de onvermijdelijkheid van professioneel verval en hoe we ons ertegen wapenen


Voor veel mensen, vooral in de westerse wereld, hangt geluk samen met professioneel succes. Maar hoe moet dat dan als dat succes afneemt? Arthur Brooks ging op zoek naar een remedie. Een paar lessen: wees als Bach, niet als Darwin. Zeg je kind nooit dat het briljant is. En denk zo vaak als je kan aan de dood.

‘Dat is onzin, dat er niemand meer op je zit te wachten.’

Die woorden klonken uit de mond van een oudere dame die achter me zat op een late nachtvlucht van Los Angeles naar Washington D.C. Het was stil en donker in het vliegtuig. Een man van wie ik vermoedde dat het haar echtgenoot was, mompelde een nauwelijks verstaanbaar antwoord, iets in de trant van: ‘Was ik maar dood.’

De vrouw weer: ‘Zeg dat toch niet steeds.’

Het was niet mijn bedoeling af te luisteren, maar tegen wil en dank ving ik hun gesprek op. Ik luisterde gefascineerd en vol afgrijzen, en terwijl zij praatten, vormde ik me een beeld van de man. Ik zag iemand voor me die zijn hele leven hard had gewerkt zonder daar al te veel erkenning voor te hebben gekregen, iemand wiens dromen onvervuld waren gebleven – mogelijk dromen van de studie die hij niet had afgerond, de carrière die nooit echt van de grond was gekomen, het bedrijf dat hij nooit had opgezet.

Toen de landing werd ingezet en de cabineverlichting aanging, kon ik de vertwijfelde man eindelijk zien. Het was een schok. Ik herkende hem – hij was, en is, wereldberoemd. Destijds was hij ergens halverwege de tachtig en hij werd nog altijd op handen gedragen vanwege betoonde moed en zijn vaderlandslievendheid, en geroemd om alles wat hij vele decennia eerder had weten te bereiken.

De oudere man – die vlak daarvoor nog onomwonden naar de dood had verlangd – glom van trots dat hij zoveel erkenning kreeg

Terwijl hij achter me door het gangpad liep, keken de andere passagiers hem vol ontzag na. Bij de deur van de cockpit hield de piloot hem even staande en zei: ‘Als kleine jongen bewonderde ik u al.’ De oudere man – die vlak daarvoor nog onomwonden naar de dood had verlangd – glom van trots dat hij zoveel erkenning kreeg voor de wapenfeiten uit zijn verleden. Om redenen die vooral met mezelf te maken hadden, kon ik de cognitieve dissonantie van dat moment maar niet uit mijn hoofd krijgen.

Het was in de zomer van 2015 en ik was net eenenvijftig geworden. Ik was niet wereldberoemd, zoals die man in het vliegtuig, maar ik mocht bepaald niet klagen. Ik stond aan het hoofd van een goedlopende denktank in Washington, het American Enterprise Institute. Ik had een paar bestsellers op mijn naam staan. Mijn speeches trokken veel publiek. Ik had een column in The New York Times.

Maar ik begon me steeds vaker af te vragen: Hou ik dit allemaal wel vol? Ik werkte als een bezetene. Zelfs als ik twaalf uur per dag in touw bleef, zeven dagen per week, zou er onvermijdelijk een punt komen waarop mijn carrière een neergaande lijn zou vertonen. En als dat gebeurde, hoe moest het dan verder? Zou ik op een dag weemoedig terugkijken en wensen dat ik dood was? Kon ik iets doen, nu al, om mezelf te wapenen tegen de somberte – en misschien zelfs wel gelukkig te worden – als onvermijdelijk het doek zou vallen?

Groeimogelijkheid

Dit waren natuurlijk vragen van een persoonlijke aard, maar ik besloot ze te benaderen vanuit mijn vakgebied, de sociale wetenschap. Ik besloot ze te beschouwen als een onderzoeksproject. Het voelde vreemd – een beetje als een chirurg die zijn eigen blindedarm verwijdert. Maar ik ben in het diepe gedoken en heb de afgelopen vier jaar geprobeerd uit te zoeken hoe ik de dalende lijn in mijn carrière kan zien als een groeimogelijkheid, in plaats van een angstaanjagend vooruitzicht.

Hier volgen mijn bevindingen.

De afgelopen twee decennia hebben de zogeheten ‘welzijnsstudies’ een hoge vlucht genomen en er lijkt consensus te bestaan over ons welzijn met het klimmen der jaren. In The Happiness Curve: Why Life Gets Better After 50, kijkt Jonathan Rauch, die als wetenschapper is verbonden aan het Brookings Institution en die regelmatig stukken schrijft voor The Atlantic, naar de vele onderzoeken die aantonen dat bij de meeste volwassenen het geluksgevoel afneemt als ze in de dertig of in de veertig zijn, om een dieptepunt te bereiken als ze ergens begin vijftig zijn. Dat is natuurlijk geen wet van Meden en Perzen. Maar de gegevens komen griezelig goed overeen met mijn eigen ervaringen. De jaren tussen mijn veertigste en ergens begin vijftig waren bepaald niet de gelukkigste periode van mijn leven, hoewel het me op werkgebied voor de wind ging.

En wat staat ons daarna te wachten, afgaande op die data? De uitkomsten variëren. Uit vrijwel alle onderzoeken die kijken naar de geluksbeleving tijdens ons hele leven blijkt dat, in rijkere landen, de meeste mensen na hun vijftigste tevredener zijn, een gevoel dat aanhoudt tot ergens rond de zeventig. Vanaf dat moment wordt het allemaal een stuk lastiger te voorspellen. Sommige mensen blijven ook na hun zeventigste stabiel gelukkig; anderen worden alleen nóg maar gelukkiger, tot aan hun dood. Weer anderen – voornamelijk mannen – zien hun geluksgevoel sterk afnemen. Bij mannen zien we na vijfenzeventigste levensjaar dan ook een toename van het aantal depressies en het zelfmoorden.

gettyimages 1147111075

De held in het vliegtuig lijkt te behoren tot die laatste groep. In enkele onderzoeken heeft men geprobeerd te achterhalen wat de verklaring zou kunnen zijn van hun negatieve gevoelens. Dat is, om het in één woord te zeggen, irrelevantie. In 2007 heeft een team wetenschappers aan UCLA en Princeton de data geanalyseerd van meer dan duizend ouderen. Uit hun onderzoek, dat is gepubliceerd in het Journal of Gerontology, kwam naar voren dat ouderen die zich zelden of nooit ‘nuttig’ voelen, bijna drie keer zoveel kans lopen op een lichte handicap dan ouderen die geregeld het gevoel hebben dat ze zich nuttig maken. Ook liep de eerste groep drie keer zoveel kans om tijdens de loop van het onderzoek te overlijden.

