dennis siqueira TqSVEKceq3Q unsplash

In de trein zit je op je telefoon te staren, bij de kassa sta je met een koptelefoon op: onze auteur mist de kleine, dagelijkse ontmoetingen die zo waardevol zijn – en merkt tegelijk dat hij het steeds moeilijker vindt om anderen aan te spreken. Een onzekerheid die hij probeerde te overwinnen.

Zwetend sta ik in een boekhandel. Ik draag mijn lievelingstrui, heb me vanochtend geschoren en een lekker geurtje opgedaan. Vandaag wilde ik zo goed mogelijk voorbereid zijn. Bij de tafel met pas verschenen boeken ga ik op jacht. Ik staar naar de flaptekst van Sophie Passmann zonder een woord te lezen. Dan scan ik de omgeving. Bij de kassa staan twee jonge vrouwen om te betalen. Een oudere vrouw snuffelt met een chagrijnig gezicht in de aanbevolen boeken. Bij de crimeafdeling staat een man in een bedrijfsjack, hij heeft twee boeken van Andreas Gruber in zijn handen. Ik haal diep adem, raap al mijn moed bij elkaar en ga op hem af.

‘Ehm, leest u veel misdaadboeken?’

Daar sta ik dan, een hoopje ellende met een wit weggetrokken gezicht, terwijl ik probeer mijn score te verhogen. Dat is mijn missie voor vandaag: zo veel mogelijk vreemden aanspreken. Het is makkelijker gezegd dan gedaan.

We zijn het verleerd elkaar te ontmoeten en contact te maken. We bestellen kleding online, kijken in ons eentje naar een film, gaan minder vaak naar kantoor. We lopen door de binnenstad met een pantser van telefoon en headset en zijn op zijn laatst tijdens de coronapandemie opgehouden bij de kassa te praten met de persoon achter ons. De hele wereld heeft het intussen over eenzaamheid. Over een epidemie. Groot-Brittannië heeft een aparte minister voor eenzaamheid. En de WHO schrijft bijna een miljoen sterfgevallen per jaar toe aan de gezondheidseffecten van eenzaamheid.

Ik wil me met open ogen in de wereld bewegen. Mijn pantser afleggen. En in contact komen met de mensen met wie ik dit stukje aarde deel. 

De man in de boekhandel kijkt me aan, laat zijn boeken zien en zegt: ‘Jazeker. En u?’

De Franse filosoof Charles Pépin schrijft in zijn boek Kleine filosofie van de ontmoeting dat in het woord ‘tegenkomen’ al het woord ‘tegen’ zit. We stuiten op iemand. Iemand die ons misschien overrompelt of in verwarring brengt. Die ons in wezen uitdaagt en ons uit onze dagelijkse routine haalt. Ontmoetingen, schrijft Pépin, ‘vormen het middelpunt van het avontuur van ons bestaan’. We moeten anderen ontmoeten om onszelf tegen te komen. 

Ik ben bang afgewezen te worden. De indruk te wekken dat ik niet weet hoe het moet

Ik mis zulke ontmoetingen, en dat is mijn eigen schuld. Ik vind het moeilijk iemand aan te spreken, iemand bovendien die ik niet ken, zonder een concrete aanleiding. Ik ben bang afgewezen te worden. De indruk te wekken dat ik niet weet hoe het moet. Maar ik merk ook hoeveel ik aan zulke ontmoetingen heb. Ik denk nog steeds met plezier terug aan de vrouw die mij jaren geleden op een perron in Maryland aansprak. We spraken toen twintig minuten lang over filmseries, zomaar. Of aan de man die in de sneltrein naar Frankfurt langs me liep en me zijn smartphone voorhield. Daarop speelde dezelfde tenniswedstrijd die ik op mijn laptop zat te bekijken. Of aan de jogger die mij toeknikte omdat we allebei een shirt van Arsenal droegen. 

Op zulke momenten krijg je het gevoel dat er iets kan opbloeien. De mensen die zich anders langs me heen haasten, worden plotseling concreter. Het zijn niet langer alleen maar gezichten, maar bijvoorbeeld iemand die naar dezelfde serie kijkt. Dezelfde wedstrijd volgt. Fan is van dezelfde club. Een ogenblik lang is het alsof je meer met elkaar gemeen hebt dan je denkt. Heel even is de ander geen vreemde meer.

De Canadese psychologen Gillian Sandstrom en Elizabeth Dunn noemen zulke vluchtige ontmoetingen ‘zwakke bindingen’. Voor een onderzoek lieten ze proefpersonen met kleine tellertjes rondlopen: een klik voor elke keer dat ze een barista groetten, een hondenbezitter toeknikten of kort over een voetbalshirt praatten. Alleen al het verzamelen van die momenten leidde ertoe dat de deelnemers ’s avonds meer het gevoel hadden ‘erbij te horen’. Ze voelden zich meer verbonden. Het ging niet zozeer om de diepgang van de gesprekjes, het ging erom dat ze voor even werden waargenomen.

Het ging niet zozeer om de diepgang van de gesprekjes, het ging erom dat ze voor even werden waargenomen

Ik zou graag meer van die momenten beleven. Dus vraag ik iemand die weet hoe dat moet: mijn vriend Laurin. Hij is het type mens dat geen treinreis kan maken zonder na afloop de levensgeschiedenis te kennen van degene die naast hem zat. Laurin vertelt verhalen waarin zinnen voorkomen als: ‘En toen heb ik in Napels kaart gespeeld met gepensioneerden zonder een woord Napolitaans te kennen.’ Als iemand me kan bijbrengen hoe je makkelijker met mensen in contact komt, dan is het Laurin.

Op een zonnige dinsdagmorgen slenteren we over het marktplein langs Hongaarse platbroden en snijbloemen, en vraag ik hem welke strategieën er zijn. Maar ver komen we niet.

‘Mathias!’

Laurin begroet een oudere heer met sokken in sandalen. Hij zit op een bank. Ze hebben elkaar de zondag ervoor leren kennen tijdens een potje tafeltennis. Mathias zegt dat hij Laurins naam is vergeten. Laurin grapt dat hij zijn eigen naam ook voortdurend vergeet. Ze wisselen nummers uit; er bestaat, zo vertelt Laurin, een WhatsAppgroep waarin iedereen die iemand zoekt om mee te tafeltennissen een berichtje kan plaatsen.

Zo gaat het verder. Laurin loopt door de binnenstad als de paus door Rome, met een hand in de zak. Hier een praatje, daar een knikje. Ik sta erbij en verbaas me. Aan de man met het draaiorgeltje vraagt Laurin waar je zoiets eigenlijk kunt krijgen, en aan de vrouw in de groentestal hoe je schorseneren moet klaarmaken.

Je moet de mensen gewoon iets langer aankijken. Of ergens gaan zitten en kijken wat er gebeurt

Ik maak notities. Laurin zegt dat je gewoon een detail moet kiezen, iets dat opvalt. En een of twee gedachten daarbij moet hebben. Iets zeggen dat een beetje verrassend is, of simpelweg benoemen wat voor de hand ligt. Dat het koud is, of druk. Dat gaat het beste op plekken waar je niet meteen weer weg moet. In de tram bijvoorbeeld. Of wanneer iemand zich toch al een beetje opvallend gedraagt. En verder moet je de mensen gewoon iets langer aankijken. Of ergens gaan zitten en kijken wat er gebeurt.

Zo moeilijk kan het niet zijn. Ik ben er klaar voor. Ik heb toch gezien hoe makkelijk het is. Ik dwing me tot een glimlach. Een man niest in het voorbijgaan. ‘Gezondheid!’ zeg ik. Showtime.

Ik stel me op bij de groentestal en keur de knolselderij. Voor me staat een oudere mevrouw. In haar hoog getoupeerde kapsel is een bloemblaadje blijven hangen. Zal ik er iets over zeggen? Of is dat te vrijpostig? Misschien vindt ze mij eng. Ik kan toch ook niet zomaar aan haar haar zitten.

‘Pardon, ik geloof dat er iets in uw haar zit.’

‘Oef. Kunt u het eruit halen?’

De vrouw bedankt me. Ze grapt dat ik haar ‘onttroond’ heb, en verdwijnt in de drukte.

