Journalist Robert D. Kaplan, wiens nieuwe boek begin maart verschijnt, is een verwoed lezer. Welke boeken zou hij meenemen naar een kamer waar hij de rest van zijn leven zou wonen?
Ik heb veel te veel boeken. Maar ik kan ze niet wegdoen omdat er aantekeningen in staan die ik nog wil gebruiken. Toch is het opruimen van boekenkasten een taak die je moet verrichten voordat de ouderdom echt toeslaat. Eén boek betekent vrijheid; te veel boeken staan nieuwe ontdekkingen in de weg. Als je bij alles wat je ziet of hoort een citaat paraat hebt, sta je niet meer open voor wat nieuw en anders is.
Gebonden boeken zijn voor een gevestigd bestaan. Ik heb relatief weinig hardcovers en nog minder eerste drukken. Geen bibliofiel zal onder de indruk zijn. Mijn bibliotheek bestaat grotendeels uit groezelige paperbacks vol aantekeningen die ik in de loop der jaren heb gemaakt. Toch zijn al mijn boeken me dierbaar. Als je weinig geld hebt, koester je de boeken die je hebt en koop je alleen wat je echt graag wilt hebben.
‘Boeken die ik lang geleden aanschafte zijn net als oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen’
Ik was al drieënvijftig toen ik mijn eerste fulltimebaan kreeg. Daarna volgden de banen elkaar op en soms had ik er zelfs meerdere tegelijk. Ik was dus pas vrij laat in mijn leven in de gelegenheid om veel boeken te kopen, en die gingen toen elk afzonderlijk steeds minder voor me betekenen. Het meest gehecht ben ik aan de boeken die ik tientallen jaren geleden kocht. Daarmee is het net als met oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen.
Er is evenwel nog een tweede overeenkomst tussen herinneringen en spullen, namelijk dat het oude en dierbare door het nieuwe wordt overwoekerd. De icoon die ik ooit van een Roemeense kunstenaar kreeg en vroeger zo’n prominente plaats innam, staat nu half verscholen achter een boek over de Balkan en een Cambodjaans beeldje en achter dat beeldje staat ook nog een print die ik haast een leven geleden in een museum in Lahore kocht. Ik moet dat alles echt opruimen. Kijk uit voor het narcisme van de verzamelaar!
Maar het valt me zwaar. Een goede pocket naast het bed en zelfs de goedkoopste hotelkamer krijgt beschaving. Nadat zijn bibliotheek in 1931 door een menigte in brand was gestoken, schreef de Britse gouverneur van Cyprus, sir Ronald Storrs: ‘Als je gedachten vaak en langdurig bij ze hebben verwijld, kunnen ook dingen die gewoonlijk als levenloos worden beschouwd, bijna net zo veel voor je gaan betekenen als geliefde wezens die altijd in je gedachten blijven. Als ik mijn ogen sluit, kan ik nog elk boek op zijn plaats zien staan…’ Het citaat komt uit een van de weinige eerste drukken die ik wel bezit.
Geen levenloos voorwerp is zo sensueel als een boek. In mijn handen heb ik The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825 van C.R. Boxer, verschenen in 1969 en een van de heilige teksten van iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Portugal. Ik bekijk de omslag van mijn pocketuitgave van Hutchinson uit 1977. Op de bovenste helft staan smaakvolle zwarte letters op een witte achtergrond en op de onderste helft is een landkaart afgedrukt met eroverheen een schilderij van een karveel op een woelige turquoise zee. De pocket voelt aan als een middeleeuwse vaas.
