Onderwerpen: Sociologie

  • Ongelijkheid, conflicten, werkloosheid: de verspilde kansen van de Arabische jeugd

    Ongelijkheid, conflicten, werkloosheid: de verspilde kansen van de Arabische jeugd

    In het Midden-Oosten en Noord-Afrika is twee derde van de bevolking jonger dan 35 jaar – een enorm potentieel dat nog altijd stuit op massale werkloosheid en een gebrek aan structurele hervormingen. In sommige landen is de situatie sinds de Arabische Lente zelfs verslechterd, omdat regeringen er niet in zijn geslaagd om van die jonge bevolking een drijvende kracht achter economische groei te maken, schrijft Arab Digest.

    De immer groeiende jeugd in het Midden-Oosten en Noord-Afrika staat op het punt het gezicht van de Arabische wereld ingrijpend te veranderen. Inmiddels is 66 procent van de bevolking er jonger dan 35 jaar, en in sommige landen is dat nog zichtbaarder: in Jemen is 67 procent jonger dan 29, en in Irak en de Maghreb – met uitzondering van Tunesië – is respectievelijk 60 procent en bijna de helft jonger dan 25.

    Voor de meeste landen in de regio, met uitzondering van de Golfstaten, vormt dat een enorme uitdaging: ze moeten hun onderwijs, zorg, infrastructuur en arbeidsmarkt daarop afstemmen. Toch is die opgave niet onoverkomelijk, mits middelen beter worden ingezet, hervormingen worden doorgevoerd en de economische en politieke omstandigheden verbeteren.

    Tikkende tijdbom

    Ondanks dalende geboortecijfers zal de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-Afrika) in 2035 naar verwachting zo’n honderd miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar tellen. Zoals UNICEF in 2019 al met enig optimisme opmerkte: ‘De regio zal haar gunstigste periode kennen tussen 2018 en 2040, wanneer de demografische afhankelijkheidsratio – de verhouding tussen mensen buiten en binnen de arbeidsleeftijd – haar laagste punt bereikt.’ Maar hoewel het aantal jongeren in de arbeidsleeftijd toeneemt, wachten veel landen nog altijd op die ‘gunstige periode’.

    De jeugdwerkloosheid, de hoogste ter wereld, blijft een groot probleem: volgens de Internationale Arbeidsorganisatie zit 25,4 procent van de jongeren in de Arabische wereld zonder werk, tegenover 13,3 procent wereldwijd. Tenzij er massaal banen bijkomen, dreigt de situatie een tikkende tijdbom te worden. Volgens de Wereldbank zijn er tegen 2050 meer dan driehonderd miljoen extra banen nodig om de huidige, toch al lage werkgelegenheid op peil te houden.

    De Arabische landen zijn zich terdege bewust van de situatie en het schreeuwende tekort aan banen, dat zo’n vijftien jaar geleden mede leidde tot de Arabische Lente. Maar in plaats van tegemoet te komen aan de eisen van jongeren, en de voorwaarden te scheppen om hen een eigen inkomen te laten verdienen, zijn regeringen blijven vasthouden aan dezelfde beleidslijnen die deze opstand juist veroorzaakten.

    De oligopolie heeft zich in veel landen nog verder verstevigd en elites zijn rijker geworden, waardoor de ongelijkheid verder is toegenomen. In landen als Egypte heeft het militair-industrieel complex de afgelopen tien jaar zijn invloed uitgebreid en speelt het een steeds grotere rol in de nationale economie, ten koste van de private sector. Die achteruitgang blijkt ook uit de cijfers: de MENA-regio is tegenwoordig de enige ter wereld waar de armoede is toegenomen – van 12,3 procent in 2010 naar 18,1 procent in 2023. De coronapandemie heeft die ontwikkeling nog verder versterkt.

    Instabiliteit

    Maar op langere termijn zijn deze problemen vooral het gevolg van de aanhoudende conflicten en de regionale instabiliteit, die de ontwikkeling van de Arabische wereld al decennialang afremmen en de frustratie onder jongeren verder aanwakkeren. 

    In Syrië verwachten de Verenigde Naties bijvoorbeeld dat de economie bij het huidige groeitempo pas rond 2080 terug zal zijn op het niveau van vóór de oorlog. Ook Jemen, Soedan en Libië worden zwaar getroffen door oorlog en conflicten: 50,6 procent van de Libische jongeren en 32,2 procent van de Jemenitische jongeren is werkloos. Om niet te spreken van de door oorlog verwoeste Gazastrook, waar de werkloosheid extreme niveaus heeft bereikt. In Libanon is de armoede gestegen van 40 procent vóór 2019 tot de huidige 70 procent, door de gevolgen van de oorlog in Syrië, de financiële crisis van 2019 en het conflict met Israël. De jeugdwerkloosheid ligt er inmiddels rond de 23 procent.

    Het beleid van de landen in de regio heeft vaak niet de voorwaarden kunnen scheppen voor fatsoenlijk werk en economische ontwikkeling. De conflicten in de Arabische wereld hebben daarnaast miljoenen mensen op de vlucht gejaagd, zowel in eigen land als naar het buitenland, en zo bijgedragen aan de vluchtelingencrisis die begon met de oorlog in Syrië. Dat heeft op zijn beurt geleid tot een verharding van het Europese migratiebeleid en een groeiende vijandigheid tegenover migranten in de Verenigde Staten – een houding die inmiddels ook zichtbaar is in de Golfstaten, ooit een toevluchtsoord voor werkzoekende jongeren uit de MENA-regio.

    Perspectief

    Door het gebrek aan uitwegen staat de regio voor de enorme opgave om jongeren perspectief te bieden. Volgens de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties moet de MENA-regio nog veel obstakels overwinnen om te kunnen profiteren van haar demografische voordeel. Vooral het gebrek aan vooruitgang in het onderwijs baart zorgen. Volgens de Economische en Sociale Commissie voor West-Azië gaan nog altijd zo’n vijftien miljoen kinderen en jongeren niet naar school. Hoewel de deelname aan voorschoolse educatie is gestegen van 15 procent in 2002 naar 28 procent in 2020, blijft dat ver onder het wereldwijde gemiddelde van 61 procent.

    Het Midden-Oosten en Noord-Afrika – en vooral de jongeren in die regio – staan voor ingrijpende veranderingen, die nog verder kunnen worden versterkt door klimaatverandering, de achteruitgang van het milieu en watertekorten.

  • Vooroordelen tegen linkshandigen zijn in onze taal ingebakken

    Vooroordelen tegen linkshandigen zijn in onze taal ingebakken

    Hoewel kinderen niet meer worden gedwongen met hun rechterhand te schrijven, doen de meeste talen linkshandigen nog steeds tekort.

    Historisch gezien is de mensheid niet bepaald vriendelijk geweest tegen mensen die als afwijkend worden gezien, zeker als die afwijkingen duidelijk zichtbaar zijn. Hoewel ze lang niet  zoveel discriminatie ervaren als andere bevolkingsgroepen, zijn linkshandigen in veel culturen buitengesloten en werden ze soms gedwongen hun aard te veranderen.

    Hoewel handvoorkeur tegenwoordig een van de minst gestigmatiseerde menselijke eigenschappen is, is het historische vooroordeel tegen links en de linkerhand in veel talen blijven voortbestaan, in de vorm van woorden en uitdrukkingen. Het is bewezen dat taal beïnvloedt hoe we de wereld zien, dus het is veelzeggend dat dit vooroordeel zo diep in onze talen verankerd zit. 

    Er zijn verschillende verklaringen voor waarom handvoorkeur er zo veel toe doet, maar de meeste herleiden het tot de dominantie van rechtshandigen. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer tien procent van de bevolking linkshandig is, al maken traditionele vooroordelen het lastig om dit met zekerheid vast te stellen. Zelfs als we uitgaan van hogere schattingen (tot 18 procent), blijft duidelijk dat rechtshandigen sterk in de meerderheid zijn – en de wereld dus grotendeels naar hun hand hebben gezet.

    Het is bewezen dat taal beïnvloedt hoe we de wereld zien, dus het is veelzeggend dat dit vooroordeel zo diep in onze talen verankerd zit

    Daaruit volgt dat de meeste mensen hun rechterhand gebruiken om te eten, te schrijven en elkaar te begroeten. De linkerhand, daarentegen, wordt vooral voor minder bekoorlijke taken gebruikt. Linkshandigen worden vaak als onhandig gezien, enkel omdat veel onderdelen van onze wereld (zoals deurknoppen, schriften, et cetera) niet voor hen zijn ontworpen. 

    Een ander element dat bijdraagt aan het vooroordeel tegen linkshandigen  – met name in christelijke contexten – is de religieuze neiging om het kwade  aan links en het goede aan rechts te verbinden. Eva wordt aan Adams linkerkant afgebeeld en krijgt de schuld van de erfzonde. Lucifer bevindt zich aan Gods linkerkant voordat hij valt, terwijl aan de rechterzijde Jezus of de aartsengelen worden geplaatst, afhankelijk van de compositie.

    Zo staat er ook in het Evangelie volgens Mattheüs dat de geiten, die links zijn ingedeeld, naar de hel gaan, terwijl de schapen aan de rechterkant naar de hemel gaan. 

    Hoewel er ook culturen hebben bestaan met een tegenovergestelde opvatting, heeft een combinatie van biologische en culturele factoren rechtshandigheid zeker een beter imago gegeven.  Aangezien deze mentaliteit zo lang heeft voortbestaan, is het logisch dat het ook onze taal heeft beïnvloed. 

    Het recht van rechts

    In het Engels zien we dit terug in de vele betekenissen van de woorden voor ‘rechts’ en ‘links’. Naast de eenvoudige richting kan right als bijvoeglijk naamwoord ‘goed’, ‘correct’ en ‘verkieslijk’ betekenen. Als zelfstandig naamwoord wijst het op macht, privilege of rechtmatig eigendom. Het komt ook veel voor in juridische contexten, zoals inalienable rights [onvervreemdbare rechten] of in de zoektocht om wandaden goed te maken (to right the wrongs). [Hoewel in het Engels de woorden voor ‘rechts’ en bepaalde vertalingen van ‘recht’ samenvallen, verschillen deze woorden in het Nederlands slechts één letter. Ze zijn wel etymologisch aan elkaar verwant: volgens Van Dale komt het Nederlandse woord ‘rechts’ van het woord ‘recht’, niet andersom.]

    Opvallend genoeg heeft het Engelse left meerdere betekenissen, maar zijn weinig daarvan het tegenovergestelde van right. Zo kan iets left behind [achtergelaten] zijn, of kan er maar een ding left [over] zijn.

    Linguïstisch gezien heeft het woord right veel positieve connotaties, terwijl het woord left vooral wordt gedefinieerd als een gebrek aan substantie. Etymologisch gezien stamt right van het Oud-Engelse riht, dat ‘goed’ en ‘juist’ betekent. Het woord left, daarentegen, blijkt van oud-Nederlandse en Germaanse woorden af te stammen die ‘zwak’ betekenen. [Het Nederlandse woord ‘links’ komt van het Middelhoogduitse gelenke, dat ‘buigzaam’ betekent, als tegengestelde van ‘rechts’, dat van het Griekse orektos (‘gestrekt’) afstamt.]

    Oude talen lijken niet zo’n groot vooroordeel te hebben gekoesterd als moderne, hoewel hun woorden in de loop van de tijd in positieve en negatieve richtingen zijn verbogen. Het extreemste geval hiervan is op te merken in het Latijn: daar betekent ‘rechts’ dexter (denk ‘dextreus’) en ‘links’ is sinister. Het is opmerkelijk dat hoewel er over de oorsprong van het woord ‘sinister’ wordt getwist, het waarschijnlijk niet werd geassocieerd met het kwaad toen het voor het eerst in omloop kwam. 

    Vergelijking

    Als we de bekendste oude talen vergelijken, kunnen we zien dat links en rechts vaak berustten op andere richtingen of op het feit dat de meeste mensen vaardiger zijn met hun rechterhand dan met hun linker.

    Linkshandigheid in taal 1
    Screenshot

    Grieks en Latijn leken beiden af en toe van mening te veranderen over links, wat de zoektocht naar een duidelijke betekenis moeilijker maakt. Maar in moderne talen lijkt de negatieve perceptie van de linkerkant zich veel dieper in de taal te wortelen.

    De volgende tabel geeft de tien meest gesproken talen in de wereld weer (exclusief Engels), met de woorden voor links en rechts en hun geassocieerde betekenis. 

    Linkshandigheid in taal 2
    Screenshot

    Ondanks het feit dat deze talen uit drastisch verschillende culturen en alfabetten afkomstig zijn, bestaan er duidelijke karakteristieke patronen. De rechterkant wordt geassocieerd met het rechte, correcte en wetmatige en de linkerkant wordt gezien als fysiek incapabel of incorrect. In het Arabisch en het Hindi suggereren de connecties met ‘gemak’ dat een taak makkelijk moet zijn om het door de linkerhand te laten doen. 

    Left-footers en left-leggers

    Naast individuele woorden dragen ook spreekwoorden bij aan het negatieve beeld van linkshandigheid. Zo heeft een onhandig persoon ‘twee linkervoeten’ en als je in het Engels in het nadeel verkeert, vecht je ‘met de linkerhand’. Een ongewenst onderwerp ‘laat je links liggen’. Dat perspectief komt ook terug in Engelse bijnamen voor linkshandigen zoals mollydooker, goofy hander, cack-handed, en wrongpaw. Deze impliceren bijna allemaal onhandigheid of zwakte. 

    Lokale idiomen en gewoontes benadrukken de morele implicaties. Zo gaat ‘met het verkeerde (of linker-)been uit bed stappen’ gepaard met een slechte dag. Als je pech wil vermijden gooi je zout over je linkerschouder, specifiek omdat de duivel zich daar zou bevinden. Wanneer in tekenfilms een engel en een duivel op iemands schouders verschijnen, zit de engel vaak rechts en de duivel links. 

    Ironisch genoeg kan dit vooroordeel op verschillende, zelfs tegenstrijdige manieren worden ingezet, zolang de boodschap maar negatief blijft. Hoewel de term ‘left-footer’ [linkervoet] in Noord-Ierland een scheldwoord is voor katholieken (met betwiste oorsprong), worden protestanten weer uitgemaakt voor ‘left-legger’ [linkerbeen] (vermoedelijk vanwege de manier waarop ze knielen tijdens een kerkdienst). 

    Deze gezegdes hebben ook te maken met onze relaties tot anderen. Terwijl een geëerde bondgenoot misschien een ‘rechterhand’ wordt genoemd, kan het een belediging zijn om iemand aan de linkerhand van een machtig persoon te plaatsen. Zo beschrijven sommige culturen nepproducten als ‘linkshandig’ en een persoon wordt ook zo genoemd als deze inherent onbetrouwbaar is. 