Je zou denken dat getalenteerde mensen die het ver hebben geschopt in het leven – zoals de man in het vliegtuig – minder vatbaar zijn voor dergelijke gevoelens er niet toe te doen; er is veel onderzoek waaruit blijkt dat prestaties een belangrijke bron zijn van geluk. Als je gelukkig wordt van de dingen die je bereikt, zou de herinnering daaraan toch ook voor een zeker geluksgevoel moeten zorgen?

Misschien niet. Hoewel er niet al te veel is geschreven over dit onderwerp, lijkt duidelijk dat talent en een succesvolle start in het leven geen garantie zijn voor een gelukkige oude dag. In 1999 hebben Carole Holahan en Charles Holahan, psychologen verbonden aan de University of Texas, een invloedrijk onderzoek gepubliceerd in The International Journal of Aging and Human Development. Ze hadden gekeken naar honderden ouderen die al op vroege leeftijd waren bestempeld als zeer begaafd. De conclusie van de Holahans: ‘Er lijkt een correlatie te bestaan tussen op jonge leeftijd het gevoel te hebben tot een groep van begaafden te behoren (…) en een minder positieve geestesgesteldheid op je tachtigste.’

Het is mogelijk dat dit onderzoek alleen aantoont dat het een zware last is om aan hoge verwachtingen te voldoen, en dat het geen goed idee is om tegen je kind te zeggen dat hij of zij briljant is. (De Holahans vermoeden dat bij kinderen die als begaafd werden aangemerkt de intellectuele vermogens een belangrijkere rol zijn gaan spelen voor het zelfbeeld, waardoor ‘onrealistische verwachtingen’ zijn gewekt, en dat er ‘te weinig oog is voor de vele andere aspecten van het leven die invloed hebben op welslagen en erkenning’.) Er is echter een overdaad aan onderzoek dat laat zien dat het met name voor begaafde mensen psychologisch zeer zwaar is om te worden geconfronteerd met het feit dat hun vermogens op een bepaald moment afnemen. Denk aan professionele sporters, van wie velen het zeer moeilijk hebben wanneer er een einde is gekomen aan hun sportieve loopbaan. Tragische voorbeelden te over, van onder meer depressies, verslaving of zelfmoord. Dat sporters die een punt achter hun carrière hebben gezet ongelukkig zijn, in ieder geval tijdelijk, lijkt haast de norm. In 2003 is een onderzoek gepubliceerd in het Journal of Applied Sport Psychology, waarin werd gekeken hoe tevreden voormalig Olympisch sporters zijn over hun leven. De meeste worstelden met het gevoel het leven niet meer zelf in de hand te hebben nadat ze hun profcarrière eraan hadden gegeven.

Onderzoek dat laat zien dat het met name voor begaafde mensen psychologisch zeer zwaar is om te worden geconfronteerd met het feit dat hun vermogens op een bepaald moment afnemen

Onlangs sprak ik Dominique Dawes, een turnster die in het verleden goud heeft gewonnen op de Olympische Spelen, en ik vroeg haar hoe het gewone leven eruitziet voor iemand die op het hoogste niveau heeft gesport. Ze vertelde me dat ze gelukkig is, maar dat de omschakeling bepaald niet makkelijk was geweest – nog altijd niet, al dateert haar laatste Olympische medaille uit 2000. ‘Mijn Olympische zelf zou mijn huwelijk op de klippen hebben laten lopen en mijn kinderen het gevoel hebben geven dat ze niet voldoen,’ zei ze. Want het is een veeleisend en compromisloos bestaan. ‘Als ik elke dag zou leven alsof ik op de Spelen sta, wordt iedereen om me heen doodongelukkig.’

Waarom zouden mensen die in het verleden topprestaties hebben geleverd het zo moeilijk hebben? Er is nog geen wetenschappelijk onderzoek gedaan om dit te staven, maar ik heb stellig het vermoeden dat de herinnering aan een uitzonderlijk talent, zeker als dat bepalend is geweest voor het gevoel van eigenwaarde, voor sommigen een pijnlijk contrast vormt met het latere, minder opwindende bestaan. ‘Ongelukkig is hij die afhankelijk is van succes om gelukkig te zijn’, heeft Alex Dias Ribeiro, voormalig Formule 1-coureur, ooit geschreven. ‘Voor zo iemand betekent het einde van een succesvolle carrière meteen ook dat alles is afgelopen. Zo iemand is gedoemd verbitterd te sterven of op zoek te gaan naar nog meer succes op andere terreinen, en van het ene succes naar het andere te leven, totdat hij erbij neervalt. In dat geval is er geen leven meer na het succes.’

Het principe van de psychoprofessionele zwaartekracht

Je zou dit het principe kunnen noemen van de psychoprofessionele zwaartekracht: de intensiteit van het pijnlijke besef op professioneel gebied te zijn uitgerangeerd houdt direct verband met het aanzien dat men voorheen genoot in het beroepsveld, en met de emotionele waarde die men toekent aan dat aanzien. Problemen omdat je niet succesvol genoeg zou zijn in je werk, lijken in die zin nog niet eens zulke erge problemen; al is het misschien wat vergezocht om het zo te stellen. Maar als je carrière tot grote hoogte is gestegen en je hecht er erg veel belang aan om zo hoog op de ladder te staan, dan kon de onvermijdelijke neergang wel eens heel erg hard aankomen. Dat geldt voor de man in het vliegtuig. En misschien geldt het ook voor u, ooit. En als ik geen maatregelen tref, vrees ik dat het ook voor mij zal gelden.

Het principe van de psychoprofessionele zwaartekracht kan helpen om te begrijpen waarom sommige mensen die prestaties hebben geleverd van historisch en mondiaal belang, zich uiteindelijk toch een mislukking voelen. Neem Charles Darwin, die nog maar tweeëntwintig was toen hij in 1831 aan boord stapte van de Beagle, voor zijn tocht die vijf jaar zou gaan duren. Toen hij terugkeerde was hij zevenentwintig en werd hij in heel Europa geroemd vanwege al zijn ontdekkingen op het gebied van botanie en zoölogie, en vanwege zijn prille evolutietheorieën. In de dertig jaar die volgden stond Darwin vol trots bovenaan in de pikorde van beroemde wetenschappers. Hij werkte zijn theorieën nader uit en schreef er boeken en artikelen over – zijn bekendste werk is Over de oorsprong der soorten , uit 1859.

Maar toen Darwin de vijftig was gepasseerd, kwam hij tot stilstand; zijn werk leek op een dood spoor beland. In diezelfde periode ontdekte Gregor Mendel, een Oostenrijkse monnik, wat Darwin nodig had om zijn werk voort te zetten: de erfelijkheidsleer. Helaas werd Mendels werk gepubliceerd in een tamelijk onbekend tijdschrift en heeft Darwin het nooit onder ogen gekregen – hoe dan ook beschikte Darwin niet over voldoende wiskundige aanleg om het te kunnen begrijpen. Darwin boekte nauwelijks nog vooruitgang. In zijn nadagen was hij depressief en hij schreef aan een goede vriend: ‘Ik kan het niet meer opbrengen, geestelijk noch lichamelijk, om te beginnen aan een onderzoek dat jaren in beslag zal nemen, maar ondertussen is dat het enige waaraan ik echt genoegen beleef.’

