Zelfs vóór de pandemie werden massale bijeenkomsten bedreigd door draconische wetten en bedrijven die de openbare ruimte in beslag namen. Toch leert de geschiedenis ons dat de menigte altijd een manier vindt om terug te keren.
Toen afgelopen maart een lockdown op de loer lag, raakte ik in de ban van een voetballied voor een team zo’n 600 kilometer verderop. Ik had een artikel gelezen over inwoners van Edinburgh die vanaf hun balkon een lied van The Proclaimers zongen, genaamd Sunshine on Leith. Ik kende het nummer niet en toen ik het opzocht, vond ik een fantastisch filmpje van 26.000 Hibernian-supporters die het lied in een zonovergoten Hampden Park ten gehore brachten na de langverwachte bemachtiging van de Schotse beker in 2016. Beide teams hadden het veld verlaten en de helft van het stadion van de Rangers was leeg. Het zag eruit als een concert waarbij de fans zowel de artiest als het publiek vormden.
Ik was in vervoering. Ik bleef het steeds opnieuw kijken. De aanblik en de klank van deze collectieve vreugde was overweldigend: tienduizenden groen-witte sjaals die in de lucht werden gehouden, en iedereen zong het lied uit volle borst mee. Wanneer de menigte bij het refrein komt, bereikt het volume van de wankele smartphonevideo zijn grenzen en vindt een uitbarsting plaats van uitzinnig gebrul van lawaai. Ik moest denken aan wat een van de leiders van de landelijke ‘Tuneless Choirs’ – speciaal voor mensen die niet kunnen zingen – ooit zei: ‘Als je genoeg mensen samen laat zingen, met voldoende volume, klinkt het altijd goed.’ Onze individuele tekortkomingen worden overstegen, we worden groter dan de som van onze magere delen. Individueel gezongen liederen klinken soms dunnetjes en vreemd – denk aan de popster die de Star-Spangled Banner in de Super Bowl brult. Hymnes hebben warmte van harmonie nodig, of zelfs de wrijving van dissonantie. Ze hebben het volle geluid nodig van lichamen die in trots, vreugde of overeenstemming tegen elkaar aan schuren.
Sunshine on Leith is schijnbaar een liefdeslied, maar in dit geval werd het niet gezongen voor een geliefde, of voor de zegevierende Hibs-spelers, of voor de voetbalclub, of voor Leith – de 26.000 zangers leken elkaar toe te spreken. Met hun vele, gevarieerde stemmen hadden ze het omgetoverd tot een liefdeslied voor de menigte: ‘While I’m worth my room on this Earth, I will be with you / While the chief puts sunshine on Leith, I’ll thank him for his work, and your birth and my birth.’ In de opmerkingen op YouTube feliciteren fans van andere clubs, van Millwall tot Lyon tot zelfs Hibs’ aartsrivalen Hearts, de Hibbies; niet met de bekeroverwinning, niet met de prestaties van het team, maar met die van het publiek. ‘Zelfs de paarden van de oproerpolitie houden het niet droog’, merkt een commentator op.
Alchemie van de gemeenschap
Toen de lockdown begon, merkte ik dat ik ook andere nummers opzocht die me aan menigten deden denken. Zoals een melodie in één keer een ex of een oude vriend in herinnering kan brengen, zo wilde ik liedjes horen die me deden denken aan hoe het is om met duizenden vreemden te zijn. Ik luisterde naar Drake’s Nice for What en Koffee’s Toast, die me terugbrachten naar hoe ik in duizelige overweldiging tipsy heen en weer zwaaide in de drukte van het Notting Hill-carnaval, terwijl de dreunende bas een miljoen ribbenkasten deed trillen.
Ik miste de ongeremdheid van het dansen in een donkere club met een laag plafond. Ik miste het gillen in de koude winterlucht van de AFC Wimbledon-terrassen vanwege een ongeoorloofde beslissing van de scheidsrechter. Ik miste de vreugde om te zingen en te voelen dat mijn eigen magere stem werd vervolmaakt doordat anderen zich erbij voegden. Ik miste de tintelende mix van angst en duizeligheid op het moment dat je voor het eerst een festival- of voetbal- of carnaval- of protestmenigte binnenstapt, een gevoel van overprikkeling, de deinende geluiden en kleuren die om je aandacht dringen, de anticipatie om ondergedompeld te worden in de menigte en tegelijk te worden gestimuleerd – om een deel van jezelf en je onafhankelijkheid te verliezen, en daar blij om te zijn. Ik miste de vreemde alchemie van de gemeenschap, de bevestiging dat je samen met zoveel mensen hetzelfde pad hebben gekozen; Ik moet wel het goede doen. Al deze mensen zijn hier ook.
