de tragische dood van blogger sophie hingst


Sophie Hingst was een veelbelovende jonge Duitse vrouw woonachtig in Dublin met een succesvol, prijswinnend blog. Maar een artikel uit Der Spiegel onthulde dat achter de talentvolle schrijver een tragisch verhaal schuilging van pathologische leugens en psychische ziekte.

Bijna zeven weken geleden ontmoette ik Sophie Hingst voor het eerst en voor het laatst, op een zoele zondagmiddag in Berlijn.

Terwijl ik stond te wachten op het station tegenover de Wannsee, dook ze opeens achter me op, als een kat. Ze groette niet en haar bruine ogen, uilachtig achter een grote ronde bril, ontweken mijn blik. Haar gezicht was rood en haar lange haar, van oorsprong bruin maar nu grijzend en vaal bij de wortels, zat strak naar achteren in een staart.

In zichzelf mompelend begon ze voor me uit te lopen. Ik volgde haar, probeerde wat over koetjes en kalfjes te praten en vroeg me af waar dit heen ging. Nu weet ik het eindelijk.
Drie uur hebben we die dag gezeten, gewandeld en gepraat. De 31-jarige vertelde me over haar kindertijd in Oost-Duitsland, haar studies in Berlijn, Lyon, Los Angeles en Dublin, en haar liefde voor literatuur – vooral voor de literaire grootmeester Heinrich von Kleist.
En ze legde uit hoe de week daarvoor het nieuwe thuis dat ze voor zichzelf in Ierland had opgebouwd, ondersteboven was gegooid door een artikel in het Duitse tijdschrift Der Spiegel.

‘Zo gaat het dus, als je levend wordt gevild,’ zei ze, terwijl we uit zaten te kijken over de kabbelende golven van rivier de Havel, die in de Wannsee uitstroomt. ‘Zo kan een tijdschrift iemand aan de schandpaal nagelen.’

Holocaustslachtoffers

Het echte verhaal is niet zo eenvoudig. Negen dagen eerder, op 31 mei, had ik vooraf bericht gekregen dat Der Spiegel de volgende dag een artikel zou brengen over een blogger met een doctoraat in de geschiedenis van Trinity College Dublin (TCD). Het blad beweerde dat Sophie 22 Holocaustslachtoffers had verzonnen, van wie velen familie van haar zouden zijn, en documenten ter herinnering aan hen had ingediend bij het Israëlische Holocaustmonument Yad Vashem.

Der Spiegel -journalist Martin Doerry, die ik ooit kort had ontmoet, vertelde me aan de telefoon over de weken werk die hij had besteed aan het uitpluizen van Sophies blog Read On, my Dear, Read On. In dat blog, grotendeels journalistiek met literaire ambities, schreef een figuur die Sophie ‘Fräulein Read On’ noemde, over haar leven in Ierland en in Duitsland, maar ook over haar Joodse identiteit en familie. Een geregeld terugkerende figuur was haar geliefde oma, overlevende van Auschwitz, die jaarlijkse bijeenkomsten hield voor de bejaarde overlevenden. Ze beschreef hoe haar grootouders elk jaar op 9 november de Kristallnacht herdachten – de door de nazi’s georganiseerde pogrom in 1938 tegen Joden. Dan zetten ze de klokken stil en zaten ze in de invallende duisternis, zo schreef ze, te wachten op familieleden die nooit terugkwamen.

Toen onderzoekers, en later lezers, haar aanspraken op aperte onjuistheden en twijfelachtige details in haar blog, wees Sophie hun vragen woedend van de hand, in één geval als ‘schandelijke laster’. Afgelopen december had een onderzoeker contact opgenomen met Der Spiegel en langzaam tekende zich een gecompliceerd verhaal af.

Vanaf september 2013 had Sophie naar het Israëlische Yad Vashem-monument 22 ‘getuigenisbladen’ gestuurd, meestal met de hand ingevuld, waarin mensen werden beschreven die in de Holocaust waren omgekomen. De meeste mensen op de formulieren hadden Joods klinkende namen: Cohen, Rosenwasser, Zilberlicht – maar van de meeste waren er geen gegevens waaruit bleek dat ze ooit hadden bestaan.