Waarschijnlijk zou Darwin aangenaam verrast zijn geweest als hij had geweten hoe beroemd hij nog zou worden na zijn dood in 1882. Maar hij wist niet beter dan dat de wereld hem op zeker moment was vergeten, dat hij niet meer was dan een onbeduidende oude man. Het had ook Darwin kunnen zijn, de man achter me in het vliegtuig tijdens die nachtvlucht.

Het had ook een jongere versie van mezelf kunnen zijn, want ik heb al vroeg ervaren hoe het is om vast te lopen in je carrière.

Zelfs nu nog droom ik met enige regelmaat dat ik op het podium sta, en als ik dan wakker word realiseer ik me dat mijn jeugddroom nu definitief niet meer is dan dat: een droom

Als kind had ik maar één doel: de allerbeste hoornist van de hele wereld worden. Ik werkte me in het zweet, repeteerde uren per dag, zocht de beste leraren en speelde in elk ensemble dat ik maar kon vinden. Ik had foto’s van beroemde hoornisten aan de muur hangen, ter inspiratie. En een tijdje zag het ernaar uit dat mijn droom zou uitkomen. Op mijn negentiende gaf ik mijn studie eraan en ging spelen in een rondreizend kamermuziekensemble. Mijn bedoeling was om steeds hogerop te komen binnen de wereld van de klassieke muziek, om binnen een paar jaar bij een van de betere symfonieorkesten te spelen en misschien zelfs ooit solist te worden – het absolute hoogtepunt voor een klassiek geschoold musicus.

Maar toen ik ergens begin twintig was, gebeurde er iets merkwaardigs: ik ging slechter spelen. Tot aan de dag van vandaag heb ik geen idee waarom. Mijn techniek ging achteruit en ik had er geen verklaring voor. Niets hielp. Ik klopte aan bij de beste leraren en ik oefende nog meer, maar het lukte me niet terug te keren naar mijn oude niveau. Stukken die me voorheen makkelijk waren afgegaan leverden problemen op; stukken die altijd al lastig waren geweest, lukten helemaal niet meer.

Misschien wel het ergste moment in mijn jonge, onstuimige carrière was een optreden in Carnegie Hall, op mijn tweeëntwintigste. Ik hield een kort praatje over de muziek die ik zou gaan spelen, deed een stapje naar voren, verloor mijn evenwicht en viel zo van het podium het publiek in. Op de terugweg naar huis peinsde ik somber dat dit incident vast een teken was van God.

Maar ik ploeterde nog negen jaar voort. Ik werd aangenomen bij het stadsorkest van Barcelona, waar ik steeds meer repeteerde en steeds slechter ging spelen. Uiteindelijk vond ik een baan als docent aan een klein conservatorium in Florida, in de hoop op een wonder, een ommekeer die zich nooit zou voordoen. Omdat het me verstandig leek niet op één paard te wedden, besloot ik mijn opleiding weer op te pakken, via zelfstudie, en vlak voor mijn dertigste verjaardag haalde ik mijn bachelor. Ik studeerde stilletjes verder, ’s nachts, en haalde een jaar later mijn masters economie. Ik kon er niet langer omheen: ik zou mijn haperende muzikale carrière nooit meer echt op de rails weten te krijgen. En op mijn eenendertigste gooide ik de handdoek in de ring, liet mijn muzikale ambitie volledig varen en zette in op een doctoraat beleidskunde.

Het leven gaat door, nietwaar? In zekere zin wel, ja. Nadat ik mijn studie had voltooid ben ik hoogleraar geworden, een baan waaraan ik nog altijd veel plezier beleef. Maar ondertussen dacht ik elke dag aan mijn eerste ambitie, die me zo dierbaar was. Zelfs nu nog droom ik met enige regelmaat dat ik op het podium sta, en als ik dan wakker word realiseer ik me dat mijn jeugddroom nu definitief niet meer is dan dat: een droom.

Ik heb het geluk gehad dat ik me tijdig heb neergelegd bij mijn neergang, zodat ik mijn beroepsmatige leven een andere wending heb kunnen geven. Maar toch, zelfs nu nog steekt het zo dat het me moeite kost dit op te schrijven. Ik heb gezworen dat zoiets me nooit meer zou overkomen.

De curve van creatieve loopbanen

Gaat het me nog een keer overkomen? In sommige beroepen is een vroege neergang onvermijdelijk. Niemand verwacht van een Olympisch atleet dat hij tot zijn zestigste de strijd blijft aangaan. Maar in veel beroepen die minder fysieke inspanning vereisen, verzetten we ons, zonder dat met zoveel woorden te zeggen, tegen het gegeven dat de neergang inzet voordat we echt stokoud zijn. Natuurlijk, met het klimmen der jaren voelen we onze quadriceps en hamstrings wat verslappen. Maar zolang we onze scherpte bewaren hoeft de kwaliteit van ons werk als schrijver, jurist, manager of ondernemer er niet onder te lijden, toch? Zo denken veel mensen erover. Ik heb onlangs een man ontmoet die net iets ouder is dan ik en die me vertelde dat hij door wilde gaan tot hij ‘door zijn hoeven zakte’. Hij was van plan vol gas door te gaan en hoe dan ook aan de top te blijven, tot hij letterlijk zou omvallen.

Maar waarschijnlijk zal dat hem niet gaan lukken. Uit alle data blijkt glashelder dat voor de meeste mensen, in de meeste beroepen, de professionele neergang vrijwel altijd eerder inzet dan men denkt.

Volgens onderzoek van Dean Keith Simonton, emeritus hoogleraar psychologie aan UC Davis en een van ’s werelds meest vooraanstaande experts op het gebied van de
curve van creatieve loopbanen, is er gemiddeld de eerste twintig jaar sprake van een stijgende lijn waar het gaat om succes en creativiteit. Dus als je op je dertigste serieus met je carrière begint, zul je zo rond je vijftigste je beste werk leveren en zal het vrij snel daarna bergafwaarts gaan.

Het moment van pieken en dalen is enigszins afhankelijk van het veld waarin je werkzaam bent. Benjamin Jones, hoogleraar strategie en ondernemerschap aan de Kellogg School of Management, die is verbonden aan Northwestern University, heeft vele jaren onderzoek gedaan naar het moment waarop de kans het grootst is om een een bekroonde wetenschappelijke ontdekking of belangrijke uitvinding te doen. Zijn bevindingen laten zich samenvatten in onderstaand versje:

Age is, of course, a fever chill
that every physicist must fear.
He’s better dead than living still
when once he’s past his thirtieth year.

