Artsen in Congo voeren een gevaarlijke strijd tegen ebola. Terwijl het virus steeds beter te beteugelen is, ondervinden ze weerstand van de lokale bevolking. En die deinst nergens voor terug.
Keuze uit het archief
Er is sprake van een nieuwe uitbraak van het ebolavirus in de Democratische Republiek Congo. WHO-directeur Ghebreyesus maakte begin deze week melding van 220 doden, en dat aantal zal voorlopig blijven oplopen.
Het is tragisch dat de epidemie zo veel doden maakt, temeer omdat de medische teams worden tegengewerkt door de lokale bevolking. Dit zeven jaar oude artikel uit Der Spiegel laat zien dat artsen in Congo te kampen hebben met een virus dat nog gevaarlijker is dan ebola: oorlog, complottheorieën en wantrouwen in de overheid.
Op de laatste maandagochtend van februari, drie dagen voordat de strijd tegen ebola in oostelijk Congo in een regelrechte oorlog uitmondde, kijkt dr. Jean-Christophe Shako onder de verzengende zon in Katwa uit over de rokende puinhopen van de kliniek van Artsen zonder Grenzen, gelegen tussen eucalyptusbomen en maïsvelden. Shako, hoofd ebolabestrijding in de stad Butembo, is de wanhoop nabij. Op zijn gezicht is een mengeling van angst en vermoeidheid te lezen. ‘De mensen hier willen gewoon niet onder ogen zien dat deze ziekte bestaat,’ zegt hij zacht, met gefronste wenkbrauwen. ‘Ze denken dat we hen met het vaccin doden, dat deze medische posten moordcentra zijn. Dat de overheid hun stam, de Nande, wil uitroeien.’ In de nacht is een groep van zo’n dertig man uit het regenwoud gestormd die de AzG-kliniek met pijlen en bogen en machetes heeft aangevallen. De patiënten werden weggevoerd. De aanvallers lieten pamfletten achter met daarop de waarschuwing: ‘We hebben nog meer verrassingen in petto.’
Het behandelcentrum beslaat ongeveer één voetbalveld. Shako laat zijn blik over het verwoeste terrein gaan: zwartgeblakerde houten karkassen, vernielde generatoren, een uitgebrand autowrak. Drie dagen later ontvangt hij een whatsapp waarin staat dat hij als volgende aan de beurt is. Shako is een van de meest gerespecteerde epidemiologen van de Democratische Republiek Congo. Sinds augustus 2018 is hij door het ministerie van Gezondheid belast met de ebolabestrijding in de noordoostelijke provincie Noord-Kivu, het huidige epicentrum van de uitbraak. Onder zijn leiding proberen medewerkers van het ministerie van Gezondheid, de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) en Artsen zonder Grenzen de een-na-grootste ebola-uitbraak in de geschiedenis te bedwingen. Alleen in de periode tussen 2013 en 2016 telde West-Afrika meer ebolagevallen. Tot dusver hebben 980 mensen het virus opgelopen, van wie er 610 zijn gestorven. Voor niets. Want met moderne medicijnen is de ziekte prima te bestrijden.
In 2015, tegen het einde van de epidemie in West-Afrika, werd een nieuw vaccin geïntroduceerd, met goede resultaten. In het oosten van Congo wordt het effectief gebleken vaccin nu voor het eerst grootschalig ingezet. Tot nu toe zijn 87.390 mensen gevaccineerd. Door middel van ringvaccinatie zou de epidemie in een mum van tijd te beteugelen zijn, ware het niet dat de ebolateams op bijkomende problemen stuiten: de oorlog en onwetendheid.
Ebola-artsen en -verplegers dragen altijd beschermende kleding en handschoenen. Het virus is hoogst besmettelijk. Het wordt overgedragen via lichaamsvloeistoffen van een geïnfecteerde persoon. Zodra de eerste ziekteverschijnselen zich aandienen, kan het virus overspringen; meer dan de helft van de ebolapatiënten sterft een pijnlijke dood. Epidemieën, zoals ook hier weer blijkt, zijn geen natuurrampen. Ze zijn het resultaat van menselijk falen. En er zijn maar weinig plekken op de wereld waar zo overduidelijk wordt gefaald als in oostelijk Congo. De Grote Afrikaanse Oorlog, die in 1998 begon en zo’n drie miljoen slachtoffers maakte, is hier feitelijk nooit opgehouden. Al decennialang woedt hier een slepend conflict tussen de regering en verschillende rebellengroepen. Het is voor het eerst dat ebola in een conflictgebied als dit is uitgebroken, wat de bestrijding bemoeilijkt. Meer dan honderd milities die de lokale bevolking terroriseren, zich schuldig maken aan verkrachtingen en elkaar in de heuvels van Noord-Kivu naar het leven staan om goud, coltan, geld en macht, staan de uitroeiing van de ziekte in de weg.
