Chinese jongeren


China wordt in het Westen gezien als winnaar van de nieuwe wereldorde, maar de jaren van onstuimige groei zijn voorbij. Voor de Chinese Gen Z voelt de droom van vooruitgang steeds minder overtuigend, en steeds meer jongeren onttrekken zich stilletjes aan de ambities van de staat.

Misschien wel de interessantste vraag in China op dit moment is niet wat de Communistische Partij voor ogen heeft, maar wat de generatie twintigers nog kan bereiken. Jongeren lijken niet meer mee te gaan in het Chinese succesverhaal. De economische boom is voor hen niet langer een belofte, maar verleden tijd. De kernbelofte van de partij – dat aanpassing en hard werken uiteindelijk worden beloond – is bij China’s Gen Z zo zwaar beschadigd dat het hen nauwelijks nog overtuigt. Hoewel het nog wel functioneert, zijn jonge Chinezen niet langer bereid zich kapot te werken voor het systeem.

De ironie van deze ontwikkeling is evident. Het Chinese systeem zou uitgerekend kunnen struikelen over een generatie die nauwelijks rebellie vertoont – minder nog dan generaties daarvoor. Met systeemcritici weet de staat wel raad, maar wat kan de overheid beginnen tegen miljoenen jonge Chinezen die zo moe zijn geworden van een voor hen ongrijpbaar verhaal dat ze zich eenvoudigweg aan de samenleving onttrekken – en daarmee aan de toekomstplannen van de regering?

China presenteert zich als een opkomende wereldmacht, met een nieuwe Zijderoute die mondiale toeleveringsketens hervormt, een groeiend militair zelfvertrouwen in de Stille Oceaan en een regering die zelfs de handelsoorlog met de Verenigde Staten onder Donald Trump niet schuwt – en mogelijk uiteindelijk wint. China lijkt winnaar te zijn van de nieuwe wereldorde.

Maar wie achter deze façade kijkt, ziet niet alleen triomf, maar ook onzekerheid. Als je jonge Chinezen vraagt hoe het met ze gaat, hoor je weinig klachten – maar evenmin veel vertrouwen in de toekomst. Tegenwoordig komen gesprekken bijna altijd uit op de vraag die ook veel jonge mensen in het Westen bezighoudt: hoe zal ik ooit een eigen woning kunnen betalen?

In China is die vraag echter nog existentiëler dan elders. Een woning is er niet slechts een plek om te wonen, maar een belangrijk statussymbool. Wil een man in China trouwen, dan verwacht de familie van de bruid dat hij een huis bezit. Alleen dan heb je het gemaakt.

De Chinese vastgoedcrisis heeft aanzienlijk meer vermogen vernietigd dan de wereldwijde financiële crisis van 2008

De Chinese vastgoedcrisis heeft aanzienlijk meer vermogen vernietigd dan de wereldwijde financiële crisis van 2008, volgens schattingen zelfs dubbel zoveel. Maar geldt in het Westen de crisis van 2008 als een traumatisch referentiepunt, de Chinese vastgoedcrisis wordt nauwelijks erkend – ook niet door de Chinese regering.

Volgens de lezing van de regering heeft de markt zich gestabiliseerd: alles onder controle, geen reden tot paniek. Maar de miljoenen Chinese gezinnen die jarenlang elke yuan hebben gespaard en in een van de talloze bouwprojecten hebben geïnvesteerd, voelen de gevolgen nog altijd. Jonge Chinezen kopen vandaag niet alleen minder woningen omdat ze die moeilijker kunnen betalen, maar ook omdat ze geen vertrouwen meer hebben in de belofte van eigendom.

Tot op de dag van vandaag leven duizenden Chinezen in onafgebouwde woningen waarvoor ze al hebben betaald, zonder water en elektriciteit, simpelweg omdat ze zich geen andere woonruimte kunnen veroorloven. Want de leningen moeten in veel gevallen gewoon worden afbetaald.

Wie in deze tijd in China opgroeit maakt geen deel uit van de generatie die in recordtempo uit de armoede werd geleid, of de generatie onder wie akkerland plaatsmaakte voor hogesnelheidstreinen, luchthavens en megasteden. Ze zien hoe het spaargeld van ouders, buren en kennissen eenvoudigweg verdampt – vermalen in het mechanisme van een natie op weg naar wereldmacht. Wat overblijft is het besef dat de inspanningen van hun ouders hen uiteindelijk weinig opleveren, terwijl niemand zich daar verantwoordelijk voor toont.

996

Toch moet deze generatie nu het roer overnemen. De economische motor moet draaiende worden gehouden – met lange werktijden, maximale beschikbaarheid en nauwelijks ruimte voor een privéleven. Al jaren wordt gesproken van 996; werken van negen uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds, zes dagen per week. Officieel is dit arbeidsmodel verboden, maar ondertussen is het voor veel jonge Chinezen de dagelijkse praktijk.