Hoewel velen van ons menigten misten, kregen ze door de realiteit van covid-19 ook een geheel nieuwe betekenis. Met anderen bijeenkomen was plotseling, paradoxaal genoeg, asociaal: het suggereerde dat je achteloos omging met de mogelijke virale overdracht van een dodelijke ziekte, meer geïnteresseerd was in je eigen sociale behoeften op korte termijn dan in het leven van vreemden. De aanblik van een menigte was opeens alarmerend. We schudden ons hoofd bij geruchten over feestjes en deelden foto’s van het Cheltenham-festival of de optredens van Stereophonics in Cardiff alsof het fragmenten waren uit horrorfilms. Festivals, bijeenkomsten, congressen, raves, processies, koren, demonstraties, publiek in stadions, zalen, clubs, theaters en bioscopen – alle soorten samenscholing waren ineens dodelijk. Naarmate de lockdown soepeler wordt, komen mensen opnieuw samen om in parken en op stranden te socializen, en om in Black Lives Matter- en Extinction Rebellion-demonstraties tegen onrecht te protesteren, maar de massa zoals we die kenden, zal de komende maanden niet terugkeren.
Er zijn maar weinig dingen zo angstaanjagend als massale paniek, weinig woorden zo huiveringwekkend als ‘verdrukt in het gedrang’ of “doodgetrapt”
De pandemie stelde uitzonderlijke eisen aan ons, maar ook al vóór de lockdown kwam de menigte onder vuur te staan. We werden steeds verder uit elkaar gedreven, richting onze huizen. De menigte werd gedomesticeerd, ingesloten, gecontroleerd en duurder om deel van uit te maken. Onze mogelijkheden om in vrijheid en onbeperkt samen te komen, worden al sinds de jaren negentig sterk ingebonden. Maar door de hele menselijke geschiedenis heeft de massa zich aangenaam veerkrachtig bewezen: hoeveel nieuwe manieren er ook worden gevonden om massa’s uiteen te drijven, ze zullen zich altijd weer weten te verenigen.
Massa’s hebben altijd een slechte naam gehad: er wordt niet gesproken van een zachtaardige menigte, of vriendelijke roedel. Dezelfde ongeremdheid die grote vreugde veroorzaakt, kan ook tot grootschalige misdaden leiden. De mensen die zich in de VS verzamelden om naar lynchpartijen te kijken, of recenter naar de aanvallen op moslims door groepen hindoe-nationalisten in India, waren niet alleen toeschouwers, maar ook deelnemers. Hun aanwezigheid en instemming hielpen het geweld mogelijk maken. En net zoals de mensen achter in de menigte de mensen vooraan versterken, kan het omgekeerde opgaan. De hooliganleider die op een zwoele dag in een Europese stad de eerste caféstoel over een maanverlicht plein gooit, maakt het voor de meer timide leden van het gezelschap gemakkelijker om hun eigen deelnamedrempel te overschrijden.
Zelfs feestelijke of religieuze menigten kunnen de mist in gaan. Als dat gebeurt is de verschrikking zelfs nog groter. Er zijn maar weinig dingen zo angstaanjagend als massale paniek, weinig woorden zo huiveringwekkend als ‘verdrukt in het gedrang’ of ‘doodgetrapt’. De gruwel van de 96 doden in Hillsborough in 1989, of de 21 verstikten tijdens de Berlin Love Parade 2010, of de 2400 doden bij een ontspoorde massa tijdens de hadj van 2015, raakt aan iets diep in onze psyche. Sommigen vinden zelfs een vreedzame en ordelijke menigte eng genoeg om een fobie of PTSS te ontwikkelen.
Vanwege dergelijke tragedies, opstanden en protesten werden menigten lange tijd gezien als inherent gevaarlijk en opzwepend. Maar de afgelopen decennia is, dankzij werk van sociaal psychologen, gedragswetenschappers en antropologen, een nieuw begrip van de complexiteit van publieksgedrag op de voorgrond getreden.
Voor de meesten van ons kan een menigte iets aantrekkelijks zijn, aangezien het verlangen om bij de menigte te horen lijkt te zijn aangeboren. Bij elkaar komen voor rituele vieringen – dansen, chanten, feestvieren, verkleden, zingen, marcheren – gaat bijna zover terug als er verslagen bestaan van menselijk gedrag. In 2003 werden in Nottinghamshire 13.000 jaar oude grottekeningen van dansende vrouwen die de polonaise deden gevonden. Volgens de archeoloog Paul Pettitt kwamen de tekeningen overeen met andere verspreid door heel Europa, wat aangeeft dat er een continentale paleolithische cultuur bestond van collectieve zang en dans.
