Onderwerpen: Economie

  • Aliko Dangote wil heel Afrika industrialiseren

    Aliko Dangote wil heel Afrika industrialiseren

    De rijkste man van Afrika werkt vanuit een bouwkeet op een stoffige parkeerplaats. Ooit had deze miljardair, Aliko Dangote, verschillende huizen in diverse landen, een nachtleven vol extravagante feesten, een Rolls-Royce en een Ferrari. Maar zo’n twintig jaar geleden, zegt hij, besloot hij zijn land op te stuwen in de vaart der volkeren.

    Dangote, inmiddels 68 jaar oud, vertelt hoe hij zijn auto’s en buitenlandse huizen verkocht en suikerraffinaderijen bouwde. Hij kocht een meerderheidsbelang in een zoutfabriek. Hij bouwde cementfabrieken, eerst in Nigeria en vervolgens in onder meer Senegal, Ethiopië en Tanzania. Daarna volgden kunstmest- en polyetherfabrieken.

    Laten zien dat het continent zelf, door iemand van eigen bodem, in staat is tot grootschalige industrialisatie, was voor hem belangrijker dan het leiden van een luxeleventje. ‘Een van ons,’ zegt hij, ‘zal toch het land moeten redden.’

    Monopolisme

    En nu is dan eindelijk zijn laatste wapenfeit operationeel: een gloednieuwe megaraffinaderij in Nigeria, een land dat decennialang het leeuwendeel van zijn ruwe olie exporteerde.

    De man die van monopolisme wordt beticht, kleinzoon van een man die rijk werd met de handel in pinda’s, is niet van plan het bij olie te laten, en ook niet bij Nigeria. Dangote wil doorstoten naar de staalindustrie, meer plekken op het elektriciteitsnet aansluiten, meer havens bouwen: heel Afrika industrialiseren. Als lichtend voorbeeld voor zijn toekomstige uitbreiding noemt hij de Indiase multinational Tata Steel, dat naast staal ook zwarte thee en halfgeleiders produceert.

    Met zijn fabrieken, benadrukt Dangote, gaat hij tevens de jongerenwerkloosheid te lijf. In Nigeria, het land met het hoogste inwonertal van het continent, zullen rond 2030 zo’n 40 tot 50 miljoen mensen een baan nodig hebben.

    Zijn olieraffinaderij produceert nu al 650.000 olievaten per dag. Volgens Dangote zal dat aantal volgend jaar zijn verdubbeld. In februari kondigde hij plannen aan om lokaal aandelen in de raffinaderij te verhandelen. Maar eerst moet hij de infrastructuurproblemen aanpakken én de corruptie in de olie-industrie, zaken die de levering van voldoende olie uit de ruime nationale voorraad belemmeren. Tot die tijd moet zijn raffinaderij, een megacomplex op zo’n 70 kilometer van het hoofdkantoor in Lagos, de Nigeriaanse ruwe olie soms aanvullen met olie uit de VS en andere landen.

    Dangote droomt van de dag waarop de benzine ongehinderd door ’s lands aderen stroomt

    Het is middag en Dangote, gezeten achter een lange tafel in zijn bouwkeet, schuift onrustig heen en weer. De ene afspraak is nog niet afgelopen of de volgende wordt al binnengelaten. Bij het tackelen van grote nationale problemen is duidelijk geen minuut te verliezen. Dangote droomt van de dag waarop de benzine ongehinderd door ’s lands aderen stroomt en niemand meer eindeloos in de rij hoeft te staan wachten vanwege een stokkende toevoer, veroorzaakt door slechte wegen en illegale verkoop.
    Onder collega’s staat Dangote bekend als harde werker. Tegen de traditionele rolverdeling in heeft hij zijn drie kinderen, allemaal dochters, hoge posities toebedeeld.

    Zijn hang naar uitspattingen vertaalt zich in exorbitante bedrijfsfeesten, waar hij topwerknemers en topklanten met auto’s beloont. Na het jaarlijkse feest op zijn cementbedrijf, aan het begin van het jaar, circuleerden er filmpjes waarop hij klappend en zingend tussen de optredende artiesten staat.
    Dangote, die gescheiden is, brengt graag tijd door met zijn acht kleinkinderen. In zijn vakantie doet hij het liefst ‘doodgewone dingen’ zoals joggen of rondkijken in een winkelcentrum.

    Jarenlang nodigde hij na een lange werkdag vrienden uit bij hem thuis, een kleine villa met mahoniekleurige pilaren op Victoria Island in Lagos, met een aquarium in de eetkamer, enorme terrassen en een zwembad. (Hij heeft ook nog een huis in Kano en een huurhuis in de hoofdstad Abuja.) Maar onlangs, zegt hij, besloot hij zijn drukke sociale leven te beperken tot een strak schema, met alleen ruimte op zaterdag van 16.00 tot 22.00 uur en zondag van 12.00 tot 22.00 uur. ‘Werken en een luxeleven gaan lastig samen,’ verduidelijkt hij. ‘Je zult ergens offers moeten brengen.’

    Imperium

    Vaak werkt Dangote ’s avonds thuis door. Op een avond zit hij, gekleed in een grijze kaftan en broek met het bedrijfslogo erop, ontspannen op de bruinleren bank in zijn zitkuil. Op de eettafel een doos Rice Krispies, de tv afgestemd op CNN. Kauwend op dadels voert hij overleg met de verantwoordelijken voor het beheer van zijn zakenjets.

    Dangote, wiens fortuin door Forbes op 26,2 miljard dollar [ruim 22 miljard euro] wordt geschat, heeft zijn imperium opgebouwd met de productie van basisgoederen. Waar andere CEO’s van multinationals overwegen het roer om te gooien met het oog op toekomstige innovaties, concentreert Dangote, die zich sceptisch uitlaat over ‘nieuwerwetse technologieën’, zich op de taken die voor hem liggen. Hij vergeleek de hype rond AI al eens met de jubelende ontvangst van de eerste Nokia’s, die inmiddels achterhaald zijn. ‘Het schiet allemaal een beetje uit de bocht,’ verzucht hij.

    De Nigeriaanse anticorruptiewaakhond beschuldigde Dangotes bedrijf, naast 51 andere bedrijven, er in 2023 van te hebben geprofiteerd van gunstige wisselkoersen, toebedeeld door de voormalige baas van de centrale bank. Dangote zelf bleef buiten beeld en zijn bedrijf waste de handen in onschuld.
    Critici klagen dat Dangote op veel basisproducten zo ongeveer een monopolie heeft. Vrijwel alle bouwplaatsen in het land liggen bezaaid met zakken Dangote-cement; de supermarktschappen liggen vol met Dangote-meel en Dangote-suiker. Hij heeft zijn rijkdom te danken aan overheidssubsidies en belastingprikkels, zeggen critici. Zelf zegt hij dat hij slechts gebruik heeft gemaakt van regelingen die hem werden aangeboden omdat hij het land opbouwt. ‘Niemand durfde het aan, dus hebben wij het op ons genomen.’

    AFR schip compressed
    Aliko Dangote tijdens een bezoek aan de Dangote-raffinaderij in het Ibeju Lekki-district van Lagos. – © ANP

    Een schoolvoorbeeld is zijn megaraffinaderij ter waarde van 20 miljard dollar. Het fiscaal aantrekkelijke gebied waar hij het enorme complex liet bouwen bleek moerasgrond te zijn, wat Dangote pas ontdekte toen de bouwwerkzaamheden in 2016 van start gingen. Hij zette door, maakte het terrein vrij en stortte het vol met 65 miljoen ton zand. Hij importeerde 10.250 vrachtwagens uit China, omdat daar in Nigeria niet aan te komen was, en liet een eigen haven bouwen waar schepen deze wagens konden lossen. Van de raffinaderij naar de haven werd – met fiscale voordelen – een 37 kilometer lange tienbaansweg aangelegd. ‘Wij, het uitvoerende team en ik, hadden het geluk dat we niet wisten waar we aan begonnen,’ vertelt hij. ‘We zeiden: afhaken is geen optie, we moeten resultaat neerzetten.’

    De slechte staat van de wegen in Nigeria is een van de uitdagingen bij het transport van ruwe olie naar de raffinaderij. En een nog grotere uitdaging, zegt Dangote, is de corruptie.

    Vrachtwagens die de ruwe olie vervoeren verdwijnen soms over de grens, waar de brandstof wordt verkocht en het geld in zakken van criminelen verdwijnt. Dangote is een juridische én een pr-strijd begonnen tegen wat hij de ‘maffiatoestanden’ in de Nigeriaanse olie-industrie noemt. Hij heeft de Nigeriaanse toezichthouder NMDPRA, die de olie- en gassector reguleert en vergunningen verstrekt, voor de rechter gedaagd. Dangote stelt dat importerende partijen worden bevoordeeld en suggereert dat de directeur, Farouk Ahmed, winst afroomt, iets wat die laatste stellig ontkent.

    Nalatenschap

    Tijdens een persconferentie eind vorig jaar toonde Dangote zich van zijn venijnige kant, toen hij de Zwitserse privéscholen opsomde waar Ahmeds kinderen op hadden gezeten.

    ‘Vier kinderen op de meest elitaire scholen ter wereld,’ zei hij vol ongeloof. ‘Mijn dochters gingen gewoon hier in Nigeria naar de middelbare school.’ Daarop verklaarde Ahmed dat het schoolgeld voor een deel was betaald met studiebeurzen en geld van zijn vader. Hij zei dat er ‘niets onwettigs’ was aan zijn persoonlijke en professionele activiteiten.

    Vorig jaar liep Dangotes prestige een deuk op toen zo’n achthonderd medewerkers werden ontslagen op beschuldiging van sabotage, wat leidde tot protestacties van de vakbond, waarop de ontslagen werden teruggedraaid.

    ‘In onze eigen behoeften kunnen voorzien, dat is onze nalatenschap.

    De raffinaderij heeft dertigduizend mensen in dienst, van wie zo’n 80 procent Nigerianen.

    Veel leidinggevende functies worden bekleed door buitenlanders, maar dat zal op termijn veranderen, zegt Dangote, als hij meer lokale mensen heeft opgeleid. Met alle uitbreidingsplannen zal het uiteindelijke aantal werknemers groeien tot 65.000, schat hij.

    In december 2025 kondigde de Aliko Dangote Foundation plannen aan voor het verstrekken van 45.000 studiebeurzen, waarvan tienduizend exclusief bestemd voor meisjes en vrouwen in het middelbaar en hoger onderwijs.

    ‘Wat onze nalatenschap is?’ vraagt Dangote hardop. ‘In onze eigen behoeften kunnen voorzien, dat is onze nalatenschap.

  • Cuba: betalingen via Visa en Mastercard opgeschort vanwege Amerikaanse sancties

    Cuba: betalingen via Visa en Mastercard opgeschort vanwege Amerikaanse sancties

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Noord-Korea wil zijn nucleaire capaciteiten exponentieel vergroten

    » Hongarije sluit akkoord met Oekraïne over de rechten van de Hongaarse minderheid

    Volgens de VS vormt Cuba ‘een buitengewone bedreiging’ voor hun veiligheid

    ‘De Cubaanse revolutionaire leider Raúl Castro kreeg woensdag op zijn vijfennegentigste verjaardag slecht nieuws: nieuwe bedrijven verlaten het Caribische land onder Amerikaanse druk’, meldt het bureau Bloomberg.