    Wanneer in tekenfilms een engel en een duivel op iemands schouders verschijnen, zit de engel vaak rechts en de duivel links

    Historisch bestond er zelfs het begrip ‘huwelijk met de linkerhand’. Dit heet officieel een morganatisch huwelijk, en het betreft een lid van de adel of een koningshuis dat trouwt met iemand van drastisch lagere status. Hoewel het huwelijk wettig was, hadden partner en kinderen doorgaans geen recht op titels of erfenissen. Vandaag de dag wordt de term soms nog figuurlijk gebruikt. 

    Het enige moderne gebruik van ‘links’ en ‘rechts’ dat niet direct met handvoorkeur te maken heeft, is wellicht het politieke onderscheid tussen rechts (conservatief) en links (progressief). Die terminologie vindt zijn oorsprong in de placering van de Franse Nationale Vergadering van 1789, waar revolutionairen links en royalisten rechts zaten. Maar aangezien de revolutionairen doorgaans burgers waren en de royalisten aristocraten, is het goed mogelijk dat dit destijds ook een denigrerende ondertoon had.

    Of je een horrorverhaal nu sinister noemt, je rechterhand ophemelt of nota bene ambidextrie bespreekt, je verlaat je onbewust op duizenden jaren oude geloven over de waarden van links- en rechtshandige dominantie. Alleen door dit linguïstische  vooroordeel te identificeren en te erkennen, kunnen we het achter ons laten. 

  • Het tegenovergestelde van het tegenovergestelde van eenzaamheid

    Het tegenovergestelde van het tegenovergestelde van eenzaamheid

    Een afscheidstoespraak voor mensen die zich tijdens hun studententijd ellendig hebben gevoeld.

    Het voelt vreemd om met zo’n ​​naam te komen, met zo’n droevig verhaal om een ​​essay in te kaderen [de titel verwijst naar ‘The opposite of loneliness’ van Marina Keegan, zie het kader hieronder]. Gebruik je daar de doden voor? Dat is niet mijn bedoeling. Ik wil dat het over Marina Keegan en haar boodschap gaat, die veel mensen heeft geraakt. Keegan sprak over het gevoel van verbondenheid en de mogelijkheden die hun prachtige oude onderwijsinstelling haar en haar medestudenten had geboden, en hoe ze dit gevoel na hun vertrek met zich mee konden dragen. Maar ik wil me richten tot de eenzame, betreurenswaardige mensen die dit gevoel nooit hebben ervaren – laat staan ​​dat ze zich zorgen hebben gemaakt over het verliezen ervan.

    ‘Het is niet gewoon liefde of een gemeenschap; het is het gevoel dat er mensen zijn, heel veel mensen, die hetzelfde als jij beleven. Die aan jouw kant staan. Wanneer de rekening betaald is en je aan tafel blijft zitten. Wanneer het vier uur ’s nachts is en niemand naar bed gaat. Die nacht met de gitaar. Die nacht die we ons niet meer kunnen herinneren. Die keer dat we gingen, zagen, lachten, voelden. De hoeden.’

    Dit is Marina Keegans weergave van het gevoel dat het tegenovergestelde is van eenzaamheid. Het tegenovergestelde van eenzaamheid is iets diffuus, als een net: de onderlinge verbondenheid van mensenlevens en het gevoel dat je daar onlosmakelijk deel van uitmaakt – dát is wat het zo bijzonder maakt. Je voelt het tegenovergestelde van eenzaamheid door al die mooie herinneringen die je met je vrienden maakt, maar ook omdat het creëren van zulke herinneringen op zichzelf een grotere onderneming is waar jij, je vrienden en alle andere mensen deel van uitmaken. Het tegenovergestelde van eenzaamheid is de intensiteit van deze ervaring; het intense gevoel dat je leeft, samen met al die anderen om je heen.

    Het is dan ook geen wonder dat het essay na de dood van Marina Keegan, op 22-jarige leeftijd, zo geliefd werd onder studenten wereldwijd. De meeste mensen zien de universiteit immers als een keurig afgebakende periode van vier jaar in iemands leven, min of meer opzichzelfstaand, bedoeld om uit te vinden wie je bent en wat je met de rest van je leven wilt doen. Het gevoel van kameraadschap is daarom heel herkenbaar voor studenten; ze beseffen allemaal – en krijgen steeds weer te horen dat ze dit moeten beseffen – dat ze zich samen in een heel bijzondere situatie bevinden, in een heel bijzondere periode van hun leven. Maria’s lofzang op dit gevoel moest deze studenten toch wel aanspreken en diep raken?

    Koude rilling

    Ook ik wil me tot studenten richten, en eigenlijk tot iedereen die het wil horen, maar ik wil me daarbij vooral richten tot een specifieke groep studenten die, vermoed ik, geen flauw benul heeft van waar Keegan het over heeft. Of om het preciezer te zeggen: ze denken maar al te goed te weten waar Keegan het over heeft, en precies daarom voelen ze een koude rilling over hun lijf lopen bij het lezen van haar woorden.

    Dit zijn de mensen die op de middelbare school, om uiteenlopende redenen, altijd direct naar huis gingen als de bel ging, thuis achter de computer gingen zitten en daar bleven tot ze naar bed gingen, omdat niemand ze ooit ergens bij betrok en zij ook niemand ergens bij betrokken. Ik vermoed dat ze zich het grootste deel van hun leven een beetje als homunculi hebben gevoeld, als lichamen zonder ziel; alsof ze er wel menselijk uitzien en menselijk klinken, maar niet over de instinctieve hersenfuncties beschikken die andere, echte mensen klaarblijkelijk wel bezitten. Leuke dingen opzoeken en plezier hebben is iets waar echte mensen zo goed in zijn dat ze juist moeten oppassen dat ze het niet te vaak doen. Voor de mensen tot wie ik mij richt is leuke dingen opzoeken en plezier hebben (buiten het solipsisme van een computer of een tv) net zo eenvoudig als het stil houden van knikkers op een glazen plaat.

    En dan gaan ze naar de universiteit. Sommigen wonen in een studentenflat; anderen, de ware verdoemden, pendelen. In beide gevallen zullen deze mensen zich terdege pijnlijk bewust zijn van wat er op het spel staat: dit is de universiteit. De universiteit, wat een plek die wel niet inneemt in onze collectieve verbeelding: zo veel gesprekken, zo veel onderschriften en artikelen op Instagram, zo veel foto’s en video’s, reclamecampagnes, films en tv-programma’s, grappen, clichés, tweets, memes en nog eens tweets over wat een vreemde, opwindende ervaring het studentenleven is. 

    Als je studententijd een drijfzandbak vol wanhoop was …

    God behoede je als je nooit een keer om vier uur ’s nachts met vrienden in een huiskamer hebt gezeten, geen leuke gitaaravonden hebt meegemaakt, geen goeie black-out; God behoede je als er nooit een hoed aan te pas is gekomen. En als er geen hoeden waren, zullen er ook nooit hoeden zijn – die hoeden kun je nu niet meer krijgen, want het is voorbij. Wat een afschuwelijk gevoel moet deze mensen wel niet overvallen als de diploma-uitreiking nadert en ze beseffen dat het hoofdstuk ten einde loopt, dat het verhaal verdergaat, opnieuw.

    Keegan schrijft hierover: ‘Er is een gevoel dat ik soms bespeur, dat in ons collectieve bewustzijn sluipt als we in bed liggen na een feestje, of ons boek dichtslaan en toegeven aan de verleiding om uit te gaan – dat het op de een of andere manier te laat is. Dat anderen ons voor zijn: meer bereikt, meer gespecialiseerd. Verder op weg om de wereld te redden, om iets te creëren, uit te vinden of te verbeteren. Dat het nu te laat is om ergens mee te BEGINNEN en dat we genoegen moeten nemen met het voortzetten van ons leven.’

    Maar misschien maken deze opmerkingen het alleen maar extra zuur voor de mensen tot wie ik me richt. ‘Zijn dit echt de dingen waar anderen spijt van hebben?’ vragen die zich af. ‘Is de kloof inmiddels zo groot geworden? Ik wilde me gewoon voor het eerst echt een mens voelen, maar in plaats daarvan was het allemaal net zo triest en troosteloos als altijd. En nu zou het dus alleen maar erger moeten worden.’

    De vriendschapsindustrie

    Volgens journalist Faith Hill van The Atlantic schieten initiatieven om eenzaamheid tegen te gaan vaak hun doel voorbij.
    In Amerikaanse steden is de afgelo- pen jaren een ware vriendschapsindustrie ontstaan. Organisaties als Project Gather, Timeleft en Belong Center organiseren diners, potlucks en gesprekskringen om eenzaamheid te bestrijden. Hun belofte is groot: door mensen offline samen te bren- gen zouden sociale isolatie, vervreemding en zelfs mentale gezondheidsproblemen kunnen worden opgelost.
    In Hills artikel, met de kop ‘You’ve Probably Already Met Your Next Best Friend’, betoogt ze dat het uitgangspunt van veel van deze start-ups te simpel is. Ze gaan ervan uit dat eenzaamheid vooral ontstaat door een gebrek aan vrienden, en dat de oplossing dus ligt in het ontmoeten van nieuwe mensen. Onderzoek laat echter zien dat eenzaamheid minder samenhangt met het aantal sociale contacten dan met de kwaliteit ervan. Veel mensen voelen zich niet zozeer alleen omdat ze niemand kennen, maar omdat ze zich niet gezien, gehoord of begrepen voelen. De gemiddelde Amerikaan heeft dan ook niet minder vrienden dan eerdere generaties.
    Hill verwijst naar onderzoek van Harvard waaruit blijkt dat een groot deel van de mensen die zich eenzaam noemen vooral worstelt met existentiële eenzaamheid, mentale kwetsbaarheid of het gevoel zichzelf niet te kunnen zijn. Vriendschapsexpert Shasta Nelson noemt dit frientimacy: echte nabijheid in vriendschappen, die volgens haar drie ingrediënten vereist – consistentie, positiviteit en kwetsbaarheid. Goede vriendschappen bouwen zich op door tijd, herhaling en gedeelde context. In de Amerikaanse cultuur ontbreekt het aan scripts voor hoe vriendschappen zich ontwikkelen, in tegenstelling tot romantische relaties. Sociale evenementen kunnen geen wooncrisis, lange werktijden, gebrekkige geestelijke gezondheidszorg of het verdwijnen van publieke ontmoetingsplekken compenseren, aldus Hill.

    De trieste waarheid is dat het allemaal nog steeds aan je voorbij kan gaan, ongeacht hoe bewust je je daarvan bent. 

    Als je studententijd een drijfzandbak vol wanhoop was, moet je dat accepteren en er kracht uit putten, dat is een kwestie van cognitieve herstructurering [het veranderen van negatieve en irrationele gedachten naar realistischere en positievere gedachten]. Een onderdeel van die herstructurering is het begrijpen van Keegans boodschap dat het nog niet te laat is – nergens voor. Het menselijk leven bestaat niet voor 20 procent (het begin) uit plezier en voor 80 procent (de rest van je leven, na je drieëntwintigste) uit zwoegen. Er is nog steeds overal tijd voor.

    Afgezien van het veranderen van je denkwijze over dingen die al gebeurd zijn, zou het verstandig zijn om jezelf ‘in te enten’ met een idee zoals dat van [de negentiende-eeuwse Amerikaanse essayist Ralph Waldo] Emerson aan het begin van ‘Self-Reliance’, een essay dat volledig gaat over wat je met de volgende seconde van je leven moet doen:

    ‘Er komt een moment in ieders leven waarop je tot het besef komt dat afgunst een vorm van onwetendheid is, dat imitatie neerkomt op zelfverloochening, en dat je jezelf – in goede én in slechte tijden – als je eigen lot moet aanvaarden. En dat, hoe vol goedheid het universum ook is, geen enkele voedzame graankorrel je bereikt, tenzij je die zelf oogst op het stukje grond dat jou is toevertrouwd.’

    Geluk

    Misschien heb je nog nooit het tegenovergestelde gevoel van eenzaamheid ervaren. Misschien heb je je altijd een eiland gevoeld. Dat kan je volledig lamleggen, en ik hoop dat de details in dit essay je ervan overtuigen dat ik uit ervaring weet hoe het is. Ik wil ook dat je me gelooft als ik zeg dat je enige echte keuze is en altijd zal zijn om die verdomde grond te bewerken. Geluk komt niet voort uit nieuwe ervaringen of uit jeugdig hedonisme. Geluk is iets wat je met veel werk, tijd en aandacht bereikt. Ik denk dat je minder ver op je studiegenoten achterloopt dan je zelf denkt, en ik wens je alle succes.

    Marina Keegan (1982 – 2012) was een Amerikaanse auteur en journalist. Ze werd vooral bekend door haar essay ‘The Opposite of Loneliness’, dat na haar overlijden bij een auto-ongeluk viraal ging en ruim 1,4 miljoen keer werd gelezen, in 98 landen. Het ongeval vond plaats terwijl Keegan als passagier onderweg was naar huis, slechts vijf dagen nadat ze magna cum laude was afgestudeerd aan de Yale-universiteit.

  • Lol staat al lang niet meer voor ‘laughing out loud’

    Lol staat al lang niet meer voor ‘laughing out loud’

    Toen schrijver Harriet Armstrong op haar telefoon zocht naar berichten die ze had gestuurd met ‘lol’ erin, vond ze er duizenden. Dit kleine acroniem is door de jaren zijn eigen linguïstieke en semiotische leven gaan leiden.

    De meeste bestonden gewoon uit ‘lol’, of ‘lol oké’, ‘lol nee’ of ‘lol hahaha’, en slechts een paar van deze berichten hadden iets met lachen of grappen te maken. ‘Twee jaar lang schreef ik op de universiteit elke week een waardeloos gedicht lol.’ ‘Het spijt me echt lol, ik had niets moeten zeggen.’ ‘Lol, ik was super eenzaam haha- haha.’

    Ik realiseerde me dat ik veel van deze berichten had verstuurd terwijl ik aan het huilen was. Een paar jaar terug stuurde ik, overstuur en behoorlijk dronken, mijn vriend A. na een gecompliceerde avond met hem een berichtje met de tekst: ‘lmaooo [ik lach me suf] oké, ik zit in de bus en lol me suf om mijn slechte persoonlijkheid.’ Kort daarna probeerde ik een verhaal te schrijven, geïnspireerd op dat moment waarop ik zo zat te lollen in de bus. ‘De bus zat gevangen in de blauwe muren van de nacht, nat en sterrenloos, die op het dak drukten, de deuren naar binnen drukten. Mijn liefde voor hem voelde volkomen helder, en oeroud. Het voelde als het meest vertrouwde en heiligste in mijn leven…’

    Wederzijds begrip

    Het was een melodramatisch verhaal, en de bekentenis dat ik ‘me suf lolde om mijn slechte persoonlijkheid’ was onoprecht en dom. Maar wat probeerde ik eigenlijk over te brengen door tegen A. te zeggen dat ik lachte, terwijl ik tegelijkertijd schreef dat mijn liefde voor hem helder en vertrouwd aanvoelde tussen de natte muren van de blauwe, sterrenloze nacht? Ik denk dat de waarheid wat algemener was, een wat basalere combinatie van verdriet, schaamte en verlangen, ongemakkelijker en ook saaier dan ‘mijn liefde voor hem voelde volkomen helder, en oeroud’, of ‘oké, ik zit in de bus en lol me suf om mijn slechte persoonlijkheid’.