In het boek Dancing in the Streets: A History of Collective Joy van Barbara Ehrenreich uit 2007 put ze uit het werk van antropologen, waaronder Robin Dunbar, om te betogen dat in de steentijd dans en muziek hielpen om gezinnen met elkaar te verbinden. Het bracht ze samen in groepen die groter waren dan de eenheid van het gezin, waarmee ze jaagden en zichzelf tegen roofdieren beschermden. Voor Ehrenreich zijn rituelen van collectieve vreugde even intrinsiek aan de menselijke ontwikkeling als spraak. Meer recente experimenten van Dunbar en collega’s suggereren zelfs dat het vermogen van de mens om samen te zingen en op die manier groepen vreemden te verbinden, ‘mogelijk een rol heeft gespeeld in het evolutionaire succes van moderne mens ten opzichte van zijn voorvaderen’.
Duizenden wetten
De macht van menigten houdt zowel religieuze als seculiere leiders al lange tijd bezig. Ze gebruiken de gemeenschappelijke energie voor hun eigen verheerlijking of proberen massale bijeenkomsten te temmen wanneer ze te veel een eigen weg dreigen te gaan. Ehrenreich legt in haar boek de lange strijd van de middeleeuwse christelijke kerk vast om onhandelbare, extatische of buitensporige dansen uit te roeien. In de eeuwen die volgden, tijdens de reformatie en industriële revolutie, werden festivals, feestdagen, sporten, opstanden en extatische rituelen van allerlei soort verboden omdat ze aanzetten tot dronkenschap en heidens of anderszins goddeloos gedrag. Tussen de zeventiende en twintigste eeuw werden er ‘letterlijk duizenden wetten ingevoerd die probeerden carnaval en volksfeesten uit het Europese leven te bannen’, schrijven Peter Stallybrass en Allon White in The Politics and Poetics of Transgression.
Pas in de negentiende eeuw, toen industriesteden uit hun voegen barstten, kwam de officiële bestudering van massapsychologie en kuddegedrag op gang. Denkers als Gustave Le Bon, die zich een eeuw eerder bezighielden met de Franse Revolutie, hielpen bij de verspreiding van het idee dat iedere menigte in een massa dreigt te ontsporen. Opgezweept door fanatiekelingen kon een menigte binnen de kortste keren tot geweld overgaan en zelfs goede, oprechte burgers in hun collectieve waanzin meeslepen. ‘Door alleen deel te nemen aan een georganiseerde massa’, aldus Le Bon, ‘daalt een mens verschillende treden op de ladder der beschaving.’
Hoewel het onderzoeksgebied sinds de dagen van Le Bon aanzienlijk is geëvolueerd, behouden deze vroege theorieën nog steeds hun kracht, zegt Clifford Stott, professor in de sociale psychologie aan de Keele University. Veel van de berichtgeving in de media over de rellen die in 2011 in heel Engeland uitbraken, weerspiegelde de beweringen van de negentiende-eeuwse pioniers van de massapsychologie: ze vormden een pathologische inbreuk op de beschaafde samenleving, een door activisten verspreide besmetting van een normaal stabiel en tevreden politiek bestel. Er werd met name aandacht besteed aan zogenaamde ‘criminele bendes’ die de boel opstookten en mogelijk via BlackBerry Messenger coördineerden. De voetsoldaten – er zouden 30.000 mensen hebben deelgenomen – werden afgebeeld als woeste misdadigers. Hordes. Dieren. De koppen op de voorpagina’s logen er niet om: ‘Rule of the mob’, ‘Yob rule’, ‘Flaming morons’. Ogenschijnlijk progressievelingen riepen David Cameron op om het leger in te zetten, de plunderaars ter plekke neer te schieten, waterkanonnen te gebruiken.
‘We moeten gaan inzien dat de klassieke [massa]-theorie vanuit wetenschappelijk perspectief geen geldigheid heeft’, zegt Stott. ‘Deze verklaart of voorspelt niet het gedrag dat het beweert te verklaren en voorspellen. En toch is dit nog altijd het alomaanwezige verhaal.’ De reden is volgens hem eenvoudig: ‘Het verhaal is heel erg handig voor dominante en machtige groepen,’ zegt Stott. ‘Het pathologiseert, decontextualiseert en benadrukt zinloos massageweld, en legitimeert daarmee de onderdrukking ervan.’ Zoals Stott opmerkt, stelt deze visie machthebbers, die de schuld kunnen verschuiven naar de waanzin van menigten, bovendien in staat hun eigen verantwoordelijkheid voor het geweld te ontlopen. Toen de Amerikaanse procureur-generaal onlangs de ‘externe oproerstokers’ de schuld gaf van het aanwakkeren van geweld, en Donald Trump verwees naar een ‘professionele organisatie’ en ‘misdadigers’, pasten ze exact de ideeën toe die Le Bon in de negentiende eeuw in het leven riep.
