ zegt Lewis. Doré ontkent dat hij misbruik maakt van zijn positie bij de FSA en werpt tegen dat ‘die jongen van Lewis hier een zwart-witkwestie van probeert te maken’. Doré houdt bij hoog en bij laag vol dat ‘die twee mannen hun land zijn kwijtgeraakt om één reden: ze kunnen niet boeren.’

Het is onmogelijk om naar de verhalen van Lewis en van June en Angie Provost te luisteren zonder de echo’s te horen van het beleid en de praktijken die sinds de Burgeroorlog zijn ingezet om het raciale kastensysteem in stand te houden dat mede is ontstaan door de suikerslavernij. De diefstal van oogst, land en boerenerf, waarvan volgens hen sprake is, gaat terug tot het tijdperk van de New Deal, toen FSA-commissieleden uit de zuidelijke staten zwarte boeren overheidssteun onthielden.

‘June en ik hopen iets aan deze onderdrukkende mechanismen te kunnen veranderen voor toekomstige generaties,’ zegt Angie Provost tegen me op de dag dat een subcommissie van het congres hoorzittingen houdt over herstelbetalingen. ‘Tot op de dag van vandaag worden we geïntimideerd en tegengewerkt en wordt het ware DNA van ons verleden ontkend.’

Auteurs: Khalil Gibran Muhammad en Tiya Miles

The New York Times Magazine
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.160.000

Sinds 6 september 1896 de losse bijlage in de zondageditie van The New York Times. In de eerste uitgave werden voor het eerst in de geschiedenis van de krant foto’s afgedrukt, en nog altijd staat het tijdschrift bekend om zijn fotografie, met name op het gebied van mode en stijl.


Deel dit artikel


Recent verschenen