    Zoals een uitroepteken een zin een vrolijke en opgewekte toon geeft, zo geeft ‘lol’ aan dat een zin minder serieus genomen moet worden – al voelt het vaak als een soort wederzijds begrepen, maar niet uitgesproken façade. Vaak spreekt uit ‘lol’ een bijna expliciete wanhoop om contact te maken. Zowel mijn bericht over mijn ‘slechte persoonlijkheid’ als die beschrijving van het ervaren van oeroude, heilige liefde in de bus zijn vrij doorzichtige pogingen om iets zo uit te drukken dat het empathie opwekt bij de ontvanger of lezer. ‘Lol’ is een manier om iets te vragen – aandacht, geruststelling, zorg of zelfs liefde – terwijl je doet alsof je niets vraagt. Als ik mijn berichten lees, vind ik de toon eigenlijk een beetje manipulatief overkomen. ‘Lol, ik ben echt de saaiste vrouw ter wereld en jij bent zo interessant, charmant, grappig enz. LOL.’ ‘Trouwens, je hoeft niet op deze berichten te reageren lol, maar het mag wel.’

    Zowel de zender als de ontvanger begrijpt het al. ‘Lol, ja natuurlijk weet ik dat’

    Ik begon me te schamen voor het aantal keren dat ik ‘lol’ had geschreven in berichten aan mijn vrienden. Ik zocht op Google naar ‘lol semiotiek’ en ‘lol Google Scholar’ en ontdekte dat vrijwel elk artikel, essay, Reddit-bericht en zelfs het overzicht van Google AI ‘lol’ beschreef als een middel om sociale banden te versterken. Het AI-overzicht stelde dat ‘lol’ duidt op ‘een gemeenschappelijke interpretatie’ en gaf een paar voorbeelden van ‘lol’-berichten die dat doen: ‘lol ik maak huiswerk’, ‘lol ik verveel me’, ‘lol het is koud’. Die berichten zijn niet bedoeld om grappig te zijn; ze impliceren een wederzijds begrip van een gevoel of een ervaring.

    We weten allebei hoe het is om huiswerk te maken. We weten allebei hoe verveling voelt. We weten allebei wat het betekent om het koud te hebben, hier buiten, waar we ook zijn of zijn geweest.

    Dit bedoel ik als ik soms ‘lol’ zeg. ‘Lol, ik vind dat liedje ook geweldig.’ ‘Lol, zit je nu in de trein? Is het druk?’ ‘Lol, ja, kom maar!’ Dit soort ‘lol’ – minder sneu dan toen ik tegen mijn vriend zei dat ik in de bus zat te lollen over mijn slechte persoonlijkheid – is zacht en open, en op de een of andere manier ingetogen. Hiermee zeg ik dat dit om de een of andere reden belangrijk voor me is, maar ik wil de ander er niet mee belasten of het te zwaar maken. Ik wil die ander gewoon vertellen hoe het voor mij is en weten hoe het voor hem is.

    Persoonlijke lol

    Ik dacht aan het einde van Ben Lerners roman 10:04: ‘Ik weet dat het moeilijk te begrijpen is / Ik sta achter je en ik weet hoe het is.’ Misschien doen de beste ‘lol’-berichten wel zoiets: ze verwijzen naar iets dat complex is, of iets dat om welke reden dan ook onbesproken blijft, en ze erkennen die context zonder het te hoeven uitleggen. Ze ontwijken de vraag niet en geven ook geen volledige uitleg; dat hoeft ook niet, want zowel de zender als de ontvanger begrijpt het al. ‘Lol, ja natuurlijk weet ik dat.’

    ‘Ik lolde en keek naar je’ is een van de weinige berichtjes op mijn telefoon die een moment van daadwerkelijke persoonlijke lol beschrijven. Ik stuurde het een paar maanden geleden naar A., nadat we met een grote groep gezamenlijke kennis- sen in de kroeg waren geweest. Een van die kennis- sen zei iets vreemds, en ik keek naar A. omdat ik wist wat hij dacht – een voor de hand liggende gedachte die waarschijnlijk iedereen had: wat die kennis zei klonk vreemd, en ook wat onbeleefd, maar het feit dat die persoon zoiets vreemds en onbeleefds zei, was grappig. Ik keek naar A. omdat ik oogcontact wilde maken en wilde zien hoe hij zijn lach probeerde in te houden, en wilde dat hij mij hetzelfde zag doen, zodat we allebei precies wisten wat de ander dacht. Ik wilde specifiek oog- contact maken met A. omdat ik een speciale, intieme verstandhouding wilde voelen – openlijk, waar anderen bij zaten. Ik wil altijd graag openbaar geheimen delen met A. Maar hij keek niet, dus toen ik thuis was stuurde ik een berichtje: ‘Ik lolde en keek naar je’, eigenlijk precies de opzet van al die ‘lol’-berichtjes – naar je kijken, hopen dat je terug- kijkt en dat we samen kunnen lachen, maar als je dat niet doet en als dat niet kan, is het oké, geen enkel probleem, maar lol nu moet ik toch weer huilen hahahaha lol kom alsjeblieft langs!

  • Waarom mannen minder hechte vrienden hebben

    Waarom mannen minder hechte vrienden hebben

    Elkaar af en toe op de schouders slaan is niet voldoende, merkt journalist Max Scharnigg. ‘Vriendschappen hebben van tijd tot tijd nieuwe belevenissen nodig, en diepe gesprekken.’

    Sinds deze zomer zit onze dochter op school, en aan de ongeveer vijfenveertig zorgen die je je als ouders in verband daarmee maakt, voegt mijn vrouw een zesenveertigste toe: ‘Ik hoop maar dat ze vriendinnetjes vindt.’ Mij leek dat een onnodige vrees, ik was niet eens op het idee gekomen. Geen vrienden maken in die hele lange schooltijd – was dat mogelijk? Nou, ik werd meteen uit de droom geholpen en wist daarna één ding zeker: dat mannenvriendschappen van meet af aan anders werken dan vriendschappen tussen vrouwen.

    Mijn hele leven heb ik deze kwestie behandeld als ongeveer net zo onbeduidend als het kruidenperkje in de tuin. Daar groeien salie, lavas, tijm en rozemarijn, die elk jaar weer trouw terugkeren, ze vereisen nauwelijks aandacht en toch zijn ze mooi. Niks meer aan doen. Blijkbaar nemen mannen sommige zaken te licht op – kruidenperkjes en vrienden bijvoorbeeld.

    Een keer iets beginnen en daar dan voor altijd op blijven teren – dat is bij vriendschappen een problematische strategie. Want we hebben veel meer vrienden nodig dan dat handjevol dat we uit onze kinder- en studietijd in ons volwassen leven hebben overgehouden. Velen van ons gaan heel oud worden. Velen van ons zullen eenzaam zijn als ze oud worden, hoe populair en omringd ze zich op sommige momenten ook voelen. Op tinderen en kinderen kunnen we dan niet langer rekenen.

    Een keer iets beginnen en daar dan voor altijd op blijven teren – dat is bij vriendschappen een problematische strategie

    Daarom hebben we vrienden nodig. We hebben ze nodig als oudedagsvoorziening, en als vangnet in de circustent van het leven. Vrouwen weten dat. Die pakken de kwestie ook na de vijfendertig vaak nog bewonderenswaardig pragmatisch aan: ze informeren bij die sympathieke moeder in de kinderopvang of bij die coole buurvrouw meteen naar de belangrijkste zaken, onthouden die voor de volgende keer en wisselen dan telefoonnummers uit.

    Waarom wordt vriendschap sluiten – ooit zo’n achteloze vanzelfsprekendheid – voor volwassen mannen zo moeilijk? Zelden hoor je van een man boven de veertig dat hij een nieuwe beste vriend heeft gevonden. Waarom halen de vrouwen ons ergens in hun dertiger jaren in wat betreft het aantal sociale contacten, zoals een studie van de Aalto Universiteit in Helsinki heeft uitgewezen, en streven ze ons nog later in het leven helemaal voorbij?

    En nog een vraag: waarom gaan we met de paar vrienden die we nog hebben op middelbare leeftijd vaak zo nonchalant om? Een Amerikaanse studie uit 2021 bracht het even alarmerend als plausibel klinkende feit aan het licht dat het aantal mannen met minstens zes intieme vrienden van 55 procent in 1990 was teruggelopen tot 27 procent in 2021. En ongeveer 15 procent van de mannen gaf aan helemaal geen intieme vrienden te hebben – vijf maal zoveel als in 1990. Deze ‘friendship recession’ en de daarbij aansluitende ‘male loneliness epidemic’ zijn symptomen van de westerse maatschappij geworden, die de laatste tijd veel aandacht trekken.

    Niet behoeftig lijken

    Vermoedelijk hangt het onderhouden van vriendschappen op een of andere manier samen met het vinden van nieuwe vrienden. Neem het klunzige gemak waarmee we in onze jeugd vriendschap sluiten met degene die in de wiskundeles naast ons zit of op het schoolplein met ons rondhangt. Dat gaat vanzelf en voelt meteen goed. Maar dat spreken we nooit uit. Waarom zou je goeie maatjes lastigvallen met emo-geklets?  Elkaar stevig op de schouders slaan is wel genoeg. Zelfs levenslange mannenvriendschappen blijven daardoor vaak verrassend vrijblijvend.

    Het nadeel is dat door een gebrek aan intimiteit en betrokkenheid de relatie steeds het risico loopt ongemerkt af te lopen, als een vergeten klok in een verhuisdoos. Bijvoorbeeld wanneer in het midden van het leven de carrière en het gezin decennialang voorrang krijgen. Dan hebben mannen de neiging de vrienden op stand-by te zetten en te denken dat ze na tien jaar probleemloos de draad weer op kunnen pakken. Ze willen zich – en dat is een typische en domme gewoonte van mannen – niet aanhankelijk tonen, niets eisen en niet behoeftig lijken. Zeggen: Hé, ik heb niet zo veel vrienden, ik zou het leuk vinden als we weer eens wat samen doen, krijgen mannen niet zo makkelijk over hun lippen. Aan het begin van de vriendschap is verzuimd daarvoor emotionele ruimte te scheppen.

    Dus moeten we het doen met de karige dialogen als ‘Hé, hoe gaat ie?’ ‘Z’n gangetje’, die mannen elkaar eens per kwartaal als levensteken sturen. Vlak voor kerst mondt dat uit in de afspraak om samen een biertje te drinken. Maar dat is niet voldoende om een vriendschap nieuw leven in te blazen. Vriendschappen kunnen niet blijven bestaan uit het herkauwen van oude herinneringen of uit lange, zwaar aangezette monologen over het werk. Om niet hol te worden hebben vriendschappen van tijd tot tijd nieuwe belevenissen nodig, en diepe gesprekken. Waar avonturen vroeger deel uitmaakten van het dagelijks leven – op school, in de studentenflat, tijdens reizen en festivals – waren we vanaf een gegeven moment aangewezen op het ophalen van herinneringen.

    Om niet hol te worden hebben vriendschappen van tijd tot tijd nieuwe belevenissen nodig, en diepe gesprekken

    Maar daarvoor is later nog genoeg tijd. Er moet ondernomen worden. Als de dingen die je vroeger samen deed niet langer volstaan, dan gewoon samen iets nieuws beginnen – een sport, een hobby, een project, een berg. Vroeger zou je toch geen seconde geaarzeld hebben om je met deze gozer te laten insneeuwen?

    Voor wie moeite heeft met omschakelen naar de actieve modus is het misschien behulpzaam om te doen alsof je een date voorbereidt: laten we naar die expositie gaan die nog maar twee weken duurt. Of struinen op een vlooienmarkt. Of gewoon, hoe clichématig ook, de ander te vragen te helpen bij het bouwen van het nieuwe tuinhuisje. Lekker praktisch: maak van je vriendschap je project!

    Ook met doelgerichte vriendschappen is niets mis. Ze helpen de stilte en de passiviteit te overbruggen. Moeilijke zaken bespreek je makkelijker terwijl je schroevend onder een oude tractor ligt. Ik heb bijvoorbeeld al vijftien jaar een Moritz, die ik precies een keer per jaar acht uur zie, tijdens het vissen. In deze uren delen we alles met elkaar: het kleine bootje, de worstjes, wat er in onze levens gebeurd is in de afgelopen twaalf maanden. Tussen de bedrijven door lichten we het anker, doorstaan we slecht weer, fileren meerforellen en vallen in het water.  Een dreamteam, werkelijk, we vertrouwen elkaar blind. Weer terug aan de wal, stappen we in onze auto’s en horen dan bijna een jaar lang niets van elkaar, tot een van ons zich genoopt voelt iets te schrijven als: ‘Hé ouwe, hoe is ’t?’ Tijdens de terugrit na zo’n Moritzdag denk ik vaak: Dit is dan misschien niet de perfecte vriendschap, maar toch op zijn minst de perfecte vorm.

    Ook wie als man gelukkig getrouwd is, heeft een functionerend netwerk van vrienden nodig

    Wat nieuwe vrienden betreft, ligt de zaak een beetje anders. De gedachte dat je eigenlijk met iemand bevriend zou moeten raken, als die al bij je opkomt, loopt vroeg of laat vast in een gebrek aan de juiste woorden, schouderophalen en onverschilligheid. Met de jaren valt het mannen steeds zwaarder om iemand dichterbij te laten komen. Om het vizier niet dicht te klappen. In plaats daarvan denken we: Ach, het kan ook zonder, het gaat toch best, laat maar.  

    Toch zouden juist die ‘gaat toch best’- mannen emotioneel belastbare vriendschappen goed kunnen gebruiken, vriendschappen waarin niet alleen voetbalpraatjes en vaarbewijzen besproken worden, maar ook ruimte is voor echte problemen, zorgen en ja, tranen.