‘Menigten hebben een geweldig vermogen om zichzelf te controleren, te reguleren en zelfs prosociaal gedrag te vertonen’
De afgelopen decennia heeft gedetailleerd analytisch onderzoek steeds geavanceerder inzichten opgeleverd in het gedrag van mensenmassa’s, waarmee veel hardnekkige veronderstellingen werden weerlegd. ‘Menigten hebben een geweldig vermogen om zichzelf te controleren, te reguleren en zelfs prosociaal gedrag te vertonen, waarbij ze anderen in hun groep ondersteunen,’ zegt Anne Templeton, een onderzoeker aan de Edinburgh University op het gebied van massapsychologie. Ze wijst op de terroristische aanslag in Manchester Arena 2017, waarbij camerabeelden toonden dat mensen uit het publiek voordat de hulpdiensten arriveerden eerste hulp boden aan de gewonden, en Mancunians zich inspanden om voedsel, beschutting, vervoer en emotionele steun te bieden aan de slachtoffers. ‘Mensen bieden ongelooflijk veel hulp in noodsituaties aan mensen die ze niet kennen, vooral wanneer ze deel uitmaken van een incrowd.’
Wanneer we ons in een menigte begeven waar we zelf voor hebben gekozen, gebeuren er vreemde dingen met onze hersenen, zegt Templeton. We voelen ons niet alleen gelukkiger en zelfverzekerder, we hebben ook een hogere drempel voor walging. Dit is de reden waarom festivalgangers graag drankjes (en door hun dichte nabijheid ook hun zweet) delen met vreemden, en waarom hadj-pelgrims de soms bloedige scheermessen zullen delen die worden gebruikt om het hoofd kaal te scheren. In een menigte zijn we minder bang dat ons iets overkomt.
Als we de complexiteit van massadynamiek nu inderdaad beter begrijpen, is de kernwaarheid relatief eenvoudig: groepen hebben het potentieel om zowel het goede als het slechte in ons te versterken. Zelfverlies in een menigte kan leiden tot ongekend geweld, maar evengoed tot extatische vervoering. En interessant genoeg heeft dat laatste verschijnsel het Britse establishment de afgelopen decennia evenzeer dwarsgezeten als het eerste.
Open menigte
‘De echte menigte is een open menigte’, schreef Elias Canetti in zijn boek Crowds and Power uit 1960 – ‘deze menigte geeft zich vrijelijk over aan zijn natuurlijke drang om te groeien’ in plaats van door de autoriteiten te worden ingesloten en beperkt in vorm en grootte. De bergrede, schrijft hij, werd voor een open menigte gehouden. De onderdanige kudde, de gehersenspoelde sekte, het leger dat in de pas marcheert is een wereld verwijderd van de vloeiende, democratische, soms anarchistische samenscholing van het volk. Deze open menigten zijn steeds moeilijker te vinden en steeds moeilijker open te houden.
Het hedendaagse Britse idee van de massa werd gevormd door twee uitspattingen in de onstuimige massacultuur aan het einde van de vorige eeuw. Ten eerste door voetbalsupporters uit de jaren zeventig en tachtig en de vele zonden die daaruit voortkwamen, zoals de tragedie van Hillsborough – een tragedie die had kunnen voorkomen als de autoriteiten de menigte niet hadden bestempeld als dierlijk gespuis, een angst en afkeer die doordrong tot de media, politie, politiek en voetbalautoriteiten. En ten tweede door de opkomst van acid house en de rave-scene van eind jaren tachtig en begin jaren negentig, een subcultuur van illegale of op zijn minst ongeoorloofde ‘vrije feesten’ in velden en pakhuizen door het hele land heen. Beide culturen floreerden ondanks uitvoerige media-demonisering, beide bevochten de wet – en in beide gevallen won de wet. Sindsdien is het voor mensen die op hun eigen voorwaarden bij elkaar willen komen nooit meer hetzelfde geweest.