    Havana maakte woensdag bekend dat er vanaf dit weekend geen betalingen met Visa en Mastercard meer mogelijk zijn op het eiland, na de verbreking van de relatie tussen een buitenlandse bank en Fincimex, de financiële tak van het Cubaanse economisch-militaire conglomeraat Gaesa.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Sinds januari voert de regering-Trump een beleid van maximale druk tegen Cuba, waarbij ze beweert dat het communistische eiland, gelegen op 150 km van de kust van Florida, ‘een buitengewone bedreiging’ vormt voor de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.

  • Overleven wordt in Cuba verkocht als patriottisch verzet

    Overleven wordt in Cuba verkocht als patriottisch verzet

    Cuba maakt een meervoudige crisis door: het vrijwel volledige stilvallen van het stroomnet, een suikeroogst die herinnert aan historische minima van eind negentiende eeuw en een druk op de essentiële toevoer van brandstoffen waardoor het land wordt gedwongen tot strenge rantsoenering. Het komt allemaal door een combinatie van aanhoudende tekorten, een verouderde infrastructuur uit het Sovjet-tijdperk en het uitblijven van eigen investeringen wat de samenleving meer dan ooit tot de rand van de afgrond brengt. Het dreigende voedseltekort verplaatst het debat over het voortbestaan van het regime van een terrein dat de geopolitiek overstijgt naar dat van de mensenrechten en morele verantwoordelijkheid, zowel binnen als buiten het land.

    Creatief verzet

    Enkele weken geleden zond de staatstelevisie een opmerkelijke persconferentie uit met haar eerste politieke vertegenwoordiger, Miguel Díaz-Canel. Hij spreekt niet vaak in het openbaar, maar deed dat dit keer op een toon die fluctueerde tussen epiek en fatalisme. Zijn ‘opwachting’ bij regeringsgezinde media was bedoeld om de maatregelen toe te lichten die worden getroffen om de kritieke situatie te verlichten.

    Na een toespraak van twee uur kondigde hij de terugkeer van Cuba naar de negentiende eeuw aan onder de noemer ‘creatief verzet’. Met dit officiële narratief probeert hij de ineenstorting van het systeem dat hij leidt – samen met het militaire conglomeraat Gaesa, een soort ‘bureaucratische aristocratie’ die het hele eiland controleert – te veranderen in een toonbeeld van verheven trots met een flinke scheut nationalisme. Daarbij grijpt hij terug op de sociale politiek van midden jaren negentig, terwijl hij opnieuw de blokkade en het ‘Trump-corollarium’ – Trumps draai aan de Monroe-leer – aanhaalt om drie decennia van economische afhankelijkheid, bevoordeling van een kleine bovenlaag en bestuurlijke stagnatie te verbloemen.

    Cuba was gedurende een groot deel van de negentiende en twintigste eeuw de voornaamste suikerexporteur ter wereld, met een economie die sterk was geconcentreerd op suikerriet en suikerproductie. In 1989 bedroeg de productie zo’n 8 miljoen ton en vormde suiker een zeer belangrijk deel van de totale export van het land. Voor de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 bestond zo’n 75 procent of meer van Cuba’s exportinkomsten uit suiker.

    Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verloor het eiland zijn voornaamste afzetgebieden en financiële steunpunten, wat leidde tot een flinke daling van de suikerproductie en -export. Tussen 1991 en 1993 liep de productie terug van meer dan 7 miljoen ton naar ongeveer 4,4 miljoen ton. Gaandeweg namen ook de hoeveelheid gecultiveerde grond, de productieve efficiëntie en de beschikbaarheid van hulpmiddelen en grondstoffen sterk af.

    Vanwege dat rampscenario riep Fidel Castro persoonlijk op tot een massale discussie over de benodigde acties. Tussen januari en maart 1994 werden daarom de zogenaamde arbeidersparlementen ingesteld, wat resulteerde in ongeveer 500.000 suggesties die als input moesten dienen voor maatregelen die later aan de Nationale Assemblee van de Volksmacht werden voorgelegd.

    Slecht bestuur

    De vraag blijft waarom Cuba, ondanks zulke offers en maatschappelijke krachtsinspanningen, en ondanks periodes van relatieve economische stabiliteit dankzij inkomsten uit toerisme en de export van rum en tabak, nog steeds onderontwikkeld is en economisch niet van de grond komt.

    Dat Díaz-Canel de discussie over ‘creatief verzet’ uit de kast haalt, is een opportunistische en perverse retorische truc, omdat hij zo de verantwoordelijkheid van de Staat om een bestuurlijk probleem op te lossen bij de gewone burger legt. Het volk wordt gevraagd ‘creatief’ te zijn om te overleven, waarmee de hachelijke situatie wordt gerechtvaardigd als een vorm van patriottisch heldendom. Tegelijkertijd wordt verhuld dat het systeem, geleid door een handjevol machthebbers, niet in staat is een echte markteconomie of grootschalig privébezit toe te laten, uit angst voor de gevolgen die zichtbaar werden in de voormalige Sovjetstaten.

    Er tekenen zich dus minstens drie constanten af in de strategische berichtgeving, waarin het – uiteraard ernstige – economische embargo alle schuld van de rampspoed krijgt. Iets wat het regime paradoxaal genoeg goed uitkwam, omdat het zo het zelfbeeld van ‘heroïsch verzet’ kon versterken en kon verhullen dat de bevolking in stilte lijdt onder slecht bestuur. In politieke termen heet dat de verantwoordelijkheid afschuiven op een ander.

    In de officiële berichtgeving wordt het embargo van de VS, vooral met de aanscherping van de ‘nul-oliepoltiek’, voorgesteld als een almachtige variabele. Door het als enige oorzaak naar voren te schuiven, verstomt het debat over de lage landbouwproductiviteit – Cuba importeert ondanks de vruchtbare grond 80 procent van wat het consumeert – en over de desastreuze monetaire eenwording van een paar jaar geleden. Zo wordt bewerkstelligd dat de burger zijn frustratie niet richt op het interne beleid, maar op een externe en machtige vijand die moet worden bestreden.

    Politiek schild

    Het zogenoemde Belegerde Plein-syndroom waarop Díaz-Canel zijn toespraak van 5 februari baseerde, berust op een psychologisch verdedigings- en cohesiemechanisme met directe gevolgen voor de sociale identiteit. Nu het land zich meer bedreigd voelt dan ooit, moeten de interne verschillen worden geminimaliseerd en moet de trouw aan de leiders worden versterkt. In zo’n situatie is iemand met een andere mening geen criticus meer, maar een verrader. Volgens Díaz-Canel bevindt Cuba zich immers in een oorlogssituatie: ‘Dat is de zwerm voorstanders van annexatie die we hier hebben, degenen die beginnen te wankelen, die blijken van lafheid of zwakte beginnen te vertonen vanwege depressie en de psychologische oorlog die tegen ons wordt gevoerd.’

    Het strategische doel is duidelijk. Er wordt een vorm van defensieve nationalistische trots gekweekt, waarbij burgers het gevoel krijgen dat toegeven aan de schaarste zou neerkomen op het gelijk geven van het ‘imperium’. Zo wordt dagelijks overleven voorgesteld als een daad van patriottisme.

    De blokkade fungeert zo als narratief en politiek schild bij ieder fiasco, omdat elk mislukt beleid kan rekenen op dezelfde ‘ontsnappingsclausule’. Daardoor ontstaat een vicieuze cirkel: het defensieve nationalisme voedt de trots van de bevolking, terwijl diezelfde trots verhindert dat burgers aandringen op de interne efficiëntie die het land echt uit de onderontwikkeling zou kunnen en moeten halen.

    Embargopolitiek

    Het is een feit dat de politiek van de VS jegens Cuba al meer dan vijfenvijftig jaar gericht is op het beperken van de economische mogelijkheden van het eiland, met als expliciet doel een democratische opening af te dwingen. Bij de hernieuwde activering van de Monroe-leer moet strategisch worden nagegaan of genoemd doel al dan niet is bereikt. Het regime houdt immers al decennialang stand, terwijl vooral de bevolking de gevolgen draagt. Als die economische straf is uitgegroeid tot een structurele conditie die het leven van miljoenen mensen aantast, terwijl de machthebbers buiten schot blijven, dan is er duidelijk iets misgelopen in die embargopolitiek.

    Als de schaarste aan basisbehoeften niet langer een bijeffect is, maar een ongewis mechanisme wordt, zoals nu gebeurt, houdt het debat op politiek en ideologisch te zijn en verandert het in iets ethisch – misschien wel in een moreel dilemma voor de VS zelf.

    En dat is niets nieuws. Hannah Arendt wees al op een van de grootste gevaren van de moderne politiek: de banalisering van het al dan niet bijkomstige kwaad, waarbij de doelen de middelen heiligen. Toegepast op de Cubaanse situatie dreigt het acute gevaar dat het dagelijks lijden van haar inwoners verandert in een legitiem politiek drukmiddel om de onbekwaamheid en laksheid van hun eigen politieke en militaire leiders te breken.

  • Kan een economie draaien op emigratie?

    Kan een economie draaien op emigratie?

    In Kerala draait de belangrijkste olie-industrie om kokosnoten. Toch is de welvaart van de Zuid-Indiase deelstaat – bekend om zijn idyllische waterwegen, geurige keuken en ontspannen levensstijl – nauw verbonden met olie uit de Perzische Golf, die doorgaans via de Straat van Hormuz wordt vervoerd.

    Sinds de olieboom in het Midden-Oosten een halve eeuw geleden begon, trekken inwoners van Kerala naar de Golfstaten om er te werken: eerst als schoonmakers en bouwvakkers, later als kantoormedewerkers, verpleegkundigen en verkopers. Inmiddels wonen naar schatting zo’n 1,7 miljoen Keralieten in de Golfregio, goed voor 5 procent van de bevolking van de deelstaat en bijna 11 procent van de beroepsbevolking.

    Het oliegeld uit de Golf heeft Kerala ingrijpend veranderd. K.P. Kannan en K.S. Hari van het Centre for Development Studies, een Indiase denktank, berekenden dat geldzendingen uit de regio halverwege de jaren 2010 overeenkwamen met ongeveer een kwart van de economie van Kerala – meer dan de toegevoegde waarde van de industrie en de overheidsuitgaven samen.

    Dat heeft de levensstandaard sterk verhoogd. De consumptie per inwoner ligt bijna driekwart hoger dan het Indiase gemiddelde. Volgens de Indiase maatstaf voor multidimensionale armoede leeft ongeveer een op de tien Indiërs in ernstige armoede; in Kerala komt dat nauwelijks nog voor.

