de wolven van stanislav


Soms moet de realiteit worden afgezwakt om geloofwaardig te zijn. Soms ook kies je zelf wat realiteit is en wat je gelooft. Zoals Paul Auster wanneer hij tijdens zijn reis naar de geboorteplaats van zijn grootvader in Oekraïne een verhaal hoort dat even grimmig als verbijsterend is.

Moet iets echt gebeurd zijn om als waar te worden aanvaard, of is het gebeurde al waar doordat je gelooft in de echtheid ervan, ook al is het waar veronderstelde eigenlijk niet echt gebeurd? En wat als je, ondanks je inspanningen om erachter te komen of een gebeurtenis al dan niet echt heeft plaatsgevonden, in een impasse van onzekerheid belandt en zodoende niet zeker weet of het verhaal dat iemand je vertelde op het terras van een café in de westelijke Oekraïense stad Ivano-Frankivsk is afgeleid van een onbekende maar verifieerbare historische gebeurtenis dan wel een legende is dan wel een sterk verhaal of een ongegrond gerucht dat wordt doorgegeven van vader op zoon? En belangrijker nog: als het verhaal zo verbazingwekkend en zo sterk is dat het je mond doet openvallen van verbazing en je begrip van de wereld verandert, verbetert of verdiept, maakt het dan uit of het verhaal waar is of niet?

Valse nostalgie

De omstandigheden dreven me in september 2017 naar Oekraïne. Mijn bedrijf was gevestigd in Lviv en ik benutte een vrije dag om twee uur richting het zuiden te reizen en de middag door te brengen in Ivano-Frankivsk, waar mijn grootvader van vaders kant ergens begin jaren 1880 was geboren. Behalve mijn nieuwsgierigheid had ik geen reden om erheen te gaan. Je zou ook kunnen zeggen dat ik werd gelokt door valse nostalgie, want ik had mijn grootvader nooit gekend en wist bijna niets van hem af. Hij stierf 28 jaar voordat ik werd geboren, een schaduwman uit een ongeschreven, niet-herinnerd verleden, en zelfs toen ik naar de stad reisde waar hij eind negentiende of begin twintigste eeuw uit wegtrok, begreep ik dat de plaats waar hij zijn jeugd en adolescentie had doorgebracht niet langer de plaats was waar ik mijn middag zou doorbrengen.

Toch wilde ik erheen, en als ik terugkijk en nadenk over de achterliggende reden, komt die misschien neer op een enkel verifieerbaar gegeven. De reis zou me door de bloedlanden van Oost-Europa leiden, de centrale horrorzone van de twintigste-eeuwse slachtingen, en als de schaduwman aan wie ik mijn naam dankte dat deel van de wereld niet had verlaten op het moment dat hij dat deed, was ik nooit geboren.

Wat ik van de vierhonderd jaar oude stad wist was dat deze pas in 1962 Ivano-Frankivsk werd (ter ere van de Oekraïense dichter Ivan Franko), en daarvoor afwisselend bekendstond als Stanislawów, Stanislau, Stanislaviv en Stanislav, afhankelijk van of ze onder Pools, Duits, Oekraïens of Sovjetbestuur viel. De Poolse stad was een Habsburgse stad geworden, de Habsburgse stad was een Oostenrijks-Hongaarse stad geworden, de Oostenrijks-Hongaarse stad veranderde de eerste twee jaar van de Eerste Wereldoorlog in een Russische stad, daarna weer in een Oostenrijks-Hongaarse stad, toen een korte tijd na de oorlog in een Oekraïense stad, daarna in een Poolse, vervolgens werd het een Sovjetstad (van september 1939 tot juli 1941), daarna een door Duitsland bestuurde stad (tot juli 1944), vervolgens een Sovjetstad en nu, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991, was het een Oekraïense stad geworden.