Tientallen jaren had ik de gewoonte om telkens als ik aan een nieuw project begon, een mooie studie over het onderwerp te kopen. The White Nile (1960) en The Blue Nile (1962) van Alan Moorehead voor mijn boek over de Hoorn van Afrika. The Pathans (1958) van Olaf Caroe, in een uitgave van Oxford University Press / Karachi voor mijn boek over Afghanistan. Een eerste druk van John Reeds The War in Eastern Europe (1916), een zeldzame uitspatting, voor mijn boek over de Balkan. The Opium Clippers (1933) van Basil Lubbock, een exemplaar van de oorspronkelijke editie van Charles E. Luriat Company, een andere uitspatting, voor mijn boek over de Indische Oceaan. Enzovoorts. Aan boeken die jarenlang met een bepaald doel worden bewaard, kleven niet alleen herinneringen (dat spreekt voor zich), maar ze onthullen ook iets over de echte waarden van de eigenaar. Je bibliotheek kan namelijk iets heel anders over je zeggen dan je zelf denkt.
Boeken hebben bovendien nog beter dan foto’s het vermogen om de plaats waar je ze gelezen hebt, tevoorschijn te toveren. Zo voel ik bij De Buddenbrooks weer de sfeer van Praag in de winter van 1981. Door de Koude Oorlog was de stad in stilte gedompeld en waren er zo weinig mensen op straat dat de standbeelden en waterspuwers op de pleinen nog mooier waren dan ze toch al zijn. Ik weet nog dat ik na een interview met een communistische functionaris en met een geheim agent op mijn hielen terugliep naar mijn hotelkamer, en daar las over het huisje aan de Mecklenburgse kust waar de geur van koffie hangt en Tony Buddenbrook warme gevoelens krijgt voor een student medicijnen, een romance die vanwege familieverplichtingen bij een zomerliefde blijft. Bij het boek Vaders en zonen zie ik weer het dichte bos in Roemenië voor me waar ik in de zomer van 1973 wegens noodweer twee dagen in mijn eentje vastzat in een lodge. De duistere strekking van Toergenjevs pastorale vertelling over het negentiende-eeuwse Rusland is zo modern dat ik me er wel alleen, maar niet eenzaam voelde.
Een verhaal van Nabokov
Jonge mensen kunnen in het heden leven. Dat is een gevoel dat ouderen, die niet meer zo onbezorgd in het leven staan, dolgraag terug willen krijgen. Het lezen van een boek is een daad van verzet, niet alleen tegen de afleidingen van het elektronische tijdperk, maar ook tegen eigen zorgen en het gevoel dat je iets moet. Het doel is niet succes, maar opgaan in het nu. Je wilt weer net als vroeger urenlang helemaal verdwijnen in dat verhaal van Toergenjev. Hij liet me een door passie totaal verkild hart zien, waardoor ik voor het eerst begreep dat ideologie, hoe abstract de redeneringen ook zijn, uiteindelijk op shakespeareaanse diepten berust.
Met paperbacks is het als met de grammofoonplaten van vroeger. Nieuw zijn ze glanzend en mooi, maar op den duur kunnen ze op de oude rommel op zolders gaan lijken. Het stoffige, vergeelde papier past niet meer in deze glasheldere tijd. Weg met die troep, zeg ik tegen mezelf. Houd alleen de boeken waar je het meest om geeft. Decimeer je bibliotheek. Breng
je verzameling terug tot de essentie.
Er is een kort verhaal van Nabokov, getiteld ‘Wolk, burcht, meer’. De hoofdpersoon kan niet meer tegen zijn drukke reisgenoten, die van hem eisen dat hij zich aanpast. Maar dat kan hij niet en hij wil aan hen – of eigenlijk aan de wereld – ontsnappen. Hij komt bij een herberg. ‘Boven was een kamer voor reizigers. “Weet u, ik neem hem voor de rest van mijn leven,”’ zei hij tegen de herbergier. Het was een ‘heel gewone’ kamer. Maar ‘uit het raam kon je duidelijk het meer met zijn wolk en zijn burcht zien, in een roerloos en volmaakt samengaan van geluk’. In ‘één stralende seconde besefte hij dat daar, in die kleine kamer met dat prachtige uitzicht waarvan de tranen je in de ogen kwamen, het leven zou zijn zoals hij het zich altijd gewenst had’. Hij hoefde nu alleen nog maar ‘de weinige bezittingen die hij had’, waaronder een paar boeken, naar deze kamer zien te krijgen.