Vanaf een houten vlonder die naar benzine ruikt, kijkt Shako naar de restanten van de opslagplaats van het vaccin die gisteravond volledig is verwoest. Zijn grootste vijand is niet langer het virus, zegt hij, maar ‘onwetendheid. De denkwereld hier wordt gegijzeld door zwarte magie, complottheorieën en politieke leiders die het virus voor hun eigen karretje spannen.’ De groep toeschouwers die de ravage vanachter de hekken om het terrein met voldoening bekijkt, wordt steeds groter. Shako moet terug naar het hoofdkwartier in Butembo om een ontmoeting met een aantal Mai-Mai-militieleiders voor te bereiden. ‘Ik moet mijn mensen beschermen,’ zegt hij. AzG-medewerkers in hun beschermende pakken en rubberlaarzen beginnen met de ontsmetting van de nog overeind staande gebouwen. De woede onder de omstanders neemt toe.
‘Ga maar weg!’ schreeuwt een vrouw, haar gezicht vertrokken van boosheid.
‘Ebola bestaat niet!’ roept een ander.
Gratia Kalungero, een keurig geklede jongeman in een strak shirt en een strakke blauwe broek, staat midden in de menigte. Kalungero, afgestudeerd psycholoog en risicovoorlichter van de WGO, is een van de mensen die Shako moet beschermen. Hij arriveert als eerste in de dorpen, vóór de ambulances die de dode lichamen komen ophalen, vóór de ontsmettings- en vaccinatieteams verschijnen, om de dorpelingen gunstig te stemmen. Om hun uit te leggen dat deze mensen in hun beschermende pakken het niet op hen hebben gemunt, dat ze hen juist komen redden. Het halve dorp lijkt zich bij de verwoeste kliniek te hebben verzameld; hij staat in een kring van vijftig mensen, misschien zelfs meer. ‘Jullie moeten de klinieken niet aanvallen,’ zegt Kalungero. ‘Dan zal het virus zich sneller verspreiden.’

‘Ga weg met je virus!’ schreeuwt een vrouw. ‘Je moet de zieken niet in huis houden,’ gaat Kalungero onverstoord verder. ‘Zo loop je zelf de ziekte op.’ Achter hem ligt de verlaten isoleerafdeling, waarvan de vloer is bezaaid met gebroken glas. Beschermende pakken hangen eenzaam aan kledinghaken. ‘Ze zijn ervan overtuigd dat dit een verzinsel is van de regering, om ze de mond te snoeren,’ vertelt Kalungero later. In december mochten inwoners van Beni en Butembo vanwege de ebola-uitbraak tijdens de presidentsverkiezingen niet stemmen.
Hierdoor escaleerde de situatie aanzienlijk. Complottheorieën staken de kop op. Volgens een schatting van het ministerie van Gezondheid gelooft zo’n dertig procent van de bevolking niet dat ebola bestaat. Sommigen geloven wel dat het bestaat, maar denken dat het wordt verspreid door de medische teams, om er zelf rijker van te worden. Anderen denken dat het een zwendelpraktijk is om aan organen te komen.
Kalungero sloft naar zijn auto. Hij is net als Shako afgemat; hij heeft maandenlang gewerkt en zijn eigen leven op het spel gezet. ‘De weerstand tegen onze teams groeit,’ zegt hij mismoedig. ‘Lyi mufano,’ wordt hem nageroepen. ‘Dit is een waarschuwing.’De volgende ochtend, even na tienen, vertrekt Shako naar een bijeenkomst van alle betrokken ngo’s. Het hoofdonderwerp van de vergadering is niet zozeer de drie nieuwe ebolagevallen van de dag ervoor of de agressieve ontvangst van twaalf vaccinatieteams, of het feit dat maar een klein aantal teams de klinieken kon verlaten, waarvan vier onder militaire escorte. Nee, de absolute topprioriteit in Shako’s ogen is dat het virus onder geen beding de overhand mag krijgen. ‘Als er geen risico bestaat dat je in mootjes wordt gehakt, stap dan uit je auto en doe je werk.

Vaccineer mensen. Probeer ze op alle mogelijke manieren te overtuigen. Praat met de dorpelingen. Praat met de priesters. Praat met iedereen.’
Het is een vicieuze cirkel. Hoe groter de weerstand, hoe meer teams voor hun veiligheid moeten vrezen. Maar hoe meer de operatie onder militair toezicht plaatsvindt, des te groter de angst en het verzet waar ze op stuiten. Shako is geen fan van de escortes. Maar hij wil ook de dood van zijn medewerkers niet op zijn geweten hebben. ‘Het is hier oorlog,’ zegt hij.