Ten tijde van mijn grootvaders geboorte woonden er 18.000 mensen en in 1900 (het geschatte jaar van zijn vertrek) waren dat er 26.000, waarvan meer dan de helft Joods. Tegen de tijd van mijn bezoek was de bevolking gegroeid tot 230.000, maar in de jaren van de nazibezetting lag het aantal ergens tussen 80.000 en 95.000, half Joods, half niet-Joods, en zoals ik toen al enkele decennia wist werden in de herfst na de Duitse inval (zomer 1941) 10.000 Joden bijeengedreven en neergeschoten op de Joodse begraafplaats, en tegen december waren de overgebleven Joden naar een getto verdreven, waarvandaan nog eens 10.000 Joden werden verscheept richting het Poolse vernietigingskamp Belźec, waarna de Duitsers de overgebleven Joden van Stanislau in 1942 en begin 1943 één voor één en vijf voor vijf en twintig voor twintig meenamen naar de bossen rondom de stad waar ze werden neergeschoten en neergeschoten en neergeschoten totdat er geen Joden meer over waren – tienduizenden mensen vermoord door een kogel in hun achterhoofd en begraven in de gemeenschappelijke kuilen die de slachtoffers groeven voordat ze werden vermoord.

Tijdens de reis veronderstelde ik verschillende keren dat deze grauwe, bewolkte middag mijn laatste dag op aarde zou zijn

Een vriendelijke vrouw die ik in Lviv had ontmoet nam het plannen van de reis op zich, en omdat ze in Ivano-Frankivsk geboren en getogen was en er nog altijd woonde, wist ze precies waar ik heen moest en wat ik moest zien en ze regelde zelfs iemand die ons erheen zou brengen. De chauffeur, een jonge gek zonder angst voor de dood, schoot over de smalle snelweg met twee rijstroken alsof hij auditie deed voor de rol van stuntman in een racefilm, uitzinnige risico’s nemend om elke auto voor ons in te halen door kalm en abrupt de andere rijstrook op te slingeren, zelfs wanneer we een tegenligger hadden, en tijdens de reis veronderstelde ik verschillende keren dat deze grauwe, bewolkte middag op de eerste dag van de herfst van 2017 mijn laatste dag op aarde zou zijn, en ik vertelde mezelf hoe ironisch het was, en hoe vreselijk toepasselijk tegelijkertijd dat ik dit hele stuk had gereisd om de stad te bezoeken die mijn grootvader meer dan honderd jaar geleden had verlaten, en vlak voor mijn aankomst daar zou sterven.

Gelukkig was er weinig verkeer, een mix van snel rijdende auto’s en langzaam rijdende vrachtwagens en op een gegeven moment een door paarden getrokken wagen volgeladen met een enorme stapel hooi, die zich met een tiende van de snelheid van de langzaam rijdende vrachtwagens over de weg bewoog. Stoere vrouwen met stevige benen en babushka’s op hun hoofd sjokten met plastic zakken vol boodschappen langs de kant van de weg. Afgezien van de plastic tassen zouden het figuren kunnen zijn van tweehonderd jaar geleden, Oost-Europese boerenvrouwen die vastzaten in een ver verleden dat het helemaal tot aan de eenentwintigste eeuw had overleefd. We reden langs een een aantal kleine steden met aan weerszijden van ons uitgestrekte, pas geoogste velden, totdat op ongeveer twee derde van onze route de weilanden oplosten in een niemandsland van zware industrie, met als meest spectaculaire voorbeeld een gigantische energiecentrale die plotseling links van ons opdook.

Als ik wat de vriendelijke vrouw me in de auto vertelde goed begrepen heb, voorziet deze monolithische installatie Duitsland en andere West-Europese landen van het grootste deel van hun elektriciteit. Dat is de tegenstrijdige realiteit van die bijna 1300 kilometer brede bufferstaat in de slachtlanden tussen Oost en West: terwijl Oekraïne de ene kant voedt met elektriciteit om de lichten te ontsteken en de boel aan de gang te houden, gaat aan de andere kant het bloedvergieten ter verdediging van dit krimpende conflictgebied gewoon door.