‘Het verzinnen van Holocaustslachtoffers is in wezen de spot drijven met al degenen die werkelijk door de nazi’s zijn gemarteld en vermoord’

Door de Yad Vashem-documenten te combineren met wat Sophie zelf in haar blog had geschreven, stelde Doerry haar omstreden en tegenstrijdige verhaal en gebrekkige familiestamboom samen. Zij beweerde dat veel familieleden van haar waren vermoord in Auschwitz en slechts een handjevol had overleefd, maar geen van hen werd vermeld in enig bevolkings- of Holocaustregister. En het handjevol dat nog leefde was niet joods, zoals zij beweerde, maar luthers.

‘Dit type bedrog is misschien niet per se een misdaad, maar het is toch schandelijk,’ schreef Doerry in Der Spiegel. ‘Het verzinnen van Holocaustslachtoffers is in wezen de spot drijven met al degenen die werkelijk door de nazi’s zijn gemarteld en vermoord.’

Dat was ook precies hoe Tomi Reichental het zag toen ik hem de dag voordat het verhaal in Der Spiegel verscheen, in Dublin belde om commentaar voor mijn eigen artikel. Reichental komt oorspronkelijk uit Tsjecho-Slowakije, overleefde het concentratiekamp Bergen-Belsen, maar is veel familieleden verloren. Hij heeft zijn latere jaren in zijn nieuwe vaderland gewijd aan het bezoeken van scholen, als levende getuige van de verschrikkingen van de Holocaust.
‘Mensen zoals ik zijn echt, maar dit schaadt ons,’ zei hij die vrijdagmiddag, de laatste dag van mei, tegen me, ‘omdat mensen onmiddellijk gaan denken: “Vertelt hij de waarheid?”’
Terwijl ik die middag aan mijn artikel werkte, zag ik dat het blog snel van het internet verdween. Ik sloeg op wat ik kon en stuurde Sophie een e-mail om haar commentaar te vragen. Haar online antwoord: ‘Ik ontken alle beschuldigingen van Der Spiegel en zal juridische informatie inwinnen over die kwestie.’

Laat op die avond besloot The Irish Times mijn stuk niet te plaatsen en ik stuurde haar opnieuw een e-mail met het voorstel om in plaats daarvan een afspraak te maken.
Ook al hielden wij het verhaal vast, het deed al snel de ronde in Dublin. De website van de Russische propagandazender RT (Russia Today) wijdde er een item aan en studentenpublicaties van TCD hadden het verhaal te pakken gekregen. Uiteindelijk vertaalde Der Spiegel het artikel in zijn geheel in het Engels en maakte het beschikbaar op zijn website.

© Yad Vashem / Unsplash
© Yad Vashem / Unsplash

Een paar dagen later zaten wij op een stoffige rivieroever en zei ze dat haar vertrouwde leven de afgelopen zes dagen in rook was opgegaan.

Met verwijtende blik daagde ze me uit om haar vragen te stellen. Maar ik zei niets, in de hoop dat mijn zwijgen haar aan het praten zou brengen.

Ze vertelde me over haar moeder, Rachel, een ‘gestoorde’ vrouw uit een Frans-Israëlische familie in de Languedoc, die voor Artsen zonder Grenzen werkte. Samen hadden ze de wereld over gereisd, tot Sophie zestien jaar was.

‘Toen vond ik mijn moeder in bad met een kogel in haar hoofd,’ zei de. ‘Mijn moeder heeft zich het leven benomen.’

Haar vader was hertrouwd, zei ze, en ze was opgegroeid bij haar oma van vaderskant, Helga Brandl. Zij was een lutherse tandarts, maar Sophie hield vol dat ze Auschwitz-overlevende was met een getatoeëerd nummer op haar arm.