De volgende halte op de route is Vuhovi. Het dorp en de omgeving zijn bestempeld tot rode zone, een hoogrisicogebied. Veel mensen die in contact zijn geweest met de laatste ebolapatiënten konden hier niet worden gelokaliseerd – en dus ook niet gevaccineerd. ‘Als we deze mensen niet vinden,’ zegt Shako, ‘dan kan het virus zich verder verspreiden en delven wij het onderspit.’ Het probleem is alleen dat de kleine kliniek in Vuhovi op dit moment onbemand is. Het is er te gevaarlijk. Zes dagen ervoor heeft een groep rebellen duizend dollar van een van de verplegers geëist. Ze zeiden dat hij zich over hun ruggen verrijkte. Toen de man het geld niet kon ophoesten, sleurden ze hem naar buiten en hakten zijn hoofd af. Shako belegde onmiddellijk een ontmoeting met de acht Mai-Mai-leiders uit de regio. ‘Als ik met hen heb gesproken zal het verzet luwen,’ zegt hij met hese stem in de auto. De avond ervoor heeft hij, zoals gebruikelijk, met zijn vrouw in de hoofdstad Kinshasa gebeld, zo’n 1600 kilometer verderop. Soms wenste hij dat alles snel achter de rug was zodat hij gewoon weer met zijn kinderen naar de dierentuin kon.Het konvooi doorkruist Butembo. De stad, uitgestrekt over heuvels aan weerszijden van een brede asfaltweg, ligt gedeeltelijk in het oerwoud. In het gemeenschapscentrum in Vuhovi zit Shako niet veel later naast de acht militieleiders. Een van hen draagt een hoed van luipaardhuid, zoals dictator Mobutu ooit. Buiten, naast een vlaggenmast, laat de oude dorpsagent zijn trompetsignaal horen. Het allerbelangrijkste, heeft Shako zijn medewerkers vóór de ontmoeting voorgehouden, is respect. De Mai-Mai houden er niet van gecommandeerd te worden. ‘Dan worden ze agressief. Dan beginnen ze te moorden. Of worden we gekidnapt.’
In het centrum hebben zich zo’n zestig dorpelingen verzameld. Ze zitten op simpele houten bankjes en plastic stoelen. De epidemioloog richt zich tot de leiders. ‘Kunnen jullie niet uitleggen hoe gevaarlijk de ziekte is? Ik kan dat niet doen. Jullie hebben de macht hier.’ De mannen knikken. ‘In deze crisis zijn jullie wapens nutteloos. Ebola zal de situatie alleen maar verergeren,’ zegt Shako. Vervolgens nemen de militieleiders het woord. Een van hen zegt dat dokters zijn dorp hebben bezocht om te vertellen dat ebola niet bestaat. Deze dokters waren uit op wraak, ze waren jaloers op het loon van de ebolateams. Een ander beklaagt zich over de mensen zonder ebola die bij de klinieken worden gedropt. De man met de luipaardhoed oppert dat ze ebolapatiënten misschien beter kunnen laten sterven, dan zouden de dorpelingen eindelijk inzien dat de ziekte echt bestaat. Iedereen moet lachen.
Uiteindelijk vragen ze allemaal om geld, en banen voor hun mensen. Dan zullen ze de nieuwe ebolagevallen melden. Dan zullen ze de situatie onder controle krijgen. Shako belooft de week erna terug te komen. De Mai-Mai zullen hun mannen meebrengen. Hij wil bekijken hoe hij degenen die kunnen lezen en schrijven kan werven. ‘Ik ben ervan overtuigd dat deze bijeenkomst de situatie zal verbeteren,’ zegt hij op de terugweg. Maar hij heeft het mis. De dag erna ontmoet Kalungero veel tegenstand bij zijn bezoek aan een dorp waar een nieuwe eboladode valt te betreuren. Met moeite slaagt hij erin de woedende menigte na de aankomst van het ebolateam te kalmeren.
Shako betoont zich die middag in het Belgische hotel – zijn hoofdkwartier en tijdelijke verblijfplaats – nog altijd optimistisch. Maar om half zes klinken er in de verte doffe geweerschoten, eerst een paar, tot bij zonsondergang een spervuur losbarst. Niet veel later staat Shako voor de deur van zijn suite met drie mobiele telefoons in zijn hand. ‘Ik heb een gepantserde wagen nodig,’ blaft hij. Maar die is niet voorhanden. De chauffeur is zich aan het bezatten in een bar. ‘Ik kan niet langer wachten!’ roept hij. ‘Ik vertrek nu!’ Hij springt in een zilveren Land Cruiser, met aan elk oor een telefoon. Hij heeft de minister aan de lijn. De hele operatie staat op springen. De derde telefoon rinkelt. ‘Er wordt nog steeds geschoten. Ik ga er nu op af.’ Hij hangt op. De terreinwagen scheurt over de donkere, door eucalyptusbomen omzoomde weg. Niemand zegt een woord.Voor de AzG-kliniek staan donkerblauwe politiewagens geparkeerd. De agenten staan als verstijfd voor het gebouw. Zojuist is er achter het behandelcentrum een agent onthoofd. Niemand durft het verwoeste terrein te betreden uit angst voor besmetting. Shako loopt langs de mannen. De aanvallers zijn gevlogen, zegt iemand. Ze hebben niemand te pakken gekregen. Later zal blijken dat het merendeel van de agenten is gevlucht toen de aanval begon.

