In het Midden-Oosten en Noord-Afrika is twee derde van de bevolking jonger dan 35 jaar – een enorm potentieel dat nog altijd stuit op massale werkloosheid en een gebrek aan structurele hervormingen. In sommige landen is de situatie sinds de Arabische Lente zelfs verslechterd, omdat regeringen er niet in zijn geslaagd om van die jonge bevolking een drijvende kracht achter economische groei te maken, schrijft Arab Digest.
De immer groeiende jeugd in het Midden-Oosten en Noord-Afrika staat op het punt het gezicht van de Arabische wereld ingrijpend te veranderen. Inmiddels is 66 procent van de bevolking er jonger dan 35 jaar, en in sommige landen is dat nog zichtbaarder: in Jemen is 67 procent jonger dan 29, en in Irak en de Maghreb – met uitzondering van Tunesië – is respectievelijk 60 procent en bijna de helft jonger dan 25.
Voor de meeste landen in de regio, met uitzondering van de Golfstaten, vormt dat een enorme uitdaging: ze moeten hun onderwijs, zorg, infrastructuur en arbeidsmarkt daarop afstemmen. Toch is die opgave niet onoverkomelijk, mits middelen beter worden ingezet, hervormingen worden doorgevoerd en de economische en politieke omstandigheden verbeteren.
Tikkende tijdbom
Ondanks dalende geboortecijfers zal de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-Afrika) in 2035 naar verwachting zo’n honderd miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar tellen. Zoals UNICEF in 2019 al met enig optimisme opmerkte: ‘De regio zal haar gunstigste periode kennen tussen 2018 en 2040, wanneer de demografische afhankelijkheidsratio – de verhouding tussen mensen buiten en binnen de arbeidsleeftijd – haar laagste punt bereikt.’ Maar hoewel het aantal jongeren in de arbeidsleeftijd toeneemt, wachten veel landen nog altijd op die ‘gunstige periode’.
De jeugdwerkloosheid, de hoogste ter wereld, blijft een groot probleem: volgens de Internationale Arbeidsorganisatie zit 25,4 procent van de jongeren in de Arabische wereld zonder werk, tegenover 13,3 procent wereldwijd. Tenzij er massaal banen bijkomen, dreigt de situatie een tikkende tijdbom te worden. Volgens de Wereldbank zijn er tegen 2050 meer dan driehonderd miljoen extra banen nodig om de huidige, toch al lage werkgelegenheid op peil te houden.
De Arabische landen zijn zich terdege bewust van de situatie en het schreeuwende tekort aan banen, dat zo’n vijftien jaar geleden mede leidde tot de Arabische Lente. Maar in plaats van tegemoet te komen aan de eisen van jongeren, en de voorwaarden te scheppen om hen een eigen inkomen te laten verdienen, zijn regeringen blijven vasthouden aan dezelfde beleidslijnen die deze opstand juist veroorzaakten.
De oligopolie heeft zich in veel landen nog verder verstevigd en elites zijn rijker geworden, waardoor de ongelijkheid verder is toegenomen. In landen als Egypte heeft het militair-industrieel complex de afgelopen tien jaar zijn invloed uitgebreid en speelt het een steeds grotere rol in de nationale economie, ten koste van de private sector. Die achteruitgang blijkt ook uit de cijfers: de MENA-regio is tegenwoordig de enige ter wereld waar de armoede is toegenomen – van 12,3 procent in 2010 naar 18,1 procent in 2023. De coronapandemie heeft die ontwikkeling nog verder versterkt.
Instabiliteit
Maar op langere termijn zijn deze problemen vooral het gevolg van de aanhoudende conflicten en de regionale instabiliteit, die de ontwikkeling van de Arabische wereld al decennialang afremmen en de frustratie onder jongeren verder aanwakkeren.
In Syrië verwachten de Verenigde Naties bijvoorbeeld dat de economie bij het huidige groeitempo pas rond 2080 terug zal zijn op het niveau van vóór de oorlog. Ook Jemen, Soedan en Libië worden zwaar getroffen door oorlog en conflicten: 50,6 procent van de Libische jongeren en 32,2 procent van de Jemenitische jongeren is werkloos. Om niet te spreken van de door oorlog verwoeste Gazastrook, waar de werkloosheid extreme niveaus heeft bereikt. In Libanon is de armoede gestegen van 40 procent vóór 2019 tot de huidige 70 procent, door de gevolgen van de oorlog in Syrië, de financiële crisis van 2019 en het conflict met Israël. De jeugdwerkloosheid ligt er inmiddels rond de 23 procent.
Het beleid van de landen in de regio heeft vaak niet de voorwaarden kunnen scheppen voor fatsoenlijk werk en economische ontwikkeling. De conflicten in de Arabische wereld hebben daarnaast miljoenen mensen op de vlucht gejaagd, zowel in eigen land als naar het buitenland, en zo bijgedragen aan de vluchtelingencrisis die begon met de oorlog in Syrië. Dat heeft op zijn beurt geleid tot een verharding van het Europese migratiebeleid en een groeiende vijandigheid tegenover migranten in de Verenigde Staten – een houding die inmiddels ook zichtbaar is in de Golfstaten, ooit een toevluchtsoord voor werkzoekende jongeren uit de MENA-regio.
Perspectief
Door het gebrek aan uitwegen staat de regio voor de enorme opgave om jongeren perspectief te bieden. Volgens de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties moet de MENA-regio nog veel obstakels overwinnen om te kunnen profiteren van haar demografische voordeel. Vooral het gebrek aan vooruitgang in het onderwijs baart zorgen. Volgens de Economische en Sociale Commissie voor West-Azië gaan nog altijd zo’n vijftien miljoen kinderen en jongeren niet naar school. Hoewel de deelname aan voorschoolse educatie is gestegen van 15 procent in 2002 naar 28 procent in 2020, blijft dat ver onder het wereldwijde gemiddelde van 61 procent.
Het Midden-Oosten en Noord-Afrika – en vooral de jongeren in die regio – staan voor ingrijpende veranderingen, die nog verder kunnen worden versterkt door klimaatverandering, de achteruitgang van het milieu en watertekorten.