(Leeftijd is natuurlijk een groot gevaar
dat elke wetenschapper vreest.
Liever dood dan boven de dertig jaar
want dan is je tijd geweest.)

De auteur van deze deprimerende regels? Paul Dirac, in 1933 onderscheiden met de Nobelprijs voor Natuurkunde.

Dirac overdrijft, maar niet eens zo heel erg. Jones heeft gekeken naar mensen die belangrijke uitvindingen hebben gedaan en naar winnaars van de Nobelprijs, en het is gebleken dat de meeste mensen hun magnus opus afleveren als ze eind dertig zijn. Hij heeft laten zien dat de kans om een belangrijke ontdekking te doen het grootst is wanneer je ergens in de twintig of in de dertig bent, en dat die kans vervolgens steeds kleiner en kleiner wordt als je in de veertig, in de vijftig en in de zestig bent. Zijn er uitschieters? Natuurlijk. Maar de kans dat je op je zeventigste een belangrijke ontdekking doet is ongeveer even groot als de kans dat je die op je twintigste doet – vrijwel nihil.

Veel literaire carrières volgen een vergelijkbaar patroon. Simonton heeft aangetoond dat dichters pieken als ze begin veertig zijn. Romanschrijvers hebben doorgaans een iets langere aanloop. Toen Martin Hill Ortiz, dichter en romancier, gegevens verzamelde over de titels die tussen 1960 en 2015 op de fictie-bestsellerlijst van The New York Times stonden, bleek dat schrijvers van in de veertig en in de vijftig de meeste kans maakten om helemaal bovenaan te prijken.

Hoewel sommige schrijvers zelfs op hoge leeftijd vermaard zijn om hun productiviteit, laat Ortiz zien dat de kansen om een bestseller te schrijven na het zeventigste levensjaar drastisch afnemen. (Sommige non-fictieschrijvers – met name geschiedkundigen – pieken op latere leeftijd, zoals we straks zullen zien.)

De kans dat je op je zeventigste een belangrijke ontdekking doet is ongeveer even groot als de kans dat je die op je twintigste doet – vrijwel nihil

Gemiddeld genomen pieken ondernemers eerder, en zet ook de neergang eerder in. Veel ICT-ondernemers zijn in de twintig als ze naam maken en hun slag slaan, en zijn op hun dertigste in creatieve zin alweer op hun retour. In 2014 stond in Harvard Business Review te lezen dat mensen die een onderneming hadden opgezet die door durfkapitalisten werd getaxeerd op een miljard of meer, vaak in leeftijdscategorie twintig tot vijfendertig vielen. Uit vervolgonderzoek is gebleken dat die clustering misschien wel iets later plaatsvindt, maar alle onderzoeken op dit terrein wijzen uit dat succesvolle start-ups in overgrote meerderheid zijn opgericht door mensen van onder de vijftig. Deze onderzoeken richten zich op mensen die aan de top staan in een betrekkelijk specifieke branche. Maar de resultaten lijken in essentie breder toepasbaar. Wetenschappers van het Center for Retirement Research aan Boston College hebben gekeken naar een grote variëteit aan beroepen en zijn tot de conclusie gekomen dat de leeftijdsgerelateerde neergang een vrij algemeen fenomeen is, dat je terugziet op diverse terreinen, van politiewerk tot aan de verpleging. Ander onderzoek heeft aangetoond dat de beste honkbalscheidsrechters in de Major League achttien jaar minder ervaring hebben en drieëntwintig jaar jonger zijn dan de slechts presterende scheidsrechters (die gemiddeld 56,1 jaar oud zijn). Bij luchtverkeersleiders is de leeftijdsgerelateerde achteruitgang zo sterk – en de mogelijke consequenties van daaraan gerelateerde fouten zo ernstig – dat ze op hun zesenvijftigste verplicht met pensioen gaan.

Om kort te gaan: als je een beroep hebt dat snelle informatieverwerking of een scherp analytisch vermogen vereist – het soort werk dat de meeste mensen met een universitaire opleiding doen – zal er vermoedelijk eerder dan je denkt sprake zijn van een achteruitgang.

Het is niet anders.

gettyimages 1090317538

Het verschil tussen Bach en Darwin

Als die achteruitgang niet alleen onvermijdelijk is, maar ook nog eens eerder inzet dan de meesten van ons verwachten, wat kunnen we dan doen als het zover is?
In boekwinkels zijn hele afdelingen gewijd aan de zoektocht naar succes. De planken staan vol met titels als The Science of Getting Rich en The 7 Habits of Highly Effective People. Er is geen afdeling met titels als Omgaan met een carrière die op zijn retour is.

Toch zijn er mensen die heel goed wisten hoe ze daarmee om moesten gaan. Neem Johann Sebastian Bach. Bach, geboren in 1685 als loot van een lange lijn van vooraanstaande musici in Midden-Duitsland, onderscheidde zich al snel als een muzikaal genie. In de vijfenzestig jaar van zijn leven heeft hij meer dan duizend composities geschreven, voor alle instrumenten die in zijn tijd voorhanden waren.

Al vroeg in zijn carrière werd Bach gezien als een ongekend begaafd organist met een geweldig improvisatietalent. Het regende opdrachten; hij kreeg invitaties van het koninklijk huis; jonge componisten imiteerden zijn stijl. Hij genoot zonder meer aanzien. Maar dat hield geen stand – niet in de laatste plaats omdat hij werd ingehaald door muzikale trends die mede werden geïntroduceerd door zijn zoon, Carl Philipp Emanuel, bij latere generaties beter bekend als C.P.E. Als vijfde van Bachs twintig kinderen bleek C.P.E. het muzikale talent van zijn vader te hebben geërfd. Hij beheerste het barokidioom, maar hij had meer belangstelling voor een nieuwe ‘klassieke’ muziekstijl, die Europa stormenderhand veroverde. De klassieke muziek nam het stokje over van de barok en C.P.E.’s ster was rijzende, terwijl de muziek van zijn vader steeds meer naar de achtergrond werd gedrongen.

Bach had makkelijk verbitterd kunnen raken, net als Darwin. Maar hij koos ervoor zijn leven anders in te richten, en van vernieuwer werd hij docent. Hij besteedde een groot deel van zijn laatste tien jaar aan het schrijven van The Art of Fugue. Het was indertijd geen bekend of populair werk, maar Bach had het geschreven met de bedoeling de techniek van de barokmuziek door te geven aan zijn kinderen en zijn leerlingen en aan eventuele toekomstige generaties die erin geïnteresseerd zouden kunnen zijn – hoe onwaarschijnlijk dat destijds ook mag hebben geleken. In latere jaren leefde hij een rustiger bestaan, met zijn gezin en zijn baan als docent.