    Volgens sommige economen is rijk worden via industrialisering en export tegenwoordig moeilijker

    Volgens sommige economen is rijk worden via industrialisering en export tegenwoordig moeilijker dan in de tijd dat dat gebeurde met Europa, Japan, Zuid-Korea en recent nog China industrialiseerden. Voor landen als India betekent groeien op de wereldmarkt vaak dat ze andere landen moeten verdringen. En als dat land China is, wordt dat bijzonder lastig.

    Kan het exporteren van mensen in plaats van goederen, zoals Kerala doet, dan een alternatief model voor groei zijn?

    Veel armere landen zijn afhankelijk van emigranten. Volgens de Wereldbank vormen geldzendingen uit het buitenland meer dan een vijfde van het nationale inkomen in Honduras, Libanon, Nepal en Tadzjikistan. In lage- en middeninkomenslanden samen zijn ze goed voor ongeveer een derde van alle kapitaalinstromen.

    In Nepal zouden die geldzendingen de armoede tussen 2001 en 2011 met 40 procent hebben teruggedrongen. In Mexico droegen ze bij aan een daling van de kindersterfte. Het effect op economische groei is echter minder duidelijk. Een studie uit 2013 naar migratielanden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika concludeerde dat een structurele stijging van 10 procent in geldzendingen per inwoner slechts leidde tot een groei van 0,13 procent van het bbp per hoofd van de bevolking. Recenter onderzoek uit 2022 kwam uit op een iets sterker, maar nog steeds bescheiden effect van 0,66 procent.

    Sommigen wonnen de migratieloterij en verhuisden naar San Francisco, maar veel anderen bleven in India

    In een nieuwe studie ziet Charles Kenny van het Centre for Global Development in Washington vrijwel geen verband tussen de omvang van een diaspora en de groei van het bbp per inwoner. Emigratie kan immers zowel een gevolg zijn van zwakke economische groei, waardoor mensen vertrekken, als een oorzaak van economische vooruitgang.

    Toch denkt Kenny dat emigratie onder bepaalde omstandigheden economische groei kan aanjagen. Alles hangt af van de neveneffecten van migratie. Die kunnen positief uitpakken als ze het kennisniveau in het land van herkomst verhogen én die kennis lokaal wordt benut. Maar ze kunnen ook exact die problemen in stand houden die mensen ertoe aanzetten te vertrekken.

    Een recente studie in het Journal of Economic Perspectives van Gaurav Khanna onderzoekt migratiegolven vanuit Azië naar de Verenigde Staten. Volgens Khanna leidde dat in sommige gevallen eerder tot ‘brain circulation’ dan tot ‘brain drain’. Veel Indiërs behaalden bijvoorbeeld diploma’s in software-engineering in de hoop ooit in Silicon Valley te kunnen werken. Sommigen wonnen de migratieloterij en verhuisden naar San Francisco, maar veel anderen bleven in India.

    Op afstand

    Zo ontstond een nieuwe exportsector die niet langer volledig afhankelijk was van migratie, maar ook op afstand kon opereren vanuit steden als Bangalore. De Indiase IT-export is inmiddels goed voor meer dan 220 miljard dollar per jaar, aanzienlijk meer dan de 135 miljard dollar die India jaarlijks ontvangt aan geldzendingen uit het buitenland.

    In Kerala lijken zulke neveneffecten beperkter. De deelstaat scoort beter dan de rest van India op geletterdheid en levensverwachting, dankzij relatief vooruitstrevend bestuur vóór de onafhankelijkheid en jarenlange investeringen van linkse regeringen in onderwijs en gezondheidszorg.

    Maar potentiële investeerders worden afgeschrikt door diezelfde regeringen, vanwege hun anti-kapitalistische beleid en sterke vakbonden. Net als elders in India telt Kerala veel zorgmedewerkers die er niet in slaagden te emigreren, terwijl verpleegkundigen geregeld staken voor hogere lonen. Bedrijven hebben moeite salarissen te bieden die aansluiten bij de verwachtingen die zijn ontstaan door de hoge lonen in de Golfstaten.

    Door de oorlog met Iran zouden de geldzendingen dit jaar met 20 procent kunnen dalen

    Daardoor vestigen bedrijven zich liever in ondernemingsvriendelijkere deelstaten zoals het naburige Tamil Nadu. Een groot deel van het geld uit de Golf gaat naar huizen en auto’s. Dat verhoogt de levensstandaard, maar niet per se de productiviteit. Investeringen in onderwijs, eveneens gefinancierd met geld uit de Golf, maken inwoners van Kerala weliswaar productiever, maar zolang lokale kansen schaars blijven, zullen veel hoogopgeleiden hun geluk in het buitenland blijven zoeken.

    Het grootste nadeel van een economie die afhankelijk is van emigratie, is misschien wel dat haar succes grotendeels afhangt van factoren buiten de controle van het land zelf. Dat geldt tot op zekere hoogte voor elke economie. Maar producenten die in de ene markt tegen invoerheffingen aanlopen, kunnen vaak nog uitwijken naar een andere. Voor emigranten ligt dat moeilijker wanneer de economische of politieke omstandigheden in hun gastland veranderen.

    Ook Kerala laat die kwetsbaarheid zien. Het aantal Keralieten in de Golf is de afgelopen jaren nauwelijks nog gegroeid, omdat landen in de regio bepaalde banen reserveren voor eigen burgers. Door de economische gevolgen van de oorlog met Iran zouden de geldzendingen dit jaar bovendien met 20 procent kunnen dalen.

    Emigratie levert bijna altijd voordelen op voor migranten en hun families thuis. Maar economische groei baseren op migratie blijft riskant in een wereld die steeds meer wordt gekenmerkt door fragmentatie, protectionisme en conflict.

  • SpaceX verwacht in juni zijn entree op de beurs te maken

    SpaceX verwacht in juni zijn entree op de beurs te maken

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VK: radiostation maakt per ongeluk de dood van koning Charles bekend

    » Israëlische luchtaanvallen op Libanon eisen negentien levens

    Van de bedrijfsomzet is 69 procent afkomstig van Starlink

    De aankondiging van de beursgang van SpaceX komt niet uit de lucht vallen. Het ruimtevaartbedrijf streeft naar een beursdebuut op 8 juni, meldt CNBC. De financiële nieuwszender omschrijft het als een ‘historische’ beursgang, gezien het feit dat het bedrijf afgelopen februari nog werd gewaardeerd op 1,25 biljoen dollar. Deze beursgang zou Elon Musk, die al de rijkste man ter wereld is, de kans geven zijn fortuin verder te zien groeien.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Volgens gepubliceerde cijfers wordt 69 procent van de omzet van de groep echter gemaakt door Starlink, dat internet levert aan 10 miljoen abonnees. CNBC merkt op dat de groep meer dan 600 miljoen dollar verlies heeft geleden met al zijn pogingen om raketten te lanceren. Het bedrijf blijft ambitieus en streeft ernaar om al in 2028 datacenters in een baan om de aarde te brengen.

  • VS: de inflatie zit op het hoogste niveau in bijna drie jaar

    VS: de inflatie zit op het hoogste niveau in bijna drie jaar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Korea: kleuterscholen onder druk door vraag naar foto-updates

    » Rusland voert een geslaagde test uit met de ballistische raket Sarmat

    De oorlog in Iran heeft de inflatie flink opgedreven

    In april steeg de consumentenprijsindex met 3,8 procent op jaarbasis, een percentage dat sinds mei 2023 niet meer was voorgekomen, volgens gegevens die dinsdag werden gepubliceerd door het Bureau voor de Statistiek van het ministerie van Arbeid.

    ‘Vóór de Amerikaans-Israëlische aanvallen op Iran eind februari was de inflatie gedaald tot 2,4 procent. In maart steeg deze echter fors, en de schok in de energieprijzen als gevolg van de oorlog met Iran verergert nu de problemen met de koopkracht waarmee Amerikanen worden geconfronteerd na enkele jaren van forse prijsstijgingen’, aldus CNN.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Voor consumenten betekent dit dat de kosten van levensonderhoud moeilijk te dragen blijven’, aldus econoom Sung Won Sohn, hoogleraar financiën en economie aan de Loyola Marymount University, in een gesprek met CNN. ‘Voor de Fed betekent dit dat de renteverlaging waarschijnlijk zal worden uitgesteld.’

    Dit nieuws zet Donald Trump onder druk nu de tussentijdse verkiezingen in november naderen. Hij verzekerde verslaggevers dinsdag dat de hoge inflatie slechts ‘van korte duur’ was en aanzienlijk zou afnemen zodra de oorlog met Iran voorbij was.

  • Chinese schijnkantoren: betalen om te doen alsof je werkt

    Chinese schijnkantoren: betalen om te doen alsof je werkt

    Het is vijf over negen als een jonge man met een strooien hoed, bril en koptelefoon op de tweede verdieping van een onopvallend gebouw in een industriegebied in Zuid-Beijing een glazen deur opent. De code kreeg hij even daarvoor ‘van de baas’ op zijn telefoon. Hij pakt een pakketje dat in de deurklink steekt, trekt de deur open en zegt zachtjes, meer tegen zichzelf: ‘Aan het werk.’

    Hij doet het licht en de airconditioning aan, loopt naar een bureau midden in de kantoortuin en kiest een plek. Hij is nog alleen. Niemand is hier om te werken, en dat geldt ook voor hem. Li Zhijun is hier niet om te werken. Hij is hier om te doen alsof.

    Hij betaalt om hier te mogen zitten, in een ruimte die eruitziet als een kantoor: een tapijt met ruitpatroon, bureaus, het kille licht van tl-buizen. Bij de ingang staat in witte letters: ‘Alsof-je-werkt’-bedrijf.

    In heel China duiken steeds meer van dit soort schijnkantoren op: in Shanghai, Wuhan, Shenzhen, Chengdu. Voor omgerekend vier tot vijf euro per dag kunnen jongeren er een plek huren om het gevoel van een werkdag te ervaren. Internet, thee en snacks zijn inbegrepen.

    Twee jaar geleden bereikte de jeugdwerkloosheid met 21,3 procent een recordhoogte. Daarna paste Beijing de berekeningsmethode aan. In juli lag het officiële cijfer nog maar op 17,8 procent. De druk onder sollicitanten is enorm. Werkgevers weten hoe gewild banen zijn; ze eisen overwerk en betalen minder.

    Bai lan

    Sommige jongeren blijven simpelweg thuis en doen aan bai lan: ze laten het leven ‘verrotten’, zoals de online term luidt. Dat betekent dat ze opgeven, ‘plat gaan liggen’ – nog zo’n modewoord – en zich schikken in hun hopeloosheid.

    In dit schijnkantoor in het zuiden van Beijing, dat in februari opende, doen ze het tegenovergestelde. Hier betalen ze geld voor het gevoel nog deel uit te maken van de werkende wereld.

    Het kantoor is een spiegel van de huidige situatie in China. Naar buiten toe toont het land kracht. Deze week organiseert de Chinese leiding in Tianjin de top van de Shanghai Cooperation Organisation, een samenwerkingsverband van Rusland, India, Pakistan en Centraal-Aziatische landen. Deze groep streeft er steeds openlijker naar de wereldorde naar eigen hand te zetten. De Indiase premier Narendra Modi reist ervoor naar Beijing, en plotseling is een nieuw bondgenootschap tussen oude rivalen denkbaar. Samen vertegenwoordigen ze 35 procent van de wereldbevolking. Terwijl Donald Trump oude allianties vernietigt en partners met importheffingen bestookt, boekt Xi Jinping de ene overwinning na de andere.
    Op 3 september wil China het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië vieren met de grootste militaire parade in zijn geschiedenis. Een machtsvertoon: er worden nieuwe hypersonische wapens, onbemande onderwatervaartuigen en meer dan 10.000 soldaten verwacht. Het staat in schril contrast met de armzalige parade die Trump in juni liet opmarcheren en die door de Chinese staatsmedia werd bespot als ‘het avondrood van een ondergaande zon’.

    In de Duitse economie spreekt men vol bewondering over de ‘China-Speed’. Chinese autofabrikanten en roboticabedrijven gelden als koplopers, en op het gebied van kunstmatige intelligentie stormt het land vooruit. Zijn de Chinezen überhaupt nog te stoppen?

    Maar terwijl Xi Jinping buiten de spierballen laat rollen, zitten binnen, op de tweede verdieping van het grijze kantoorgebouw in Zuid-Beijing, mensen als Li Zhijun. Ze hebben geen baan en betalen om te doen alsof; een realiteit die de Chinese leiding het liefst voor de wereld verborgen houdt.

    Heroriënteren

    Li Zhijun heeft zijn laptop opengeklapt, een computermuis gepakt en een vacaturesite geopend. Hij leest de nieuwste advertenties. Drie maanden geleden nam hij ontslag als ontwerper bij een internetbedrijf; de omstandigheden waren ondragelijk geworden. ‘In het begin voelde ik me verdwaald,’ zegt hij. ‘Als je zo lang als een werkpaard hebt gefunctioneerd, raak je afhankelijk.’ Plotseling niet meer naar je werk hoeven: het maakte hem nerveus.

    Een nieuwe baan vinden is momenteel vrijwel onmogelijk. De overheid organiseert wel banenmarkten en via de gemeenten is er ook bemiddeling voor werklozen, maar die richten zich op de grote massa. ‘Voor gespecialiseerde vakmensen zoals ik zijn die aanbiedingen zelden geschikt.’

    Hij is nu 41. ‘Wie ouder is dan 35, komt niet eens meer in aanmerking,’ zegt hij. ‘Het maakt niet uit of je capabel bent of niet. Bedrijven nemen liever starters aan: met weinig eisen, een laag salaris en direct inzetbaar. (…) Ze willen puur de efficiëntie verhogen, omdat er te veel sollicitanten zijn.’

    ‘Wie ouder is dan 35, komt niet eens meer in aanmerking’

    Li probeert van alles. ‘Vroeger was ik een klein radertje in een grote machine en voerde ik de doelen van het bedrijf en mijn leidinggevenden uit.’ Voor het eerst heeft hij nu tijd om zich te heroriënteren. Hij heeft een eigen bedrijf ingeschreven, maar heeft nog geen concreet businessplan. Design, communicatie, marketing? ‘Ik vind het belangrijk om problemen voor anderen op te lossen. Alleen wélke problemen, daar ben ik nog niet uit.’

    Dat probeert hij nu hier op kantoor uit te zoeken. Eerder probeerde hij al leercabines: minuscule, met gordijnen afgeschermde hokjes, bedoeld voor examenkandidaten. Ieder voor zich, volledig afgesloten. Maar hij miste het kantoorgevoel, vertelt hij. Hier is het anders: de anderen zitten hem niet op de huid, maar hij is ook niet totaal geïsoleerd. ‘De mens is nu eenmaal een sociaal wezen.’

    Vier tot zes uur per dag zit hij achter zijn bureau. Zijn familie weet dat hij geen baan meer heeft, maar niet wat hij hier doet. Tegen hen heeft hij gezegd dat hij als freelancer werkt. Dat is niet helemaal gelogen; hij neemt af en toe een kleine opdracht aan. Tegelijkertijd speculeert hij op de beurs. Op zijn scherm schieten de koersen op en neer.

    In 2007 studeerde hij af, in een tijd dat de economie nog floreerde. Hij was gedreven, maakte overuren. De salarissen in de reclamewereld lagen destijds zo’n dertig procent hoger dan in andere sectoren. ‘We werkten hard, maar kregen er ook wat voor terug.’ Tegenwoordig is het heel hard werken voor heel weinig geld.

    Tegenwoordig is het heel hard werken voor heel weinig geld

    Deze zomer studeerden in China 12,2 miljoen studenten af. Een nieuw record. Sommige universiteiten dreigen het diploma pas te overhandigen als afgestudeerden kunnen bewijzen dat ze een baan hebben, om te dwingen minder kieskeurig te zijn.

    Was het maar zo eenvoudig.

    Veel werkzoekenden zeggen dat ze honderden, soms duizenden sollicitaties hebben verstuurd – zonder resultaat. Vaak krijgen ze niet eens antwoord. In april meldde staatsbedrijf China National Nuclear Corporation, verantwoordelijk voor de nucleaire industrie, dat het op 1730 vacatures bijna 1,2 miljoen sollicitaties had ontvangen. Het bedrijf voegde er een lachende emoji aan toe. Toen sollicitanten zich bespot voelden, beloofde het bedrijf 8000 banen aan te bieden en ‘elke sollicitatie serieus te nemen’.

    Tegelijkertijd zijn er heel andere krantenkoppen. Twee weken geleden organiseerde Beijing de eerste wereldspelen voor humanoïde robots, compleet met kungfu, turnen en voetbal. In mei werd bekend dat China 90 procent van de wereldwijde dronemarkt in handen heeft. Het land domineert de wind- en zonne-energiesector en loopt voorop met elektrische auto’s. Ook in biofarmaceutisch onderzoek maakt het een inhaalslag – en het zou binnenkort weleens leidend kunnen zijn in toepassingen van kunstmatige intelligentie.

    Zwoegen loont niet

    Het ‘Alsof-je-werkt’-bedrijf bevindt zich dan ook in een wijk waar op een oppervlakte van 160 vierkante kilometer zelfrijdende auto’s rondrijden. Honderden elektrische taxi’s zoeven door dit district, dat geldt als een van de toekomstlabs van Beijing.

    Er zouden 12 miljoen nieuwe banen zijn in toekomstsectoren als AI en robotica, en in de maakindustrie zelfs 30 miljoen. Toch vissen veel afgestudeerden achter het net: werkgevers geven de voorkeur aan kandidaten van topuniversiteiten en bij veel opleidingen is de lesstof verouderd. Anderen krijgen alleen banen onder hun niveau aangeboden, vaak zonder sociale zekerheid, met extreem lange werkdagen – of in een fabriek. En wie wil dat nou?

    Een studieplek gold lang als een gouden ticket naar de middenklasse. Daarvoor blokken kinderen in China van jongs af aan, vaak twaalf uur per dag of meer. Velen zijn al opgebrand voor ze in groep zeven zitten. Ze houden vol in de hoop dat het zwoegen ooit stopt en er een goed leven in de grote stad wacht, met een zekere kantoorbaan. Maar nu moeten sommigen betalen om te doen alsof ze op kantoor werken.

    AZ Nepkantoor compressed edited 1 scaled
    Kijken naar de skyline van Beijing, China. – © Getty Images

    ‘Jij bent onze hoop!’ staat er in de lift van het kantoor. Er zijn vier ruimtes: de hoofdzaal met drie lange rijen tafels, een vergaderruimte voor sollicitatiegesprekken of presentaties, en een lounge met een bank en een spelcomputer, waar volle asbakken en lege frisdrankblikjes rondslingeren. En dan is er nog een opnamestudio met grote studiolampen.

    Tussendoor dartelt een kater met een rossige vacht. Het is de officiële kantoorkat, met een groene stropdas op zijn rug gebonden.

    Het is halfelf. Uiterst links heeft nog een schijnwerker plaatsgenomen. Hij heeft een computer geïnstalleerd, schuifelt op zijn stoel en zweet. Hij draagt wijde, zwarte kleding en stelt zich alleen voor met zijn achternaam: Zhou. Hij is begin dertig. Ook hij is hier voor het eerst; hij hoorde online over het huurkantoor. Eind juli nam hij ontslag. ‘Mijn leidinggevende was onuitstaanbaar, ik hield het niet meer vol,’ zegt hij. Het is al zijn tweede ontslag dit jaar. In april gaf hij zijn vaste baan bij een bedrijf in de onderwijssector op.

    Waarom hij hier vandaag is?

    Vanwege zijn moeder. Afgelopen weekend kwam ze naar Beijing om hem gezelschap te houden; hij woont alleen. Ze weet niet dat hij geen baan meer heeft. ‘Ik zoek voorlopig gewoon verder,’ zegt hij. ‘Als ik een nieuwe baan vind, hoef ik haar niets te zeggen. Dan ga ik gewoon naar dat nieuwe bedrijf.’ Alleen als de zoektocht te lang duurt, zal hij het haar vertellen. Zijn stem trilt. ‘Mijn vader is vorig jaar overleden. Ik wil mijn moeder niet ongerust maken.’

    Een uur en twintig minuten is hij onderweg met de metro van zijn huis naar hier. Hij kijkt naar zijn scherm. Ook hij heeft een vacaturesite openstaan en scrolt de pagina op en neer.

    De eerste dag dat hij moest doen alsof hij naar zijn werk ging, was verschrikkelijk. Eerst wilde hij naar een bibliotheek, maar die was dicht. Hij reisde naar een andere, die was ook dicht. Toen streek hij neer in een Starbucks; die vind je in Beijing op bijna elke straathoek. Voor veel werkzoekenden is dat de favoriete schuilplaats. De filialen zijn er groter dan elders, met rustige hoekjes, stopcontacten en tafels als in een universiteitsbibliotheek. Je hoeft er niet eens iets te bestellen. Je ziet er groepen vergaderen, oprichters brainstormen en mensen die er tijdens de lunchpauze een dutje doen. Op internet circuleren foto’s van klanten die complete beeldschermen en printers meeslepen.

    Je ziet er groepen vergaderen, oprichters brainstormen en mensen die er tijdens de lunchpauze een dutje doen

    Voor Zhou was de Starbucks te rumoerig. Dus trok hij verder. Onderweg deed hij mee aan een gokspel: hij zette 70 euro in, won 170, boekte daar een uurtjeshotel mee, sliep even en belandde opnieuw bij Starbucks. Hij lacht hard en kort. ‘Als je werkt, gaat de dag tenminste sneller. Gisteren heb ik 10.000 stappen gezet en talloze metro’s genomen.’ Er staan tranen in zijn ogen. Hij kijkt naar het scherm, scrolt en scrolt. ‘Die vacaturesites tonen steeds dezelfde banen. Waarschijnlijk een hoog verloop.’

    Vroeger verdiende hij omgerekend 2400 euro bruto. Nu bieden bedrijven 1800 euro voor hetzelfde werk, met minder sociale voorzieningen. Daarvan hangt bijvoorbeeld af hoeveel hij bij de dokter zelf moet betalen. ‘Achteraf gezien had ik bij mijn oude bedrijf moeten blijven,’ zegt hij. Zijn grootste angst is zijn leeftijd; hij wordt binnenkort 35. In veel advertenties staat expliciet ‘onder de 35.’ Alleen sommige kleine bedrijfjes nemen ouderen aan, maar dan voor een lager salaris. ‘Dat maakt me bang.’

    Verdampt vermogen

    Op één punt heeft hij geluk gehad. Hij heeft al vroeg een appartement in Beijing gekocht. De waarde daarvan is stabiel gebleven, ondanks de vastgoedcrisis die sinds 2021 aanhoudt. Zijn broer daarentegen kocht pas twee jaar geleden – zijn appartement is nu dertig procent minder waard. Volgens berekeningen van Barclays is er in de crisis al 18 biljoen dollar aan vermogen in China verdampt, meer dan tijdens de Amerikaanse financiële crisis van 2008. Zijn moeder wil tot begin oktober blijven. Dat is nog zes weken.

    Het is één uur ’s middags als de baas van het kantoor binnenstapt. Er zitten inmiddels acht mensen aan de bureaus. De eersten hebben hun hoofd op tafel gelegd en slapen. Zoals in elk kantoor kletteren toetsenborden, klikken computermuizen en wordt er zachtjes gefluisterd. De oprichter van het schijnkantoor, die alleen met zijn achternaam Zhu geciteerd wil worden, zet voor iedereen een flesje sinaasappellimonade neer. Hij is een grote, gezette, charismatische man met kort haar en een wit poloshirt. Hij stapt makkelijk op zijn klanten af, wisselt een paar woorden en vraagt waar ze aan werken of wat hen bezighoudt.

    Na kort onderhandelen is hij bereid tot een interview. Buitenlandse media, zegt Zhu, verspreiden toch alleen maar onwaarheden over China. Eigenlijk weigert hij daarom gesprekken met hen. Maar nu we er toch zijn, wil hij zijn verhaal doen – op voorwaarde dat elk woord exact zo wordt overgenomen.
    De Chinese regering heeft de economie tot een gevoelig onderwerp verklaard. Analisten mogen op sociale media niets meer publiceren en de veiligheidsdiensten bellen economen persoonlijk op als ze op televisie te negatief zijn. De Foreign Correspondents’ Club meldde in augustus dat de economie een nieuwe ‘rode lijn’ in de verslaggeving is geworden. Steeds vaker duikt de politie op bij interviews met bedrijven. Zelfs besloten bijeenkomsten voor investeerders zouden zijn stopgezet als deelnemers de moeilijke economische situatie ter sprake brachten.

    Dat zijn schijnkantoor een spiegel van de slechte economie is, wijst Zhu dan ook van de hand. ‘Ik bied ondernemerschap voor een lage prijs,’ zegt hij. ‘Starters kunnen hier hun ideeën uitproberen en doen wat ze willen. Ze betalen per dag. Werkt het niet, dan passen ze hun plannen aan, zonder grote risico’s.’
    Zijn klanten zijn degenen die niet bereid zijn ‘zich plat neer te leggen’, zegt hij. ‘Je kunt jezelf niet dag in, dag uit thuis opsluiten, alleen maar eten en wachten op de dood.’ Velen denken dat zijn kantoor een plek is om werk te ontlopen, maar dat is onjuist. Zijn mantra: Je kunt het. Iedereen kan geld verdienen. Hup, aan de slag.

    Model aanpassen

    Vroeger werkte hij voor een bedrijf dat zaken deed met de overheid en investeerders wierf, ook voor Duitse bedrijven die zich in China vestigden. Hij is ook een tijd actief geweest binnen het Nieuwe Zijderoute-initiatief, vertelt hij, toen dat nog veel investeringen aantrok. Nu wil hij individuele ondernemers ondersteunen. Een vriend zei onlangs tegen hem: ‘Eigenlijk doe je iets heel betekenisvols voor de maatschappij.’

    In zekere zin is hij zelf het goede voorbeeld, vindt hij. Hij heeft dit kantoorconcept uitgeprobeerd en kijkt nu of er genoeg vraag is. Anders moet hij het model maar aanpassen. Hij overweegt uit te breiden naar Saoedi-Arabië of Frankrijk. Ook in zaken met Duitsland heeft hij interesse. Wie wil investeren, kan zich bij hem melden. Altijd hongerig, altijd vooruit. Precies zoals veel buitenlandse investeerders China decennialang hebben omschreven.

    ‘Pas nu beginnen ze te beseffen dat ideeën toch echt van mensen moeten komen’

    Li Zhijun, de ontwerper, zit ’s middags nog steeds op zijn plek. Volgens hem heeft met name kunstmatige intelligentie tot ‘misverstanden’ geleid. Veel managers dachten dat ontwerpers door algoritmes vervangen konden worden. ‘In werkelijkheid is AI slechts een tool die de efficiëntie verhoogt.’

    Maar door die misvatting zijn veel creatievelingen ontslagen. ‘Pas nu beginnen ze te beseffen dat ideeën toch echt van mensen moeten komen.’

    Hij kijkt naar Zhou. De twee hebben samen geluncht en lijken het goed met elkaar te kunnen vinden. Zhou, die straks naar zijn moeder gaat, oogt nu rustiger dan vanmorgen. Hij glimlacht zelfs. Morgen komt hij waarschijnlijk weer.

  • Rapport: 2025 was voor Oekraïne het jaar met de hoogste militaire uitgaven ooit

    Rapport: 2025 was voor Oekraïne het jaar met de hoogste militaire uitgaven ooit

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » El Salvador zet AI in en schrapt banen in zorg

    » Londen: galerie blaast tentoonstelling af na klachten van Joodse groepen

    Defensie vormt zo’n 40 procent van het Oekraïense bbp

    Volgens een nieuw rapport van het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI), gepubliceerd op 27 april, bereikten de militaire uitgaven van Oekraïne in 2025 een historisch hoogtepunt. Ze stegen met 20 procent tot 72 miljard euro – ongeveer 40 procent van het bbp van het land. Defensie is momenteel goed voor 63 procent van de totale overheidsuitgaven van Oekraïne, schrijft Radio Svoboda.

    Over het geheel genomen is Oekraïne gestegen naar de zevende plaats op de wereldwijde ranglijst van landen op basis van militaire uitgaven. Voor het vierde jaar op rij staat het land op de eerste plek wat betreft de verhouding tussen militaire uitgaven en het bbp. De militaire uitgaven van Rusland stegen in 2025 met 5,9 procent tot 7,5 procent van het bbp.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘In 2025 bereikten de militaire uitgaven als percentage van de overheidsuitgaven het hoogste niveau ooit in zowel Rusland als Oekraïne’, aldus Lorenzo Scarazzato, onderzoeker bij het SIPRI-programma Militaire Uitgaven en Wapenproductie. ‘Hun uitgaven zullen naar verwachting in 2026 blijven stijgen als de oorlog voortduurt, aangezien de inkomsten uit de verkoop van Russische olie toenemen en Oekraïne een grote lening van de Europese Unie verwacht.’

    De wereldwijde militaire uitgaven stegen in 2025 opnieuw, doordat landen reageerden op een nieuw jaar van oorlog, onzekerheid en geopolitieke onrust met grootschalige bewapeningsprogramma’s, schrijft SIPRI. Ook in Europa gingen de uitgaven omhoog als gevolg van de oorlog en de nieuwe NAVO-doelstellingen voor investeringen in defensie, aldus Radio Svoboda.

    In absolute termen gaven de volgende landen in 2025 het meest uit aan militaire doeleinden: de Verenigde Staten (954 miljard dollar), China (336 miljard dollar) en Rusland (190 miljard dollar).

  • Alles lijkt duurder te worden. Moeten regeringen ingrijpen?

    Alles lijkt duurder te worden. Moeten regeringen ingrijpen?

    Nee: ‘Prijsregulering is een oppervlakkige oplossing’

    ‘Met conflicten in het Midden-Oosten, olieschokken en stijgende kosten van levensonderhoud begint dit decennium sterk op de jaren zeventig te lijken’, schrijft Financial Times in een redactioneel. ‘In het Westen grijpen politici nu steeds vaker terug naar een van de belangrijkste instrumenten uit die tijd: prijsregulering.’

    Na de Russische invasie van Oekraïne in 2022 voerden verschillende Europese landen prijsplafonds in tegen de stijgende energieprijzen. Sindsdien lijken zowel rechtse als linkse partijen vaker bereid in te grijpen in de markt. Recente peilingen uit de VS en Europa tonen bovendien een grote publieke steun voor directe overheidsmaatregelen om de kosten van basisbehoeften te beperken.

    In januari stelde de Amerikaanse president Donald Trump voor de rente op creditcards voor een jaar te maximeren op 10 procent. Zohran Mamdani, die een succesvolle campagne voor het burgemeesterschap van New York voerde, beloofde een stadsbrede huurstop en betaalbare supermarkten. De Britse Labour-regering kondigde regelgeving aan om prijsopdrijving door voedings- en benzinebedrijven tijdens de oorlog met Iran aan banden te leggen. Ook in Europa en Azië leidt de mogelijke impact van het conflict op de energieprijzen ertoe dat prijsplafonds opnieuw worden overwogen.

    ‘Knoeien met prijzen leidt vaak tot nieuwe problemen’

    ‘Prijsregulering is voor politici een snelle en zichtbare manier om hun steun te betuigen aan huishoudens die het moeilijk hebben’, aldus de redactie. ‘Hoewel het op korte termijn inderdaad kan helpen, leidt het knoeien met prijzen vaak tot nieuwe problemen.’ In sommige Europese steden hebben huurplafonds er bijvoorbeeld voor gezorgd dat het verhuren van woningen minder aantrekkelijk is geworden, waardoor het tekort juist is toegenomen. Ook kunnen lagere energieprijzen volgens Financial Times de drang verminderen om zuiniger om te gaan met energie en over te stappen op duurzamere alternatieven.

    Maar wat moeten regeringen dan doen? Volgens FT is het effectiever om gerichte financiële steun te bieden aan de meest kwetsbaren in de samenleving en moeten regeringen duurzamere manieren overwegen om de prijzen te verlagen. Dit omvat het bouwen van meer woningen, het terugdringen van bureaucratische rompslomp, het verlagen van invoerheffingen en het investeren in energiezekerheid. ‘Prijsregulering is een oppervlakkige oplossing. Wie knoeit met de markt, moet zich realiseren dat dit vaak tot grotere problemen leidt.’

    De redactie van Financial Times vertegenwoordigt het standpunt van een van Europa’s meest toonaangevende financiële en economische dagbladen.


    Ja: ‘De druk is te groot geworden om te weerstaan’ 

    Jarenlang was het ondenkbaar dat politici zich actief met huur- of energieprijzen zouden bemoeien. ‘Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie heerste in grote delen van de wereld de overtuiging dat alleen de markt bepaalt wat dingen kosten’, schrijft Andy Beckett in The Guardian.

    In de loop van de eenentwintigste eeuw veranderde dat beeld. ‘Markteconomieën bleken steeds minder in staat om basisbehoeften zoals energie en huisvesting betaalbaar te houden. Tegelijkertijd werden de inefficiënties zichtbaarder, zoals torenhoge salarissen voor falende bestuurders en slecht functionerende geprivatiseerde nutsbedrijven.’ Plotselinge inflatiepieken als gevolg van oorlogen, de pandemie en de klimaatcrisis hebben regeringen ertoe aangezet economische maatregelen te nemen die tot voor kort als ‘hopeloos ouderwets, onnatuurlijk en zelfs immoreel’ golden, aldus Beckett.

    Opvallend is dat twee grote democratieën er de afgelopen jaren in zijn geslaagd de maatschappelijke onvrede over inflatie grotendeels te temperen. In beide gevallen zijn de zittende regeringen, ondanks die economische druk, opnieuw gekozen.

    Het negeren van stijgende prijzen is minstens zo riskant

    In Mexico hebben de linkse president Andrés Manuel López Obrador en zijn opvolger Claudia Sheinbaum een maximumprijs ingesteld voor essentiële goederen zoals kip, rijst en toiletpapier. Tijdens wekelijkse persconferenties hebben zij specifieke bedrijven geprezen of bekritiseerd, afhankelijk van hun medewerking: ‘een weinig subtiele maar effectieve vorm van commerciële en politieke druk’, schrijft Beckett. Bij de presidentsverkiezingen van 2024 behaalde Morena, de partij van Obrador en Sheinbaum, 61 procent van de stemmen.

    De centrumlinkse regering van Pedro Sánchez in Spanje reageerde op de oorlog in Iran met een landelijke huurstop. Eerder voerde zijn regering een prijsplafond op energie in en maakte ze tijdelijk treinkaartjes gratis. ‘Dit beleid heeft eraan bijgedragen dat Sánchez al acht jaar aan de macht is.’

    Beckett vraagt zich af of Keir Starmer deze voorbeelden niet op zou moeten volgen. ‘Met de komende inflatiegolf en aanhoudend hoge kosten wordt de verleiding voor Groot-Brittannië om landen als Spanje en Mexico te volgen steeds lastiger om te weerstaan.’ 

    Hoewel prijsregulering risico’s meebrengt, kan het negeren van stijgende prijzen minstens zo riskant zijn. ‘Het is eenvoudig om prijsregulering af te doen als kortetermijnpolitiek – maar dat vergroot het risico dat de onvrede oploopt en protesten uitbreken.’

    Andy Beckett is een Britse journalist en historicus. Hij is columnist bij The Guardian.

  • Kan een land te rijk worden?

    Kan een land te rijk worden?

    Noorwegens eerbetoon aan Edvard Munch, de beroemdste schilder van Scandinavië, is een indrukwekkend dertien verdiepingen tellend blok van gerecycled aluminium en glas aan de haven van Oslo. Het museum, dat in 2021 werd voltooid voor 350 miljoen dollar, liep tien jaar vertraging op en ging fors over budget – er kwam nog eens 200 miljoen dollar bij. Op een winterse middag, oprijzend uit de dichte zeemist, belichaamt het museum het land dat ervoor betaalde: verfijnd en zo rijk dat geld geen rol meer speelt.

    Noorse olie heeft een economie voortgebracht waar andere rijke landen jaloers op zijn – laat staan armere landen. Het bbp per hoofd bedraagt zo’n 90.000 dollar en wordt alleen overtroffen door dat van stadstaten, belastingparadijzen en Zwitserland. Sinds 1991 heeft de overheid een staatsinvesteringsfonds opgebouwd ter waarde van 2,2 biljoen dollar, oftewel 400.000 dollar per inwoner van de 5,6 miljoen tellende bevolking. De opbrengsten financieren een van de gulste verzorgingsstaten ter wereld.

    Vervormd gedrag

    Maar niet iedereen is daar even blij mee. In 2025 was de bestverkochte non-fictietitel van het land The Country that Became Too Rich, een aanval op het economische model van econoom en voormalig McKinsey-consultant Martin Bech Holte. Hij beschreef hiermee een groeiend sentiment. Bij de verkiezingen van afgelopen september ging de grootste winst naar de centrumrechtse Vooruitgangspartij, die stelde dat Noorwegen ‘problemen probeert op te lossen door er simpelweg meer geld tegenaan te gooien’. De zorg is dat de rijkdom ieders gedrag vervormt – van politici tot kantoormedewerkers en scholieren. Wie kan rekenen op een royale uitkering, maakt zich minder zorgen over de toekomst. Kan de welvaart van een land zijn vooruitzichten ondermijnen?

    Volgens Bech Holte heeft de groei van het staatsfonds – dat door olie-inkomsten en beleggingsrendementen in het afgelopen decennium is verdubbeld – Noorse politici spilzuchtig gemaakt. Hoewel het fonds alleen in het buitenland investeert om de binnenlandse economie niet te verdringen, vloeit er geld terug naar de overheid, die daarmee het gat tussen uitgaven en belastinginkomsten dicht. In 2008 bedroeg die bijdrage nog een bescheiden 36 miljard Noorse kronen (toen 6,4 miljard dollar), minder dan 5 procent van de overheidsuitgaven. In 2025 kwam een vijfde van de uitgaven – 414 miljard kronen (40 miljard dollar) – uit het oliefonds.

    Dat heeft ongewenste gevolgen. Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen. Neem de gezondheidszorg, de grootste uitgavenpost van de overheid. Medische zorg is in Noorwegen gemiddeld 30 procent duurder dan in de Europese Unie. Maar waarom ziekenhuizen hervormen als je er gewoon meer geld tegenaan kunt gooien? Denemarken, dat ongeveer evenveel per hoofd uitgeeft, heeft de wachttijden voor routineoperaties twee keer zo snel weten te verkorten als Noorwegen.

    Politici kunnen moeilijke beslissingen uitstellen. Kiezers zien weinig reden om hun eisen te matigen

    Weinig politici nemen nog de moeite om de kosten en baten van beleid zorgvuldig af te wegen, aldus een parlementariër. Dat probleem bestaat elders ook, maar Noorwegen lijkt er bijzonder gevoelig voor. Net als bij het Munchmuseum duurde de renovatie van het parlementsgebouw in Oslo vier jaar in plaats van één en waren de kosten zes keer zo hoog als begroot. In 2023 besteedde de regering 250 miljard kronen – de helft van haar belastinginkomsten op arbeid en kapitaal – aan buitenlandse hulp en binnenlandse liefdadigheidsorganisaties. Dat is een hoge prijs om goodwill in het buitenland te kopen en zorgen over het klimaat thuis te temperen. In Groot-Brittannië ligt dat aandeel onder de 10 procent.

    Noorse burgers zijn nauwelijks minder spilzuchtig dan hun vertegenwoordigers. De gemiddelde huishoudschuld bedraagt 250 procent van het jaarinkomen – het hoogste niveau in Europa. Als je erop kunt rekenen dat de nationale rijkdom je uit de brand helpt, voelt sparen voor slechtere tijden minder urgent.

    Ook de noodzaak om überhaupt inkomen te genereren neemt af. Bijna een op de tien Noren in de twintig is werkloos, tegenover een op de twintig Denen. Het percentage school- en universiteitsuitval behoort tot de hoogste in Europa. Het hoger onderwijs biedt onbeperkt gratis opleidingen en genereuze studieleningen. Dat moedigt studenten aan om hun studie uit te stellen, te wisselen en langer te blijven studeren. Het resultaat is een hoogopgeleide bevolking: meer dan 70 procent van de werknemers in laaggeschoolde dienstverlenende banen (zoals barista’s en callcentermedewerkers) heeft een masterdiploma. Mensen met een migratieachtergrond vervullen 100.000 onderzoeksbanen in wetenschap en techniek – de helft van het totaal. Nog eens 100.000 vacatures moeten tegen 2030 worden ingevuld.

    Houdbaarheid

    Deze financiële losbandigheid begint de economie al te schaden. De centrale bank aarzelt om de rente te verhogen ondanks hoge schulden, wat de kroon verzwakt en buitenlandse investeerders afschrikt. De arbeidsproductiviteit groeit niet meer. De reële lonen beginnen te dalen.

    Je zou kunnen stellen dat dit alles niet uitmaakt zolang het land voor zijn bevolking kan blijven zorgen. Economische groei is politiek gezien belangrijk omdat ze het welzijn van burgers garandeert: direct via werk en indirect via uitkeringen. In theorie kan dat welzijn ook worden gefinancierd uit vermogensopbrengsten in plaats van productie. Zolang het nationale vermogen sneller groeit dan de overheidsuitgaven, kan dat model blijven bestaan.

    Tot nu toe is dat het geval in Noorwegen. Hoewel de staat in 2025 tien keer zo veel geld uit het fonds haalde als in 2008, was dat relatief gezien een kleiner aandeel van het totale vermogen. Zolang de reële rendementen boven de 6 procent blijven, kan de overheid mogelijk nog lang na het opdrogen van de olie – over zo’n vijftig jaar – de belastingen verlagen en de uitgaven blijven verhogen.

    Zo’n redenering is echter zelfgenoegzaam, om twee redenen. Ten eerste is een rendement van 6 procent in de praktijk onzeker, tenzij kunstmatige intelligentie de wereldproductiviteit sterk verhoogt. Ten tweede – en belangrijker – heeft een bloeiende economie voordelen die verder gaan dan louter bestaanszekerheid. Politici zijn beter controleerbaar als ze belasting moeten heffen. Buitenlandse investeerders brengen kennis mee. Veel mensen halen voldoening uit werk. Dat alles draagt bij aan menselijk welzijn. Niemand hoeft Noorwegen zijn rijkdom te misgunnen – behalve, als ze verstandig zijn, de Noren zelf.

  • Onderzoek: herbouw van Gaza tegen 2036 vereist 71,4 miljard dollar

    Onderzoek: herbouw van Gaza tegen 2036 vereist 71,4 miljard dollar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Japan maakt de weg vrij voor de export van dodelijke wapens

    » Hernieuwbare energie streeft steenkool voorbij in wereldwijde stroomproductie

    Meer dan 60 procent van de bevolking is dakloos

    Volgens een gezamenlijke studie van de Wereldbank, de VN en de EU, die maandag werd gepubliceerd, wordt de materiële schade aan de infrastructuur in de enclave geschat op 35,2 miljard dollar, terwijl de economische en sociale verliezen oplopen tot 22,7 miljard dollar.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Daarnaast is er in de eerste achttien maanden nog eens 26,3 miljard dollar nodig om essentiële diensten te herstellen, belangrijke infrastructuur te herbouwen en het economisch herstel te ondersteunen.

    De woningcrisis is een van de ernstigste gevolgen van de oorlog, aldus het online magazine The Palestine Chronicle. Meer dan 371.000 huizen zijn beschadigd of verwoest, waardoor meer dan 60 procent van de bevolking van Gaza dakloos is.