Wat was het nummer, vroeg ik.

Ze aarzelde even voor ze antwoordde: 6140.

Onverwacht haalde ze een imitatieleren portefeuille uit haar zak, ritste die open en haalde er iets uit dat ze mij in de hand duwde. Ik vouwde een ster van gele stof open met ‘Jude’ in het midden: het soort gele ster dat alle Joden onder de Neurenberger wetten moesten dragen.
‘Deze ster en een kapotte bril waren het enige dat mijn oma nog bezat na Auschwitz,’ zei ze zacht. ‘Voel er maar aan en vraag me dan alsjeblieft nog eens of ik dingen verzin. Dat is wat je me aandoet, als je me dwingt dit te zeggen.’

Ik voelde hoe ze naar me keek en op een reactie wachtte. Ik dacht eerst aan de Holocaust, daarna aan eBay. Maar ik hield mijn uitdrukking neutraal terwijl ik de ster aan haar teruggaf.

‘Het was als een soort tv-serie waarin de schuldige partij de bewijzen tegen zich onder de neus gewreven krijgt’

Al snel vertelde ze over haar confrontatie met Doerry van Der Spiegel drie weken eerder. Ze hadden afgesproken in het Merrion-hotel in Dublin om te praten over een kunstboek dat ze had geschreven. Doerry had van tevoren laten weten dat hij haar vragen zou stellen over haar blog en haar Joodse familie, maar zij had nadrukkelijk gezegd dat ze dat niet wilde.

Tijdens hun gesprek had hij toch doorgezet, zei ze, en had hij haar vijf pagina’s gegeven met vragen over details en inconsequenties in haar blog. Na een uur was ze woedend uit het interview weggelopen.

‘Hij maakte er een soort detectiveverhaal van… het is zo sappig en hij doet het zo goed,’ zei ze tegen me. ‘Hij praatte tegen me als een premiejager, hij had helemaal geen vragen… hij wilde alleen maar een overzicht geven van zijn bevindingen. Het was als een soort tv-serie waarin de schuldige partij de bewijzen tegen zich onder de neus gewreven krijgt.

Ze beschreef hoe ze zich in de hoek gedreven voelde door Der Spiegel: gedwongen na dat artikel om te bewijzen dat ze een Duitse Jood was – van de derde generatie na Auschwitz – door met haar oma’s ster uit de nazitijd te komen.

Het volgende moment ontkende ze dat ze de Yad Vashem-documenten over haar omgekomen familieleden had ingediend, ook al waren die in haar handschrift ingevuld en had ze er beelden van op haar Twitterfeed gezet. Ze beweerde ook dat iemand zich voor haar uitgaf, dat ze een advocaat in de arm had genomen en een aanklacht bij de politie had ingediend.

Verwarde vrouw

Twee uur werd drie uur en ik merkte dat ik niet meer zozeer naar haar verhaal luisterde, maar meer naar haar lichaamstaal en andere signalen keek. Nu eens klonk ze als een speels meisje dan weer als een boze volwassene en vice versa, en tussendoor lachte ze zonder reden. Haar gezicht werd rood, daarna bleek. Haar handen fladderden als twee rusteloze vogels rond in haar schoot.

Aan het eind van onze wandeling wist ik niets meer te zeggen, en ik besefte dat ik me op onbekend terrein bevond. Dit was geen krantenartikel. Dit was een zeer verwarde vrouw die hulp nodig had – en in de wetenschap dat we nu snel uiteen zouden gaan was ik bang dat ik misschien wel de laatste was die haar in leven zou zien.

Bij het afscheid herhaalde ik een paar zinnen die een bevriende therapeut me had gegeven. Ik zei dat ik niet zeker wist wat er gebeurd was, wat het echte verhaal was, maar dat ik hoopte dat ze iemand had met wie ze hierover kon praten, en iemand bij wie ze vanavond kon zijn: een vriendin of haar familie. Ze zei dat ze die wel had en liep weg.