De synagoge van Ivano-Frankivsk. – © Wikimedia
De synagoge van Ivano-Frankivsk. – © Wikimedia

Ivano-Frankivsk bleek een aangename stad te zijn, een plek die geen enkele gelijkenis vertoonde met de uiteenvallende stedelijke ruïne die ik me had voorgesteld. De wolken vielen slechts enkele minuten voordat we arriveerden uiteen, en terwijl de zon de straten en openbare pleinen waar tientallen mensen rondliepen bescheen verwonderde ik me over hoe schoon en goed geordend het er was: geen provinciale uithoek die in het verleden was blijven steken, maar een eigentijds stadje met boekhandels, theaters, restaurants en een smaakvolle combinatie van nieuwe en oude architectuur, waarvan de zeventiende- en achttiende-eeuwse gebouwen en kerken nog waren gebouwd door de Poolse stichters en Habsburgse veroveraars.

Ik zou het prima hebben gevonden om twee of drie uur rond te dwalen en dan terug te keren, maar de vriendelijke vrouw die het bezoek had georkestreerd, had begrepen dat de reden van mijn komst te maken had met mijn grootvader, en omdat mijn grootvader een Jood was geweest leek het haar zinvol om met de enige rabbijn in de stad te gaan praten, de spiritueel leider van de laatst overgebleven synagoge van Ivano-Frankivsk – een solide, mooi ontworpen gebouw uit de eerste jaren van de twintigste eeuw dat op de een of andere manier tijdens de Tweede Wereldoorlog slechts kleine beschadigingen had opgelopen, die inmiddels allang waren hersteld.

Ik weet niet meer precies wat ik dacht, maar ik had er geen bezwaar tegen om met de rabbi te praten, aangezien hij waarschijnlijk de enige nog levende persoon was, waar ook ter wereld, die me misschien – misschien – iets kon vertellen over mijn familie, die anonieme groep onzichtbare voorouders die zich hadden verspreid en waren gestorven en vervolgens verdwenen uit het rijk van het kenbare, want het was vrijwel zeker dat hun geboorteaktes ergens in de afgelopen honderd jaar waren vernietigd door een bom of brand dan wel door de handtekening van een of andere overijverige bureaucraat. Praten met de rabbi zou een zinloze onderneming zijn, realiseerde ik me, een bijproduct van de valse nostalgie die me in de eerste plaats naar deze stad bracht, maar ik was nu hier, enkel voor deze ene dag, zonder de bedoeling ooit terug te keren, en wat kon het voor kwaad om wat vragen te stellen en af te wachten of hij ergens een antwoord op had?

De kettingrokende rabbijn, de rode en gele honkbalpetten, en nu dit

Er waren geen antwoorden. De bebaarde, orthodoxe rabbijn verwelkomde ons in zijn kantoor, maar los van wat ik al wist – dat Auster een naam was die veel voorkomt bij de Joden van Stanislav en nergens anders, waarna hij kort afdwaalde naar een oorlogsverhaal over een vrouw met de naam Auster die aan de Duitsers was ontkomen door zich drie jaar in een hol te verstoppen en na die drie jaar krankzinnig weer tevoorschijn was gekomen en de rest van haar leven gek was gebleven – had hij geen informatie voor mij. Een hectische, nerveuze man die gedurende het gesprek aan één stuk door ultradunne sigaretten rookte, die hij na slechts enkele trekjes uitdrukte om vervolgens uit een plastic zak op zijn bureau een nieuwe tevoorschijn te halen. Hij was niet vriendelijk of onvriendelijk, gewoon afwezig, een man die andere dingen aan zijn hoofd had en, voor zover ik kon zien, te druk was met zijn eigen sores om veel belangstelling te tonen voor zijn Amerikaanse bezoeker of de vrouw die de bijeenkomst had georganiseerd.