  • In China gelooft Gen Z niet meer dat hard werken loont

    In China gelooft Gen Z niet meer dat hard werken loont

    Misschien wel de interessantste vraag in China op dit moment is niet wat de Communistische Partij voor ogen heeft, maar wat de generatie twintigers nog kan bereiken. Jongeren lijken niet meer mee te gaan in het Chinese succesverhaal. De economische boom is voor hen niet langer een belofte, maar verleden tijd. De kernbelofte van de partij – dat aanpassing en hard werken uiteindelijk worden beloond – is bij China’s Gen Z zo zwaar beschadigd dat het hen nauwelijks nog overtuigt. Hoewel het nog wel functioneert, zijn jonge Chinezen niet langer bereid zich kapot te werken voor het systeem.

    De ironie van deze ontwikkeling is evident. Het Chinese systeem zou uitgerekend kunnen struikelen over een generatie die nauwelijks rebellie vertoont – minder nog dan generaties daarvoor. Met systeemcritici weet de staat wel raad, maar wat kan de overheid beginnen tegen miljoenen jonge Chinezen die zo moe zijn geworden van een voor hen ongrijpbaar verhaal dat ze zich eenvoudigweg aan de samenleving onttrekken – en daarmee aan de toekomstplannen van de regering?

    China presenteert zich als een opkomende wereldmacht, met een nieuwe Zijderoute die mondiale toeleveringsketens hervormt, een groeiend militair zelfvertrouwen in de Stille Oceaan en een regering die zelfs de handelsoorlog met de Verenigde Staten onder Donald Trump niet schuwt – en mogelijk uiteindelijk wint. China lijkt winnaar te zijn van de nieuwe wereldorde.

    Maar wie achter deze façade kijkt, ziet niet alleen triomf, maar ook onzekerheid. Als je jonge Chinezen vraagt hoe het met ze gaat, hoor je weinig klachten – maar evenmin veel vertrouwen in de toekomst. Tegenwoordig komen gesprekken bijna altijd uit op de vraag die ook veel jonge mensen in het Westen bezighoudt: hoe zal ik ooit een eigen woning kunnen betalen?

    In China is die vraag echter nog existentiëler dan elders. Een woning is er niet slechts een plek om te wonen, maar een belangrijk statussymbool. Wil een man in China trouwen, dan verwacht de familie van de bruid dat hij een huis bezit. Alleen dan heb je het gemaakt.

    De Chinese vastgoedcrisis heeft aanzienlijk meer vermogen vernietigd dan de wereldwijde financiële crisis van 2008

    De Chinese vastgoedcrisis heeft aanzienlijk meer vermogen vernietigd dan de wereldwijde financiële crisis van 2008, volgens schattingen zelfs dubbel zoveel. Maar geldt in het Westen de crisis van 2008 als een traumatisch referentiepunt, de Chinese vastgoedcrisis wordt nauwelijks erkend – ook niet door de Chinese regering.

    Volgens de lezing van de regering heeft de markt zich gestabiliseerd: alles onder controle, geen reden tot paniek. Maar de miljoenen Chinese gezinnen die jarenlang elke yuan hebben gespaard en in een van de talloze bouwprojecten hebben geïnvesteerd, voelen de gevolgen nog altijd. Jonge Chinezen kopen vandaag niet alleen minder woningen omdat ze die moeilijker kunnen betalen, maar ook omdat ze geen vertrouwen meer hebben in de belofte van eigendom.

    Tot op de dag van vandaag leven duizenden Chinezen in onafgebouwde woningen waarvoor ze al hebben betaald, zonder water en elektriciteit, simpelweg omdat ze zich geen andere woonruimte kunnen veroorloven. Want de leningen moeten in veel gevallen gewoon worden afbetaald.

    Wie in deze tijd in China opgroeit maakt geen deel uit van de generatie die in recordtempo uit de armoede werd geleid, of de generatie onder wie akkerland plaatsmaakte voor hogesnelheidstreinen, luchthavens en megasteden. Ze zien hoe het spaargeld van ouders, buren en kennissen eenvoudigweg verdampt – vermalen in het mechanisme van een natie op weg naar wereldmacht. Wat overblijft is het besef dat de inspanningen van hun ouders hen uiteindelijk weinig opleveren, terwijl niemand zich daar verantwoordelijk voor toont.

    996

    Toch moet deze generatie nu het roer overnemen. De economische motor moet draaiende worden gehouden – met lange werktijden, maximale beschikbaarheid en nauwelijks ruimte voor een privéleven. Al jaren wordt gesproken van 996; werken van negen uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds, zes dagen per week. Officieel is dit arbeidsmodel verboden, maar ondertussen is het voor veel jonge Chinezen de dagelijkse praktijk.

    Onlangs nog ontstond er veel ophef door het verhaal van de jonge Chinese programmeur Gao Guanghui, die als teamleider werkte bij een Chinees softwarebedrijf. De druk van zijn leidinggevenden was zo hoog dat hij zichzelf nauwelijks pauzes of rust toestond en vrijwel onafgebroken werkte, vertelde zijn vrouw later. Uiteindelijk kreeg Guanghui op slechts 32-jarige leeftijd een hartaanval en overleed hij, vermoedelijk als gevolg van overwerk. Wat de Chinese onlinegemeenschap nog het meest schokte: tot acht uur na zijn dood bleef zijn telefoon overgaan door de nieuwe opdrachten die zijn leidinggevenden hem toewezen. Hoewel dit een uitzondering is, laat het goed zien welke eisen vooral aan de jonge generatie in China worden gesteld.

    Tegelijkertijd zijn veel jongeren allang blij als ze überhaupt werk hebben gevonden. De jeugdwerkloosheid bevindt zich al jaren op een recordniveau en officiële statistieken worden nog maar beperkt gepubliceerd. Miljoenen afgestudeerden, die zich door een uiterst selectief onderwijs- en universitair systeem hebben geworsteld, staan na hun diploma voor de keuze om ofwel met hun eigen scooter eten te bezorgen, ofwel te leven van het geld van hun ouders. Wie wél een vaste baan vindt, accepteert vaak lange werktijden, slechte arbeidsomstandigheden en een geïsoleerd bestaan in een reusachtige, onbekende stad.

    De Chinese economie lijkt minder te worden gedragen door nieuwe dynamiek dan door de nasleep van de groeijaren

    Tegen deze achtergrond is te begrijpen dat onder China’s Gen Z de term ‘rattenmensen’ viraal gaat, waarmee wordt verwezen naar jongeren die zich uit het openbare leven terugtrekken, hun dagen in bed doorbrengen, leven van familiale steun en nauwelijks nog geïnteresseerd zijn in maatschappelijke deelname. Het is niet zozeer protest als wel berusting.

    Dat de groeijaren afzwakken, wordt ook statistisch onderbouwd. Sinds de pandemie komt de Chinese economie nog maar moeizaam vooruit. Het groeidoel van vijf procent werd weliswaar officieel opnieuw gehaald, maar veel economen trekken dit cijfer in twijfel en schatten de werkelijke groei aanzienlijk lager. Maar het vooropgestelde doel moet worden gehaald; de belofte van voortdurende groei is al decennialang de sociale lijm van dit land.

    De Chinese economie lijkt minder te worden gedragen door nieuwe dynamiek dan door de nasleep van de groeijaren. Ambitieuze plannen rond AI en robotica moeten voor nieuwe impulsen zorgen, maar die blijven vooralsnog uit. De economie blijft draaien, maar zonder veel elan.

    Precies hierin schuilt het werkelijke probleem voor de Chinese staat. Niet in protesten, niet in kritiek, niet in actief verzet van de bevolking, maar in een stille weigering. Wie niets meer verwacht, laat zich immers ook niet mobiliseren. En nietsdoen laat zich aanzienlijk moeilijker verbieden dan rebellie.

    Moe

    Het land is niet te zwak, te arm of te verdeeld. Het is moe. En zo’n vermoeidheid laat zich niet zomaar verhelpen; ze onttrekt zich aan ieder vijfjarenplan. Dat is de grote ironie. Juist een generatie die zo apolitiek en zo weinig rebels is, stelt het Chinese systeem voor een van de grootste uitdagingen sinds de oprichting van de Volksrepubliek.

    De Chinese opkomst was een collectief project. Het werd gedragen door de overtuiging dat morgen beter zou zijn dan vandaag en dat inzet – en vooral aanpassing aan een autoritair systeem – zich uiteindelijk zou uitbetalen. In het China na de boomjaren draait het niet langer vooral om groei of macht, maar om een andere vraag: kan de leiding een vermoeide generatie weer overtuigen dat inzet loont?

    Het is nu zaak de vruchten van de groei rechtvaardig te verdelen. Daarmee voegt China zich bij andere Aziatische landen die na jaren van extreme groei in een periode van vermoeidheid belandden. Japan kende na het barsten van de zeepbel in de jaren negentig een vergelijkbare fase: stabiel, maar terughoudend, met jongeren die hun ambities temperden in plaats van te rebelleren. Ook in Zuid-Korea is de snelle opmars grotendeels voltooid en groeit onder jongeren de scepsis over de toekomst.

    Japan kende na het barsten van de zeepbel in de jaren negentig een vergelijkbare fase

    Maar de situatie in China is nog iets ingewikkelder. Er is nauwelijks ruimte voor een ander verhaal dan het collectieve project. Waar Japan en Zuid-Korea na hun groeifase ruimte lieten voor individuele levenspaden, is dat in de Volksrepubliek nauwelijks het geval.

    Dit alles betekent niet dat China op instorten staat. Het politieke systeem zit stevig in het zadel, de staatsinstellingen zijn sterk en de economische en technologische successen van de afgelopen decennia laten zich niet wegredeneren. De opkomst heeft het land ingrijpend veranderd, miljoenen mensen uit de armoede gehaald en China tot een wereldmacht gemaakt.

    Juist daarom is de huidige situatie zo opmerkelijk. De uitdaging is niet langer de opbouw, maar het vervolg. Het gaat niet langer alleen om groei, maar om wat er met die groei wordt gedaan. En in die nieuwe fase ontbreekt voor jongeren vooralsnog een overtuigend perspectief.

  • Trump houdt speech voor Congres met economie en immigratie als speerpunten

    Trump houdt speech voor Congres met economie en immigratie als speerpunten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Frankrijk: de president van het Louvre neemt ontslag

    » Brazilië: minstens 30 doden en ongeveer 40 vermisten na hevige regenval

    Veel Amerikanen zijn bezorgd over de afgenomen koopkracht

    Donald Trump, die negen maanden voor de tussentijdse verkiezingen achter lag in de peilingen, probeerde dinsdag 24 februari ‘terrein terug te winnen op twee punten waarop hij recentelijk terrein heeft verloren: de economie en immigratie’, aldus The New York Times.