Wat is het verschil tussen Bach en Darwin? Beiden waren uitzonderlijk begaafd en genoten al op jonge leeftijd grote bekendheid. Beiden verwierven na hun dood eeuwige roem. Waarin ze verschilden is de manier waarop ze aankeken tegen het afnemen van hun krachten. Toen Darwin het als pionier allemaal niet meer kon bijbenen, werd hij weemoedig en gedeprimeerd. Toen Bach het niet meer kon bijbenen, vond hij zichzelf opnieuw uit als begenadigd leermeester. Ten tijde van zijn dood voelde hij zich vervuld, was hij geliefd en gerespecteerd – al was hij niet meer zo beroemd als eerst.

De les die u en ik hieruit kunnen trekken, zeker wanneer we de vijftig zijn gepasseerd, is: Wees als Bach, niet als Darwin.

Vloeibare intelligentie

Hoe krijg je dat voor elkaar?

Een mogelijk antwoord is te vinden in het werk van de Engelse psycholoog Raymond Cattell, die begin jaren veertig van de vorige eeuw het concept introduceerde van vloeibare en uitgekristalliseerde intelligentie. Cattell definieerde vloeibare intelligentie als het vermogen om na te denken, te analyseren en nieuwe problemen op te lossen – iets wat we normaal gesproken zien als pure intellectuele paardenkracht. Kenmerkend voor innovatieve mensen is een overdaad aan dit soort vloeibare intelligentie. Dit soort intelligentie kent een piek in de vroege volwassenheid en neemt langzaam af na het dertigste of veertigste levensjaar. Daarom doen ondernemers in de ICT het bijvoorbeeld zo goed als ze jong zijn, en is het voor oudere mensen een stuk moeilijker om te vernieuwen.

Uitgekristalliseerde intelligentie daarentegen is het vermogen om kennis aan te wenden die in het verleden is opgedaan. Vergelijk het met het bezitten van een reusachtige bibliotheek en bovendien weten hoe je al die kennis moet gebruiken. Het is de essentie van wijsheid. Omdat uitgekristalliseerde intelligentie stoelt op een steeds maar weer verder uitdijende hoeveelheid kennis, neemt het in de regel toe bij mensen die boven de veertig zijn en wordt het pas heel laat in het leven weer minder.

Een carrière die voornamelijk stoelt op vloeibare kennis zal vaak eerder een hoogtepunt bereiken, terwijl bij een carrière die meer steunt op uitgekristalliseerde kennis het omgekeerde het geval is. Zo heeft Dean Keith Simonton ontdekt dat dichters – die zeer vloeibaar zijn in hun creativiteit – vaak rond hun veertigste al de helft van hun totale creatieve output hebben geleverd. Historici – die het moeten hebben van een uitgekristalliseerde voorraad kennis – bereiken die mijlpaal pas ergens rond hun zestigste.
Uit dit alles valt een praktische les te trekken: ongeacht wat voor mengeling van intelligentie er vereist is binnen je vakgebied, je kunt altijd proberen op latere leeftijd enigszins afstand te nemen van de innovatieve kant en meer in te zetten op de krachten die tot op latere leeftijd standhouden, of zelfs toenemen. Hoe moet u dat concreet voor u zien? Zoals Bach heeft aangetoond is lesgeven iets waar mensen pas op heel hoge leeftijd slechter in worden – een belangrijke uitzondering op het principe dat elk beroep met het klimmen der jaren lastiger wordt. Uit een artikel in The Journal of Higher Education blijkt dat bij vakken waar men over een grote hoeveelheid bestaande kennis dient te beschikken, zoals met name de geesteswetenschappen, de oudste universitair docenten doorgaans het best worden beoordeeld door de studenten. Dat verklaart vermoedelijk waarom universitair docenten zo lang blijven doorwerken: driekwart is voornemens om pas na zijn vijfenzestigste met pensioen te gaan – meer dan de helft pas na zijn zeventigste en nog zo’n vijftien procent wil doorwerken tot zijn tachtigste. (De gemiddelde Amerikaan gaat op zijn eenenzestigste met pensioen.) Tijdens mijn eerste jaar als hoogleraar vroeg ik een keer aan een collega die achter in de zestig was of hij ooit had overwogen om met pensioen te gaan. Hij lachte en zei dat hij zijn werkkamer waarschijnlijk alleen tussen zes plankjes zou verlaten.

Onze decaan zou hier misschien meesmuilend om moeten lachen – de beleidsmakers zullen klagen dat de onderzoeksproductiviteit van de medewerkers sterk afneemt in de laatste decennia van hun carrière. Oudere hoogleraren slokken een deel van het budget op waarmee anders jongere onderzoekers ingehuurd hadden kunnen worden, die staan te popelen om baanbrekend onderzoek te doen. Maar misschien liggen daar ook kansen: als oudere medewerkers de focus binnen hun werk kunnen verleggen van onderzoek naar lesgeven, zonder daarmee aan prestige te verliezen, kunnen jongere medewerkers meer onderzoek doen.

Dit soort patronen komen overeen met mijn eigen ervaring als hoofd van een denktank met mensen van alle leeftijden. Er zijn talloze uitzonderingen, maar de belangrijkste inzichten komen van mensen die ergens in de dertig zijn, of begin veertig. De mensen die het beste in staat zijn verbindingen te maken of ingewikkelde ideeën uit te leggen – met andere woorden: de beste docenten – zijn meestal halverwege de zestig of ouder, soms zelfs in de tachtig.

Dat oudere mensen, met hun verhalen vol wijsheid, de beste leraren zouden zijn lijkt haast een kosmische logica in zich te dragen

Dat oudere mensen, met hun verhalen vol wijsheid, de beste leraren zouden zijn lijkt haast een kosmische logica in zich te dragen. Wat voor werk we ook doen, naarmate we ouder worden kunnen we ons erop toeleggen onze kennis op een betekenisvolle manier te delen.

Ik zag een paar jaar geleden een cartoon van man op zijn sterfbed, die zei: ‘Had ik maar meer troep gekocht.’ Het verbaast me keer op keer dat zoveel rijke mensen blijven werken om meer geld te vergaren – veel meer geld dan ze ooit zullen kunnen uitgeven of op een zinnige manier kunnen nalaten. Ik heb een rijke vriend ooit gevraagd waarom dat zo is. Veel mensen die rijk zijn geworden, weten gewoon geen andere manier om hun eigenwaarde te bepalen dan door middel van geld, legde hij me uit, en zodoende blijven ze rondjes rennen in dezelfde tredmolen, jaar in, jaar uit. Ze hopen op een bepaald moment eindelijk genoeg geld te hebben vergaard om zich echt geslaagd te voelen, om echt gelukkig te zijn, en daarmee ook klaar om de dood onder ogen te zien. Dat is een vergissing, en bepaald geen onschuldige vergissing. De meeste oosterse filosofieën waarschuwen ervoor dat een gerichtheid op het verwerven van spullen leidt tot hechting en leegheid, waardoor het ware ik aan het oog wordt onttrokken en waardoor men op een dwaalspoor belandt in de zoektocht naar geluk. Naarmate we ouder worden is het beter om niet meer bezittingen te verwerven, maar juist om dingen af te stoten en zo dichter bij ons ware zelf te komen – en zo een toestand van harmonie te bereiken.