Volgens de meeste verhalen wonen er tegenwoordig niet meer dan twee- of driehonderd joden in Ivano-Frankivsk. Het is onduidelijk hoeveel van hen hun religie beoefenen of diensten bijwonen in de synagoge, maar uit wat ik een uur voordat ik de rabbijn had ontmoet had gezien, leek het erop dat niet meer dan een klein deel van dat afgenomen aantal deelneemt. Bij toeval viel mijn bezoek op Rosj Hasjana, een van de heiligste dagen op de liturgische kalender, en slechts vijftien mensen waren in het heiligdom aanwezig om te luisteren naar het geluid van de sjofar die het nieuwe jaar inluidt: dertien mannen en twee vrouwen. In tegenstelling tot hun tegenhangers in West-Europa en Amerika droegen de mannen bij dergelijke gelegenheden geen donkere pakken en stropdassen, maar nylon windjacks, en hun hoofden hadden ze bedekt met rode en gele honkbalpetten.

We gingen weer naar buiten en liepen nog een uur, anderhalf uur, misschien langer rond. De aardige vrouw had ervoor gezorgd dat ik om vier uur met weer een andere persoon zou praten, een dichter uit Ivano-Frankivsk die kennelijk jarenlang in de geschiedenis van de stad was gedoken, maar tot die tijd was er tijd om enkele van de plaatsen te verkennen waar we nog niet waren geweest, en we vervolgden onze wandelingen totdat we een groot deel van de stad hadden gezien. Tegen die tijd brandde de zon en in het prachtige septemberlicht liepen we een groot, open plein op en stonden ineens voor de Opstandingskerk, een achttiende-eeuwse barokke kathedraal die wordt beschouwd als de mooiste Habsburge structuur uit de jaren dat Ivano-Frankivsk bekendstond als Stanislau. Ik verwachtte dat het gebouw vanbinnen leeg zou zijn, op enkele toevallige toeristen en hun camera’s na, zoals ik gewend was van de andere prachtige kerken en kathedralen die ik in West-Europese steden had bezocht. Ik had het mis.

Dit was tenslotte niet West-Europa, het was de uiterst westelijke rand van wat eens de Sovjet-Unie was geweest, een stad in de provincie Galicië aan de uiterst oostelijke rand van het voormalige Oostenrijks-Hongaarse rijk, en de kerk, die niet rooms-katholiek of Russisch-orthodox was maar Grieks-katholiek, zat bijna vol met mensen, geen toeristen of geïnteresseerden in barokke architectuur, maar lokale burgers die waren gekomen om te bidden of om na te denken of om met zichzelf of de Almachtige te communiceren in die enorme stenen ruimte, waar door de glas-in-loodramen het septemberlicht naar binnen scheen. Er moeten honderd mensen geweest zijn, misschien wel tweehonderd, en wat me het meest opviel aan die grote, stille menigte was hoeveel jonge mensen er waren, ruim de helft van de bezoekers bestond uit mannen en vrouwen van begin twintig die op de banken zaten, het hoofd gebogen, of op hun knieën met de handen ineengevouwen en het hoofd naar boven, de ogen gericht op de glas-in-loodramen waardoor het septemberlicht naar binnen scheen.

Een gewone doordeweekse middag, die in niets afweek van elke andere dag behalve dat het uitzonderlijk mooi weer was geworden, en toch zat op die stralende middag de Opstandingskerk vol jonge mensen die niet aan het werk waren, niet op terrasjes zaten maar in gebedshouding op de stenen vloer neerknielden, hun handen in elkaar gevouwen en hun hoofd opgeheven. De kettingrokende rabbijn, de rode en gele honkbalpetten, en nu dit.

Stanislau, circa 1912.
Stanislau, circa 1912.