Dat ‘vrije’ raves in de gaten worden gehouden en ingedamd is veelzeggend, aangezien het suggereert dat de autoriteiten een gelukkige menigte evenzeer vrezen als een menigte die met hooivorken zwaait. Voor de romanschrijver Hari Kunzru, die terugkijkt op zijn jeugd in de jaren negentig, is de opwinding als hij een rave nadert ‘waarbij de bas in de verte dreunt (…) vrijwel ondraaglijk. Een massa dansers die als een enkel lichaam opveert… [een] extatisch gevoel van samenzijn, een zone waar we met elkaar verbonden waren, in plaats van met de centrale op kantoor.’
Het hoogtepunt van het ravetijdperk, en het begin van zijn einde, was het memorabele Castlemorton Common-festival uit 1992, een week lang durend, gratis openluchtfeest in Worcestershire, dat meer dan 20.000 bezoekers trok. In de Evening Standard vertaalde Anthony Burgess de gemoedstoestand van het establishment, dat zich verzette tegen de ‘massamenigte, die de individuele intelligentie reduceert tot die van een amoebe’.
De escapistische fantasie van de gemeenschap van de een is de angst voor de ineenstorting van de beschaving van de ander, en de junta van de roddelpers, politie, landeigenaren en de conservatieve partij van het Thatcher-in-Major-tijdperk stelde zich tot taak deze verzamelingen krakers, dropouts, drugsverslaafden, hippies, activisten, demonstranten en reizigers uiteen te drijven.
In 1994 keurde het parlement de Criminal Justice and Public Order Act inzake strafrecht en openbare orde goed, die elke samenscholing in de openbare ruimte rondom versterkte muziek verbood. ‘In dit geval’, aldus de verhandeling, ‘omvat “muziek” geluiden die geheel of overwegend worden gekenmerkt door de uitzending van een opeenvolging van zich herhalende klanken.’ Elke onduidelijkheid over het doel van de wet werd tijdens het Hogerhuis-debat over het voorstel weggevaagd. De conservatieve plaatsvervangend leider van het Huis, Earl Ferrers, stelde een amendement voor ‘waar een rave-feest wel onder viel, maar een Pavarotti-concert, een barbecue of mensen die in de vroege avonduren dansen niet’. Ik mag hopen, reageerde een ander, dat ze niet het risico willen lopen Pavarotti onder de nieuwe wetgeving gevangen te moeten nemen.
Voor de ravers veranderde wat was begonnen als een buitenzinnige viering in de strijd voor het recht om bijeen te komen. Voordat het wetsvoorstel in werking trad, vonden in 1994 drie erbarmelijke ‘Kill the Bill’- protesten plaats, die tienduizenden mensen trokken en in oktober culmineerden toen demonstranten met ontbloot bovenlijf en dreadlocks de poorten van Downing Street deden schudden met hun concert van fluitjes, gejoel en zich herhalende beats. Op archiefbeelden van die dag zien we hoe een demonstrant op de poorten klautert en er nonchalant een sigaret opsteekt, terwijl in korte mouwen gestoken politiemannen vol afgrijzen toekijken. Het is een veelzeggend tijdsbeeld. Het is moeilijk voor te stellen dat een menigte demonstranten ooit zo dicht in de buurt kwam van nummer 10.
De Criminal Justice Act heeft de vrije partyscene eronder gekregen, en evenals van Hillsborough is de erfenis nog altijd voelbaar. In feite was dit nog maar het begin van een reeks beperkingen op de vrijheid van vergadering. Dankzij de opkomst van bewakingstechnologie en privatisering van de openbare ruimte waren de afgelopen 25 jaar voor menigten een uitdagende tijd. In de jaren negentig werd 78 procent van het budget voor misdaadpreventie van het ministerie van Binnenlandse Zaken aan cameratoezicht besteed – en tussen 2000 en 2006 werd daar nog eens £ 500 miljoen aan overheidsgeld aan uitgegeven. Een tijd lang was Londen de meest bewaakte stad ter wereld, en zelfs vandaag heeft geen enkele stad buiten China meer cameratoezicht per hoofd van de bevolking.
De explosie van cameratoezicht is slechts een van de manieren waarop de 21e-eeuwse stad de vrijheid van de menigte inperkt. Stadsvernieuwingsprogramma’s zijn ontworpen om ons naar werk en winkels te leiden – ruimtes die zijn gebouwd voor de homo economicus, voor mensen die via transacties contact hebben in plaats van als sociale burgers. Potentiële ontmoetingsplaats voor menigten in Britse steden blijken vaak een luchtspiegeling te zijn: zones zoals Spinningfields in Manchester, Liverpool One en More London hebben echte openbare ruimtes vervangen door particuliere openbare ruimtes. Ze worden gepatrouilleerd door bewakers en er gelden privéregels en voorschriften, waarbij de eigenaren het volste recht hebben om bijeenkomsten en politieke protesten te verbieden en weg te sturen wie ze maar willen, wanneer ze maar willen.