    Vrouwen benutten hun vriendinnen vaak als therapeuten voor dagelijks gebruik: ze ontslakken elkaar. Veel mannen hebben uiteindelijk alleen nog hun vrouw als stortplaats voor al wat emotioneel is, simpelweg omdat er verder niemand over is. Dat is voor beiden geen gezonde situatie, en het leidt tot een laatste, misschien wel belangrijkste inzicht: ook wie als man gelukkig getrouwd is, heeft een functionerend netwerk van vrienden nodig – al is het maar om die relatie gelukkig te houden.

  • Seoul probeert eenzame burgers op te vangen

    Seoul probeert eenzame burgers op te vangen

    Zuid-Korea kampt met een groeiende epidemie van sociale isolatie, met de hoofdstad als epicentrum. Het nieuw opgerichte Seoul Isolation Prevention Center kaart dit probleem direct aan.

    Je kunt een Maeum-buurtwinkel (maeum is Koreaans voor ‘hart’) binnenlopen om een gratis kom ramen te eten en met iemand over het gemis te praten dat je al maandenlang voelt. Dit is geen etalagepolitiek. Het maakt deel uit van een grootschalig vijfjarenplan van de gemeente Seoul om met een budget van 451,3 miljard won (266 miljoen euro) een crisis aan te pakken die maar weinig steden openlijk durven te benoemen: eenzaamheid. Zuid-Korea kampt met een groeiende epidemie van sociale isolatie, met Seoul als epicentrum. De hoofdstad telt inmiddels meer dan 35 procent eenpersoonshuishoudens. Recent onderzoek toont aan dat 62 procent van de alleenwonenden zich eenzaam zegt te voelen, terwijl 13,6 procent in een sociaal isolement verkeert. Volgens een ander onderzoek uit 2023 leven naar schatting 130.000 jongeren tussen de 19 en 39 jaar in bijna volledige sociale afzondering, een fenomeen dat ook wel wordt aangeduid met de aan het Japans ontleende term hikikomori.

    Geen privéprobleem

    ‘Eenzaamheid is in Seoul niet langer een privéprobleem,’ zegt Lee Soo-jin, directeur van het Seoul Isolation Prevention Center, het eerste overheidsorgaan in het land dat belast is met het identificeren en bijstaan van inwoners die in maatschappelijke afzondering leven. ‘In alle leeftijdscategorieën zien we achteruitgang van de geestelijke gezondheid. Maar voor velen, met name jongeren en oudere mannen, is het simpelweg niet duidelijk waar ze hulp moeten zoeken.’

    Lee heeft het afgelopen jaar gewerkt aan het opzetten van systemen om risicogroepen te identificeren die vaak buiten het zicht van het officiële sociale vangnet vallen. Haar team wisselt gegevens uit met sociale diensten, nutsbedrijven en bezorgdiensten om signalen van isolatie te herkennen, zoals niet-opgehaalde post of herhaaldelijk bestelde eenpersoonsmaaltijden. Zodra er gevallen zijn gesignaleerd worden deze benaderd via de telefoon, huisbezoeken of digitale kanalen en krijgen ze ondersteuning op maat aangeboden, zoals counseling, begeleiding door lotgenoten of verwijzing naar buurtgroepen.

    Meer algemene initiatieven van de stad omvatten een 24-uurs hulplijn die is geïntegreerd in het bestaande 120 Dasan Call Center, een chatbot voor mensen die niet graag telefoneren, en een online platform genaamd Toktok24 dat gebruikers doorverwijst naar counseling en buurtprogramma’s. Toch betwijfelen zowel wetenschappers als gewone burgers of overheidsbeleid wel de aangewezen manier is om zo’n persoonlijke en complexe situatie als eenzaamheid aan te pakken. ‘Eenzaamheid is niet hetzelfde als alleen zijn,’ zegt Byun Geum-seon, hoogleraar maatschappelijk werk aan de Ewha Womans University en coauteur van een belangrijk onderzoek uit 2024 naar isolatie onder jongeren. ‘Voor sommigen betekent alleen zijn vrijheid. Voor anderen betekent het afzien. Overheden kunnen gedrag signaleren. Maar het gevoel van eenzaamheid moet onderkend worden door degene die het ervaart.’

    ‘Ik had mijn eigen stem al dagenlang niet gehoord’

    Byuns onderzoek, waarvoor meer dan vijfduizend respondenten werden benaderd, onderscheidt zeven verschillende profielen van sociale isolatie en eenzaamheid. Deze variëren van economisch geïsoleerde jongeren tot emotioneel geïsoleerde individuen met een netwerk van familie of collega’s. Haar onderzoek toont een sterke correlatie aan tussen eenzaamheid en psychische problemen als depressie en suïcidale gedachten, zelfs bij degenen die niet in de traditionele zin sociaal geïsoleerd zijn.

    ‘In sommige gevallen hebben mensen weliswaar sociale contacten, maar toch het gevoel dat ze niet openlijk kunnen spreken en niet zichzelf kunnen zijn,’ zegt Byun. ‘Dit komt vooral voor bij alleenwonende jonge vrouwen en bij mannen die het gevoel hebben dat ze niet aan de sociale verwachtingen voldoen.’

    Shin Hye-jin, een achtentwintigjarige masterstudent die vijf jaar geleden van Daegu naar Seoul is verhuisd, herinnert zich hoe haar eerste jaar in de hoofdstad veel eenzamer aanvoelde dan ze zich had kunnen voorstellen. ‘Ik woonde in een goshiwon (een piepkleine studentenkamer) vlak bij de campus. Ik heb mijn buren nooit ontmoet. Zelfs tijdens de colleges zei niemand wat, tenzij dat echt nodig was voor groeps- projecten,’ zegt ze. ‘Af en toe realiseerde ik me ’s nachts dat ik mijn eigen stem al dagenlang niet had gehoord.’ Later sloot Shin zich via Danggeun Market, een app voor de handel in tweedehandsspullen die nu ook plaats biedt aan allerlei sociale initiatieven, aan bij een buurtgroep voor ‘stille wandelingen’. ‘Het klinkt misschien gek, maar zwijgend naast onbekenden lopen hielp me,’ zegt ze. ‘Het voelde veilig. Niemand verwachtte iets van me.’

    Maeum-buurtwinkel

    Volgens Danggeun is de deelname aan de buurtgroepen sinds 2023 vertwintigvoudigd. Deze groepen zijn vaak laagdrempelig en gericht op gedeelde interesses, variërend van ADHD-ondersteuning tot broodproeverijen. Voor velen leiden ze tot duurzamere sociale banden dan officiële gemeenteprogramma’s. Directeur Lee Soo-jin erkent de beperkingen van haar Seoul Isolation Prevention Center. ‘De stad Seoul weet dat ze geen waardevolle connecties tot stand kan brengen,’ zegt ze. ‘Wat we wel kunnen doen, is een kader creëren. We kunnen mensen opties bieden voor wat ze kunnen doen als ze beseffen dat ze het moeilijk hebben.’

    Onderdeel van dat kader is de eerdergenoemde Maeum-buurtwinkel, een kruising tussen een centrum voor geestelijke gezondheidszorg en een café, waar mensen anoniem kunnen binnenlopen voor een gratis maaltijd, informatie of gewoon een moment van rust. De stad breidt ook haar ondersteuningsprogramma’s voor en door lotgenoten uit, zoals het project Ieders Vriend, waar voorheen geïsoleerde inwoners leren om mensen in vergelijkbare situaties te helpen en emotionele steun te bieden.

    Professor Byun waarschuwt voor modellen die iedereen dezelfde oplossing bieden. ‘Eenzaamheid neemt niet alleen af door verbinding met anderen, maar ook door continuïteit. Je moet het gevoel hebben dat je belangrijk bent voor anderen en dat mensen het merken als je van de radar verdwijnt.’ Daarom is de rol van de overheid minder gericht op het kweken van relaties en meer op het faciliteren ervan. ‘Als iemand bij een van deze stadsprogramma’s binnenloopt en weggaat met een telefoonnummer of een reden om volgende week weer de deur uit te gaan, is dat een kleine overwinning die de moeite waard is,’ zegt Lee.

  • Dossier: Vriendschap

    Dossier: Vriendschap

    Op de populairste school van Silicon Valley worden weer schoolbord en krijt gebruikt. Juist kenners zien de gevaren van onze schermverslaving onder ogen, die zich vertaalt in een wereldwijde golf van eenzaamheid. Écht menselijk contact, zo blijkt, helpt niet alleen daartegen, maar vormt een remedie tegen zo’n beetje alles.

    In het dossier vriendschap:

    1. De analoge renaissance in het hart van Silicon Valley
    2. Wat de meeste ‘superagers’ gemeen hebben
    3. ‘Het tegenovergestelde van het tegenovergestelde van eenzaamheid’
    4. ‘Lol’ is niet altijd grappig bedoeld
    5. Seoul probeert eenzame burgers op te vangen

  • Steeds meer mensen zijn vrijgezel. Wat zijn de gevolgen?

    Steeds meer mensen zijn vrijgezel. Wat zijn de gevolgen?

    Sociale en economische veranderingen hebben ervoor gezorgd dat er meer vrijgezellen zijn dan ooit. Zo is men meer carrièregericht, is de politieke kloof tussen mannen en vrouwen verbreed en ligt de lat voor een goede partner hoger dan voorheen.

    In de geschiedenis van de mens was het vinden van een levensgezel lange tijd niet alleen de norm, maar bittere noodzaak. In de tijd dat er nog geen betrouwbare anticonceptie bestond, waren vrouwen niet in staat hun vruchtbaarheid te reguleren, en verreweg de meeste vrouwen waren veel te arm om in hun eentje kinderen groot te brengen. Vandaar de eeuwenoude traditie dat tragische toneelstukken of legenden eindigen met de dood, en blijspelen of hoopgevende legenden met een huwelijk. 

    De snelheid waarmee we afstappen van deze huwelijksnorm – of van welke relatievorm dan ook – is onthutsend. In de welvarende landen neemt het aantal alleenstaanden toe. Onder jonge Amerikanen, van 25 tot 34 jaar, is het percentage mensen dat ongetrouwd of zonder partner door het leven gaat in vijf decennia verdubbeld, naar 50 procent van de mannen en 41 procent van de vrouwen. 

    Sinds 2010 is het aandeel alleenstaanden in 26 van de 30 rijke landen in opmars. Volgens berekeningen van The Economist telt de aarde momenteel 100 miljoen meer alleenstaanden dan het geval zou zijn geweest als de verbindingsgraad nu nog net zo hoog was als in 2017. Er staat ons een ongekende relatierecessie te wachten. 

    Er staat ons een ongekende relatierecessie te wachten. 

    Voor sommige mensen is dat het bewijs van sociale en maatschappelijke verloedering. Veel aanhangers van de ‘pronatalistische’ beweging zijn ervan overtuigd dat het feit dat jonge mensen minder settelen en zich minder voortplanten, het einde inluidt van de westerse beschaving. Anderen zien het als een teken van een bewonderenswaardige autonomie. In modeblad Vogue stond onlangs te lezen dat het voor coole ambitieuze jonge vrouwen niet alleen onnodig is om een vriendje te hebben, maar zelfs een beetje ‘gênant’. 

    Welbeschouwd is het feit dat er steeds meer alleenstaanden zijn goed noch slecht. Onder heteroseksuelen (waar de meeste onderzoeken zich op richten) is het voornamelijk het gevolg van een positieve ontwikkeling: met het wegvallen van de barrières binnen het arbeidsproces, hebben vrouwen meer keuzes gekregen. Ze zijn veel beter dan vroeger in staat om alleen te wonen als ze dat willen, en krijgen daar minder snel een stempel voor opgedrukt. Hoe beter ze in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, hoe kleiner de kans dat ze bij een verkeerde of gewelddadige partner blijven. Deze verschuiving heeft ontelbare vrouwen behoed voor een afschuwelijke relatie, en veel mannen genoodzaakt hun partner beter te behandelen. Het heeft echter ook minder gelukkige neveneffecten. Het kan bevrijdend zijn om het alleen te rooien, maar ook eenzaam. Met name vrouwen geven vaak aan blij te zijn met hun gebrek aan een relatie. Maar uit onderzoek in verschillende landen blijkt dat 60 tot 73 procent van de alleenstaanden er liever wel een zou hebben. In 2019 werd in Amerika een onderzoek gedaan waaruit bleek dat weliswaar 50 procent van de alleenstaanden niet actief op zoek is naar een partner, maar slechts 27 procent aangaf het leuker te vinden dan samenwonen. Veel mensen hadden het gewoon opgegeven, omdat ze geen hoop hadden ooit nog iemand tegen te komen of wie ze tegenkwamen niet interessant genoeg vonden. 

    De relatiemarkt

    Als veel mensen willen settelen maar dat niet doen, gaat er iets mis in de relatie-‘markt’. Een van de problemen, namelijk wijdverspreide seksespecifieke abortus, die in delen van Azië heeft geleid tot een tekort aan vrouwen en een overschot aan alleenstaande mannen, is gelukkig al aan het afnemen. Maar deskundigen zien nog meer obstakels. Volgens sommigen hebben social media en datingapps geleid tot onrealistische verwachtingen (op Instagram zijn de relaties van anderen haast een sprookje) en een enorme kieskeurigheid (de meeste vrouwen op Bumble willen per se een man van minstens 1 meter 85, waarmee 85 procent van de mogelijke matches afvalt). Een ander probleem is de groeiende politieke kloof tussen jonge mannen en vrouwen, waarbij mannen meer naar rechts neigen, en vrouwen meer naar links. Veel alleenstaanden willen dat een eventuele partner dezelfde opvattingen heeft, wat het lastiger maakt iemand te vinden. 

    Andere deskundigen wijzen op verminderde sociale vaardigheden nu veel mensen een groot deel van hun tijd naar een scherm turen. Amerikanen van alle leeftijden hebben minder persoonlijke contacten dan twee decennia geleden, maar die teruggang is het sterkst onder jongeren. Sociale media verspreiden bovendien de angst dat vrouwen tijdens het uitgaan iets overkomt en dat mannen digitaal aan de schandpaal worden genageld als een date tegenvalt.

    Misschien wel de belangrijkste factor is dat vrouwen de lat hoger leggen nu het makkelijker is om alleen te wonen. Voor veel vrouwen is gewoon een leuke partner niet langer te verkiezen boven helemaal geen partner. Vrouwen geven vaker dan mannen aan dat ze een partner willen met een goede opleiding, die financiële zekerheid biedt. En er zijn steeds minder mannen die aan deze steeds strengere criteria kunnen voldoen, aangezien zij qua opleidingsniveau een achterstand hebben op vrouwen en praktischer aangelegde mannen het vaak moeilijker hebben op de arbeidsmarkt. Mannen zonder hogere opleiding en met een lager inkomen hebben dus moeite een partner te vinden, wat wordt versterkt als ze ook nog eens niet bijdragen in het huishouden of na verschillende afwijzingen een afkeer van vrouwen ontwikkelen, een wijdverbreid euvel binnen de online ‘manosphere’.