En na deze gebeurtenis die op al die andere volgde scheen het mij volkomen logisch toe dat de dichter een boeddhist bleek te zijn. En nee, geen New Age-bekeerling die een paar boeken over zen had gelezen, maar een oude beoefenaar die net was teruggekeerd van een verblijf van vier maanden in een klooster in Nepal. Een serieus man. En ook een dichter, en ook een student uit de stad waar mijn grootvader was geboren. Het was een lange, kolossale kerel met vlezige handen en een minzame manier van doen, een opmerkzame, bedachtzame persoon gekleed in Europese kleding die zijn toewijding aan het boeddhisme slechts terloops noemde, wat ik als bemoedigend teken beschouwde, zodat ik hem vertrouwde en het gevoel kreeg dat hij me de waarheid zou vertellen. De ontmoeting vond pas tweeënhalf jaar geleden plaats, maar het vreemde is dat ik me zelfs na zo’n korte tijd, en ondanks dat ik er vrijwel dagelijks aan heb teruggedacht, niets meer herinner van wat hij vertelde over de stad tot het moment dat hij de wolven noemde. Toen hij eenmaal aan dat verhaal begon, werd al het andere uitgewist.

We zaten op het terras van een café met uitzicht op het grootste plein van de stad, het centrale knooppunt van Stanislau-Stanislav-Ivano-Frankisvk, een grote ruimte vol zonlicht en zonder auto’s, die veel mensen in alle richtingen overstaken, waarvan in mijn herinnering niet één geluid maakte: een massa stille mensen die voor me langs liep terwijl ik luisterde naar het verhaal van de dichter. We hadden al vastgesteld dat ik bekend was met wat er tussen 1941 en 1943 met de Joodse helft van de bevolking was gebeurd, maar toen het Sovjetleger de stad in juli 1944 binnenviel, zei hij, slechts zes weken na de geallieerde invasie van Normandië, waren niet alleen de Duitsers opgeruimd, maar was ook de andere helft van de bevolking verdwenen. Ze waren allemaal in de een of andere richting gevlucht, oost of west, noord of zuid, zodat de Sovjets een lege stad hadden veroverd, een domein van niets. De menselijke bevolking was in alle richtingen uitgewaaierd en in plaats van mensen werd de stad nu bewoond door wolven, honderden wolven, misschien wel duizenden wolven.

Gruwelijk, dacht ik, zo gruwelijk als alleen een gruwelijke droom kan zijn, en plotseling, alsof ik ontwaakte uit een eigen droom, kwam het gedicht van Georg Trakl tot me, Oostfront, dat ik vijftig jaar geleden voor het eerst las en daarna steeds weer opnieuw tot ik het uit mijn hoofd kende, waarna ik het voor mezelf liet hervertalen; het gedicht uit de Eerste Wereldoorlog, geschreven in 1914, over Gródek, een Galicische stad niet ver van Stanislau die eindigt met het couplet:

Een door doornen bezaaide wildernis omringt de stad.
Vanaf de maan een bloederige trap
Die doodsbange vrouwen achtervolgt
Wilde wolven zijn de poorten door gestormd.

(A thorn-studded wilderness girds the city.
From bloody stairs the moon
Chases terrified women.
Wild wolves have stormed through the gates.)

Hoe wist hij dit? vroeg ik.

Zijn vader, zei hij, zijn vader had hem er vaak over verteld, en vervolgens zette hij uiteen dat zijn vader in 1944 een jonge man was, begin twintig, en nadat de Sovjets de controle over Stanislau hadden overgenomen, vanaf dat moment bekend als Stanislav, werd hij ingelijfd bij de legereenheid die tot taak had de wolven uit te roeien. Het kostte ze enkele weken, zei hij, of misschien was het enkele maanden, ik kan het me niet meer helemaal herinneren. Toen Stanislav weer door mensen kon worden bewoond trokken Sovjetse militairen en hun gezinnen ernaartoe.