Later belde ik ik twee mensen op. Eerst Cornelia Hingst, die in het Duitse telefoonboek stond als tandarts in Wittenberg. Toen ik naar Rachel Hingst vroeg, Sophies Joodse moeder, zuchtte ze hoorbaar. Er was geen Rachel, zei ze. Zij, Cornelia, was Sophies echte moeder en niet, zoals Sophie zei, haar stiefmoeder.

‘Mijn dochter heeft veel realiteiten en ik heb maar tot één daarvan toegang,’ zei ze. Ze vertelde over de jarenlange worsteling van haar dochter met geestesziekte, de therapieën die ze telkens weer had geprobeerd en de nieuwe stabiliteit die ze in Ierland had gevonden.
Cornelia was bang dat de onthullingen slecht zouden vallen bij Sophies werkgever in Ierland, chipmaker Intel, en dat het verlies van haar baan Sophie nog verder uit haar evenwicht zou brengen. Ik drong er bij haar op aan dat ze contact opnam met haar dochter en haar in haar verwarde toestand niet alleen zou laten.

‘Dat arme meisje heeft hulp nodig. Als het in de krant kwam zou het alleen maar nog meer pijn veroorzaken’

Daarna belde ik rabbi Zalman Lent in Dublin. Hij had geruchten over het verhaal gehoord, maar zei dat hij Sophie nooit had ontmoet, en haar ook niet herkende van gebiedsdiensten.
‘Het is een kleine gemeenschap, dus ik zou haar wel kennen als ze hier was geweest,’ zei hij.
Mijn contact met Yad Vashem leverde een schriftelijke verklaring op waarin stond dat er bij het instituut in Jeruzalem 4,8 miljoen namen staan geregistreerd. Documenten zoals Sophie had ingediend ‘ondergaan een korte controleprocedure om basisgegevens na te trekken’, maar ‘die procedure is niet waterdicht en we zijn af en toe gewezen op onjuiste informatie.’

‘Wij gaan ervan uit dat de getuigenispagina’s te goeder trouw worden ingediend, en vragen om de handtekening van de indiener, die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de geleverde informatie,’ ging de verklaring verder. ‘De door Sophie Hingst ingediende formulieren zijn voor nader onderzoek overgedragen aan wetenschappers van Yad Vashem.’

Ik had me al tot twee vrienden gewend, een therapeut en een arts. Beiden waren er huiverig voor om op afstand een diagnose te stellen, maar ze zeiden allebei, onafhankelijk van elkaar, dat Sophie – op basis van haar verwarde verhaal maar ook van haar lichamelijke signalen – een psychische stoornis leek te hebben. Dat soort stoornissen waren uitstekend te behandelen, volgens de bevriende therapeut; hij zei ook dat het vaker voorkomt dat Duitsers beweren afkomstig te zijn uit een Joodse familie die onder de Holocaust heeft geleden. De drang om in deze context liever bij de slachtoffers te willen horen dan bij de daders had volgens hem vaak te maken met een ander trauma in iemands leven.

Vijf dagen na mijn ontmoeting met Sophie ging ik naar Hamburg voor een afspraak met Doerry, de schrijver van het artikel in Der Spiegel. Lopend van het station naar het glazen gebouw van het tijdschrift, belde ik Reichental nog een keer.

Ik beschreef hem de gejaagde vrouw die ik had ontmoet en vertelde over de kennelijke psychische problemen van Sophie. Met het oog hierop had ik besloten dat dit geen verhaal voor The Irish Times was. Kon hij zich daarin vinden?

‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Dat arme meisje heeft hulp nodig. Als het in de krant kwam zou het alleen maar nog meer pijn veroorzaken.’