In 2011 werd Occupy London, dat een kamp wilde opzetten op Paternoster Square, buiten de London Stock Exchange, geblokkeerd door politiebarricades, waardoor een noodhooggerechtshof werd ingeschakeld dat vaststelde dat het land inderdaad privé-eigendom was. Dit was vreemd, schreef Rowan Moore, de architectuurcriticus van de Observer, destijds, ‘aangezien in vrijwel iedere architectonische verklaring, planningstoepassing en ieder persbericht tijdens de langdurige herontwikkeling van Paternoster Square over dit “privéterrein” werd geschreven als “openbare ruimte”.’
Niet alleen de Britse stad heeft sinds de Criminal Justice Act enorme transformaties ondergaan. Dit geldt voor de mensen evenzeer. In de 21e eeuw wordt het gedrag van de menigte bepaald door de apparaten in onze handen, de veranderende grond onder onze voeten en de wetten die die verandering in gang zetten. In zijn vooruitstrevende boek Smart Mobs uit 2002 identificeerde de criticus Harold Rheingold nieuwe soorten menigten die al gezamenlijk konden opereren zonder dat ze elkaar ooit hadden ontmoet. Hij voorspelde dat de volgende golf van mobiele telecommunicatie een ‘sociale tsunami’ zou ontketenen, waarbij hij wees op de stortvloed aan sms-berichten die in Manilla een grote rol speelden bij de coördinatie van de protesten die de Filippijnse president Joseph Estrada in 2001 ten val brachten.
Ook al zijn vervreemding en isolatie zonder meer kenmerken van het moderne leven, wanneer een menigte nodig is, komt die tot leven. De Iraanse Groene Revolutie van 2009, de Arabische Lente van 2011, de Occupy-beweging, de Spaanse indignados en de Protesten in Turkije in 2013 – bij al deze ‘bewegingen van de pleinen’ werd de fysieke openbare ruimte onverwachts gevuld met een boze menigte die het grootste deel van hun netwerk en politieke vorming aan het internet dankten. ‘Online inspiratie, offline transpiratie’, zoals een slogan uit die tijd het uitdrukte.
Op deze manier werden in de winter van 2010 de Britse straten bezet toen studenten en andere demonstranten protesteerden tegen het bezuinigingsbeleid van de conservatieve liberaal-democratische coalitie en tegen een verdrievoudiging van het collegegeld. De politie paste een controversiële tactiek toe om de menigte eronder te krijgen, het zogenoemde kettling, wat erop neerkwam dat mensen urenlang werden ingesloten tussen rijen oproerpolitie zonder toegang tot voedsel, water, toiletten, warme kleding of medische hulp.
Deze tactiek werkte op verschillende fronten. Het temperde de student-demonstranten en ontmoedigde toekomstige protesten. Sommigen lieten zich bovendien tot geweld verleiden zodat de regering de gewenste pr-overwinning kreeg. ‘Is het niet de bedoeling van een ketel dat hij dingen aan de kook brengt?’ vroeg Labourparlementslid David Lammy aan Theresa May, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken. Maar velen van hen radicaliseerden juist omdat ze werden ingeperkt in hun bewegingsvrijheid, waardoor ze zich gedwongen zagen tactieken te gebruiken die in strijd waren met de voorschriften van de National Union of Students [Nationale Studentenvereniging].
Academicus Hannah Awcock woonde als student de protesten van 2010 bij en geeft nu aan de Universiteit van Edinburgh lezingen over de geschiedenis van demonstraties. Ze legde uit dat door de geschiedenis heen, van de kiesrechtrellen in Hyde Park in 1866 tot aan de studentendemo’s, protestmenigten hebben aangedrongen om verder te gaan dan hun organisatoren, of de autoriteiten, toestaan. En toch, hoe koortsig de sfeer rond de Brexit en bezuinigingen tijdens de negen jaar sinds de studentenprotesten en Londense rellen ook is, zijn grote protesten kalmer geworden, tenminste op het eerste gezicht. In het VK ‘lijkt het echt agressieve en confronterende politieoptreden dat na 9/11 ontstond nu te zijn afgenomen’, zei Awcock. ‘Misschien doordat de protesten zelf minder radicaal zijn, maar ook doordat er subtielere methoden zijn ontstaan om de massa te controleren, zoals meer toezicht en het verzamelen van inlichtingen.’