Ik keek uit over het plein voor me en probeerde het me voor te stellen in de zomer van 1944. Alle mensen die met hun boodschappen rondliepen waren plotseling verdwenen, van het toneel gewist, en toen begon ik de wolven te zien, tientallen wolven die het plein over slenteren, zich in kleine groepjes verplaatsend op zoek naar voedsel in de verlaten stad. De wolven zijn het eindpunt van de nachtmerrie, de uiteindelijke uitkomst van de domheid die tot de verwoestingen van de oorlog leidde, in dit geval de drie miljoen Joden die in die oostelijke bloedlanden zijn vermoord, samen met talloze andere burgers en soldaten van afwijkende religies en zonder religie, en zodra de slachting is afgelopen, betreden wilde wolven de poorten van de stad. De wolven zijn niet alleen oorlogssymbolen. Ze zijn een voortbrengsel van de oorlog en wat die op aarde aanricht.

De waarheid

Ik twijfel er niet aan dat de dichter geloofde dat hij me de waarheid vertelde. De wolven waren echt voor hem, en vanwege de kalme overtuiging in zijn stem terwijl hij me het verhaal vertelde, aanvaardde ik ze eveneens als echt. Toegegeven, hij had de wolven niet met eigen ogen gezien, maar zijn vader wel, en waarom zou een vader zijn zoon zo’n verhaal vertellen als het niet echt was gebeurd? Dat zou hij niet doen, hield ik mezelf voor, en toen ik later die middag Ivano-Frankivsk verliet, was ik ervan overtuigd dat de stad, kort nadat de Russen de heerschappij over Stanislav van de Duitsers hadden overgenomen, door wolven was geregeerd.

In de weken en maanden die volgden deed ik wat ik kon om de zaak grondiger te onderzoeken. Ik sprak met een vriend die contacten had met historici aan de universiteit in Lviv (voorheen bekend als Lvov, Lwów en Lemberg), in het bijzonder een vrouw die gespecialiseerd was in de geschiedenis van de regio, maar in geen van haar eerdere onderzoeken was ze ooit iets tegengekomen over de wolven van Stanislav, zei ze, en ook toen ze er grondiger indook slaagde ze er niet in één enkele verwijzing te vinden naar het verhaal dat de dichter me had verteld. Wat ze wel vond, was een korte film die de verovering van de stad door Sovjettroepen op 27 juli 1944 documenteert, waarvan ik een kopie ontving zodat ik hem zelf kon bekijken, in de stoel waarin ik ook nu zit.

Vijftig of honderd soldaten marcheren in keurig geordende rijen Stanislav binnen terwijl een kleine menigte goedgeklede, goed gevoede burgers hun juichend verwelkomt. Dan wordt de scène vanuit een iets andere hoek gefilmd, met dezelfde vijftig of honderd soldaten en dezelfde goedgeklede, goed gevoede menigte. Dan wordt er gesneden naar een beeld van een ingestorte brug en voordat hij op zijn einde loopt, wordt teruggesneden naar het begonshot van de soldaten en de juichende menigte. De soldaten waren misschien echte soldaten, maar in dit geval was hun gevraagd de rol van soldaat te spelen, net zoals de acteurs die de juichende menigte moesten spelen hun rol speelden in een ruw gemonteerde, onvoltooide film die bedoeld was om de heroïsche goedheid en moed van de Sovjet-Unie te propageren.

Onnodig te zeggen dat nergens in de film een ​​wolf verschijnt.

Dat brengt me terug naar waar ik begon, en naar de vraag waar geen antwoord op bestaat: wat te geloven als je niet zeker weet of een vermeend feit al dan niet echt waar is?

Bij gebrek aan enige informatie die het verhaal dat hij me vertelde kon bevestigen dan wel ontkennen, kies ik ervoor om de dichter te geloven. Of ze er nu waren of niet, ik kies ervoor om in de wolven te geloven.

Auteur: Paul Auster

Paul Austers werk wordt in ruim dertig talen vertaald. Hij staat bekend als postmodern auteur.

The Literary Hub
Verenigde Staten | lithub.com

The Literary Hub is een Amerikaanse website over (Engelstalige) boeken, opgezet in 2015 vanuit de uitgeverswereld met als achterliggende gedachte dat kranten en niet-gespecialiseerde tijdschriften steeds minder aandacht besteden aan literatuur.


Deel dit artikel


Recent verschenen