Welke boeken – één plank vol op zijn hoogst, een stuk of vijfentwintig dus – zou ik meenemen naar zo’n kamer waarin ik de rest van mijn leven zou wonen? Het moeten boeken zijn die heel veel voor me betekenen. Ze moeten me veranderd hebben of een beslissende invloed op mijn leven hebben gehad, en dat niet per se ten goede, want zonder problemen en zelfs onaangenaamheden kun je een leven geen leven noemen.
Ik weet welke boeken ik zou kiezen. In de volgende alinea’s beschrijf ik er slechts eentje.
Ik pak een oude pocket van een plank. Het is The Governments of Communist East Europe van H. Gordon Skilling in een uitgave van 1971; het boek verscheen voor het eerst in 1966. Ik bekijk het met genegenheid. De omslag is even saai en academisch als de titel: helemaal grijs, met bruine letters en zonder foto. Dit is een werk waarbij schoonheid en literaire talenten geen rol spelen. Anders dan de studie over het Portugese wereldrijk is het geen mooi boek. En toch is het een van de boeken die ik zou meenemen naar de fictieve kamer van Nabokov.
Aan het eind van de zomer van 1981 liep ik door King George Street in Jeruzalem. Het zonlicht was schel aan mijn ogen. Moe, zweterig en met een lichte hoofdpijn liep ik doelloos door, totdat ik een boekwinkel zag op ongeveer dezelfde hoogte van het aan een parallelstraat gelegen King David Hotel. Het was een stoffig winkeltje met kasten van grijs metaal. Er was geen stoel of kruk en de boeken stonden ongeordend door elkaar. Zoals ik zomaar wat door de stad dwaalde, zo had ook mijn leven op dat moment geen doel.
Een paar weken later zou ik uit het Israëlische leger (IDF) ontslagen worden en ik wist nog niet wat ik daarna zou doen. Ik was 29 jaar. Ik had geen collegeopleiding die een goed opstapje was naar de wereld van de journalistiek. Ik was freelanceverslaggever in Arabische landen en Israël geweest en had ook veel gelezen en gereisd, maar gepubliceerd had ik nog maar weinig. In de paar jaar dat ik in Israël woonde, was ik behalve door het land zelf gefascineerd geraakt door het ‘Heilige Land’ en al zijn godsdiensten. Zo had ik een passie opgevat voor alle soorten religieuze gebouwen, van de synagoges en Griekse kloosters in de woestijn van Judea tot de middeleeuwse islamitische monumenten. Vanuit die interesse had ik ook een aantal geïllustreerde boeken over archeologie en het orthodoxe christendom geschreven, onder eigen naam of als ghostwriter. Ze waren door Israëlische uitgeverijen gepubliceerd, maar verkochten amper. In feite was ik dus werkloos. Bovendien vond ik het leven in Jeruzalem verstikkend. Ik wilde weer reizen.
Puur toeval
Het was puur toeval dat ik op dat moment stuitte op The Governments of Communist East Europe, maar dat ik het meteen van de plank pakte toen mijn oog erop viel, was niet toevallig. De schrijver, de Canadees H. Gordon Skilling, was een vrij bekende Oost-Europadeskundige en zette zich in de jaren van de Koude Oorlog vanuit Toronto, waar hij aan de universiteit doceerde, in voor anticommunistische dissidenten. Hij was vooral geïnteresseerd in het toenmalige Tsjechoslowakije en had ook een boek over de twintigste-eeuwse geschiedenis van dat land geschreven. Maar dat alles wist ik toen nog niet. Voor mij was hij nog louter een naam op een saai ogend en goedkoop boek. Ik besloot er een blik in te werpen omdat het een herinnering bij me opriep.
