Chriss Moss leerde zijn tijdelijke standplaats Buenos Aires het beste kennen door de gedichten van Jorge Luis Borges. Opgesloten in Engeland waant hij zich terug in het ‘zilveren avondlicht’ van de Argentijnse hoofdstad waarin de gewoonste straten er ‘levendig als een vers’ bij liggen.
De lockdown heeft in mij een nostalgisch verlangen gewekt, niet zozeer naar reizen, als wel naar plaatsen. Het is niet verrassend dat enkele van mijn dierbaarste herinneringen verbonden zijn aan de wereldhoofdstad van het achteromkijken: Buenos Aires. De redenen daarvoor zijn talrijk en complex. Porteños (inwoners van Buenos Aires) staan erom bekend dat ze ver terugkijken, naar het Spanje of Italië van hun voorouders en dat ze de korte belle époque aan het begin van de twintigste eeuw, toen Argentinië rijk en veelbelovend was, romantiseren. Tango is een en al verlangen naar het gemiste en het onbereikbare.
Ik heb er tien jaar gewoond en ben er in de twee decennia daarna elk jaar terug geweest. Hierdoor heeft mijn nostalgie verschillende lagen, maar het meest mis ik toch het wandelen, het ronddolen door de Argentijnse hoofdstad. Nu ik opgesloten zit in mijn semi-landelijke Engelse huis, verlang ik naar mensen en beweging en verdwalen in de menigte.
Labyrint
Ik had me ten doel gesteld om door elke straat van Buenos Aires te lopen. Dat is een onzinnige queeste. Volgens een plaatselijke schrijver zijn er 2154 straten, die samen duizenden kilometers lang moeten zijn. Maar voor een buitenlander is wandelen de vredigste manier om je een stad eigen te maken. Veroveren door te verkennen. Toen ik voor het eerst een Lumi-gids kocht, een kaartenboek van de hoofdstad, viel me op hoe regelmatig het stratenplan was en hoe enorm uitgestrekt. Anders dan de steden in Engeland met hun middeleeuwse stadsplattegronden, hun bochten en dood-lopende straatjes, ontvouwde Buenos Aires zich als een labyrint.
Maar terwijl ik steeds verder van het centrum zwierf – over Avenida Rivadavia, die met zijn 35 kilometer de langste straat van de stad is, noordwaarts de arbeiderswijk Saavedra in en naar El Sur, de zuidkant van Buenos Aires, bekend om zijn tangolegendes maar ook een beetje onaf en armoedig – begon ik toch te twijfelen aan het cliché dat dit de ‘meest Europese’ stad van Zuid-Amerika is. Ik zag een zeer Latijns-Amerikaanse werkelijkheid: lage, functionele huizenrijen, sloppenwijken en overal bovenuit torenende flatgebouwen. Toch zat er een zekere betovering in het naast elkaar bestaan van oud en nieuw, gepolijst en kapot, mooi en lelijk.
Toeristische gidsen waren te prozaïsch. Ik had iemand nodig die hier geboren was om de metropool te ontraadselen. Die vond ik in een schrijver die buiten Argentinië bekendstaat als de meester van raadsels en geheimzinnigheid.
Ik maakte als tiener kennis met Jorge Luis Borges in El libro de los seres imaginarios (Het boek van de denkbeeldige wezens). In Buenos Aires viel zijn naam voortdurend, en niet alleen in literaire kringen. Zijn verzamelde werken in hun mooie, sobere boekom-slagen van uitgeverij Emecé waren prominent vertegenwoordigd op de planken met Argentijnse literatuur in de boekwinkels van de stad. Foto’s van hem verschenen vaak in de kranten. Een naar hem vernoemde kunstinstelling zit enigszins misplaatst weggestopt in een winkelcentrum in de binnenstad.
Poëzie
Borges is het bekendst om zijn bundel Ficciones (Fantastische verhalen), maar het waren zijn gedichten die me tijdens het wandelen de ogen openden. Op het simpelste niveau hielpen ze me om de gebouwde omgeving te ontcijferen. ‘De straten’, het openingsgedicht in zijn eerste bundel uit 1923, Fervor de Buenos Aires (Vurig Buenos Aires) begint met: ‘Mijn ziel ligt in de straten / van Buenos Aires’. Het gedicht beschrijft dat hij zich niet identificeert met het centrum van de stad, maar met de ‘buurtstraten waar niets gebeurt’.