Op zeker moment zal het me niet nog meer vervulling schenken om nog een boek te schrijven; het zal voornamelijk het einde van mijn schrijfcarrière nog even op afstand houden. Het zal voornamelijk een extra penseelstreek zijn op het doek van mijn leven, een penseelstreek die, als ik heel eerlijk ben, anderen nauwelijks zullen opmerken, laat staan dat ze er heel blij mee zullen zijn. Hetzelfde geldt voor de meeste blijken van mijn succes. Wat ik het beste kan doen, is mijn leven niet langer beschouwen als een doek dat helemaal beschilderd moet worden, maar als een blok marmer waar stukjes vanaf moeten worden gehakt, totdat er een vorm uit tevoorschijn komt. Ik heb een omgekeerde bucketlist nodig. Mijn doel voor elk jaar van de rest van mijn leven zou moeten zijn om van alles uit mijn leven te bannen, spullen, verplichtingen en relaties, net zo lang tot ik mijn zuivere ik zie in zijn beste vorm.

Maar dat zuivere ik… wie is dat dan precies?

De meeste oosterse filosofieën waarschuwen dat een gerichtheid op het verwerven van spullen leidt tot hechting en leegheid, waardoor het ware ik aan het oog wordt onttrokken

Vorig jaar voerde de zoektocht naar een antwoord op die vraag me naar een plaats diep in de binnenlanden van zuidelijk India, naar Palakkad, een stad niet ver van de grens tussen de staten Kerala en Tamil Nadu. Daar zou ik de goeroe Sri Nochur Venkataraman ontmoeten, die bij zijn volgelingen beter bekend is als Acharya (‘Leraar’). Acharya is een stille, bescheiden man die zich ten doel heeft gesteld anderen te helpen om een staat van verlichting te bereiken; hij is niet geïnteresseerd in westerse techneuten die op zoek zijn naar een nieuw idee voor een zoveelste start-up of in mensen met een burn-out die willen loskomen van de religieuze traditie waarin ze zijn grootgebracht. Nadat ik hem had overtuigd dat ik geen van beide was, stemde hij toe in een ontmoeting.

Ik vertelde hem waar ik mee worstelde: mensen die veel hebben bereikt in hun leven, krijgen het vaak op latere leeftijd moeilijk omdat ze steeds minder goed worden in dat waar ze al die jaren zo hard voor hebben gewerkt. Is dit lijden onvermijdelijk, als een soort kosmische grap om de hovaardigen op hun plaats te zetten? Of is er ergens een uitweg – een manier om aan dat lijden te ontsnappen?

Acharya’s antwoord was enigszins elliptisch. Hij lichte een oude hindoewijsheid toe, over de verschillende fasen van het leven, ook wel ashrama’s genoemd.

De eerste ashrama is Brachmacharya, de periode van de jeugd en de vroege volwassenheid, die in het teken staat van leren. De tweede is Grihastha, de fase waarin je een carrière opbouwt, rijkdom vergaart en een gezin sticht. In deze tweede fase zien de filosofen een van de grootste valkuilen van het bestaan: mensen gaan zich hechten aan aardse beloningen – geld, macht, seks, aanzien – en proberen vervolgens deze fase de rest van hun leven te laten voortduren.

Het tegengif voor deze aardse verlokkingen is Vanaprastha, de derde ashrama, een naam die is afgeleid van twee woorden uit het Sankriet, die ‘terugtrekken’ en ‘in het bos’ betekenen. Dit is de fase die meestal zo rond de vijftig begint, een fase waarin we bewust minder bezig zijn met onze beroepsmatige ambitie en ons meer richten op spiritualiteit, het dienen van anderen, en wijsheid. Dat wil niet zeggen dat je moet stoppen met werken als je vijftig bent – iets wat maar weinigen zich kunnen permitteren – maar dat het goed is om de doelen in je leven bij te stellen.

Vanaprastha is een tijd om te studeren en je voor te bereiden op de laatste fase van het leven, Sannyasa, een fase die volledig gewijd zou moeten zijn aan plukken van de vruchten van de verlichting. In het verleden verlieten sommige hindoemannen op hoge leeftijd hun gezin, legden hun religieuze geloften af en brachten de rest van hun leven door aan de voeten van hun meesters, biddend en studerend. Zelfs voor wie niet ambieert om op zijn vijfenzeventigste in een grot te gaan zitten, zal de boodschap duidelijk zijn: naarmate we ouder worden, moeten we weerstand bieden aan de gebruikelijke verlokkingen van het succes, zodat we ons meer kunnen richten op dingen van transcendentaal belang.


Verslaafd aan aardse beloningen

Ik vertelde Acharya het verhaal van de man in het vliegtuig. Hij luisterde aandachtig en dacht even na. ‘Hij is er niet in geslaagd Grihastha achter zich te laten,’ zei hij. ‘Hij was verslaafd aan de aardse beloningen.’ Hij legde uit dat de eigenwaarde van de man waarschijnlijk nog altijd was verankerd in herinneringen aan professionele successen die hij vele jaren eerder had geboekt, en dat het feit dat hij aan de lopende band werd herkend enkel een afgeleide was van zijn kwaliteiten uit een ver verleden. De roem van dat moment was niet meer dan een flauwe afspiegeling van de roem uit het verleden. Ondertussen had hij de spirituele ontwikkeling van Vanaprashta volledig overgeslagen en moest hij het nu stellen zonder de zegeningen van Sannyasa.

Hier valt een les te leren voor diegenen onder ons die gebukt gaan onder het principe van de psychoprofessionele zwaartekracht. Stel dat je een ambitieuze, competitieve jurist, manager of ondernemer bent, of dat je – ik zeg maar wat – aan het hoofd staat van een denktank. Van de vroege volwassenheid tot aan de middelbare leeftijd ga je vol gas, wat je werk betreft. Je stelt je flexibel op – vaart op je vloeibare intelligentie – en je ontvangt materiële beloningen voor al je harde werken, je weet een hoop bezittingen te vergaren en raakt daar zeer aan gehecht. Maar de boodschap van de hindoefilosofie lijkt – net als de wijsheden in vele andere filosofische tradities – dat we bereid moeten zijn afstand te doen van die verworvenheden, op een moment dat we daar nog niet aan toe zijn. Zelfs op het toppunt van ons professionele prestige kunnen we waarschijnlijk het beste onze beroepsmatige ambities een beetje terugschroeven om onze metafysische ambities te kunnen opschroeven. Als David Brooks, columnist van The New York Times, het heeft over het verschil tussen ‘curriculumwaarden’ en ‘grafredewaarden’, plaats hij de ashrama’s in een heel concrete context. Curriculumwaarden hebben betrekking op beroepsmatige kwaliteiten en zijn gericht op aards succes. Ze hebben alleen waarde in vergelijking met anderen.
Grafredewaarden zijn ethisch en spiritueel, en hebben geen vergelijkingsmateriaal nodig. Bij grafredewaarden gaat het om die dingen waarvan je zou willen dat men het er op je begrafenis over heeft. Opmerkingen als: Hij was een goed en spiritueel mens, niet: Hij was al op zeer jonge leeftijd CEO en had meer frequent-flyerpunten dan wie ook.