‘Er zijn subtielere methoden ontstaan om de massa te controleren, zoals meer toezicht en het verzamelen van inlichtingen’
’
Deze veranderingen in het controleren van de menigte in het afgelopen decennium zijn voor een groot deel te danken aan het beleidswerk van massapsychologen achter de schermen. Clifford Stott werkt al jaren samen met politie- en voetbalautoriteiten om hardhandig politiewerk te ontmoedigen. Een keerpunt, vertelde hij me, was de liberaal-democratenconferentie van 2011 in Sheffield, waar de politie van South Yorkshire de aanbevelingen van Stott voor het eerst testte. In tegenstelling tot Brighton, Liverpool, Birmingham en Manchester was de stad niet gewend aan conferenties voor een regeringspartij, en er werden aanzienlijke studenten- en antibezuinigingsprotesten verwacht. Ter voorbereiding richtte de politie een nieuwe ‘dialoogeenheid’ op van Police Liaison Teams (PLT’s) in blauwe hesjes, die mensen zich tussen de menigte begaven om met de mensen te praten in plaats van ze van buitenaf te bedwingen.
‘We ontdekten dat deze dialoogeenheden de politie zelf in bedwang hielden,’ zegt Stott. ‘Ze hielden onnodige interventies tegen. De PLT’s stelden de commandanten gerust dat een interventie niet nodig was.’ Er hoefde geen oproerpolitie aan te pas te komen, de-escalatie en zelfregulering van de menigte traden vanzelf op. Sindsdien, zegt Stott, is deze aanpak steeds gebruikelijker geworden. ‘Waar de politie de capaciteit heeft voor dialoog en communicatie, is er minder wanorde. Zo simpel is het.’
Volgens Chief Inspector Melita Worswick van de politie van Greater Manchester past deze aanpak binnen een bredere verschuiving in massabeheersing in het VK, waarbij de nadruk niet langer ligt op het afdwingen van ‘openbare orde’, maar op ‘openbare veiligheid’. ‘Het is heel belangrijk dat de juiste mensen met de menigte communiceren,’ zegt ze. ‘Dat je in samenspraak de orde bewaart. Als dat niet lukt, kan er chaos ontstaan.’ Het gaat er ook om te leren een stap terug te doen, in plaats van bij de eerste de beste gelegenheid in te grijpen. ‘Soms is niets doen de beste manier,’ zegt Worswick. Het is een aanpak die de politie in Glasgow heeft ingezet voor recente wedstrijden tussen Rangers en Celtic. Na advies van academici laten ze supporters elkaar nu langer uitjoelen, omdat ze weten dat dat deel uitmaakt van het ritueel. Ze grijpen pas in als het gewelddadig wordt. Tot op zekere hoogte vertrouwen ze erop dat de leden van de menigte zichzelf te reguleren.
‘Soms is niets doen de beste manier’
Hoewel dit klinkt als vooruitgang, gaat het in de praktijk niet altijd op. Zelfs Extinction Rebellion, dat in eerste instantie probeerde om een vriendschappelijke relatie met de politie tot stand te brengen, keurde achteraf de ‘overreactie van de Met’s af, die werd gekenmerkt door systematische discriminatie, routinematig gebruik van geweld, intimidatie en fysiek letsel’. Nog recentelijker laat de toepassing van de covid-19-wetgeving op sociale afstand tijdens het Black Lives Matter-protest in Londen zien dat veel politieagenten niet bereid zijn om een stapje terug te nemen.
Evenementenindustrie
In plaats van open menigten zijn groepen mensen in eerste instantie veranderd in de mogelijkheid om geld te verdienen. Er is geen groter bewijs van het afgezwakte, gemonetariseerde karakter van de 21e-eeuwse menigte dan de opkomst van de evenementenindustrie. Evenementen op zich zijn natuurlijk geen nieuwe uitvinding. Maar je hebt evenementen en, mijn god, dan zijn er de Evenementen: meestal gesponsord, hoogstwaarschijnlijk met een toegangsprijs, een reeks mediapartners, goed voor de stadspromotie, voor toerisme, ordelijk, volgens de regels, gecontroleerd en op een afgesproken tijdstip klaar. Ze zijn een integraal onderdeel geworden van de hedendaagse stad en het opnieuw vormgeven van haar burgers als inkomstengenererende instrumenten.