Hij gebruikt uit het Arabisch afgeleide woorden die een beeld van Andalusië oproepen. Via Borges zag ik een oude wereld in de nieuwe wereld. In een gedicht met de titel ‘Un patio’ (‘Een binnenplaats’ wordt een eenvoudige binnenplaats een ‘ingebedde hemel … een helling / waarlangs de hemel uitvloeit in het huis’. Borges was een serieus flaneur, die lange wandelingen maakte, als een moderne psychogeograaf. Hij ziet ‘de vale huizen, de ruwe trapleuningen, de deurkloppers’ van toeristenvrije buitenwijken als Caballito, Pompeya en Villa Ortúzar, maar vindt die in het zilveren avondlicht ‘sprankelen als een vers’. De gewoonste straten zijn even diepzinnig en rijk als poëzie.
De titel van Borges’ tweede poëziebundel, Luna de enfrente (Maan aan de overkant), uit 1925, beschrijft hoe Buenos Aires zich naar het westen uitstrekte, weg van de monding van de Rio de la Plata. Als je naar de rand van het bebouwde gebied liep, zou je uiteindelijk bij een straat komen die uitkeek over de pampa’s. In zijn volgende bundel, uit 1929, eindigt zijn prachtige en veelgeciteerde gedicht ‘Mythische stichting van Buenos Aires’ zo:
Sigaren hulden de woestijn in rozengeur
en de avond was verzonken in voorbije tijden,
de mannen deelden een denkbeeldige grandeur
Eén ding was er nog niet: een stoep aan de overzijde
Dat Buenos Aires een oorsprong heeft is een gerucht
ze is even tijdloos als het water en de lucht
Borges maakt de vijfhonderd jaar oude stad mysterieus en betoverend als een oeroude archeologische vindplaats
Zoals veel stadbewoners betreurt Borges het voorbijgaan van wat ooit was: ‘Ons beeld van de stad is altijd enigszins gedateerd. Cafés zijn verworden tot bars; oude gebroken portieken met hun smeedijzeren binnenhekken, die ons ooit een glimp toonden van patio’s en overhangende druivenranken, zijn nu groezelige gangen… die regelrecht naar een lift leiden.’
Balsem voor de ziel
Op mijn zwerftochten keek ik altijd uit naar het oude, het laag-bij-de-grondse, de vergane glorie. Deze hunkering naar het pittoreske kwam deels doordat ik buitenlander was, maar maakte ook van mij na verloop van tijd een beetje een porteño – geneigd om het verbeelde of werkelijke verleden te idealiseren.
Net als Borges’ verhalen zit ook zijn poëzie boordevol klassieke verwijzingen en bespiegelingen. Door Buenos Aires te behandelen als palimpsest en puzzel, verandert hij een wandeling in een speurtocht en maakt hij de vijfhonderd jaar oude stad mysterieus en betoverend als een oeroude archeologische vindplaats.
Door een grote stad wandelen kan balsem voor de ziel zijn: je kunt je er op verschillende niveaus mee verbinden, het vertrouwde herontdekken, en jezelf. In een van zijn korte essays over de negentiende-eeuwse dichter Evaristo Carriego (1930) schrijft Borges: ‘Buenos Aires is diep, en nooit heb ik mezelf gedesillusioneerd of ongelukkig aan de straten overgegeven zonder een onverwachte troost te ontvangen, of dat nu door het gevoel van onwerkelijkheid kwam, door gitaren van achterin een patio of door contact met andere levens.’
Buenos Aires verklaarde de gedichten, die op hun beurt de stad verklaarden. Nu, met een aantal jaren en een oceaan tussen ons in, kan ik in de vreemde, nieuwe nostalgie die het coronavirus ons oplegt, gedichten herlezen en de stad met haar lagen van tijd en herinnering oproepen. Reizen als lezen, wandelen als woorden.
Chriss Moss
De vertaling van ‘Un patio‘ en ‘Fundación mítica de Buenos Aires’ zijn afkomstig uit J.L. Borges, Alle gedichten, De Bezige Bij, 2011. Vert. Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 134.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Abonneer!
Maak gebruik van onze tijdelijke aanbieding