Je zult je eigen grafrede niet horen, maar wat Brooks bedoelt te zeggen is dat we een meer bevrediging in ons leven zullen vinden – zeker wanneer we eenmaal de middelbare leeftijd hebben bereikt – als we inzetten op de waarden die voor ons het belangrijkste zijn.

De grootste fout die maatschappelijk geslaagde mensen kunnen maken is proberen hun piekprestaties eeuwig te rekken

Ik vermoed dat mijn eigen angst voor een professionele neergang is geworteld in mijn angst voor de dood – een angst die niet eens bewust is, maar die me er toch toe aanzet te handelen alsof de dood niet bestaat door te weigeren onder ogen te zien dat ook mijn curriculumwaarden tanende zijn. Deze ontkenning is funest omdat hij ertoe leidt dat ik voorbijga aan de grafredewaarden die me de meeste voldoening schenken.

De grootste fout die maatschappelijk geslaagde mensen kunnen maken is proberen hun piekprestaties eeuwig te rekken.

Hoe kan ik afrekenen met deze neiging? De Boeddha beveelt meditatie aan, en wel lijkmeditatie: veel Theravada-boeddhistische kloosters in Thailand en Sri Lanka laten monniken foto’s zien van lijken in diverse stadia van ontbinding, ter contemplatie. ‘Ook dit lichaam,’ leren de studenten zeggen, verwijzend naar hun eigen lichaam. ‘Dit is de natuur, de toekomst en het onvermijdelijke lot van mijn lichaam.’ In het begin is het nogal morbide. Maar de logica is geworteld in psychologische principes – en het is geen exclusief Oosters concept. ‘Om de dood haar grootste troef uit handen te nemen,’ schreef Michel de Montaigne in de zestiende eeuw, ‘kunnen we ermee beginnen de dood te ontdoen van het vreemde, de dood geregeld onder ogen te zien, ermee vertrouwd te raken; laten we vaker aan de dood denken dan aan wat dan ook.’

Psychologen noemen dit desensibiliseren, een proces van regelmatige blootstelling aan iets weerzinwekkends of angstaanjagends, waardoor het gewoner wordt, prozaïscher, minder eng. In het geval van de dood is deze aanpak bewezen effectief. In 2017 heeft een team onderzoekers van verschillende Amerikaanse universiteiten vrijwilligers gevraagd zich voor te stellen dat ze terminaal ziek waren, of ter dood veroordeeld. Vervolgens werd hen gevraagd blogposts te schrijven over hun denkbeeldige gevoelens of hun vermeende laatste woorden. Vervolgens vergeleken de onderzoekers die berichten met de berichten en de laatste woorden van mensen die echt op hun sterfbed lagen of ter dood zouden worden gebracht. De resultaten, gepubliceerd in Psychological Science, waren frappant: de laatste woorden van de mensen die zich hadden ingebeeld te zullen sterven waren drie keer zo negatief als de woorden van mensen die echt de dood in de ogen keken – waarmee lijkt te worden gesuggereerd dat de dood, contra-intuïtief, angstaanjagender lijkt wanneer hij denkbeeldig is en op afstand blijft dan wanneer de dood een realiteit is die onafwendbaar nadert.

Voor de meeste mensen geldt dat actief bezig zijn met de dood, zodat hij concreet en reëel wordt (in plaats van de gedachte aan de dood te verdrijven door gedachteloos aardse successen na te jagen), de angst voor de dood enigszins kan wegnemen; door de dood te koesteren worden we eraan herinnerd dat alles tijdelijk is, en dat kan elke afzonderlijke dag van ons leven meer zin verlenen. ‘De Dood betekent iemands einde,’ schreef E.M. Forster, maar ‘het idee van de Dood betekent zijn redding’.

De neergang is onvermijdelijk, en hij zal zich eerder aandienen dan vrijwel ieder van ons bereid is onder ogen te zien. Maar de bijbehorende somberte is niet onvermijdelijk. Het accepteren van de natuurlijke cadans van onze capaciteiten opent de mogelijkheid van transcendentie, omdat het ons in staat stelt onze aandacht te richten op het hogere spirituele en op de prioriteiten in het bestaan.

De laatste woorden van de mensen die zich hadden ingebeeld te zullen sterven waren drie keer zo negatief als de woorden van mensen die echt de dood in de ogen keken

Maar voor zo’n verschuiving is meer nodig dan een handvol platitudes. Ik ben mijn zoektocht begonnen in de hoop op een concrete routekaart die me de weg zou kunnen wijzen in de resterende jaren van mijn leven. Dat heeft geresulteerd in vier kernpunten.

Springen
De grootste fout die maatschappelijk succesvolle mensen maken is dat ze proberen voor altijd aan de top te blijven, dat ze voor eeuwig gebruik willen maken van het soort vloeibare intelligentie dat al betrekkelijk vroeg in het leven afneemt. Dat is ondoenlijk. Het geheim is dat je alles wat je bereikt op waarde moet leren schatten in het moment, en dat je een andere weg moet inslaan op een moment dat je daar misschien nog niet echt aan toe bent – maar dan wel op je eigen manier.

Dus: ik heb ontslag genomen als hoofd van het American Enterprise Institute, en mijn laatste werkdag valt ongeveer samen met het verschijnen van dit essay. Hoewel ik niet heb gemerkt dat ik minder goed presteerde, is dat slechts een kwestie van tijd. Zoals voor veel managementfuncties geldt, is het een baan die zwaar leunt op vloeibare intelligentie. Nog los daarvan wilde ik verlost zijn van de immer aanwezige zware verantwoordelijkheid, zodat ik me meer aan spirituele zaken zou kunnen wijden. Als ik heel eerlijk ben, had die beslissing ook niet alleen met mij van doen. Ik draag mijn instituut een zeer warm hart toe en ik heb vergelijkbare instellingen zien lijden onder managers die te lang bleven hangen.

Wanneer je afscheid neemt van iets wat je dierbaar is, is het net alsof er vanbinnen iets sterft. In het Tibetaanse boeddhisme bestaat er zoiets als bardo, een toestand tussen dood en wedergeboorte in – ‘vergelijk het met het moment dat je naar de rand van een afgrond stapt’, om de woorden van een beroemde boeddhistische leraar te gebruiken. Je laat een professioneel bestaan los dat antwoord geeft op de vraag: Wie ben ik?

Ik verkeer in de gezegende omstandigheden dat ik de mogelijkheid heb om mijn baan op te zeggen. Maar je hoeft niet per se ontslag te nemen; waar het om gaat is dat je ernaar streeft steeds meer afstand te nemen van de meest in het oog springende aardse beloningen – macht, roem en status, geld – zelfs als je blijft werken of carrière wil maken. De kunst is om de volgende fase van het leven te betreden, Vanaprastha, om je te wijden aan de studie en de training die ons voorbereiden op de vervulling van de laatste fase van het leven.

Dienen
Tijd is beperkt en professionele ambitie verdringt dingen die uiteindelijk belangrijker zijn. De aandacht verleggen van curriculumwaarden naar grafredewaarden betekent dat je de aandacht verlegt van activiteiten die gericht zijn op het ik naar activiteiten die gericht zijn op anderen. Voor mij is dat nog niet zo eenvoudig; ik ben van nature vrij egoïstisch. Maar ik heb onder ogen moeten zien dat toegeven aan zelfzuchtigheid rampzalige gevolgen kan hebben – en nu probeer ik elke dag opnieuw die neiging de kop in te drukken. Gelukkig sluit het helpen van anderen goed aan bij onze specifieke krachten naarmate we ouder worden. Zoals gezegd pieken mensen die werk doen dat, grof gezegd, bestaat uit het onderwijzen of mentoren van anderen, op latere leeftijd. Ik kom nu in een fase van mijn carrière waarin ik me als universitair docent hopelijk volledig kan wijden aan het overbrengen van ideeën en het stimuleren van anderen. Ik heb de hoop dat mijn meest productieve jaren nog moeten komen.

Spiritualiteit
Omdat ik het veel heb gehad over verschillende religies en spirituele tradities – en omdat ik herhaaldelijk heb gewezen op de valkuil wanneer je te veel investeert in je carrière – zou de lezer het idee kunnen krijgen dat ik een dualistische scheiding aanbreng tussen enerzijds spiritualiteit en anderzijds werk, met de boodschap dat de nadruk op spiritualiteit zou moeten liggen. Dat is niet mijn bedoeling. Ik zou iedereen willen aanraden op zoek te gaan naar zijn of haar spirituele zelf – ik ben voornemens om een groot deel van de rest van mijn leven te wijden aan mijn eigen godsdienst, het rooms-katholicisme. Maar dat hoeft niet te botsen met werk. Integendeel: als we ons weten los te maken van onze aardse bezittingen en onze energie weten te richten op het overdragen van kennis en het verrijken van anderen, kan het werk zelf een transcendentale bezigheid worden.

‘Het ultieme doel van alle muziek,’ heeft Bach ooit gezegd, ‘zou niets anders moeten zijn dan de meerdere eer en glorie van God en het verkwikken van de ziel.’ Wat uw metafysische overtuiging ook mag zijn, u kunt in uw werk altijd streven naar het verkwikken van de ziel, net als Bach.

Bach eindigde al zijn manuscripten met de woorden Soli Deo Gloria – ‘Alle eer komt alleen God toe.’ Het is hem echter niet gelukt die woorden op zijn laatste manuscript te zetten – ‘Contrapunctus 14’, van De Kunst der Fuge, dat ergens halverwege plotseling ophoudt. Zijn zoon C.P.E. heeft de volgende woorden toegevoegd aan de partituur: ‘Über dieser Fuge … ist der Verfasser gestorben’ (‘Op dit punt in de fuga … is de componist overleden’). Bachs leven en werk waren één geworden met zijn gebeden op het moment dat hij zijn laatste adem uitblies. Dat is ook mijn streven.

Verbinden
In dit essay heb ik me steeds gericht op wat het voor mijn levensgeluk betekent dat mijn professionele talent tanende is. Maar uit een overweldigende hoeveelheid onderzoek komt sterk het beeld naar voren dat geluk – niet alleen op latere leeftijd maar gedurende het hele leven – direct verband houdt met het aantal relaties dat we onderhouden en de hechtheid van die banden. Werk een meer ondergeschikte positie geven – hoe eerder hoe beter – zodat er ruimte komt voor het onderhouden van hechte banden met anderen, kan een manier zijn om een verdedigingswal op te werpen tegen de angst voor een professionele neergang.

Meer tijd in relaties steken, en minder in werk, hoeft niet te betekenen dat je niets meer zou kunnen bereiken. ‘Hij is als een boom geplant aan waterstromen’, staat in het boek Psalmen over de rechtschapene, ‘die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt – al wat hij onderneemt, gelukt.’ Denk aan een espenboom. Om een leven van ongekende prestaties te leiden moet je – net als de boom – in je eentje groeien, in je eentje tot ongekende hoogte stijgen en in je eentje sterven. Toch?

Mis. De esp is een uitstekende metafoor voor succesvolle mensen – maar niet, zoals blijkt, vanwege zijn solitaire grootsheid. Boven de grond lijkt het alsof hij solitair is. Maar elke afzonderlijke boom maakt deel uit van een enorm wortelstelsel, dat samen een plant vormt. Sterker nog, een esp is een van de grootste levende organismen ter wereld; in Utah staat Pando, een espenbos met een oppervlak van vierhonderdvijftig vierkante meter en een gewicht van een kleine zesduizend ton.

Ach, die arme stakker betekende eigenlijk O, help

De sleutel om met mijn neergang om te gaan – er zelfs van te kunnen genieten – is een steeds grotere bewustwording van de wortels die me verbinden met anderen. Als ik liefdevolle banden heb opgebouwd met familie en vrienden, dan zal mijn eigen kwijnen ruimschoots worden gecompenseerd door wat er in anderen opbloeit. Als ik mensen vertel over mijn persoonlijke onderzoeksproject, krijg ik vaak de vraag: hoe is het afgelopen met die held in het vliegtuig?

Ik moet veel aan hem denken. Hij is nog altijd beroemd, duikt zo nu en dan op in het nieuws. Eerst voelde ik telkens wanneer ik iets over hem las of hoorde medelijden opwellen – in feite gemaskeerde angst voor mijn eigen toekomst, begrijp ik inmiddels. Ach, die arme stakker betekende eigenlijk O, help.

Maar naarmate ik meer vat krijg op de ideeën die ik in dit essay uiteen heb gezet, neemt mijn angst navenant af. Ik voel nu voornamelijk dankbaarheid jegens de man in het vliegtuig, om wat hij me heeft geleerd. Ik hoop dat ook hij de harmonie en het geluk zal vinden die hij voor mij, zonder het te weten, dichterbij heeft gebracht.

Auteur: Arthur C. Brooks
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

Beeld: © Getty

The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.


Deel dit artikel


Recent verschenen