Ik sta nog steeds bij de knolselderij. Mijn hart gaat tekeer. Ik ervaar nog geen plezier; enkel opluchting.

Ze gaven de forenzen een opdracht: ze moesten tijdens de rit een gesprek met een onbekende man of vrouw beginnen

Dat veel mensen in de trein of de bus meestal star voor zich uit kijken is niet omdat ze zo van hun eenzaamheid genieten. Nicholas Epley en Juliana Schroeder, gedragsonderzoekers van de universiteit van Chicago, hebben dat onderzocht in de forensentreinen van hun stad. Bijna iedereen veronderstelde dat het het prettigst zou zijn de rit zwijgend uit te zitten. Ze verwachtten dat de anderen sowieso geen gesprek willen voeren. Dus gaven Epley en Schroeder de forenzen een opdracht: ze moesten tijdens de rit een gesprek met een onbekende man of vrouw beginnen. Het resultaat: niemand werd afgewezen. De passagiers verlieten de trein in een betere stemming, en voor hun gesprekspartner gold hetzelfde. Blijkbaar houden we ons vaak in omdat we de interesse van anderen onderschatten.

Laten we eens kijken hoe het staat met de interesse voor mij in de voetgangerszone.

‘Waar kun je hier goed lunchen?’

‘Dat ijsje ziet er lekker uit. Smaakt het inderdaad?’

‘Wat een weertje, hè?’

Na een half uur kom ik even tot rust op een bankje. Geen enkel gesprek duurt tot nu toe langer dan twintig seconden. En het gaat me nog steeds niet gemakkelijk af. Naast mij zit een man die bladert in een fotoboek van Peter Lindbergh. Ik weet niets over Peter Lindbergh en overweeg kort of ik iets kan bedenken om te zeggen. Een of ander bijdehand zinnetje. In plaats daarvan vraag ik of hij veel met fotografie bezig is.

De man stelt zich voor als ‘Werner’. We praten een poosje. Over fotografie, over het nachtleven in onze stad, over journalistiek. Hij vraagt of we het gesprek zullen voortzetten bij een espresso. We gaan een café in en hij zegt met nadruk dat ik absoluut de toiletten moet bekijken, de mooiste van de hele stad. Na een halfuur neemt hij afscheid, hij moet gaan, het middagslaapje wacht.

Ik had gehoopt dat ik door de binnenstad zou trippelen als in een film

’s Avonds val ik uitgeput neer op de bank, neem een biertje, kom op adem. Ik had gehoopt dat ik door de binnenstad zou trippelen als in een film: luchtig en terloops, hier een gesprekje, daar een glimlach. Maar elke ontmoeting kostte mij energie.

In 2022 wilden Gillian Sandstrom en haar onderzoeksteam weten of deze drempel door herhaalde oefening valt weg te slijten. Een week lang moesten de deelnemers gericht vreemden met opvallende kenmerken aanspreken: een bepaalde hoed, iemand die er gelukkig uitzag. In het begin kostte het moeite. Maar met elk gesprek werd het makkelijker, en gaandeweg bleken er in het dagelijks leven overal kleine mogelijkheden voor een gesprek te zijn.

Terwijl ik op de bank hang als een bokser in de hoek van de ring en denk aan al die mensen met wie ik vandaag heb gesproken – Werner en Dave, de vrouw met het bloemblad in haar kapsel en de man met de misdaadromans – begint me iets te dagen. Misschien heb ik twee dingen door elkaar gehaald.

Die kleine momenten waarnaar ik op zoek was, kun je niet afdwingen. Je onthoudt ze juist omdat ze toevallig ontstaan. Omdat ze je even uit je dagelijkse sleur halen. En de gesprekken waarnaar ik op zoek was, vergden meer moed dan ik had gedacht. Misschien zal het me na verloop van tijd makkelijker afgaan om mensen aan te spreken. Maar misschien is het ook voldoende om te weten dat we echt niet alleen op de wereld zijn. Dat de meeste mensen wel degelijk gebaat zijn bij onderling contact.

Vertaald door Piet Meeuse


Deel dit artikel


Recent verschenen