In de zomer van 1971 had ik een paar dagen met de trein door Joegoslavië gereisd. Dat korte bezoekje was me zo goed bevallen dat ik na mijn afstuderen – in de zomer van 1973 – een trektocht van drie maanden door communistisch Europa maakte. Ik begon in Oost-Duitsland, ging naar Polen en Tsjechoslowakije en trok vandaar in zuidoostelijke richting naar Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Ik logeerde in jeugdherbergen of thuis bij mensen die ik onderweg tegenkwam. Het was midden in de Koude Oorlog en in de westerse media werden al deze landen op één hoop gegooid als ‘satellietstaten van Moskou’. Maar zodra ik vanuit Oost-Berlijn in Warschau aankwam, begonnen de verschillen me op te vallen. Zo heerste er in Polen een veel vrijere sfeer dan in Oost-Duitsland, dat aanvoelde als een gevangenis. Hongarije leek op Polen in die zin dat je overal vrolijke jongeren zag, met wie je ook gemakkelijk contact kon maken. Buurland Roemenië daarentegen was niet alleen veel armer, maar ook zo gesloten dat een westerse bezoeker als ik er met niemand vriendschap kon sluiten. In Bulgarije ten slotte was de situatie weer anders. Op het platteland daar kreeg ik het gevoel alsof ik niet meer in Europa was: het was er precies zoals ik me toen het Midden-Oosten voorstelde.
De reis in 1973 leverde qua werk niets op. Pogingen om reportages gepubliceerd te krijgen mislukten door mijn gebreken als schrijver en wellicht ook doordat er niet veel belangstelling was voor een regio waar in die tijd weinig nieuws gebeurde. Na terugkomst in de VS vond ik een baan bij een kleine krant en spaarde genoeg geld om weer te gaan reizen, ditmaal door de Arabische wereld. Die reis eindigde in Israël, zonder dat ik wist wat ik er wilde gaan doen. Ik vreesde dat mijn leven volledig de mist in zou gaan. Al leunend tegen de metalen kast in de stoffige boekwinkel begon ik Skillings boek te lezen. Op pagina vijf begreep ik plots dat de reputatie van het Westen in Oost-Europa al voor de Tweede Wereldoorlog een knauw had gekregen door de Brits-Franse appeasementpolitiek. Een groot deel van de jaren dertig werden niet de westerse landen, maar de communisten als de grote tegenstanders van de nazi’s gezien. Het verlies van Oost-Europa aan Stalin had dus zijn wortels in Chamberlains pact met Hitler in München in 1938.
Op pagina zeven realiseerde ik me dat de Sovjet-Unie Oost-Europa deels zo makkelijk had kunnen veroveren en behouden doordat de landen daar onderling verdeeld waren. Acht jaar eerder waren de verschillen tussen de satellietstaten me al opgevallen. Omdat ik moe werd van het staande lezen, kocht ik het boek en vertrok naar mijn loft in Musrara, een buurt niet ver van de Oude Stad.
De dagen daarop legde Skilling voor mij een wereld bloot van nationale conflicten, interne politieke problemen en tal van bevolkingsgroepen die allemaal hun eigen, afgebakende gebied hadden. Maar al die gebieden waren eenvoudig te penetreren door grootmachten, of het nu ging om het oude Habsburgse keizerrijk of de latere Sovjet-Unie. ‘Via de Donauvlakte waren volkeren van elders en invasielegers gekomen. (…) Meer dan een dozijn nationaliteiten vormen er een etnisch mozaïek dat net zo gevarieerd is als de geografie. (…) Hoewel de meeste Slaven uit Azië kwamen, leidde de culturele verwantschap niet tot politieke eenheid. Conflicten tussen Slaven onderling en tussen hen en anderen hingen samen met verschillen in geloof en in ervaringen met bezettingen.’ Dit is de transcriptie van de stenografische notities die ik destijds achter in het toen al tien jaar oude boek maakte. ‘Doordat de orthodoxe kerken per land zelfstandig waren en er bovendien de verdeeldheid tussen katholiek en protestant was, bracht de godsdienst geen eenheid.’
Verder was er natuurlijk nog de kloof tussen katholiek en orthodox, die zo oud is als het geschil tussen Rome en Byzantium. Bij het woord ‘orthodox’ in het boek van Skilling moest ik denken aan de Griekse kloosters in de woestijn van Judea die ik vaak had bezocht. Betoverende, naar muskus ruikende gebouwen vol iconen en fresco’s die met eitempera zijn geschilderd. De kloosters zijn ommuurd en liggen in een geblakerd, zinkkleurig landschap.
Het boek maakte een buitenlandcorrespondent van me
In het interbellum had de democratie in de Oost-Europese landen niet echt wortel geschoten, zo schreef Skilling verderop in zijn boek. Daarna had de Tweede Wereldoorlog onder de volkeren in deze contreien winnaars en verliezers gecreëerd en in 1945 was de geschiedenis in feite bevroren. Ondertussen waren Roemenië en Albanië nog sterk agrarisch, een opmerking die me trof omdat ik nu beter begreep waar het verschil tussen Roemenië en Hongarije vandaan kwam dat me in 1973 zo had geschokt. Minutenlang bestudeerde ik de etnische kaart op pagina dertien. Die kaart was heel anders dan de kaarten uit de Koude Oorlog die ik vagelijk kende.
Nauwelijks gecovered
Net als belangrijke inzichten kan ook een plan in een fractie van een seconde bij je opkomen. Het enige land van het Warschaupact waarmee Israël diplomatieke betrekkingen had, was Roemenië en nog belangrijker voor mijn doel was dat het een directe vliegverbinding had met Boekarest. Ik besloot dat ik de dag na mijn ontslag uit het Israëlische leger naar Roemenië zou vliegen voor een nieuwe reis door Oost-Europa.
Ik had wat geld gespaard van mijn verdiensten als ghostwriter. Ditmaal zou ik het goed aanpakken, zo hield ik mezelf voor. Met Skillings boek als gids zou ik me helemaal richten op de verkoop van artikelen aan dagbladen om zo een basis voor de toekomst te leggen. In 1981 was de journalistieke belangstelling voor Oost-Europa, en zeker voor de Balkan, buitengewoon klein. Skilling onderscheidde drie subregio’s in Oost-Europa: de Noord-Europese laagvlakte, de Donauvlakte en ‘het ruige en bergachtige Balkanschiereiland’. Met deze laatste subregio gaf hij aandacht aan een gebied (en zelfs een woord) dat tientallen jaren uit het nieuws verdwenen was. Op de publiciteitsschaal lag ‘de Balkan’ eertijds precies aan de andere kant ten opzichte van Israël en het Midden-Oosten. Werden de persconferenties in Jeruzalem druk bezocht door journalisten die allemaal achter hetzelfde verhaal aanjoegen, de in Europa zelf gelegen Balkan werd amper gecoverd. En dat terwijl de regio in historisch en cultureel opzicht niet minder interessant was dan het land waar ik op dat moment woonde.
Ik zou de opmerking aan het eind van Skillings boek, dat alle door hem behandelde landen nog steeds ‘hun eigen kenmerken hebben’ – en het communisme op hun eigen manier praktiseerden – tot het thema van mijn verhalen maken, besloot ik. Oog hebben voor de verschillen tussen mensen en landen is even belangrijk als het zien van de overeenkomsten. Alleen als je beide ziet, doe je de mens recht.
Ik begon in kranten te zoeken naar berichten over Oost-Europa en met name over de Balkan, en bestudeerde microfilms op het persarchief van de bibliotheek van het Amerikaanse Informatiecentrum in West-Jeruzalem. Al snel zag ik een patroon. De in Warschau of Wenen gevestigde correspondenten van de grote dagbladen gingen zo ongeveer eens per jaar naar het zuidelijke deel van Oost-Europa om afwisselend een verhaal over Joegoslavië, Roemenië of een ander land daar te maken. Ook ontdekte ik dat verscheidene kranten meldden dat de Roemeense munt nog maar zo weinig waard was dat de bevolking Kent-sigaretten als betaalmiddel gebruikte. Hoe interessant ook, ik vond het toch vreemd dat alle correspondenten met hetzelfde verhaal kwamen. Er moest toch iets meer uit Roemenië te melden zijn.
Ten slotte trok een bericht van een persbureau dat ergens weggestopt in de Jerusalem Post stond mijn aandacht. De correspondent in Belgrado meldde dat in heel Oost-Europa zo af en toe de elektriciteit uitviel. De vermoedelijke oorzaak was dat de Sovjet-Unie bezuinigde op de brandstofsubsidie aan de Oost-Europese landen. Indertijd kon ik dat uiteraard niet weten, maar dit feit markeerde het begin van tien jaar economische teruggang die mede de oorzaak was van de latere onrust die het communisme fataal werd. In oktober 1981 ontdekte ik ergens binnen in een krant nog een ander berichtje uit Belgrado van een persbureau. In de Zuid-Joegoslavische provincie Kosovo waren opstootjes geweest van etnische Albanezen. Bij mijn vertrek uit Israël had ik circa tien van dit soort berichten verzameld.
Op de dag van mijn ontslag uit het leger leverde ik mijn uniform en plunjezak in bij bakum, de legerbasis even buiten Tel Aviv, waar de diensttijd van alle Israëlische soldaten begint en eindigt. Vervolgens diende ik het verzoek in voor een reis naar het buitenland, een regel voor reservesoldaten die oproepbaar moeten zijn. De jonge vrouw in uniform vroeg waar ik heen wilde. Op mijn antwoord reageerde ze wat verbaasd. Roemenië was lid van het Warschaupact, dat nauwe banden had met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie en radicale Arabische landen. ‘Daar gaan niet veel Israëli’s naartoe,’ zei ze. ‘Waarom? En dat nog wel aan het begin van de winter?’ Ik zei dat ik christelijk-orthodoxe kloosters wilde bezoeken, een onderwerp waarover ik boeken geschreven had. ‘Bel het ministerie van Buitenlandse Zaken in Jeruzalem voor het adres en telefoonnummer van de Israëlische ambassade in Roemenië, voor het geval u daar veiligheidsproblemen krijgt,’ zei ze met een toonloze stem terwijl ze me mijn reisvergunning gaf. De vergunning was alleen voor Roemenië, zo vervolgde ze. Van de IDF had ik geen toestemming voor een reis naar andere Oost-Europese landen, waar Israël geen ambassades had. Ik accepteerde de voorwaarden wetende dat ik me er toch niet aan zou houden. Hoe gering de inmenging ook was, op dat moment wist ik dat ik misschien niet naar Israël zou terugkeren.
Zodra ik de volgende ochtend aan boord van het El Al-toestel naar Boekarest was gegaan, legde ik mijn Israëlische paspoort helemaal onder in mijn tas. Na aankomst liet ik mijn Amerikaanse paspoort zien en gooide ik mijn retourticket weg. En toen ik later bij de ambassades van andere communistische landen in Boekarest visa aanvroeg, gebruikte ik weer mijn Amerikaanse paspoort. Dankzij Skillings boek had ik nu een roeping en een doel. Wie historische boeken leest, leert iets over de omstandigheden waarin hij of zij is opgegroeid. Doordat ik in het Europa van de Koude Oorlog dook – in de negen jaar hierop zou ik Oost-Europa meermaals bezoeken – heb ik veel geleerd over mijn eigen tijd. Dat boek maakte een buitenlandcorrespondent van me, zonder dat iemand me had ingehuurd.
Auteur: Robert Kaplan
Vertaler: Margreet de Boer
Robert D. Kaplan is al 25 jaar correspondent van The Atlantic. Hij schreef veertien boeken over buitenlandse politiek en reizen, waaronder Moesson en Balkanschimmen. Zijn nieuwe boek, Duister Europa, verschijnt op 3 maart bij Unieboek | Het Spectrum. Kaplan spreekt op 15 maart in De Balie in Amsterdam.