Falsificaties

Een paar minuten later, onder het glazen dak van het café in het Hamburgse hoofdkwartier van Der Spiegel, legde Doerry uit waarom hij toch doorging met het verhaal.
Vorig jaar oktober had Doerry eenzelfde geval aan de hand gehad van een man die zich presenteerde als hoofd van een Joodse gemeenschap in de buurt van Hamburg, ondanks het feit dat hij Duits protestant was. Doerry is ook de kleinzoon van een Holocaustslachtoffer. En afgelopen december heeft Der Spiegel moeten erkennen dat een van zijn topjournalisten ‘op grote schaal artikelen had gefalsifieerd.’

In minstens veertien overtuigende artikelen had de 33-jarige Claas Reloitius personages, plaatsen en ontmoetingen gefingeerd. De volle omvang van het bedrog stortte het tijdschrift in een van de diepste crises uit zijn 72-jarige bestaan.

Doerry is historicus en voormalig adjunct-hoofdredacteur van het blad, en er was hem veel aan gelegen om Sophie te laten ophouden, omdat die steeds verder ging met haar leugens. Ze was uitgeroepen tot blogger van het jaar 2017 voor haar online werk en had in 2018 in Dublin een prijs voor beste jonge schrijver van The Financial Times aanvaard met een toespraak waarin ze over haar ‘Joodse’ familie sprak. Eerdere pogingen om haar aan de tand te voelen waren op niets uitgelopen. Dus de manier waarop hij haar in Dublin had benaderd was bedoeld om haar met de feiten te confronteren.

Cornelia, de moeder van Sophie Hingst, belde me een paar keer om te vertellen hoe het met haar dochter ging. Intel, haar Ierse werkgever was bereid geweest om haar in dienst te houden, op voorwaarde dat ze gesprekken aanging met een therapeut van het bedrijf. Haar dochter was gaan inzien dat ze hulp nodig had, zei ze, maar werd achtervolgd door haar reputatie online. Er was een Wikipedia-onderwerp op haar naam aangemaakt, waarin ze ‘blogger en bedrieger’ werd genoemd. Het artikel van Der Spiegel stond nog steeds online in het Duits en in het Engels, en die laatste versie was gratis beschikbaar.

In Wittenberg zei Cornelia dat ze zich verheugde op een nieuw leven na haar pensionering van de tandartsenpraktijk.

Vorige week belde Cornelia me, terwijl ze op vakantie was aan de Baltische kust, om te zeggen dat de politie contact met haar had opgenomen. Haar dochter was de dag daarvoor, woensdag 17 juli, dood aangetroffen in haar bed in Dublin. Cornelia nam meteen aan dat haar dochter zelfmoord had gepleegd. Dit is nog niet bevestigd door de lijkschouwing; volgens de politie zijn er geen aanwijzingen voor betrokkenheid van een derde partij.

Getroubleerde geest

Terwijl ik naar de stem van de moeder luisterde, die verstikt klonk van verwarring en verdriet, ging ik in gedachten terug naar de vrouw die ik zeven weken eerder had ontmoet: gejaagd en gekwetst, maar ook intelligent en zelfs humoristisch. Een getroebleerde geest en een getalenteerd schrijver, maar ook iemand die – weken van tevoren – Doerry had aangevallen omdat hij haar verzinsels over voorouders die Holocaust-overlevenden of -slachtoffers waren in twijfel trok.

Voor het artikel verscheen en onder druk van haar moeder, had Sophie Doerry gebeld om haar verontschuldigingen aan te bieden. Ze had toegegeven dat ze fouten had gemaakt, maar hield vol dat ze alleen maar herhaalde wat ze van haar moeder had gehoord. In Der Spiegel suggereerde Doerry dat ze nu ‘probeerde haar overleden protestantse oma tot zondebok te maken’.

Voor de publicatie van het artikel had Sophie een advocaat in de arm genomen; ze benadrukte dat haar schrijfsels literair van aard waren en een verklaring van dezelfde strekking verscheen op haar blog.

Achteraf gezien lijkt het erop dat beide kanten – de Hingsts en Doerry – vonden dat de andere kant zich agressief opstelde. Cornelia beschuldigt Doerry ervan dat hij de persoon achter de feiten over het hoofd heeft gezien.