London & Partners, het publiek-private partnerschap dat Boris Johnson in 2011 heeft opgezet om de hoofdstad te promoten, schat dat het vrijetijdstoerisme voor evenementen alleen al in 2015 £ 2,8 miljard heeft bijgedragen aan de economie van de stad, waarvan £ 644 miljoen afkomstig was van buitenlandse ‘evenementtoeristen’. Steeds meer mensen komen niet per se voor het VK, maar voor de dingen die er plaatsvinden. De belangrijkste gebeurtenissen zijn de sportevenementen, die meer dan 70% van de grote evenementgerelateerde uitgaven in Londen genereren (muziek loopt ver achter). Met veel furore zijn de afgelopen jaren een groeiend aantal grote internationale NBA-, NFL– en MLB-wedstrijden naar Londen gehaald. Volgens London & Partners hebben 250.000 mensen ‘NFL on Regent Street’ bijgewoond, wat niet eens een American Football-wedstrijd is, maar slechts een evenement dat dient ter promotie van het idee.
Waar drukte is, zijn consumenten, en bij gebrek aan overheidssteun volgt commerciële sponsoring (omgedoopt tot ‘partnerschap’) de beweging van de evenementenindustrie op de voet. Vorig jaar was de hoofdstad host van de Virgin Money London Marathon, de Prudential RideLondon, de Guinness Six Nations en het EFG London Jazz Festival. Ondertussen slaagde Pride in Londen er in 2019 op de een of andere manier in 73 ‘partners’ te verzamelen, van hoofdsponsors Tesco tot PlayStation, de Scouts, de London Stock Exchange, Revlon en Foxtons, wat de kritiek opleverde dat het festival werd gekaapt door bedrijven die uit waren op ‘pinkwashing’.
Er is weinig in te brengen tegen het argument dat hoe zorgvuldiger een groot evenement wordt gepland en beheerd, hoe veiliger het is voor de aanwezigen en hoe meer het publiek ervan zal genieten. Niet alleen wordt het risico op letsel of mogelijke problemen geminimaliseerd, maar iedereen – en niet in het minst de meest kwetsbaren – profiteert van de toegankelijk voor mensen met mobiliteitsproblemen, het juiste aantal toiletten, het juiste aantal uitgangen, de juiste transporttoegang, goede zichtlijnen, voedsel en water en kinderopvang. En door organisatoren van culturele festivals wordt vaak redelijkerwijs aangehaald dat sponsors voor deze dingen betalen, en er eveneens voor zorgen dat evenementen als Notting Hill Carnival, Pride en Mela voor iedereen gratis toegankelijk kunnen blijven. Toch is het moeilijk te ontkomen aan de gedachte dat er gaandeweg ook iets verloren is gegaan in een tijd waarin het door durfkapitaal gesteunde muziekvideo platform Boiler Room sponsorcontracten sluit met Notting Hill Carnival om haar intieme hedonisme live te streamen voor de rest van de wereld, of waarin populaire, al lang bestaande gratis gemeentefestivals zoals de Lambeth Country Show in Zuid-Londen plotseling zijn uitgerust met zware security, wat tot verontwaardiging en boycots leidt.
Misschien is dit te pessimistisch. De domesticatie van de menigte in de 21e eeuw hoeft niet aan haar kracht af te doen. De ervaring deel uit te maken van een menigte kan ons nog steeds op allerlei onverwachte manieren veranderen. Als er één les moet worden getrokken aan de ontmaskering door academici van de mythe van de menigte als een enkel beest met één brein en duizend ledematen, is het wel dat juist de diversiteit van de individuen binnen de menigte deze zo krachtig maakt.
In plaats van zich als één wezen te gedragen, heeft iedereen een andere deelnamedrempel. Er zijn sommigen die nou eenmaal altijd de eersten in het zwembad zullen zijn. Hoe het ook uitpakt, menigten stellen meer verlegen of terughoudender mensen in staat om te doen wat ze anders niet zouden hebben gedaan: om hun politieke overtuigingen uit te spreken of hun seksuele geaardheid in het openbaar te verkondigen, om te zingen over hun oprechte gevoelens voor Sergio Agüero, om een bank te bezetten, een steen gooien, te vechten met vreemden of op Abba te dansen in de hal van een groot treinstation.
Ons vermogen om tot een menigte te behoren is niet als een spier die verslapt als hij een tijd niet wordt gebruikt – ons talent voor en behoefte aan massavorming kent een geschiedenis die heel veel langer is dan de maanden waarin we fysieke afstand van elkaar moeten houden. Het is een verlangen dat hoort bij wie we zijn, en dat zich niet zo gemakkelijk laat verdrijven.
Auteur: Dan Hancox
Openingsbeeld: © Getty
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 134.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