    HOR Vrijgezel compressed edited scaled
    Veel mensen hebben het opgegeven, omdat ze geen hoop meer hebben de juiste tegen te komen. – © Getty Images

    Een voor de hand liggende gedachte is dat mannen volwassen worden, meer taken in huis op zich nemen en zich verantwoordelijker opstellen, waardoor ze aantrekkelijkere partners worden. Culturele normen kunnen die verschuiving belemmeren, maar het vooruitzicht van levenslange eenzaamheid en celibaat zal mannen waarschijnlijk sterk aanzetten tot verandering. In veel landen worden huishoudelijk werk, koken en de kinderzorg al jaren gelijkmatiger verdeeld.

    Toch lijkt bijvoorbeeld in die verlichte Scandinavische landen de alleenstaandentrend voorlopig ook door te zetten. In Finland en Zweden woont grofweg een derde van alle volwassenen alleen. Op zijn minst zal deze verschuiving de toch al dramatische daling van de wereldwijde vruchtbaarheid verder versterken, aangezien alleenstaand ouderschap zwaar is en culturele taboes in veel regio’s hardnekkig blijven bestaan. Aangezien jonge, alleenstaande mannen relatief vaker gewelddadige misdrijven plegen, kan een wereld met minder stellen bovendien gevaarlijker worden.

    Het is niet uitgesloten dat de relatierecessie zichzelf corrigeert. Een opmerkelijke 7 procent van de jonge alleenstaanden verklaart zich bereid om een roboromance met een AI-partner te overwegen, en de zogeheten love bots zullen steeds verfijnder worden. AI is geduldig; AI is aardig; AI verlangt niet van je dat je de badkamer schoonmaakt of een betere baan zoekt. Velen vrezen dat een wereld met minder stellen en kinderen somberder en verder geatomiseerd zal zijn. Maar het vooruitzicht betreuren zal het niet afwenden. En het is niet aan overheden om de voorkeur van gewone mensen te overrulen, al zou het wel degelijk goed zijn de achterblijvende prestaties van jongens op school aan te pakken. Hoe dan ook komt er een toekomst aan met veel meer alleenstaanden. En iedereen, van bouwbedrijven tot de fiscus, doet er goed aan zich daarop voor te bereiden.

  • Japan: geboortecijfer stijgt onder buitenlanders en daalt onder Japanners

    Japan: geboortecijfer stijgt onder buitenlanders en daalt onder Japanners

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Europese Commissie stelt onderzoek in naar spionage door Hongarije

    » Seychellen: oppositieleider Patrick Herminie wint presidentsverkiezingen

    Japan is een van de snelst vergrijzende landen ter wereld

    In 2024 werden in Japan meer dan 20.000 baby’s geboren met buitenlandse ouders, wat neerkomt op meer dan 3 procent van alle pasgeborenen. Zowel het absolute aantal als het percentage zouden een recordhoogte hebben bereikt.

    Buitenlandse inwoners, voornamelijk in de werkende leeftijd, maken ongeveer 3 procent uit van de totale bevolking van Japan. Nu beginnen hun baby’s een rol te spelen in het tegengaan van de daling van het aantal geboorten onder Japanners, schrijft Nikkei Asia.

    Het ministerie van Volksgezondheid, Arbeid en Welzijn definieert de ‘geboorte van een buitenlandse burger in Japan’ als een baby die geboren is met buitenlandse ouders of met een ongehuwde buitenlandse moeder.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De definitieve cijfers voor 2024 laten 22.878 van dergelijke geboorten zien, een stijging van meer dan 3.000 ten opzichte van het jaar ervoor en een groei van 50 procent ten opzichte van tien jaar eerder. Ondertussen daalde het aantal geboorten onder Japanse ouders tot 686.173, een daling van 41.115 ten opzichte van het jaar ervoor. Dit betekent dat buitenlandse pasgeborenen meer dan de helft van de daling van het aantal Japanse geboorten compenseren.

    Japan is een van de snelst vergrijzende landen ter wereld en heeft moeite om het geboortecijfer op het niveau te brengen dat nodig is om de bevolking, die momenteel ongeveer 125 miljoen mensen telt, op peil te houden.

    De niet-Japanse bevolking is de afgelopen jaren sterk gegroeid, omdat er meer arbeidsmigranten worden aangeworven om tekorten op de arbeidsmarkt op te vullen. Dankzij deze trend is immigratie voor het eerst een belangrijk verkiezingsthema geworden, schrijft The Guardian.

  • Umeå, de meest feministische stad ter wereld

    Umeå, de meest feministische stad ter wereld

    Van sneeuwruimen tot de inrichting van bushaltes, van openbaar meubilair tot voetbalteams: in deze kleine stad in Zweden worden vrouwen en mannen op gelijke voet behandeld – met als doel het leven voor iedereen beter te maken.

    In het hart van Umeå staat de grote rode poema, ’s werelds eerste publiekelijke standbeeld ter ere van de #MeToo-beweging. Het toont een grommende kat op een stalen frame dat doet denken aan tralies. De officiële titel, volgens kunstenaar en maker Camilla Akraka, is Listen, maar iedereen noemt het beeld gewoon ‘puman’ – de poema. Sinds het in 2019 op het centrale plein voor het oude stadhuis verscheen, staat het symbool voor deze stille, bescheiden plaats een paar honderd kilometer ten zuiden van de poolcirkel, die ook wel bekendstaat als ‘de meest feministische stad ter wereld’.

    Umeå (UU-me-joh, 134.000 inwoners) heeft in Zweden een reputatie als broedplaats van radicale ideeën. In de jaren zeventig werd de ‘rode universiteit’ er het centrum van studentenstakingen en linkse politieke acties. Een Zweedse vriend vertelt me ​​dat ‘iedereen in Umeå helemaal weg is van punk’. Dit lijkt een soort codetaal om aan te geven dat Umeå als ‘cool’ wordt gezien – en zichzelf ook zo beschouwt. Zelfs de website van Visit Umeå, het lokale toeristenbureau, claimt dat de stad ‘de meest bebaarde en getatoeëerde bevolking ter wereld’ heeft. Wat helaas dan weer niet geheel op de vrouwen slaat.

    Wat maakt Umeå dan zo’n geweldige plek om vrouw te zijn? Om daarachter te komen, loop ik een dagje mee met Annika Dalén en Linda Gustafsson, medewerkers gendergelijkheid van de gemeenteraad. Je zult niet snel iemand vinden die enthousiaster is over de boeiende wereld van ‘genderbewustzijn in de stedelijke omgeving’ dan deze twee.

    Een op maat gemaakte stad

    Vlak bij de poema, richting de rivier, staat een schommelstoel waarin ik me ongewoon comfortabel voel. Hoe dat komt? De stoel is gemaakt naar aanleiding van een speciaal project waarbij de mening van tienermeisjes werd gepeild en ontworpen met de gemiddelde lengte van vrouwen in gedachten: 165 centimeter. Precies mijn lengte. Hoewel ik niet per se verwacht dat vanaf nu wereldwijd elk stuk gemeentelijk meubilair precies volgens mijn specificaties wordt gemaakt, is het wel erg aangenaam.

    ‘Toen de universiteit hier [in 1965] werd opgericht, stond Zweden bekend om zijn progressieve ideeën,’ vertelt Dalén. ‘Later werd Umeå de eerste [stad] in Zweden met een hoogleraarschap genderstudies [Britt-Marie Thurén, in 1997]. Er is hier altijd sprake geweest van een sterke “burgermaatschappij”-beweging.’ Een cursus vrouwenstudies verscheen voor het eerst op het universitaire curriculum in 1976. Twee populaire feministische radioprogramma’s (Radio Ellen in de jaren tachtig en Freja in de jaren negentig) en twee van de grootste Zweedse feministische fanzines (Amazon en Radarka, beide eind jaren negentig) kwamen uit Umeå. Marie-Louise Rönnmark, die later burgemeester werd, was een van de eersten die, eveneens in de jaren negentig, pleitte voor ‘een gendergelijkwaardige gemeente’.

    De ochtendactiviteit is een workshop voor onderwijsassistenten in het basisonderwijs, die zich vooral lijkt te richten op het overtuigen van de deelnemers dat vrouwen niet de primaire ouder hoeven te zijn. ’s Middags maken ze een speciaal ontworpen bustour langs het zogeheten ‘gendered landscape’. De gemeente is trots op deze rondleiding, die werd opgezet als activiteit voor bezoekende hoogwaardigheidsbekleders. Hij voert langs Umeå’s architectonische wonderen en langs zebrapaden met verkeersborden voor ‘vrouwen die oversteken’. (Zowel Dalén als Gustafsson waren verguld toen het gemeentelijke team voor verkeersborden hen vertelde dat ze de borden speciaal zo hadden geplaatst dat het niet lijkt alsof het bord met de ‘overstekende vrouw’ wordt ‘achtervolgd’ door dat met de ‘overstekende man’. Maar vervolgens moest het team schoorvoetend toegeven dat het hen niet gelukt was om dat consequent door te voeren. Het gaat om het idee.)

    ‘Sociale samenlevingen zijn een vaccinatie tegen vervreemding en criminaliteit’

    Zelf ben ik een beetje teleurgesteld dat ik niet in een Scooby Doo-achtige Mystery Machine-bus stap, versierd met psychedelische portretten van Gloria Steinem. Aangezien ik vandaag de enige bezoeker ben op de tour, rijden we in een elektrische stadsauto. De eerste stop is een prototype genderbewuste bushalte. Deze beschikt over houten pods die kunnen ronddraaien, zodat je je ofwel van anderen kunt afwenden, ofwel vanuit de veiligheid van je cocon met anderen kunt praten. De pods reiken niet helemaal tot aan de grond, zodat je van een afstandje kunt zien of er iemand bij de bushalte staat. Je kunt je er dus ook niet in ‘verstoppen’. ‘Sociale samenlevingen zijn een vaccinatie tegen vervreemding en criminaliteit,’ zegt Dalén.

    Bij zulke projecten wordt rekening gehouden met ieders behoeften. Dat de bushaltecabines niet is afgesloten, is omdat uit onderzoek bleek dat de Zweden – zowel mannen als vrouwen – zelfs bij vriestemperaturen ver uit de buurt van een bushalte met glazen wanden blijven. Ze staan ​​liever alleen in de kou dan dat ze in een comfortabelere temperatuur naast iemand anders moeten plaatsnemen: ‘Mensen hier houden niet van afgesloten ruimtes of de nabijheid van anderen.’ Maatregelen rondom gendergelijkheid gaan dus niet alleen over het helpen van vrouwen, maar houden ook rekening met bredere sociale en culturele gewoonten. 

    Geografie en klimaat speelden een grote rol bij de acceptatie van deze experimentele ideeën door de bevolking van Umeå. Het kan er sneeuwen van oktober tot april, en vorig jaar daalde de temperatuur in februari tot -38 °C. ‘Een heel gebruikelijke temperatuur is -5 °C,’ zegt Gustafsson. Dit koude weer speelt vrijwel altijd een grote rol in beslissingen. Zo hangen de cabines bij de bushalte aan een mechanisme dat opzij kan worden geschoven, zodat een sneeuwploeg erlangs kan om het wegdek schoon te vegen. ‘Maar daarop focussen, betekent voorrang geven aan mannen,’ vertelt Janet Ågren, locoburgemeester van Umeå, me later. Het zijn namelijk vooral de mannen die de auto pakken, terwijl de vrouwen, zo blijkt, vaker gebruikmaken van wandelpaden en het openbaar vervoer. Als er al weerstand is geweest tegen gendergerelateerde initiatieven in de stad, vertelt Gustafsson, dan heeft die vaak betrekking op de prioriteit voor sneeuwruimen. ‘Deze strategieën [het herverdelen van budgetten ten gunste van vrouwen] zijn geen geheim,’ zegt ze lachend. ‘Maar het sneeuwruimen blijft gewoon een gevoelige kwestie, waar altijd veel aandacht naar uitgaat.’

    ‘We zijn erg op elkaar aangewezen; we moeten elkaar wel vertrouwen’

    Je voelt hier over het algemeen een sterke strijdlust en bewijsdrang. ‘Het is een afgelegen plaats, ver van Stockholm,’ zegt Ågren. De hoofdstad ligt 640 kilometer naar het zuiden, een treinreis van zes uur. ‘Als er een probleem is, moeten we het zelf oplossen. We zijn erg op elkaar aangewezen; we moeten elkaar wel vertrouwen. De criminaliteit is zeer laag. Dat is niet gemakkelijk vol te houden, al helemaal niet omdat er elk jaar duizend mensen komen en gaan vanwege de universiteit. Maar in principe zorgen we goed voor elkaar.’ Umeå is de hoofdstad van de provincie Västerbotten, een gebied groter dan Denemarken of Nederland, met uitgestrekte wildernisgebieden. De EU Regional Social Progress Index bevat vijftig afzonderlijke kenmerken die goed leven definiëren, zoals gezondheid, invloed en ontwikkelingsmogelijkheden. Västerbotten is de regio met de hoogste score binnen de EU.

    ‘Noord-Zweden is dunbevolkt,’ aldus Dalén. ‘Er bestaan ​​veel vooroordelen over ons, zoals dat hier niets is dan bossen. Maar we behoren tot de tien grootste steden van Zweden.’ Desondanks toont het traditionele wapen van de provincie een rendier aan de nachtelijke hemel, drie vissen en een ogenschijnlijk prehistorische man met een knuppel. ‘Er bestaat een beeld van “de eenzame man in het bos op zijn sneeuwscooter”,’ zegt Gustafsson. ‘Maar wij zijn een moderne, feministische stad. Voor mij staat de vraag centraal: wat betekent het om een ​​vrouw te zijn in het Noorden?’

    Andere hoogtepunten van de bustour zijn de eerste kleuterschool in Umeå, opgericht in 1966, jaren vóór de Zweedse wet op de kleuterschool in 1975 die de weg vrijmaakte voor gesubsidieerde kinderopvang voor kinderen van één tot vijf jaar. ‘Dat ging niet van een leien dakje. Er was veel weerstand,’ zegt Gustafsson.