    In zijn State of the Union-toespraak, die volgens CNN een recordduur van een uur en 47 minuten had, richtte de president zich met name op de bestrijding van de hoge kosten van levensonderhoud, een grote zorg voor Amerikanen. Een YouGov/Marketwatch-peiling die dinsdag werd gepubliceerd, laat zien dat bijna 47 procent van de respondenten gelooft dat hun koopkracht is gedaald sinds Trump in januari 2025 weer aan de macht kwam.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Trump verklaarde in zijn toespraak onder meer dat zijn importheffingen – die vorige week een grote tegenslag te verduren kregen toen ze door het Hooggerechtshof werden afgewezen – ‘de inkomstenbelasting grotendeels zouden kunnen vervangen als financieringsmiddel voor de federale overheid’. ‘Dit zou niet alleen wiskundig moeilijk zijn, maar het zou ook de belastingdruk verschuiven van rijkere Amerikanen naar Amerikanen met een lager inkomen, aangezien importheffingen een regressieve vorm van belastingheffing zijn, terwijl inkomstenbelasting progressief is’, legt The New York Times-journalist Andrew Duehren uit.

    Wat immigratie betreft, ‘vermeldde Donald Trump niet de dodelijke arrestatiecampagne van ICE-agenten in Minnesota, die wijdverspreide verontwaardiging onder beide partijen teweegbracht nadat federale agenten Amerikanen hadden gedood’ in Minneapolis, merkt Luke Broadwater, Witte-Huiscorrespondent van The New York Times, op. ‘In plaats daarvan legde hij de focus op de slachtoffers van misdaden gepleegd door mensen die illegaal het land waren binnengekomen, om het publieke debat weer op veiligheid te richten en zijn immigratiebeleid te rechtvaardigen.’

  • Duitsland: automarkt in zwaar weer door afname van het aantal banen

    Duitsland: automarkt in zwaar weer door afname van het aantal banen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: Logan Paul veilt zeldzame Pokémonkaart voor recordbedrag

    » Europese leiders verdeeld over het hervatten van de dialoog met Rusland

    Steeds meer investeringen en banen gaan naar het buitenland

    De positie van Duitsland als centrum voor de auto-industrie staat onder druk nu investeringen en banen naar het buitenland verdwijnen, waarschuwt de Duitse branchevereniging voor de auto-industrie (VDA). Ze roept de bevoegde autoriteiten in Duitsland en de EU daarom op zich te richten op het stimuleren van de groei en de regelgeving te versoepelen.

    Volgens VDA-voorzitter Hildegard Müller bleek uit een VDA-enquête onder kleine en middelgrote ondernemingen in Duitsland dat 72 procent van de bedrijven van plan is om investeringen in Duitsland te verminderen. Dit kan door ze naar het buitenland te verplaatsen (28 procent), uit te stellen (25 procent) of volledig te annuleren (19 procent). De enquête omvatte bedrijven in de gehele toeleveringsketen van de auto-industrie, aldus de Tsjechische nieuwssite České noviny.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Bijna twee derde van de 124 onderzochte bedrijven in Duitsland schrapte vorig jaar banen, waarbij 87 procent concurrentienadelen als reden noemde. Momenteel schrapt 49 procent van de bedrijven in Duitsland banen, tegenover 7 procent in het buitenland. Toeleveranciers van de Duitse auto-industrie kampen met een daling van de orders, sterke concurrentie uit het buitenland en een moeizame transitie naar elektrische auto’s en software.

    Volgens overheidscijfers van afgelopen november staat het aantal banen in de Duitse auto-industrie op het laagste niveau sinds 2011. ‘De verplaatsing van investeringen en banen zal niet zonder gevolgen blijven voor de welvaart van ons land en voor de sociale en politieke stabiliteit’, aldus Müller. Ze bekritiseert het maatregelenpakket van de EU, dat bedoeld is om Europese autofabrikanten te ondersteunen bij de overgang naar elektrische auto’s en schonere productie, en vindt dat dit flexibeler moet.

    De Duitse economie groeide vorig jaar voor het eerst in drie jaar, maar het bbp steeg slechts met 0,2 procent. Dit jaar rekent Duitsland op een groei van 1 procent, voornamelijk dankzij hogere defensie-uitgaven.

  • Noord-Europa liet cash achter zich, maar komt daar stilletjes op terug

    Noord-Europa liet cash achter zich, maar komt daar stilletjes op terug

    Loop tijdens een gure winter een Zweedse kerk binnen en je zult in een van de nissen een flauw licht aantreffen. Een bosje kaarsen, aangestoken door bezoekers ter nagedachtenis aan een dierbare, leidt even af van de drukte van het moderne leven. Vroeger werden zulke momenten van bezinning alleen verstoord door het geluid van muntjes die in een metalen bakje vielen als betaling voor elke kaars. Nu niet meer. In deze moderne tijd zijn de kaarsen er nog steeds, maar het muntenbakje is vaak vervangen door een QR-code. Wie een kaars wil aansteken zoekt niet langer in zijn portemonnee, maar stuurt de kerk een paar kronen via de populaire betaalapp Swish. Het geluid van muntjes tegen metaal is vervangen door het doffe gezoem van mobiele telefoons die melden dat een betaling is gelukt.

    Europa, in elk geval het noordelijk deel ervan, is contant geld straal vergeten. In Noorwegen en Zweden behoren munten en bankbiljetten net zozeer tot het verleden als Vikingen en uit de handel genomen IKEA-spreien. Zweden betalen inmiddels 90 procent van al hun aankopen digitaal; nog maar de helft gebruikt überhaupt nog contant geld (schrijver dezes, die Zweden regelmatig bezoekt, heeft er al meer dan tien jaar geen bankbiljet meer gezien). Waar Japanners 22 procent van hun bnp in de vorm van papieren en metalen yens in hun portemonnee of onder hun matras (of futon) hebben zitten, is dat in Zweden minder dan 1 procent.

    Andere delen van het continent lopen de achterstand in. Contant geld blijft vaker de norm in Zuid-Europa, waar mensen armer zijn en kleine bedrijven het soms niet zo nauw nemen met hun belastingaangifte als in Scandinavië. Duitsland en Oostenrijk, waar ooit repressie heerste, hechten om redenen van privacy nog altijd aan fysiek geld. Maar zelfs daar worden contanten steeds vaker afgedankt. Europa telt half zoveel geldautomaten per persoon als Amerika, en dat aantal is dalende. Banken in Denemarken hebben nog zo weinig contant geld dat overvallers ze voorbijlopen.

    Banken in Denemarken hebben nog zo weinig contant geld dat overvallers ze voorbijlopen

    Al dat elektronische betalingsverkeer leek het toppunt van moderniteit, ondanks protesten van straatmuzikanten, bedelaars en belastingontduikers. Politici pleiten al lange tijd voor meer digitale betalingen om zwart geld en witwassen te bestrijden. Griekenland verplichtte bedrijven, inclusief restaurants en taxi’s, om digitale betalingen te accepteren en kwitanties te verschaffen (hoewel de pinautomaat in de taverne soms net buiten gebruik is als er moet worden afgerekend). De EU heeft drempels vastgesteld voor het gebruik van contant geld en eist nationale wetgeving die het gebruik van bankbiljetten bij grote zakelijke betalingen verbiedt. In 2019 is de Europese Centrale Bank zelfs gestopt met het uitgeven van nieuwe vijfhonderdeurobiljetten, omdat de omloop gering was en de verdenking bestond dat ze voornamelijk voor malafide transacties werden gebruikt. In Europese ogen was contant geld verleden tijd en vormden digitale betalingen de stralende toekomst.

    Dit bleef niet zonder protest, met name van de kant van populistisch rechts. In die kringen werden digitale betalingen lange tijd afgedaan als een douceurtje voor banken (die profiteren van elke kaarttransactie); contant geld, zo stellen zij, is een vorm van ‘vrijheid op papier’. Maar consumenten hebben met hun portemonnee gestemd. In de eurozone werd in 2016 79 procent van alle fysieke transacties contant afgerekend, tegen nog maar 52 procent in 2024 (voor een lager totaalbedrag, omdat bij grotere bedragen de voorkeur aan kaarten wordt gegeven). Koffiehuizen realiseerden zich dat het hun omzet ten goede kwam als klanten niet hun portemonnee trokken maar hun bankpas gebruikten. Vooral na de coronapandemie werd er in veel winkels nog maar zo zelden contant afgerekend dat het de moeite niet meer loonde. In steeds meer zaken verschenen bordjes met ‘alleen pinnen’: in 2024 weigerde 12 procent van alle bedrijven in Europa ronduit contant geld aan te nemen, tegen 4 procent nog maar drie jaar eerder. In sommige landen ligt het percentage nog hoger. Ruim een op de drie Nederlandse bioscopen accepteert geen biljetten en munten meer. Contant geld leek in een neerwaartse spiraal terecht te komen: steeds minder mensen namen euro’s op omdat steeds minder winkels die accepteerden, omdat steeds minder mensen ze gebruikten enzovoorts. 

    Toch vinden autoriteiten dat het inmiddels uit de hand is gelopen met het elektronisch betalingsverkeer. Al bepleiten ze geen terugkeer naar het verleden, ze willen er wel voor zorgen dat contant geld een alomtegenwoordig betaalmiddel blijft. In 2021 bepaalde het hoogste EU-hof dat papiergeld in beginsel geaccepteerd moet worden. Om alle verdere twijfel weg te nemen herhaalden de ministers van de 27 EU-lidstaten afgelopen december hun wens om bedrijven te verbieden contante betaling te weigeren. Er is een Europese wet in de maak die winkels en restaurants nog steeds toestaat de voorkeur te geven aan digitale betalingen, maar ze ook verplicht ouderwetse contanten te accepteren.

    COL Euro compressed edited scaled
    © Getty Images

    Vanwaar deze schijnbare terugval? Een van de zorgen is dat een aanzienlijke minderheid nog steeds een aversie heeft tegen digitaal betalen. Moderne apps en pinpassen zijn geweldig voor jonge, digitaal vaardige mensen en doenlijk voor minder digitaal vaardige mensen van middelbare leeftijd. Maar voor ouderen kan het goochelen met bankpassen en apps frustrerend zijn. Sommige arme mensen hebben zelfs moeite om überhaupt een bankrekening te openen.

    Van recentere aard zijn de zorgen over de veerkracht van betalingssystemen. Hoe handig het ook is wanneer alles goed werkt, het via de ether rondpompen van geld vereist elektriciteit en een dataverbinding. Door een landelijke stroomuitval afgelopen voorjaar in Spanje konden mensen geen voedsel en andere levensbehoeften kopen. En wat te denken van bedreigingen door buitenlandse tegenstanders? Sommigen vrezen dat te veel digitale betalingen Europa afhankelijk maken van Amerikaanse bedrijven als Visa en MasterCard, die worden geleid door politiek onvoorspelbare figuren. (Als reactie hierop overweegt de ECB invoering van een ‘digitale euro’, al zal dat nog jaren duren.) In de Baltische en Scandinavische landen, waar men vooral bang is voor Russische sabotage, blijven digitale betalingssystemen inmiddels ook enige tijd werken bij een stroomuitval. Maar als het aankomt op veerkracht gaat er niets boven contant geld. Zweden krijgen al lange tijd het advies om voldoende contant geld in huis te hebben om het een week te kunnen uitzingen, iets wat de EU nu ook aanbeveelt. Na jarenlang contactloos te hebben betaald ontdekt Europa dat wat baar geld ook geen kwaad kan.