Mijnwerkers


Machtige Zwitserse concerns beheersen voor een groot deel de handel in koper, kobalt en nikkel. Nu willen ze ook de bodemschatten op de diepzeebodem exploiteren.

In de chaos van zijn grillige beleid, met elke dag nieuwe dreigementen, bekendmakingen en decreten, dreigde een voor de aarde belangrijke beschikking van Donald Trump uit het zicht te raken. Eind april gaf de president de betreffende instanties opdracht ervoor te zorgen dat door de VS gelicentieerde ondernemingen zo snel mogelijk strategisch belangrijke grondstoffen uit de zeebodem kunnen halen, zowel in Amerikaanse als in internationale wateren. Daar, duizenden meters onder het oppervlak, liggen op veel plaatsen enorme voorraden koper, kobalt, mangaan en nikkel. Diepzeemijnbouw is zeer omstreden en door internationale verdragen grotendeels verboden. Sommige deskundigen achten het wel mogelijk en zinvol, mits op terughoudende en voorzichtige wijze. Veel anderen waarschuwen echter voor de onvoorspelbare en dramatische gevolgen voor de oceanen en de mariene ecologie en wijzen diepzeemijnbouw categorisch af.

Zoals bekend laat Donald Trump zich weinig gelegen liggen aan internationale regels en helemaal aan ecologische argumenten. Hij wil zakendoen. De onderneming die naar het zich laat aanzien het meest profiteert van zijn decreet is The Metals Company (TMC), een vanwege zijn manier van zakendoen omstreden Canadees bedrijf. Maar de grote profiteurs op de achtergrond zitten midden in Europa: in Zwitserland, en hun reputatie is niet minder dubieus.

Zonder overheidsregulering of enig toezicht controleren en dirigeren zij de wereldwijde handel in bodemschatten. Met name die waar door digitalisering, energietransitie en klimaatbescherming steeds meer vraag naar is. Als je nu op een willekeurige plaats een straatenquête zou houden met de vraag wat de grootste Zwitserse concerns zijn, hoor je waarschijnlijk de namen van UBS, voedingsmiddelenmultinational Nestlé en van farma-giganten als Novartis, Sandoz en Roche. Vrijwel niemand zou Glencore, Trafigura of Mercuria noemen. Terwijl die een branche van in totaal zo’n duizend grondstoffenbedrijven domineren, die samen meer aan het Zwitserse bbp bijdragen dan het toerisme of de financiële sector.

Grote bazen

Ongeveer de helft van de grondstoffenbedrijven is gevestigd in het belastingparadijs Zug. De Zwitserse federale autoriteiten gaan ervan uit dat 60 procent van de wereldhandel in grondstoffen via dit kanton loopt, hoewel ze daar – met uitzondering van goud – bijna nooit fysiek terechtkomen. Deze concerns zijn ‘achter de schermen de grote bazen van de wereldeconomie’, schreef het Zwitserse economische tijdschrift Bilanz. In 2024 haalde alleen al marktleider Glencore een omzet van € 202,8 miljard, evenveel als Nestlé, Novartis en Roche bij elkaar. 

De omvang op zich is echter niet het probleem, wel de dominante marktpositie en methodes die concerns als Glencore hanteren. Vanuit Zwitserland orkestreren en controleren de grondstofreuzen de gehele toeleveringsketen via een ondoorzichtig web van ontelbare, niet zelden in offshore belastingparadijzen gevestigde dochterondernemingen.

Het begint al bij de mijnen, meestal gelegen in afgelegen streken van politiek instabiele landen in Latijns-Amerika of Afrika waar de rechtsstaat een sluitpost is. Zoals Espinar in de hooglanden van het grondstofrijke Peru, waar zonder enige consideratie met mens en natuur op grote schaal koper wordt gewonnen. De voornamelijk inheemse lokale bevolking wordt verjaagd. Degenen die blijven, hebben gevaarlijke concentraties zware metalen en andere giftige stoffen in hun bloed, veroorzaakt door verontreinigd drinkwater. Dat is vastgesteld door de nationale gezondheidsdienst maar heeft niets veranderd. Ook in andere landen zijn de werkwijzen en de toestanden bij de winning van grondstoffen rampzalig voor de mensenrechten en het milieu. Kerkelijke en andere ngo’s bekritiseren dat zonder resultaat al jaren.

De Zwitserse grondstoffenreuzen hebben meer schepen op zee dan de complete Amerikaanse marine

Niet alleen de mijnen zelf, ook het daaropvolgende transport en de verwerking van de grondstoffen zijn stevig in handen van de Glencores van deze wereld. Zij bezitten de wegen, de transportbedrijven, de spoorlijnen en de havens; de Zwitserse grondstoffenreuzen hebben meer schepen op zee dan de complete Amerikaanse marine. Zij zorgen voor de veredeling en het verhandelen van de grondstoffen. En bovendien zijn zij door hun enorme opslagcapaciteit in staat de felbegeerde goederen vast te houden en zo de prijzen op de wereldmarkt kunstmatig op te drijven. De rekening is voor de verwerkende industrie – en dus uiteindelijk voor de consument, aangezien energiecentrales, smartphones en elektronische apparaten onnodig duurder worden.