Na haar dood gaf Doerry uitgebreid commentaar aan The Irish Times, maar hij wilde niet dat zijn opmerkingen werden gepubliceerd. In plaats daarvan dicteerde hij een eenregelige verklaring: ‘Der Spiegel geeft geen commentaar op het artikel en betreurt haar dood.’
In Duitsland kreeg de familie Hingst kritiek omdat ze niet de verantwoordelijkheid had genomen om in te grijpen en te voorkomen dat Sophie Holocaustleugens verspreidde of andere artikelen scheef waarin ze beweerde dat ze een kliniek voor seksuele voorlichting had gesticht in een sloppenwijk van New Delhi.

Cornelia houdt vol dat ze geen idee had hoe ver haar dochter was gegaan met haar bedrog, niet had geweten dat haar dochter die documenten bij Yad Vashem had ingediend of dat wat Sophie online schreef was doorgesijpeld naar haar dagelijks leven en haar publieke persoon.
‘Toen ik Sophie hier een keer naar vroeg, zei ze dat ze geen geheel was,’ vertelt Cornelia, ‘en dat ze uit heel veel stukken bestond.’

‘Hij leefde en zong en leed / in een vreugdeloze, zware tijd / hier zocht hij de dood / en vond onsterfelijkheid’

Cornelia en Doerry hadden allebei te maken met een complexe, verwarde persoon met veel gezichten die voor hen nooit tegelijk zichtbaar waren. Het tragische van dit verhaal is dat Sophie, de enige die haar motieven en haar stukken zou kunnen verklaren, nu dood is. Ze is op 31 juli begraven in haar geboortestad Wittenberg.

Cornelia heeft de manier waarop Intel met haar dochter is omgegaan ‘voorbeeldig’ genoemd, omdat het bedrijf haar in dienst hield en zorgde dat ze bij een therapeut in behandeling ging. ‘De Ieren zijn de enigen die ons hebben gesteund,’ zei ze.

Het bericht over Sophies dood was een grote schok voor haar vrienden en vroegere collega’s aan Trinity College en bij Intel. Vroegere TCD-collega’s treuren om een talentvolle en aardige persoon die vrijwilligerswerk deed voor het Ierse Rode Kruis.

Aan het begin van onze wandeling vorige maand wilde Sophie per se dat we naar een lommerrijke plek gingen waar het Duitse literaire genie Heinrich von Kleist in november 1811 eerst zijn vriendin en daarna zichzelf doodschoot, en waar zij beiden nu begraven liggen. De schrijver was pas vierendertig toen hij stierf. Sophie was drie jaar jonger.

De originele inscriptie, die door de nazi’s werd verwijderd omdat hij van een Joodse schrijver was, is gerestaureerd. Naast elkaar stonden we de tekst te lezen:

‘Hij leefde en zong en leed / in een vreugdeloze, zware tijd / hier zocht hij de dood / en vond onsterfelijkheid.’

Het grootste deel van wat Sophie heeft geschreven is met haar verdwenen blog verloren gegaan. Als ik onze e-mailcorrespondentie doorlees, zie ik een vrouw die van woorden hield – ook al lieten die haar greep op de realiteit soms in de steek.

‘Ik ben een beetje jaloers op alle mensen die wisten wat ze wilden doen, die wisten dat woorden hen toebehoren,’ schreef ze. ‘Ik ben altijd alleen maar een hebzuchtige dief, hongerig naar woorden. En zoals jij en de rest van de wereld kunnen zien, is het niet goed afgelopen.’

Auteur: Derek Scally
Vertaler: Annemie de Vries

Openingsbeeld: Sophie Hingst

The Irish Times
Ierland | dagblad | oplage 61.000

Gerenommeerde krant die in 1859 is opgericht door protestanten, maar onafhankelijk is in politiek en religieus opzicht. Staat bekend om de journalistieke kwaliteit, wint regelmatig prijzen. Vooral de zaterdagkrant is populair onder een breed publiek.


Deel dit artikel


Recent verschenen