    Om de hoek ligt het voetbalstadion van Umeå, met negenduizend zitplaatsen. Eind jaren negentig werd besloten de trainingsuren te verdelen op basis van het voetbalteam – mannelijk of vrouwelijk – dat de meeste kans had om de competitie te winnen. Voorheen kreeg het mannenteam automatisch voorrang bij de trainingsuren, ongeacht hun succes. Ook hierop volgde veel protest. Maar aan het begin van deze eeuw had Umeå het beste vrouwenvoetbalteam van Zweden, met daarin de Braziliaanse Marta Vieira da Silva (‘de beste vrouwelijke voetballer aller tijden’) en won het tweemaal de UEFA Women’s Champions League, in 2003 en 2004. Bij het succes van het vrouwenteam begon de buitenlandse interesse in Umeå als feministische casestudy. In 2004 kopte Dagens Nyheter, het grootste weekblad van het land: ‘Hoe Umeå een succesvol feministisch bolwerk werd’. Het lot van het vrouwenvoetbalteam (dat uiteindelijk verloor) illustreert het principe achter Umeå’s op gelijkheid gerichte sociale model. Het gaat er niet om dat de ene groep structureel wordt bevoordeeld boven de andere – dat zou geen gelijkheid zijn – maar om het creëren van een gelijk speelveld, zodat iedereen dezelfde kansen krijgt.

    Veilige openbare ruimtes

    Dit principe van gelijkheid geldt ook bij de volgende halte van de tour: de tunnelinstallatie bij het treinstation, de Lev! (Zweeds voor ‘Leef!’). Deze doorgang voor voetgangers en fietsers baadt in het licht en je kunt er gemakkelijk doorheen kijken; er zijn geen hoeken. ‘Dit is een ruimte tegen geweld. Het is een ruimte die een gevoel van veiligheid biedt,’ legt Gustafsson uit. ‘We kunnen niet beloven dat er nooit iets zal gebeuren. Je kunt geen gecertificeerde “veilige ruimte” bouwen. Waar het om gaat is dat vrouwen niet bang zijn voor openbare ruimtes. Ze zijn bang voor mannen in de openbare ruimte.’ Veilige openbare ruimtes zijn voor haar niet alleen noodzaak, maar ook een statement: ‘Deze ruimtes zijn van ons – wij betalen er ook belasting voor.’ Op de glazen tegels van de tunnel staan citaten van de dichter Sara Lidman (‘Ik wil de sneeuw zien branden’) en er is een opname van haar stem te horen. ‘Vrouwen voelen zich meer op hun gemak als ze de stem van een andere vrouw horen. Daarom vermijden ze deze tunnel niet.’ 

    Ik realiseer me plotseling dat ik precies dat deed: deze tunnel vermijden. Op mijn eerste dag in Umeå, toen ik bij het station aankwam, was mijn natuurlijke instinct om via de drukke weg erboven over te steken. Dit is dus precies het soort ingesleten mentaliteit – een ‘veiligere route’ kiezen die je statistisch gezien een groter risico oplevert – die deze initiatieven proberen aan te pakken.

    ‘Mensen praten over veiligheid,’ zegt Gustafsson, ‘maar voor mij is dat een te lage inzet. Is je ambitie echt dat vrouwen niet bang hoeven te zijn in openbare ruimtes? Die lat ligt te laag. Is het niet visionair om te zeggen: dit is een plek waar je jezelf kunt zijn? Uiteindelijk draait het erom dat we het leven voor iedereen zo aangenaam mogelijk maken. In de beginjaren van Umeå’s genderstudies aan de universiteit was de belangrijkste vraag: ‘Wie heeft de macht om de stad in te richten?’ Tot zo’n vijftig jaar geleden luidde het antwoord natuurlijk: mannen. ‘De vragen die we nu stellen, zijn van een andere aard: Wie bezoekt dit park? Wie maakt gebruik van dit fietspad? Wie doet mee aan dit gesprek? Wie wordt buitengesloten? Waarom is die groep ondervertegenwoordigd in deze dialoog? Is de data die we hebben gesorteerd op gender? Natuurlijk doen we niet altijd alles perfect. Maar op politiek niveau hebben we een punt bereikt waarop er altijd wel iemand is die vraagt: ‘“Waarom ontbreekt dit?” Iedereen die hier betrokken is bij politieke, sociale of culturele besluitvorming is inmiddels gewend om te vragen: “Zijn we misschien iemand vergeten?” Een eenvoudige, bescheiden vraag, maar wel een die het verschil maakt.’

    Iedereen die hier betrokken is bij … besluitvorming is inmiddels gewend om te vragen: “Zijn we misschien iemand vergeten?”

    Zijn er ook mensen die het daar niet mee eens zijn, of zich ergeren aan de kosten van de artistieke tunnel en de glimmend rode poema? ​​‘Ik weet niet zeker of de gemiddelde burger weet dat deze maatregelen voortkomen uit gendergelijkheidsoverwegingen,’ antwoordt locoburgemeester Ågren. ‘Maar als je mensen vraagt ​​naar hun “veiligheidsgevoel” of hun gevoel “erbij te horen”, dan scoort Umeå heel goed in vergelijking met andere steden.’

    En hoe zit het met mannen? ‘Wat de tegenreactie van mannen betreft, die is volgens mij afkomstig van een paar individuen die zich buitengesloten voelen,’ zegt Mikael Brändström, directeur ontwikkeling bij de gemeente Umeå. ‘Maar die stemmen zijn zeldzaam, en ik heb gemerkt dat veel mannen, vooral jongere generaties, de voordelen inzien van een meer gelijkwaardige samenleving. Persoonlijk zie ik dat deze inspanningen ons allemaal ten goede komen. Gelijkheid gaat niet alleen over eerlijkheid – het maakt het leven makkelijker. Wie wil er nou niet minder gedoe over wie er aan de beurt is om het voetbalveld te gebruiken?’

    Volgens Gustafsson is de sleutel tot het omarmen van al deze ideeën voor de meeste mensen het feit dat ze simpelweg gebaseerd zijn op gezond verstand. ‘Toen een Italiaanse collega me een keer aan iemand voorstelde en uitlegde wat we doen, was haar toelichting: “Hun methoden zijn niet ingewikkeld. Ze doen gewoon wat ze moeten doen.”’

  • Onderzoek: Keltische stammen in de ijzertijd waren georganiseerd rond vrouwen

    Onderzoek: Keltische stammen in de ijzertijd waren georganiseerd rond vrouwen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Joe Biden in afscheidsspeech: ‘Verenigde Staten dreigen oligarchie te worden’

    » Israël en Hamas komen tot een staakt-het-vuren

    Dit maatschappelijk model is zeldzaam in de etnografie

    In de ijzertijd zijn in Groot-Brittannië samenlevingen geweest die rond vrouwen waren georganiseerd, zo is gebleken uit de analyse van 2000 jaar oud DNA. Dit bevestigen de verslagen van Romeinse historici, volgens een onderzoek dat woensdag is gepubliceerd in het tijdschrift Nature. Onderzoek op een reeks begraafplaatsen in Zuid-Engeland heeft uitgewezen dat de meeste personen die daar begraven liggen aan elkaar verwant waren via de moederlijn. Die lijn ging terug ‘op een enkele vrouw die een paar eeuwen eerder had geleefd’, legt geneticus Lara Cassidy uit, die het onderzoek leidde.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Aan de andere kant waren er bijna geen relaties via de vaderlijke lijn. ‘Dit vertelt ons dat echtgenoten zich na het huwelijk aansloten bij de gemeenschappen van hun vrouwen, waarbij land mogelijk werd doorgegeven via de vrouwelijke lijn,’ vertelt ze. In de etnografie is dit maatschappelijk model, dat bekendstaat als ‘matrilokaal’, zeldzaam en nooit eerder gedocumenteerd in het Europa van het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd.

  • Bedrijven in Duitsland uiten zich minder terughoudend tegenover de AfD

    Bedrijven in Duitsland uiten zich minder terughoudend tegenover de AfD

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ruimteprogramma van Verenigde Staten loopt verdere vertraging op

    » Zuid-Korea: president Yoon afgezet door zijn partij, die zijn vertrek eist

    Steeds meer bedrijven spreken zich uit over politiek

    ‘De AfD wordt steeds machtiger, heeft op veel plaatsen in het oosten de kracht van een nationale partij en zou recordresultaten kunnen behalen bij de federale verkiezingen,’ meldt Der Spiegel. Dat niet alleen de politieke oppositie, maar ook bedrijven hier op reageren, blijkt uit een enquête van het Duits Economisch Instituut (IW). Er hebben 905 bedrijven meegedaan aan de enquête.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Bijna twee derde van de bedrijven die het als hun plicht ziet om zich ook met niet-economische beleidskwesties bezig te houden, wijst ook de verantwoordelijkheid toe aan hun belanghebbenden om zich actief uit te spreken tegen de AfD,’ aldus Knut Bergmann, hoofd van het hoofdstedelijke kantoor van het IW, volgens de krant Rheinische Post.

    Iets meer dan de helft van de bedrijven beschouwt de politieke tegenstand tegenover de AfD als de verantwoordelijkheid van de politiek en verenigingen. Of en welk politiek standpunt bedrijven uiten, ziet de helft van de ondervraagde bedrijven als een privézaak. In West-Duitsland zien meer bedrijven het als een plicht, aldus Der Spiegel.

  • De pornoparadox

    De pornoparadox

    Hervormers vrezen dat steeds meer buitensporige pornosites de verlangens van gebruikers vervormen. Maar het overschrijden van grenzen is altijd een deel van de aantrekkingskracht geweest.

    Sommige mensen vinden dat inhoud altijd vrij moet zijn, net als mensen zelf. Die gedachte lijkt te worden bevestigd door de ruim 9 miljard bezoeken per maand aan pornowebsites en ‘tubes’, waar professionals en amateurs seksvideo’s uploaden die anderen kunnen bekijken, op elk gewenst tijdstip en zonder ervoor te betalen, zoals veel lezers waarschijnlijk al weten.

    Werkt non-stop gratis porno bevrijdend? Of beperkt het ons en maakt het ons minder menselijk? Het is een van de hedendaagse vragen die sociologe Kelsy Burke onderzoekt in The Pornography Wars: The Past, Present, and Future of America’s Obscene Obsession [De Pornografieoorlogen: verleden, heden en toekomst van de obscene obsessie van Amerika]. Het antwoord hangt af van hoe je ‘ons’ definieert, want pornoproducenten – net als andere content makers die in digitale sweatshops werken komen er nauwelijks van rond. Pornhub trekt weliswaar meer bezoekers per maand dan Netflix of TikTok, maar volgens een online gids voor beginnende porno-ondernemers levert een video met een miljoen views nog geen 500 dollar op.

    Anders dan in de jaren zeventig en tachtig – de hoogtijdagen van XXX-films met meerdere draaidagen en budgetten voor catering, en met grote winsten en florerende sterren – genereert de nieuwe porno-economie haar inkomsten hoofdzakelijk uit advertenties. Dat geld komt ten goede aan de eigenaars van de sites, niet aan de makers. De betaalsite OnlyFans levert slechts enkele sterren veel geld op, maar voor de meeste valt dat nogal tegen: pornoacteurs worden als het ware dubbel genaaid. Daarom creëren ze nu nieuwe content, laat Burke zien: een-op-eeninteractie met klanten in ‘camming’-sessies bijvoorbeeld, als aanvulling op content waarvoor ze amper betaald worden. En ook dat materiaal komt dan vaak weer op gratis sites terecht.

    Gepolariseerd

    Of de alomtegenwoordige pornografie ons degradeert of juist emancipeert, hangt ook af van met wie je erover praat, aldus Burke. Ze is minder geïnteresseerd in porno als zodanig dan in de aanhoudende discussie erover. De discussie over het feit dat pornoconsumptie slecht is voor de gezondheid, is alleen maar verder gepolariseerd sinds het Congres in 1842 de eerste van talloze niet-werkende maatregelen aannam tegen de verspreiding van obsceen materiaal.

    In haar veelomvattende boek begeeft Burke zich tussen pornoproducenten, kijkers, activisten en diverse deskundigen (inclusief zelfbenoemde experts). De kern van haar project wordt gevormd door interviews met een kleine, niet-willekeurige selectie van betrokkenen bij de pornostrijd: 52 ondervraagden die antiporno zijn en 38 die zij ‘pornopositief’ noemt. Burke benadert de geïnterviewden ‘eerder nieuwsgierig dan oordelend’ en laat ze hun tegengestelde opvattingen meestal op papier uitvechten; daarbij trekt ze de mythes van beide kanten in twijfel en signaleert ze waar de uiteenlopende overtuigingen soms samenkomen.

    De antipornogroep is grotendeels mannelijk, religieus en verbonden aan hulpprogramma’s voor pornoverslaafden. Er zitten zowel cliënten als clinici bij, en Burke sprak ook met niet-gelieerde bekeerlingen en activisten. Die beweren dat kijken naar porno fysieke en emotionele schade toebrengt. Velen denken zelfs dat kijken naar porno biologisch verslavend is, onze hersenen binnendringt en onze grijze massa verandert. Of dat de reactie van het dopaminesysteem op online porno dwangmatig gedrag in de hand werkt. Er zijn meer dan genoeg wetenschappelijk klinkende theorieën. Hier merkt Burke op dat ze geen definitief bewijs heeft gevonden voor dergelijke neurobiologische beweringen.

    Maar, zegt ze, het is ook een lastig onderwerp om onder laboratoriumomstandigheden te bestuderen: een subjectief onderwerp als gedragsverslaving valt ‘nagenoeg onmogelijk’ te beoordelen met objectieve metingen zoals hersenscans. En, zoals de socioloog Gabriel Abend het ooit zei: onderzoekers zijn nooit neutraal of objectief over de moraliteit van menselijk gedrag. Zijn onze hersenen zo gemaakt dat mannen seks gescheiden zien van romantiek, terwijl vrouwen ervan dromen de twee op gelukzalige wijze te verenigen? Het antwoord op die vraag laat Burke over aan Cordelia Fine, een psychologe die haar carrière besteedt aan het ontkrachten van dergelijke theorieën; Fine bedacht er de term neuroseksisme voor.

    Bij de antiporno-ondervraagden van Burke – een ‘opmerkelijke alliantie’ die evenredig politiek-ideologisch verdeeld is, merkt ze op – is ook een seculiere groep feministen die meer leunt op argumenten over vrouwenhaat en de verwording van seks tot handelswaar. Er is volgens hen geen aandacht voor het plezier van vrouwen, of dat plezier wordt geveinsd om mannen te behagen. Ook daar keert Burke zich tegen. Zij noemt dit ongefundeerd activisme dat slechts steunt op persoonlijke opvattingen over goede en slechte seks en ideeën over ‘hoe authentieke seksualiteit voor vrouwen eruit zou moeten zien’.

    Zelfs de discussie over pornoverslaving, merkt ze scherpzinnig op, weerspiegelt genderongelijkheid. Een vrouw die van porno houdt wordt eerder als ziekelijk weggezet dan een man die van porno houdt: haar voorkeur wordt gezien als een teken van trauma of slachtofferschap in het verleden. Bij mannen, schrijft Burke, wordt overdadige aandacht voor porno vaak toegeschreven aan een sterke geslachtsdrift en worden hun pogingen om ervan af te kicken gezien als een bewijs dat ze hun driften kunnen beheersen.