Het is gezien hun macht en betekenis verbazingwekkend dat de grondstoffenreuzen zo goed onder de radar van de publieke waarneming weten te blijven. En dat willen ze maar al te graag zo houden. Als je de schitterende gebouwen van de Zwitserse banken en de financiële sector aan de Paradeplatz in Zürich ziet, verbaas je je hoe onopvallend het kantoor van de economische wereldmacht Glencore is: een kleurloos kantorencomplex aan Baarermattstraße 3 in de gemeente Baar in kanton Zug.

Door een fusie met zijn Zwitsers-Britse concurrent Xstrata twaalf jaar geleden stond Glencore in één keer aan de top van de bedrijfstak. De oprichter van het concern was een man die zijn leven lang een reputatie van meedogenloosheid heeft genoten, waar hij zelf helemaal niet mee zat: Marc Rich. In 1934 in België geboren, werd hij later ook Spaans en Israëlisch staatsburger en begon hij in 1974 als zelfstandig oliehandelaar. In zaken had Rich geen morele of politieke scrupules, en dat kostte hem in 1983 de kop. De FBI vaardigde een wereldwijd opsporingsbevel tegen hem uit, officieel wegens belastingfraude. In werkelijkheid werd het Rich in de VS buitengewoon kwalijk genomen dat hij ongegeneerd doorging met zijn oliehandel met de Iraanse moellahs toen die in de Amerikaanse ambassade in Teheran tweeënvijftig Amerikaanse diplomaten en medewerkers 444 dagen lang gegijzeld hielden. Waarom Bill Clinton hem op de laatste dag van zijn ambtstermijn in 2001 verrassenderwijs gratie verleende en het arrestatiebevel introk, is sindsdien onderwerp van veel speculatie.

Slinks

Marc Rich, die voor fotografen bij voorkeur poseerde met een dikke sigaar en open overhemd, was in de jaren zeventig ook in de metaalhandel gestapt. Zijn belangrijkste man werd een vrijwel onbekende Duitser, in de Zürichse Tagesanzeiger ooit kort en krachtig ‘de machtigste manager van Zwitserland’ genoemd: Willy Strothotte. Geboren in 1944 in Borken, Westfalen, gold hij in de grondstoffenbusiness als de Metal Man en rechterhand van Rich. In de jaren negentig, toen Rich door zijn eigen managers was afgezet en zij het bedrijf hadden omgedoopt tot Glencore, werd Strothotte de baas van het concern. Ook bleef hij aandeelhouder. Tegenwoordig woont hij in Zwitserland waar hij van zijn miljarden geniet.

Maar waarom vindt dit alles uitgerekend in Zwitserland plaats? Zolang de kas klopt, blijft men discreet. Politiek en instanties tonen geen noemenswaardige interesse in het reguleren of controleren van de activiteiten van de grondstoffengiganten. Daar hebben ook de herhaalde corruptieschandalen, zoals die bij Glencore, niets aan veranderd. In Congo had het concern met hulp van een dubieuze tussenpersoon en smeergeldbetalingen aan de clan van dictator Joseph Kabila op slinkse wijze exploratierechten weten te bemachtigen. Dat werd in 2017 door de Süddeutsche Zeitung en andere internationale media aan het licht gebracht in de Paradise Papers. Aan het onderzoek door Zwitserse en Amerikaanse autoriteiten wist Glencore in 2022 elegant een einde te maken door € 180 miljoen aan de Republiek Congo over te maken.

In 2020 is in Zwitserland een poging gedaan de concerns in elk geval op het gebied van mensenrechten en milieunormen aan banden te leggen. Een referendum over de invoering van normen en voorschriften naar het voorbeeld van de EU-richtlijn inzake de toeleveringsketens, mislukte toen nipt. Het initiatief was afkomstig van negentig kerkelijke en maatschappelijke organisaties; inmiddels bereidt deze ‘coalitie voor verantwoord ondernemen’ een nieuwe poging voor.

Deze coalitie stelt momenteel ook de zogenaamde Zwitserlandconnectie aan de kaak die zou profiteren van Donald Trumps plannen om grondstoffen uit de diepzeebodem te winnen. Want de in het begin genoemde Canadese onderneming TMC, die hiervoor al in de startblokken staat, is grotendeels in Zwitserse handen. Glencore en het in het kanton Fribourg gevestigde Allseas, dat is gespecialiseerd in voor dit doel ontworpen bijzondere vaartuigen, zijn grote investeerders en ‘strategische partners’ van TMC. Bovendien verzekerde Glencore zich al in 2012 contractueel van vijftig procent van de metalen die TMC ooit uit de bodem onder de Stille Oceaan wil gaan halen.


Deel dit artikel


Recent verschenen