Onlangs nog ontstond er veel ophef door het verhaal van de jonge Chinese programmeur Gao Guanghui, die als teamleider werkte bij een Chinees softwarebedrijf. De druk van zijn leidinggevenden was zo hoog dat hij zichzelf nauwelijks pauzes of rust toestond en vrijwel onafgebroken werkte, vertelde zijn vrouw later. Uiteindelijk kreeg Guanghui op slechts 32-jarige leeftijd een hartaanval en overleed hij, vermoedelijk als gevolg van overwerk. Wat de Chinese onlinegemeenschap nog het meest schokte: tot acht uur na zijn dood bleef zijn telefoon overgaan door de nieuwe opdrachten die zijn leidinggevenden hem toewezen. Hoewel dit een uitzondering is, laat het goed zien welke eisen vooral aan de jonge generatie in China worden gesteld.

Tegelijkertijd zijn veel jongeren allang blij als ze überhaupt werk hebben gevonden. De jeugdwerkloosheid bevindt zich al jaren op een recordniveau en officiële statistieken worden nog maar beperkt gepubliceerd. Miljoenen afgestudeerden, die zich door een uiterst selectief onderwijs- en universitair systeem hebben geworsteld, staan na hun diploma voor de keuze om ofwel met hun eigen scooter eten te bezorgen, ofwel te leven van het geld van hun ouders. Wie wél een vaste baan vindt, accepteert vaak lange werktijden, slechte arbeidsomstandigheden en een geïsoleerd bestaan in een reusachtige, onbekende stad.

De Chinese economie lijkt minder te worden gedragen door nieuwe dynamiek dan door de nasleep van de groeijaren

Tegen deze achtergrond is te begrijpen dat onder China’s Gen Z de term ‘rattenmensen’ viraal gaat, waarmee wordt verwezen naar jongeren die zich uit het openbare leven terugtrekken, hun dagen in bed doorbrengen, leven van familiale steun en nauwelijks nog geïnteresseerd zijn in maatschappelijke deelname. Het is niet zozeer protest als wel berusting.

Dat de groeijaren afzwakken, wordt ook statistisch onderbouwd. Sinds de pandemie komt de Chinese economie nog maar moeizaam vooruit. Het groeidoel van vijf procent werd weliswaar officieel opnieuw gehaald, maar veel economen trekken dit cijfer in twijfel en schatten de werkelijke groei aanzienlijk lager. Maar het vooropgestelde doel moet worden gehaald; de belofte van voortdurende groei is al decennialang de sociale lijm van dit land.

De Chinese economie lijkt minder te worden gedragen door nieuwe dynamiek dan door de nasleep van de groeijaren. Ambitieuze plannen rond AI en robotica moeten voor nieuwe impulsen zorgen, maar die blijven vooralsnog uit. De economie blijft draaien, maar zonder veel elan.

Precies hierin schuilt het werkelijke probleem voor de Chinese staat. Niet in protesten, niet in kritiek, niet in actief verzet van de bevolking, maar in een stille weigering. Wie niets meer verwacht, laat zich immers ook niet mobiliseren. En nietsdoen laat zich aanzienlijk moeilijker verbieden dan rebellie.

Moe

Het land is niet te zwak, te arm of te verdeeld. Het is moe. En zo’n vermoeidheid laat zich niet zomaar verhelpen; ze onttrekt zich aan ieder vijfjarenplan. Dat is de grote ironie. Juist een generatie die zo apolitiek en zo weinig rebels is, stelt het Chinese systeem voor een van de grootste uitdagingen sinds de oprichting van de Volksrepubliek.

De Chinese opkomst was een collectief project. Het werd gedragen door de overtuiging dat morgen beter zou zijn dan vandaag en dat inzet – en vooral aanpassing aan een autoritair systeem – zich uiteindelijk zou uitbetalen. In het China na de boomjaren draait het niet langer vooral om groei of macht, maar om een andere vraag: kan de leiding een vermoeide generatie weer overtuigen dat inzet loont?

Het is nu zaak de vruchten van de groei rechtvaardig te verdelen. Daarmee voegt China zich bij andere Aziatische landen die na jaren van extreme groei in een periode van vermoeidheid belandden. Japan kende na het barsten van de zeepbel in de jaren negentig een vergelijkbare fase: stabiel, maar terughoudend, met jongeren die hun ambities temperden in plaats van te rebelleren. Ook in Zuid-Korea is de snelle opmars grotendeels voltooid en groeit onder jongeren de scepsis over de toekomst.

Japan kende na het barsten van de zeepbel in de jaren negentig een vergelijkbare fase

Maar de situatie in China is nog iets ingewikkelder. Er is nauwelijks ruimte voor een ander verhaal dan het collectieve project. Waar Japan en Zuid-Korea na hun groeifase ruimte lieten voor individuele levenspaden, is dat in de Volksrepubliek nauwelijks het geval.

Dit alles betekent niet dat China op instorten staat. Het politieke systeem zit stevig in het zadel, de staatsinstellingen zijn sterk en de economische en technologische successen van de afgelopen decennia laten zich niet wegredeneren. De opkomst heeft het land ingrijpend veranderd, miljoenen mensen uit de armoede gehaald en China tot een wereldmacht gemaakt.

Juist daarom is de huidige situatie zo opmerkelijk. De uitdaging is niet langer de opbouw, maar het vervolg. Het gaat niet langer alleen om groei, maar om wat er met die groei wordt gedaan. En in die nieuwe fase ontbreekt voor jongeren vooralsnog een overtuigend perspectief.


Deel dit artikel


Recent verschenen