    ‘We nemen onze kinderen ook niet mee naar Fast and the Furious met de verwachting dat ze dan leren rijden als Vin Diesel’

    Burke richt zich in het bijzonder op het groeiende aantal mannelijke millennials dat het ‘fappen’ – een klanknabootsing voor masturbatie – wil overwinnen. (Een forum op Reddit met de naam NoFap heeft bijna een miljoen volgers.) Een opvallende onthulling in het boek is hoe zwaar de retoriek over pornoverslaving is in de wit-nationalistische en online subculturen, waar de alomtegenwoordigheid van porno wordt toegeschreven aan liberalen, feministen, socialisten en Joden; voor deze meute zijn dat inwisselbare schurken. En dat terwijl veel liberale feministen en Joodse socialisten ongetwijfeld zelf verontrust zijn dat porno kijken bij jonge mannen de plaats inneemt van daadwerkelijke seks en echte relaties.

    Burke bezit de gave om buitengewoon onverstoorbaar te blijven over zelfs de meest heikele onderwerpen, inclusief de vraag of kinderen – die naar verluidt voor het eerst worden blootgesteld aan online porno op de leeftijd van tien tot vijftien jaar – worden beschadigd door pornografie. Het is een zorg die de beide kampen het dichtst bij elkaar brengt. ‘Alle opvoeders, therapeuten, religieuze leiders en activisten die ik interviewde, ongeacht hun standpunt over porno zijn het erover eens dat het slechte seksuele voorlichting oplevert’, schrijft ze, vooral het gratis gestreamde spul waartoe kinderen het gemakkelijkst toegang hebben. Iedereen benadrukt de noodzaak van betere communicatie tussen ouders en kinderen over porno. Dat geldt ook voor Andre Shakti, sekswerker en seksuele opvoeder, die overigens wel benadrukt dat porno entertainment is en geen handleiding: ‘We nemen onze kinderen ook niet mee naar Fast and the Furious met de verwachting dat ze dan leren rijden als Vin Diesel.’

    Tegenstanders van pornografie die verontrust zijn over de normalisering van handelingen als klaarkomen in het gezicht, waardoor tienermeisjes zich onder druk gezet kunnen voelen om eraan mee te moeten doen, vinden dat de gevaren van porno al vroeg moeten worden ingeprent (‘Zie je een “erge” foto, blijf dan niet kijken, maar keer je ervan af en praat erover!’). Sommigen zijn er voorstander van om ’s nachts alle elektronische apparaten uit slaapkamers van kinderen te verwijderen – het digitale equivalent van het victoriaans aanprijzen van gadgets tegen masturbatie.

    De ‘sekspositieve’ benadering, voortkomend uit bezorgdheid over dates en seksueel geweld, moedigt ‘pornogeletterdheid’ aan in plaats van vermijding, en steunt ouders in gesprekken met tieners over het verschil tussen echte seks en porno. De progressieven en sociale wetenschappers met wie Burke praat zijn doorgaans realisten. Seksueel expliciete media zijn er in overvloed in onze samenleving, vinden ze, en porno is niet de enige bron van vrouwenhaat en slechte seks; de prioriteit moet liggen bij het onderwijzen van instemming en context. Conservatieven (van zowel religieuze als seculiere snit) benadrukken de schadelijkheid: ‘Pornografie dringt je hersenen binnen en richt daar schade aan’, aldus een christelijk prentenboek voor kinderen vanaf zes jaar.

    Fantasie

    De ‘pornopositieve’ geïnterviewden, van wie de meesten vrouw en seculier zijn, leggen over het algemeen de nadruk minder op pornoconsumptie dan op de productiekant van de industrie. Burke sprak met sekswerkers en activisten die zich verzetten tegen de recente vermenging van de antipornobeweging met de beweging tegen mensenhandel, waardoor alle sekswerk met mensenhandel wordt gelijkgesteld. Dat sluit instemming uit – een vorm van paternalisme waar ook Burke tegen is. Ondertussen maken activisten bezwaar tegen het besluit van creditcardmaatschappijen om hun banden met Pornhub te verbreken. Hun argument is dat de winst van Pornhub, afkomstig van advertenties, niet noemenswaard zal verminderen, evenmin als het aantal video’s waarbij geen sprake is van instemming. Maar die stap heeft wel directe gevolgen voor legale, bewuste pornomakers van wie velen zich juist tot het internet hebben gewend op zoek naar meer veiligheid en controle over hun werk.

    Burke sprak met een feministische pornograaf voor wie controle over de camera een manier is om haar eigen seksualiteit te herwinnen. Ook sprak ze met een groep die de branche wil hervormen en die een ‘Makershandvest’ heeft gepubliceerd, waarin instemming prioriteit heeft. Het probleem, zo erkennen ze, is dat de ‘feministische’ en ‘ethische’ porno die door progressieve pornografen wordt geproduceerd, uiteindelijk als de zoveelste niche op pornosites belandt, en het daar moet opnemen tegen ‘anaal’ en ‘Aziatisch’. Niemand mag overigens concluderen dat hervormers daadwerkelijk de porno-industrie hervormen: Burke heeft een aantal huiveringwekkende en ongetwijfeld veelvoorkomende verhalen over seksuele en financiële uitbuiting van jonge vrouwen die proberen door te breken in de business. Ze lenen zich bij uitstek voor manipulatie door iedereen die zichzelf ‘manager’ noemt en zich daarbij onder andere tot taak stelt zelf de mannelijke hoofdrol te spelen in de eerste film van zijn cliënt.

    Een ander probleem voor wie zich ‘ethisch’ door het doolhof van online porno probeert te bewegen, is dat onze seksuele verlangens niet altijd stroken met onze waarden of opvattingen. Een queer feministische socioloog betreurt het dat ze minder opgewonden raakt van vertrouwde feministische porno dan van de ranzige mainstream porno, terwijl ze zich heel bewust is van seksisme, racisme en slechte werkomstandigheden. Een christelijke vrouw die vertelt verslaafd te zijn aan masturbatie, moest zelfs stoppen met het kijken naar libido-schadende series als The Handmaid’s Tale, omdat ze vreesde opnieuw de fout in te gaan. Dat is het probleem met fantasie: alles kan porno zijn. En porno die jou opwindt komt niet noodzakelijk overeen met de seksuele identiteit die je omarmt. Denk maar aan de schrijnend hilarische scène in The Kids Are All Right waarin twee lesbische moeders naar porno met homomannen kijken om hun seksleven op te peppen. In 2017 zei Pornhub dat 37 procent van de personen die naar porno met mannelijke homo’s kijken, vrouw was.

    Porn-on-demand belooft overvloed, onbegrensdheid en misschien zelfs wel enige transcendentie

    Net zoals ik zelf soms verwonderd ben over mijn keuzes voor bepaalde onderwerpen, vraag ik me altijd af welke persoonlijke drijfveer achter ogenschijnlijk wetenschappelijke boekprojecten schuilt. Burke laat ons niet in het ongewisse over die van haar. Als wedergeboren christen ontdekte ze in haar tienertijd dat ze graag naar de verstopte Playboys van haar vader keek, wetende dat ze ‘de zonde van de lust’ beging. Bovendien werd ze belaagd door homoseksuele fantasieën, ofwel ‘homoseksuele perversie’ in de taal van haar gezindte. Nu ze volwassen is, wijdt ze haar academische carrière aan het navigeren tussen diezelfde uitersten. ‘Sociologie werd het instrument dat ik gebruikte om niet alleen mijn seksualiteit en geloof te begrijpen, maar ook de hardnekkige wijze waarop seks en religie meer in het algemeen botsen in de Amerikaanse cultuur en politiek.’

    Hoewel ik blij ben voor Burke dat ze dit dilemma zo productief weet aan te pakken, vraag ik me ook af of die tienerverboden niet tot bepaalde conceptuele lacunes hebben geleid toen ze haar onderzoek in kaart bracht. Door haar focus op de tegenstellingen zoek je in haar boek tevergeefs naar iemand – man of vrouw – die gewoon van porno houdt zonder er een therapeutische missie of een zaak van te maken. Ook leer je van Burke niet veel over de werkelijke inhoud van porno, hoewel ze na bestudering concludeert dat porno uit de eenentwintigste eeuw gewelddadiger is dan die van vroeger, en dat de slachtoffers van dat geweld onevenredig vaak uit gemarginaliseerde groepen afkomstig zijn. (De populaire cultuur in het algemeen is natuurlijk ook gewelddadiger geworden, maar dat wordt niet vermeld.) Details die wel naar boven komen suggereren enkele interessante thema’s die onaangeroerd blijven. In 2014 behoorde incestporno tot de top van de zoekopdrachten op Pornhub, merkt ze terloops op. Je zou kunnen zeggen – buiten het feit dat sexy stiefmoeders een eeuwige fantasie zijn – dat porno er altijd al op was gericht taboes te doorbreken en onfatsoenlijk te zijn. Wellicht is dat iets wat wij regelzieke mensen leuk vinden.

    Alsof te veel naar porno kijken nog steeds verboten zou zijn, wil Burke niet al te veel nadenken over de waaromvraag, afgezien van de mogelijkheden tot fappen die al die toegewijde kijkers geboden wordt. Je zult haar niet betrappen op de vraag of er misschien meer complexiteit en emotionele verlokkingen ten grondslag liggen aan deze ervaring, of misschien zelfs wel enkele diepere menselijke verlangens.

    Die verlokkingen brengen me bij dat andere onderwerp waarvan ik verwachtte dat Burke het zou aansnijden, gezien de grondige religiositeit die haar werk doordringt: het terrein dat porno en religie delen. Zeker, religie biedt doelen en troost die vreemd zijn aan porno. Toch richten beide zich op een gemeenschappelijk verlangen om buiten onszelf te treden, om los te komen van deze wereld, al is het maar tijdelijk. Porno hoeft niet alleen letterlijk genomen te worden: vrouwen kunnen fantaseren over man zijn en andersom en ze kunnen fantaseren over op andere potentieel bevrijdende en gevaarlijke manieren in opstand komen. Porn-on-demand belooft overvloed (wat je maar wilt, wanneer je het maar wilt), onbegrensdheid (een wereld zonder remmingen), en misschien zelfs wel enige transcendentie of anders op z’n minst een nooduitgang.

    In een essay genaamd Tongues Untied: Memoirs of a Pentecostal Boyhood [Losgemaakte tongen: jongensjaren bij de Pinkstergemeente] schrijft de literator en queer theoreticus en inmiddels atheïst Michael Warner van Yale dat ‘religie dingen bewerkstelligt waarbij de seculiere cultuur hooguit alleen maar in de buurt kan komen’. Zonder religie te willen reduceren tot seks, vindt hij net als anderen overlappingen bij onder meer Georges Bataille en Harold Bloom. Religie biedt verrukking; ze ‘stelt een taal van extase beschikbaar’, geeft ons de ‘stroboscopische afwisseling van genot en verwoesting’. Net als seks in zijn meest intense vorm.

    Hoewel het christendom in het verhaal van Warner altijd behoorlijk queer is (‘Jezus was mijn eerste vriendje’), klinken de worstelingen van zijn tienerjaren als die van Burke. De ‘twee soorten extase’ die in de aanbieding waren, vormden ook voor hem een kwellend dilemma; het was ondraaglijk om elke nacht te moeten kiezen tussen orgasme en religie; ‘Ik was er zeker van dat God niet wilde dat ik klaarkwam.’ Tegelijkertijd bood de viering van extase middels religie een manier om ‘overtredingen tegen de normale orde van de wereld’ te zien als iets goeds.

    Utopie

    Burke kiest een minder zondige weg om zich met haar eigen innerlijke tegenstrijdigheden te verzoenen. Het anti- en pro-pornokamp zetten zich eigenlijk voor hetzelfde in, concludeert ze: ‘Mensenrechten, seksuele instemming en een bevredigend leven.’ Iedereen streeft naar ‘echte en authentieke seksualiteit’ en wil zich losmaken van de ‘nepseks die ons omringt’. Ze biedt een geruststellend perspectief, en ongetwijfeld is de authenticiteit van tedere, zorgzame seks met een ander zeer aan te bevelen. Maar voor velen is dit buiten bereik, en klinkt het ook een beetje saai.

    Het immense pornopubliek suggereert dat velen van ons ook nog graag even wat uitstel van authenticiteit willen. Porno biedt een wereld waarin je niet hoeft stil te staan bij de persoonlijkheid en verwachting van anderen, een wereld waarin (nog fantastischer) mannen en vrouwen in bed dezelfde dingen willen, een wereld ook waarin net als in het freudiaanse onbewuste geen ‘nee’ of seksuele remmingen bestaan. Het is een utopie in de ware zin van het woord: een wereld die niet bestaat.

    We zullen nooit in een wereld leven waarin de grote porno-oorlog zal zijn beslecht, noch in een wereld waarin de seksuele moraal zegeviert, of in een zonder seksuele verboden. De strijdenden zelf zijn zich hier goed van bewust, ontdekte Burke tijdens haar interviews. Niemand denkt het gevecht te zullen winnen. Waar beide kampen het wel over eens zijn, is dat iedereen beter af zou zijn zonder pornosites die je gratis kunt streamen. Nu de gebruikers nog overtuigen.

  • Catalaanse stichting verspreidt ‘handleiding’ om Catalaans te promoten

    Catalaanse stichting verspreidt ‘handleiding’ om Catalaans te promoten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VN-resolutie eist ‘onmiddellijke’ terugtrekking van Rusland uit Oekraïne

    » Eerste sneeuwstormwaarschuwing in Los Angeles sinds 1989

    Catalonië voert al jarenlang actie voor het Catalaans

    In Catalonië is er een campagne gaande om het exclusieve gebruik van het Catalaans te promoten. De stichting Òmnium Cultural heeft op internet een handleiding gepubliceerd met argumenten die de Catalanen moeten overhalen alleen het Catalaans te gebruiken. De organisatie, die belast is met de bevordering en normalisering van de Catalaanse taal en cultuur, zou op deze manier van iedere Catalaan een taalactivist willen maken die het Spaans zo veel mogelijk links laat liggen en in iedere situatie het Catalaans gebruikt, aldus El Mundo.

    De handleiding bevat argumenten zoals ‘Catalaans is de taal van de plaats waar je woont’, ‘het gebruik van het Catalaans bevordert maatschappelijke integratie en participatie’ en ‘het getuigt van aanpassingsvermogen als je de taal spreekt van je woonplaats’. ‘Je wilt immers niet gezien worden als iemand die de taal niet kent of zich niet aan wil passen’, schrijft Òmnium Cultural.

    In Catalonië woedt al jarenlang een strijd om het Catalaans een voorrangsstatus te geven

    Misschien wel de meest controversiële uitspraak van het document, aldus El Mundo, is dat je niet naar een andere taal hoeft te switchen wanneer de ander het Catalaans niet verstaat. ‘Als ik op een andere taal overga, ontzeg ik de ander de mogelijkheid om de taal [het Catalaans] te leren’, valt te lezen in het document.

    Deze actie staat niet op zichzelf. In Catalonië woedt al jarenlang een strijd om het Catalaans een voorrangsstatus te geven ten koste van het Spaans. Vorige week nog bracht El Mundo een verhaal naar buiten over een vragenlijst die docenten aan sommige Catalaanse onderwijsinstellingen moesten invullen. Ze werden onder andere ondervraagd over de taal die ze het meest gebruikten en waarin ze thuis, met vrienden en op hun mobiel communiceerden. De enquête stuitte op flinke kritiek. Ze werd gezien als een schending van de privacy van de docenten.

    Lees ook:

  • ‘Ze hebben onze gemeenschap vergiftigd’

    ‘Ze hebben onze gemeenschap vergiftigd’

    Twee weken nadat een trein met giftige chemicaliën in een klein stadje in de Amerikaanse staat Ohio ontspoorde, is alles verre van normaal. Door de verwarrende mededelingen van de overheid is de angst onder de inwoners alleen maar toegenomen.

    In het ooit zo bloeiende industriestadje in de stille heuvels van oostelijk Ohio lijkt het deze week business as usual. Scholen zijn open, restaurants zijn open voor de lunch en over het spoor dat Market Street doorkruist, rijden weer treinen.

    Maar er zijn ook aanwijzingen dat alles verre van normaal is. Mensen ruiken aan het water dat uit de kraan komt, controleren zichzelf in de spiegel op huiduitslag en staren naar de vaalgroene vissen en kikkers die dood in de beekjes drijven. Overal hangt een geur die doet denken aan brandende autobanden, aan verbrand plastic vermengd met polystyreenlijm en nagellakremover.

    Het is bijna twee weken geleden dat een goederentrein van Norfolk Southern in East Palestine ontspoorde. Honderden inwoners mochten dagenlang het gebied niet in, omdat werkers de giftige chemicaliën die de trein vervoerde aan het verbranden waren. Sindsdien worden de meeste inwoners hier beheerst door angst.

    ‘Het geluid was altijd een soort van geruststellend,’ zegt Traci Mascher over het geloei van de treinen die door de stad razen. Ze woont er met drie van haar kleinkinderen. ‘Nu geeft het nare associaties.’

    Kinderen van andere gezinnen gaan alweer naar school, maar Maschers kleindochters hebben onlangs huiduitslag gekregen. Traci en Greg vragen zich af in hoeverre hun gezondheid gevaar loopt als ze in de stad blijven. Sinds ze met eigen ogen de monsterlijke rookpluim boven de daken hebben zien hangen, hebben ze geen nacht meer thuis doorgebracht.

    De familie Mascher woont al drie generaties lang in East Palestine, maar Greg Mascher (61) praat er nu over alsof het vreemd gebied voor hem is. ‘Ik ben de weg kwijt,’ zegt hij. ‘Totaal de weg kwijt.’

    Onbekend

    Wat de ongeveer 4700 inwoners van de stad misschien nog het meest beangstigt, is dat er nog zoveel onbekend is. Gevaren die op korte termijn kunnen worden aangepakt zullen mogelijk jaren later alsnog een bedreiging vormen. Om de oorzaken en gevolgen van het incident werkelijk te begrijpen, moet er volgens deskundigen uitgebreider onderzoek worden verricht dan tot nu toe is gedaan.

    Het lokale vertrouwen was al niet groot in deze stad die al tientallen jaren gebukt gaat onder de sluiting van fabrieken en bedrijven. Door schijnbaar steeds veranderende mededelingen van regerings- en spoorwegfunctionarissen heeft dit vertrouwen nu een extra deuk opgelopen. Geruchten en vermoedens over het ongeluk doen de ronde op Facebook en TikTok, en in de stad zelf speculeren buren er met elkaar over vanuit hun achtertuinen en pick-uptrucks.

    Op de ‘open dag voor informatie’ die de gemeente op 15 februari in de gymzaal van de East Palestine High School organiseerde, liepen de spanningen dan ook hoog op. Enkele uren voordat de bijeenkomst begon, kondigde Norfolk Southern aan niet aanwezig te zullen zijn. ‘Aangezien het steeds waarschijnlijker wordt dat ook externe partijen aanwezig zullen zijn, maken we ons zorgen over de toenemende fysieke bedreigingen aan het adres van onze werknemers (…),’ aldus een woordvoerder. Het bedrijf gaf geen verdere details over de aard of oorsprong van de bedreigingen.

    Gefrustreerd door dit gebrek aan duidelijkheid, drongen inwoners er bij plaatselijke bestuurders op aan hen toch de gelegenheid te geven vragen te stellen. Ze willen meer zekerheid over de veiligheid van het water en hun huis. Ook willen ze weten hoe een dergelijk incident in de toekomst kan worden voorkomen en wat er gedaan wordt om de situatie in de stad te herstellen.

    Tijdens een persconferentie op 14 februari gaven staatsambtenaren de mensen in het gebied het advies om fleswater te drinken, vooral aan degenen wier water uit een eigen put komt. Een dag later liet het Ohio Environmental Protection Agency (EPA) weten ‘ervan overtuigd te zijn dat het leidingwater veilig is’, aangezien een reeks testen geen verontreiniging had aangetoond. Toch spoorde het agentschap mensen met een eigen waterput aan om het water eerst te testen.

    ‘Het is een soort oorlog tussen hebzuchtige grote bedrijven en een kleine Amerikaanse gemeenschap’

    Een deel van de trein met een lading gevaarlijke chemicaliën ontspoorde in de nacht van 3 februari. Er ontstond een huiveringwekkende kluwen van zo’n vijftig brandende treinwagons. Staatsambtenaren gingen akkoord met het verzoek van het bedrijf om een deel van de chemicaliën opzettelijk te verbranden; zo werd de kans op een explosie weggenomen die metaalscherven en giftige dampen de stad in had kunnen blazen. Vanwege de brand werden delen van de bevolking van East Palestine binnen drie dagen na de ontsporing gedwongen te evacueren. Een van de chemische stoffen aan boord was vinylchloride: een kleurloos, brandbaar gas dat bij inademing hoofdpijn en duizeligheid kan veroorzaken en na langdurige blootstelling het risico vergroot op een zeldzame vorm van leverkanker.

    Een woordvoerder verklaarde op woensdag dat het EPA 459 huizen had onderzocht en geen vinylchloride of waterstofchloride had aangetroffen. Maar een paar dagen daarvoor was een aantal inwoners erachter gekomen dat de trein meer giftige chemicaliën had vervoerd dan hun tot dan toe was verteld. Dit versterkte de overtuiging dat er informatie werd verzwegen. De woordvoerder zegde toe dat Michael S. Regan, hoofd van het EPA, donderdag naar East Palestine zou reizen om met staatsambtenaren, lokale ambtenaren en bewoners in gesprek te gaan.

    Nekslag

    ‘Ik vertrouw gewoon niemand meer,’ zegt Mike Routh (28), die werkzaam is als installateur van telefoonmasten. Hij staat op de parkeerplaats van de Abundant Life Fellowship-kerk in New Waterford, een stad die zo’n acht kilometer ten oosten van East Palestine ligt. De kerk is tijdelijk veranderd in een centrum voor hulpverlening en Norfolk Southern biedt duizend dollar om ‘de kosten van de evacuatie te dekken’. Routh twijfelt of hij het geld moet aannemen, want hij is bang dat het zijn kans op schadevergoeding beperkt in een eventuele toekomstige rechtszaak.

    Hij voorspelt dat het bedrijf zich zal vrijkopen en merkt op dat er binnen een paar minuten nadat het evacuatiebevel was opgeheven, alweer treinen door de stad reden. ‘Het is een soort oorlog tussen hebzuchtige grote bedrijven en een kleine Amerikaanse gemeenschap,’ aldus Routh. Hij en zijn vrouw overwegen voorgoed te verhuizen. ‘De stad begon net weer op te bloeien, maar dit is de nekslag.’

    Op woensdag verklaarde een woordvoerder dat Norfolk Southern fondsen opzij had gezet voor bewoners in het gebied, waaronder meer dan 1,5 miljoen dollar om de kosten van evacuatie te helpen dekken. Ook zou het aan sommige huishoudens luchtreinigers leveren en de criteria voor financiële steun hebben versoepeld.

    ‘Ik wil niet dat ik over tien of vijftien jaar kanker blijk te hebben’

    ‘We zullen worden beoordeeld op basis van onze daden,’ aldus Alan Shaw, president en algemeen directeur van Norfolk Southern. ‘We zijn het gebied op een milieuvriendelijke manier aan het opschonen, we compenseren de bewoners die door de ontsporing zijn getroffen en werken samen met leden van de gemeenschap om vast te stellen waar East Palestine behoefte aan heeft.’

    Maar de woede en frustratie van de stad zijn hiermee geenszins tot bedaren gebracht. ‘Ik wil gewoon niet dat ik over tien of vijftien jaar door hun fout kanker of iets dergelijks blijk te hebben,’ aldus Therese Vigliotti (47), die de nacht van het incident in de buitenlucht doorbracht. Naar eigen zeggen voelt ze nog steeds brandwonden op haar tong en heeft ze twee dagen lang bloed in haar ontlasting gehad.

    Tot nu toe richtte de meeste woede zich op Norfolk Southern. Ook lokale politici uiten publiekelijk kritiek op de spoorwegmaatschappij. Mike DeWine, de republikeinse gouverneur van Ohio, vindt het ‘absurd’ dat Norfolk Southern niet verplicht was om lokale ambtenaren in te lichten over de lading van de trein. DeWine riep het Congres op om maatregelen te nemen en dreigde juridische stappen te zetten als het bedrijf niet voor de opschoning betaalt.

    In een openbare brief zegt Josh Shapiro, een Democraat uit Pennsylvania, dat hij de ‘slechte aanpak’ van Norfolk Southern rondom de ontsporing betreurt. ‘Ze gaven er de voorkeur aan de spoorlijn snel te kunnen heropenen’, schrijft Shapiro, ‘Dat heeft onnodige risico’s met zich meegebracht en veel verwarring veroorzaakt.’

    De reactie roept bij veel inwoners het gevoel op te worden behandeld als inwisselbare slachtoffers van overmacht

    Op woensdag schreven vier senatoren – Sherrod Brown en J.D. Vance uit Ohio en Bob Casey en John Fetterman uit Pennsylvania – een brief aan het EPA waarin ze het agentschap vragen om meer informatie te verstrekken over hun plannen. Ook verzoeken ze het EPA op de ontsporing te reageren, willen ze weten wat de langetermijneffecten zijn voor het milieu en hoe de spoorwegmaatschappij aansprakelijk zal worden gesteld.

    Over twee weken wordt een voorlopig overheidsrapport verwacht waarin het onderzoek naar de ontsporing wordt beschreven. Volgens de National Transportation Safety Board is op camerabeelden van een nabijgelegen woning te zien dat een wiellager van de trein vlak voor de ontsporing oververhit raakte. Medewerkers gaan het wiel, de wagons en de treindocumenten onderzoeken.

    Een aantal medewerkers van de spoorwegvakbond en sommige omwonenden wijzen op de online gedeelde bewakingsbeelden van een bedrijf in Salem, Ohio, dat zo’n 32 kilometer bij de plaats van de ontsporing vandaan ligt. Daarop zou te zien zijn dat er vlammen onder de trein vandaan komen. De beelden werden voor het eerst gedeeld door The Pittsburgh Post-Gazette.

    Toen de trein uiteindelijk in East Palestine crashte, ‘was het alsof de poorten van de hel opengingen’, aldus Chasity Smith (40). Sindsdien kan Smith het niet laten om te blijven ruiken aan het kraanwater en het putwater dat haar paarden drinken. Sinds de ontsporing heeft ze vrachtwagens en arbeiders door het dorp zien scheuren en zich afgevraagd waarom ze zo’n haast maken met de aanleg van een nieuw spoor. Smith en haar buren willen eerst zeker weten of het wel veilig is om het water te drinken of zelfs maar om de lucht in te ademen.

    De reactie van Norfolk Southern en overheidsambtenaren op de situatie roept bij veel inwoners het gevoel op te worden behandeld als inwisselbare slachtoffers van overmacht. Op een straathoek in het centrum van East Palestine stond dinsdagmiddag een man met een spandoek met daarop de tekst: ‘Winst ten koste van mensen / Ze hebben onze gemeenschap vergiftigd.’

    De ochtend erna was op een andere straathoek een gezin te vinden – een vader, moeder en meisje van drie. Ze hadden posters bij zich die impliceerden dat het EPA de gecontroleerde verbranding van de chemicaliën alleen maar had opgezet zodat de treinen weer konden rijden: ‘Het EPA heeft een stad platgebrand om de spoorlijn te openen #OhioChernobyl.’

    Onder de plak

    ‘Ik denk dat het bedrijf genoeg geld heeft om grotendeels te bepalen hoe het nu zal gaan,’ aldus de moeder, die alleen met haar voornaam Melinda in de krant wil en zegt dat de regering volledig onder de plak zit bij de grote bedrijven.

    Alle huizen die je tegenkomt als je in zuidelijke richting de stad uit rijdt, zijn afhankelijk van putwater, aldus Russell Murphy (50), die op een boerderij een paar kilometer buiten East Palestine woont. Niemand in het gebied kan dat water nu drinken, en het is onduidelijk wanneer dat wel weer zal kunnen. Murphy en zijn vrouw vragen zich af of ze moeten verhuizen en wie in dat geval hun huis zal kopen.

    De Leslie Run is een beek die langs de voet stroomt van de heuvel waarop de Murphy’s wonen. Dinsdag zag Murphy vanaf een brug over het water de ene dode vis na de andere drijven; staatsambtenaren hebben in de waterwegen in de buurt van de ontsporing al 3500 dode vissen geteld.

    ‘Het water maakt me bang,’ zegt Murphy. Hij zegt dat ambtenaren kunnen blijven testen en beweren dat het veilig is, maar dat hij niet gelooft dat de vrijgekomen chemicaliën zomaar verdwenen zijn.

    ‘Wat gebeurt er over twee jaar?’ zegt hij. ‘Zullen er dan gevallen van kanker worden gemeld? Of over drie weken al, misschien? Ik weet niet hoe lang dat spul erover doet om zich in het lichaam te verspreiden.’

    Murphy ziet mensen om hem heen stickers maken met daarop de tekst ‘I Survived the Toxic Train Wreck 2/2/23’ [Ik heb het treinongeluk van 2/2/23 overleefd]. Maar, zegt hij met een cynische lach, het is nog veel te vroeg om daar zo zeker van te zijn.

    Lees ook: