Onderwerpen: Grondstoffen

  • Binnenkort is Tibesti geen afgelegen oord meer

    Binnenkort is Tibesti geen afgelegen oord meer

    Goud, antimoon en internet dringen razendsnel door in het geïsoleerde en afgelegen Tibesti-massief in het noorden van Tsjaad. ‘Ongebreidelde globalisering heeft de overhand genomen.’

    ‘Sinds mijn geboorte ken ik alleen de woestijn, ik weet er de weg, ik ben er thuis.’ Tijdens het praten zet Ahmedi Brahim Chaha de rugleuning van zijn stoel een stukje naar achteren, controleert in zijn achteruitkijkspiegel of zijn lading goed vastzit en schuift zijn mobiele telefoon in de houder op het dashboard. Op deze winterse donderdag vertrekt Ahmedi vanuit Bardaï, de hoofdstad van de regio Tibesti in het noorden van Tsjaad die grenst aan Niger en Libië, naar Dirkou in Niger. Daar wil hij benzine kopen, dertig jerrycans van zestig liter, die hij met dikke touwen in een piramide zal vastsjorren in de laadbak van zijn 4×4 om ze na terugkomst in Tsjaad te verkopen. Benzine is op dit moment aan deze kant van de grens twee keer zo duur, dus de handel loopt als een tierelier.

    Het is een reis van vier dagen en zeshonderd kilometer over onverharde wegen. Alleen achter het stuur van zijn brandschone witte Toyota Tundra met getinte ruiten, luistert hij naar muziek of podcasts. De eenendertigjarige Ahmedi, vader van twee kinderen, droomt groot: hij definieert zichzelf als een ‘handelaar’ op de grote informele handelssnelweg die de Sahara van oost tot west doorkruist. Een omschrijving die in de praktijk neerkomt op het overbruggen van kilometers vlakke en winderige woestijn in Zuid-Libië, Noord-Niger en het Tibestigebergte, de drie landstreken die het oorspronkelijke thuisland vormen van Ahmedi’s nomadische gemeenschap, de Teda.

    ‘Sinds mijn geboorte ken ik alleen de woestijn, ik weet er de weg, ik ben er thuis’

    ‘Het enige verschil met jullie snelwegen is dat je hier geen tolpoortjes hebt, alleen maar zand, maar verder is het lood om oud ijzer,’ glimlacht Ahmedi terwijl hij zijn dunne bril wat omhoog duwt. En inderdaad, hoe onmetelijk het gebied ook is, je kunt er onmogelijk een dag doorheen rijden zonder allerlei volk tegen te komen. Van wapen- of drugshandelaren en mensensmokkelaars tot verkopers van allerhande goederen, brandstoftransporteurs of mensen die gewoon onderweg zijn. Afhankelijk van de locatie is je veiligheid op deze eindeloze onverharde wegen min of meer gegarandeerd.

    De regionale geschiedschrijving, grotendeels van koloniale hand, maakt van Tibesti een nomadisch, nostalgisch droombeeld. Momenteel vinden er echter twee structurele veranderingen plaats, de komst van het internet en de ontdekking van goud en antimoon, een metaal dat wordt gebruikt bij de vervaardiging van zonnepanelen en elektrische batterijen. Volgens de plaatselijke autoriteiten heeft de ontdekking van die mineralen in vijftien jaar tijd geleid tot meer dan honderdvijftigduizend nieuwkomers in Tibesti, dat voordien slechts twintigduizend inwoners telde. De bevolkingsexplosie brengt onder andere ressentiment, toenemende economische armoede en instabiliteit met zich mee.

    Het internet, daarentegen, heeft voor de regio Tibesti een heel nieuwe wereld doen opengaan: op elke berghut en elke auto die door het gebied rijdt is inmiddels een Starlink-ontvanger geïnstalleerd. TikTok vormt het favoriete tijdverdrijf van deze geïsoleerde bevolking en wakkert hun verlangen om de bergen te verlaten alleen nog maar verder aan.

    ‘In de woestijn kan je van alles overkomen, overvallen gebeuren voortdurend, maar als je er eenmaal bent, gebeurt je niets meer’

    Voor de Teda fungeert de Tibestiketen, een vulkanisch massief dat wordt omgeven door een zee van zand, als een kruispunt en als een kompas. De lokale bevolking spreekt liever van ‘Tou’, de grote berg, want het immense massief, dat drie keer zo groot is als Zwitserland, is het hoogste van de Sahara. Als ze op reis zijn, neemt hun verlangen om terug te keren naar ‘Tou’ alleen maar toe. Verschillende Teda hebben het gebergte omschreven als een onneembare haven, immuun voor de narigheid beneden. ‘In de woestijn kan je van alles overkomen, overvallen gebeuren voortdurend, maar als je eenmaal hier bent gebeurt je niets meer,’ verzekert Ahmedi.

    De krijgsgeschiedenis van Tibesti verklaart Ahmedi’s trotse overtuiging. Elk leger dat Tibesti heeft proberen te onderwerpen werd in de pan gehakt, of het nu Turken, Italianen, Libiërs, Fransen of zelfs Tsjadiërs waren. Allemaal stuitten ze op een gegeven moment op het verzet van de bergpartizanen. Je zou de geschiedenis van Tibesti bijna kunnen reconstrueren aan de hand van de wrakken waarmee het zand bezaaid ligt, gestripte tanks en antitankmijnen uit de oorlog met Libië in de jaren tachtig, resten van de Leclerc-kolonne uit de jaren veertig en verkoolde voertuigen van tijdens de opstand in de jaren tweeduizend.

    Klein metaal, grote gevolgen

    Antimoon is een relatief onbekend metaal, maar speelt een steeds grotere rol in de wereldeconomie. Het wordt gebruikt in onder meer batterijen, zonnepanelen, vlamvertragers en militaire toepassingen. Daarmee is het een zogeheten kritieke grondstof: schaars, moeilijk te vervangen en essentieel voor de energietransitie en defensie-industrie.
    Volgens analyses van Financial Times en The Economist wordt de wereldwijde productie van antimoon sterk gedomineerd door China, dat goed is voor een groot deel van het aanbod. Die concentratie maakt andere landen kwetsbaar voor verstoringen in de aanvoer, zeker nu de geopolitieke spanningen toenemen. Daarom groeit de belangstelling voor nieuwe vindplaatsen, ook in afgelegen regio’s zoals het Tibesti-massief in Tsjaad. Overheden en bedrijven zoeken naar manieren om hun afhankelijkheid van Chinese grondstoffen te verkleinen. Tegelijk gaat de winning van antimoon in zulke gebieden vaak gepaard met informele mijnbouw, milieuschade en lokale conflicten.
    De vraag naar antimoon zal naar verwachting verder stijgen door de wereldwijde energietransitie en de groei van de defensiesector. Dat maakt het metaal tot een strategische factor in internationale verhoudingen, in de toekomst mogelijk zelfs vergelijkbaar met olie of zeldzame aardmetalen.

    Afgelegen ligging

    Gewapend met een wandelstok en gehuld in een elegante witte boubou begeeft een oude man zich in langzame pas tussen de rotsen door. Kenia Adoum is al veertien jaar het traditionele hoofd van het kanton Modra, een dorpje verscholen in het Miskigebergte. Die ochtend zal Kenia Adoum ons, de verslaggevers van Libération, samen met de onderprefect van Modra ontvangen. Westerse bezoekers zijn in dit gebied al decennialang op de vingers van één hand te tellen.

    Als we de oude man mogen geloven is de afgelegen ligging van Tibesti – halverwege de hoofdsteden van Tsjaad, Niger en Libië, elk meer dan duizend kilometer verderop en slechts via onverharde wegen te bereiken – de voornaamste reden dat hier nooit sprake is geweest van echte ontwikkeling. En evenmin van een echt gevoel van nationale verbondenheid of volledige stabiliteit. Hier gaat niemand ongewapend de deur uit. Als hij achter het stuur van zijn pick-up kruipt, zet de onderprefect van Modra zijn popperige zoontje op de passagiersstoel met een aanvalswapen ernaast.

    Hier gaat niemand ongewapend de deur uit

    Tibesti beschikt over 48 scholen, dertien gezondheidscentra en een ziekenhuis. In de meeste gezondheidscentra is er echter maar één verpleegkundige werkzaam en de meeste scholen hebben geen leraren. Degenen die zijn aangenomen verlaten hun post al snel gezien de onaantrekkelijke verhouding tussen salaris en reistijd. Er is nergens elektriciteit, dus heeft iedereen in zonnepanelen geïnvesteerd. Asfalt ziet Kenia Adoum alleen als hij naar de hoofdstad N’Djamena gaat. ‘Het pad naar het dorp hebben we in 1979 zelf uitgehakt, met houwelen. Hier [in Tibesti] heb je alleen de palmentuin die ons te eten geeft en het goud dat ons in de problemen brengt,’ moppert het kantonhoofd.

    Zoals alle mannen hier stortte ook Ahmedi zich op het gouddelven. In 2015 kocht hij van de opbrengst een auto. ‘Je moet het goud gebruiken om een toekomst op te bouwen.’ Vervolgens ging hij migranten vervoeren van Agadez in Niger naar Sebha in Libië. Elke reis wordt een dertigtal van deze Europadromers in de laadbak van zijn pick-up gepropt. 75.000 franc (ongeveer 110 euro) per passagier. Maar let op. Ahmedi is geen mensensmokkelaar, alleen maar iemand die passagiers vervoert, probeert hij zo goed mogelijk te verduidelijken, alsof hij wil zeggen: wat ze daarna doen, moeten ze zelf weten.

    Hij kent de grensovergangen, die vaak alleen op papier bestaan, en bezit drie verschillende nummerborden: van Niger, Tsjaad en Libië. ‘Deze grenzen zijn getrokken door de kolonisatoren, maar ze hebben weinig impact op ons komen en gaan,’ bevestigt de vierennegentigjarige Anour Oueddeï, een voormalige cavalerist onder het Franse koloniale bewind die daar zoals alle mannelijke Teda van zijn leeftijd diverse malen tegen in opstand is gekomen, maar die ook de broer van de president en de zoon van de sultan is. Je moet de geschiedenis op de lange termijn bekijken, zegt hij. ‘Vroeger hadden we dromedarissen om handel te drijven, nu gebruiken we auto’s.’

    Deze grenzen zijn getrokken door de kolonisatoren

    Behalve de grenzen trekken de mannen zich ook weinig aan van belastingen en in- en uitvoerrechten. De meeste goederen uit Libië, waar de autochtone Tsjadiërs hun inkopen doen, worden clandestien het land binnengebracht. ‘Dit is de woestijn,’ zegt Allifa Oueddeï, de hoogste Tsjadische overheidsfunctionaris. Smokkel? Nee! Smokkel, zo vergoelijkt vrijwel iedereen, geldt voor dingen die illegaal zijn, zoals wapens. Volgens hen is het gewoon een goede deal om sloffen Libische sigaretten buiten de douane om in te voeren. Over de rest zwijgt iedereen. Ze praten niet over de benzine die via het Tibestigebergte naar het door oorlog verscheurde Soedan wordt gesmokkeld, zoals een recent rapport van de denktank Global Initiative against Transnational Organized Crime bevestigt. Niemand praat ook over wapens, zoals een klein kaliber dat door een verkoper voor vijfhonderd euro wordt aangeboden.

    Levensader

    Handel is de levensader van de regio Tibesti. Er is handel op menselijke schaal, die geruststellend is, en handel op industriële schaal, die zorgwekkend is. ‘Ongebreidelde globalisering heeft de overhand genomen, kijk maar naar Venezuela en Oekraïne. Als de grote mogendheden besluiten dat ze zich ook onze mineralen willen toe-eigenen, wat kunnen we daar dan tegen beginnen?’ vraagt Galmaye Wardougou, de onderprefect van Bardaï.

    Ahmedi Chaha tankt bij een gloednieuw pompstation met een digitaal betaalsysteem dat de lokale bevolking tegen de borst stuit – alles gaat hier contant, wie heeft dat verrekte station hier neergezet? Hij is tevreden met zijn leven, maar hij denkt vooruit: ‘De handel is best goed, maar handel drijven met kamelen zou nog beter zijn. Met een glimlach voegt hij eraan toe: ‘Maar wel met internet, natuurlijk.’

  • Waarom China Iran niet te hulp zal schieten

    Waarom China Iran niet te hulp zal schieten

    Het maakt de Chinese overheid niet veel uit hoe het Iraanse regime eruitziet, zolang het maar olie levert.

    De Amerikaanse en Israëlische bombardementen op Iran worden door China met argusogen gevolgd. Beijing is immers Teherans belangrijkste partner. Deze twee landen vonden elkaar in hun overeenkomstige geschiedenis en beleidsdoelen: beide landen kunnen bogen op een niet-westerse beschaving die teruggaat tot de oudheid, en beide landen verzetten zich tegen een door het Westen gedomineerde wereldorde. Ook energiezekerheid speelt een rol in China’s relatie met Iran. In 2025 was meer dan 55 procent van de totale olie-import van China afkomstig uit het Midden-Oosten (zo’n 13 procent uit Iran), en het grootste deel daarvan moest door de Straat van Hormuz komen, de zee-engte voor de Iraanse kust. Door de bombardementen ligt de Iraanse olieleverantie nu stil en loopt de productie in alle Golfstaten gevaar, zodat China het gevaar loopt geen olie meer uit de regio te kunnen halen. Sommige analisten speculeren daarom dat het Teheran toch te hulp zal schieten. Zo niet met directe militaire interventie, dan tenminste met materiële ondersteuning in de vorm van apparatuur en onderdelen die zowel militair als civiel inzetbaar zijn, zoals Beijing die ook al aan Rusland levert voor de oorlog in Oekraïne.

    Maar al maakt China zich zorgen, het is niet waarschijnlijk dat het zich in de strijd zal mengen. De twaalfdaagse oorlog van Israël tegen Iran in juni 2025 ontlokte China niet meer dan de geijkte diplomatieke steunbetuigingen aan de Islamitische Republiek. En op de officiële persconferentie van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken deze week waren de felste bewoordingen gereserveerd voor een veroordeling van de liquidatie van Irans opperste leider ayatollah Ali Khamenei, niet voor de hele militaire campagne tegen Iran. Met de oproep aan ‘alle betrokken partijen om de militaire operaties te beëindigen’ – dus niet alleen aan de VS en Israël maar ook aan Iran – en om de ’soevereiniteit, veiligheid en territoriale integriteit’ van de Golfstaten te eerbiedigen wekt China de indruk dat het net zo hard zijn best doet om de betrekkingen met de Golfstaten goed te houden als die met Iran.

    Deze terughoudendheid is niet van vandaag of gisteren. Sinds de Hamas-aanval op Israël van 7 oktober 2023 is China in toenemende mate ontgoocheld geraakt over de capaciteiten en de geloofwaardigheid van Iran als regionale machtsfactor. De Chinese strategen hebben hun vertrouwen in het land ook verloren omdat het volgens hen geneigd is om voor westerse druk te zwichten in plaats van terug te vechten, zoals blijkt uit de aanhoudende Iraanse wens om met Washington te blijven onderhandelen. Uiteindelijk beschouwt China een regimewisseling in Iran niet als het slechtst mogelijke scenario. Het is bereid om samen te werken met welke regering er straks ook komt bovendrijven, zolang de olieleveranties en de gezamenlijke economische belangen maar gewaarborgd zijn. Pas als die belangen gevaar lopen, of als een lange uitputtingsslag het vervoer van olie door de Straat van Hormuz verstoort, zal Beijing zijn afzijdigheid moeten heroverwegen en zich er nadrukkelijker in gaan mengen.

    Pas als de oliebelangen gevaar lopen, zal Beijing zijn afzijdigheid moeten heroverwegen

    De Iran-strategie van China berustte lange tijd op de gedachte dat het land een bruggenhoofd kon vormen voor de verdediging van de Chinese belangen in het Midden-Oosten. Om hun toenemende samenwerking te bekrachtigen en hun banden op het gebied van economie en veiligheid verder aan te halen sloten de twee landen in 2021 een vijfentwintigjarig strategisch partnerschap. Maar vanwege Iraanse huiver voor meer Chinese invloed en daaruit voortvloeiende aantasting van de eigen soevereiniteit en onafhankelijkheid kwam er van de in het akkoord voorgenomen investeringen van 400 miljard dollar weinig terecht, en Beijing raakte gefrustreerd over de wispelturige en onbetrouwbare houding van Teheran. China heeft bovendien geconcludeerd dat de macht en de revolutionaire geloofwaardigheid van het land zwaar worden overschat. Met een bevolking die tienmaal zo groot is als die van Israël en driemaal zo groot als die van Saoedi-Arabië heeft Iran niettemin een bbp dat nog geen 90 procent van dat van Israël en niet meer dan 25 procent van dat van Saoedi-Arabië bedraagt. Volgens de Chinese analyse schrikt het zijn tegenstanders vooral af met proxy-oorlogen en asymmetrische oorlogsvoering, zodat het machtiger lijkt dan het is en zijn interne zwaktes verbloemt.

    Irans strategische doel van een islamitische revolutie staat in de ogen van China ook op gespannen voet met de stappen die nodig zijn om dat doel te bereiken. In de analyse van Niu Xinchun, hoofd van het onderzoeksinstituut voor Chinees-Arabische betrekkingen aan de Ningxia-universiteit, biedt de islamitische ideologie geen ruimte voor concessies aan de Verenigde Staten over politieke en nucleaire kwesties. Maar vanwege de verlammende sancties is een betere relatie met de Verenigde Staten een eerste vereiste om de economie erbovenop te helpen, het land sterker te maken en de binnenlandse roep om hervormingen te laten verstommen. Zo zit Iran dus klem tussen zijn verzet tegen de VS en de noodzaak om met Washington tot een vergelijk te komen, tussen zijn conservatieve theologische wortels en de noodzaak van hervorming.

    Bovendien vinden veel Chinese analisten dat Iran vaak slap optreedt tegen tegenstanders. Nadat in 2020 de hoogste Iraanse generaal Qassem Soleimani door de VS was geliquideerd, en toen Israël in 2024 de Iraanse ambassade in Syrië had bestookt, vond men de vergeldingsacties van Teheran tegen Amerikaanse militaire bases in Irak en Israël bepaald niet indrukwekkend. Ook de Iraanse vergeldingsaanvallen voor de twaalfdaagse oorlog, waarbij Qatar en de Verenigde Staten steeds vooraf door Iran werden gewaarschuwd, werden algemeen als zwak en ineffectief beschouwd. Chinese internetters deden het spottend af als ‘vergelding voor de bühne’. In Chinese commentaren over het Midden-Oosten klinkt inmiddels veel pessimisme door: Chinese opiniemakers zoals de bekende deskundige Hu Xijin zien Iran en zijn bevolking nu wegzinken in een moeras en nemen het Teheran kwalijk dat het land daarin is beland.

    Sinds 2023 is de ene na de andere militie op de korrel genomen en weggevaagd

    Het Chinese vertrouwen is ook ondermijnd door hoe Iran omgaat met de proxy-groeperingen die het in andere landen onderhoudt. Sinds 2023 is de ene na de andere militie op de korrel genomen en weggevaagd. Zo konden Hamas en Hezbollah door Israël worden gedecimeerd zonder dat Iran met enige steun of vergelding van belang kwam. China hoorde in december 2024 verbluft aan hoe de Iraanse banden met proxy-groeperingen in de regio (de zogenaamde ‘as van het verzet’) door vicepresident Mohammad Zarif werden ontkend: volgens hem had Iran daar geen macht over. En in april 2025 trok Iran zijn militair personeel terug uit Jemen terwijl dat land door de Amerikanen werd gebombardeerd. Ze lieten hun Houthi-bondgenoten dus in de steek om de spanningen met de VS niet verder op te voeren, in de hoop onderhandelingen met dat land te kunnen hervatten.

    Beijing is ook teleurgesteld over het falen van het Iraanse regime op binnenlands vlak. In de Chinese staatsmedia wordt het regime niet openlijk bekritiseerd, maar in kringen van Chinese beleidsmakers maakt men zich geen illusies over de verkeerde beleidskeuzes, de wijdverbreide corruptie en de povere bestuurlijke prestaties van Teheran. Israël kon in de twaalfdaagse oorlog heel gericht Iraanse topmilitairen en kerngeleerden uitschakelen doordat het veiligheidsapparaat geïnfiltreerd was. Dat wekt de indruk dat veel Iraanse functionarissen geen vertrouwen hebben in hun eigen systeem en bereid zijn hun land te verraden. Chinese leiders twijfelen aan de levensvatbaarheid van een Iraanse staat waar de eigen functionarissen geen vertrouwen in hebben.

    Vanwege die teleurstelling over het Iraanse leiderschap is Beijing niet zonder meer gekant tegen een regimewisseling. Omdat het er vooral belang aan hecht dat Iran een levensvatbare economische partner blijft, staat het neutraal tegenover de aard van het regime. Als de Amerikaanse en Israëlische aanvallen de wilde militaire ambities van Iran een halt toeroepen en het land zijn positie als economische mogendheid weet te herwinnen, kan China daar vrede mee hebben.

    Dat China zal proberen het huidige regime overeind te houden is ook onwaarschijnlijk in het licht van zijn eigen betrekkingen met de Verenigde Staten. Voor eind maart staat er een ontmoeting gepland tussen Donald Trump en Xi Jinping. Dat zou kunnen leiden tot een groot akkoord dat een echte détente inluidt na acht traumatische jaren van harde rivaliteit tussen de twee grootmachten. Beijing wil zijn poging om met Trump samen te werken niet laten doorkruisen door een oorlog in het Midden-Oosten.

    Nieuwe afwegingen

    De Chinese belangen in Iran draaien vooral om energiezekerheid. China heeft zijn energievoorziening gediversifieerd en zwaar geïnvesteerd in steenkool, zonne-, wind- en kernenergie. Olie is in 2025 door hernieuwbare energiebronnen voorbijgestreefd als de tweede grootste energiebron na steenkool, maar blijft een onmisbare rol spelen in de Chinese economie. Het land is nog steeds van geïmporteerde olie afhankelijk voor zijn vlieg- en scheepsverkeer en voor petrochemische producten. Het heeft een oliereserve van naar schatting 1,3 tot 1,4 miljard vaten, circa 30 procent van zijn invoer in 2025: genoeg voor een korte, maar niet voor een langdurige verstoring van de aanvoer uit het Midden-Oosten.

    Iets wat China wel zorgen baart, wat deze afwegingen kan doorkruisen en het land toch kan dwingen om in actie te komen, is de afsluiting van de Straat van Hormuz. Daarmee zou meer dan de helft van de Chinese olie-import worden afgesneden. De mogelijkheid van een regionaal conflict met een langdurige sluiting van de scheepvaartroutes is door Midden-Oosten-deskundigen en topmensen uit de Chinese oliesector altijd weggewuifd. Een oorlog in de regio die het vervoer van olie door de Straat van Hormuz verstoort, zo was de gedachte, zou leiden tot een wereldwijde energiecrisis waarvoor snel een collectieve oplossing zou worden gevonden. Tijdens de twaalfdaagse oorlog beweerden Chinese deskundigen al dat Iran de Straat van Hormuz niet zou afsluiten, omdat het daarmee de hele Golfregio tegen zich in het harnas zou jagen en zijn eigen inkomsten in gevaar zou brengen. Dit was het argument dat Beijing inzette tegen de binnenlandse roep om (en westerse speculatie over) de opbouw van een Chinese militaire aanwezigheid in de regio.

    Die aanname dat de energieproducenten en -consumenten van de wereld niet zullen toestaan dat de regio uit elkaar valt, wordt nu op de proef gesteld. Beijing oefent druk uit op Teheran om de Straat van Hormuz open te houden en geen maatregelen te nemen die het vervoer van olie verstoren. Als de aanvoer van olie uit de regio in het geding komt, kan China bij andere leveranciers terecht, met name Rusland, dat momenteel al goed is voor meer dan 17 procent van de Chinese olie-import. Maar het is beducht voor al te grote afhankelijkheid van één leverancier, uit angst dat ook die kraan ineens kan worden dichtgedraaid.

    Als de aanvoer van olie uit de regio in het geding komt, kan China bij andere leveranciers terecht, met name Rusland

    Een nog groter probleem voor China is een langdurige oorlog. Als het Iraanse regime de bombardementen van Amerika en Israël doorstaat en met zijn tegenaanvallen echt schade weet aan te richten, wordt Beijing voor een dilemma gesteld. Als Teheran ophoudt met meebuigen, terug gaat vechten en overleeft, wordt het voor China moeilijk om aan de zijlijn te blijven staan en het regime geen steun te geven. Het blijft zijn belangrijkste partner in de regio. Als Iran nu wel daadkracht en weerbaarheid aan de dag legt en China hulp blijft weigeren, laat het zich kennen als een ontrouwe bondgenoot. Mengt het zich wel in de strijd, dan zal China het land wellicht net zo steunen als Rusland in de oorlog tegen Oekraïne: met apparatuur zoals drones, afname van Iraanse olie, en technologische ondersteuning voor de opbouw van de Iraanse defensie-industrie.

    Hoe langer het regime het uitzingt, hoe meer China zal moeten doen om het te ondersteunen, en hoe meer dit de oorlog weer verder zal rekken. Maar als het regime snel ten val komt, zoals dat van Bashar al-Assad in Syrië, of als er juist snel een stabiele nieuwe situatie ontstaat zoals in Venezuela na de ontvoering van Nicolás Maduro, dan zal China daar niet lang om rouwen. Vertrouwen in de leiding van de Islamitische Republiek had China al niet meer. Waar het nu om gaat, is hoe het met de nieuwe machthebbers kan samenwerken om te zorgen dat de olie uit het Midden-Oosten blijft stromen. 

  • Een reusachtige ijzerertsmijn kan Guinee rijk maken of ruïneren

    Een reusachtige ijzerertsmijn kan Guinee rijk maken of ruïneren

    De veelbelovende inkomensbron biedt veel kansen voor het west-Afrikaanse land, maar dit hangt er allemaal van af hoe de junta de onverwachte meevaller gebruikt.

    Onder een bergkam in de zuidelijke hooglanden van Guinee, een West-Afrikaans land met 14 miljoen inwoners, ligt een van ’s werelds grootste ijzerertsafzettingen. De winning van de drie miljard ton erts, die tegen de huidige marktprijzen zo’n 315 miljard dollar zou opbrengen, heeft bijna dertig jaar stilgelegen. Pas op 3 december 2025 werd de eerste lading erts naar staalfabrieken in China verscheept.

    Simandou, zoals de mijn heet, zou de mondiale ijzerertsmarkt op zijn kop kunnen zetten door de dominantie te verschuiven van Australië naar China, dat een groot aandeel heeft in het project. Dat kan enorme gevolgen hebben voor Guinee, dat de inkomsten wil gebruiken voor grootscheepse vernieuwingen, van wegen tot onderwijs. Maar degenen die er onmiddellijk van profiteren zijn de militaire junta en haar leider, generaal Mamady Doumbouya, die zijn bewind wil legitimeren door middel van presidentsverkiezingen op 28 december 2025.

    Simandou

    Decennialang leek het erop dat de schatten van Simandou nooit zouden worden gedolven. Rio Tinto, een Brits-Australisch mijnbouwbedrijf, verwierf in 1997 de eerste exploitatierechten. Behalve door omkopingsschandalen en politieke instabiliteit (twee staatsgrepen), werd het project lange tijd belemmerd door de hoge aanvangskosten.

    De mijn ligt in een afgelegen deel van de hooglanden. De onverharde wegen ernaartoe zijn vaak onbegaanbaar vanwege stortregens en dichte mist. Om de locatie te ontsluiten waren de aanleg van een 620 kilometer lange spoorlijn en een nieuwe zeehaven nodig. Aangezien de wateren voor de kust van Guinee te ondiep zijn voor grote schepen, moeten bootjes het erts 20 kilometer vanaf de kust vervoeren naar een groter schip dat in dieper water ligt. Om bouwmateriaal op de locatie te krijgen, moeten vrachtwagens zo’n twintig dagen over slechte wegen rijden vanuit de hoofdstad Conakry, 900 kilometer verderop, waarbij het gevaar van overvallen voortdurend op de loer lag. Dit alles dreef de kosten op tot meer dan 20 miljard dollar, waardoor Simandou het duurste mijnbouwproject ter wereld werd. 

    Deze kosten worden nu verdeeld tussen Rio Tinto, dat voor een kwart eigenaar is van het project, het Chinese Chinalco, en een apart Chinees-Singaporees consortium, WCS. De Chinese overheid wordt over het algemeen beschouwd als de drijvende kracht achter het project. Als ’s werelds grootste afnemer van ijzererts wil China de prijzen graag drukken. Sommige analisten verwachten dat de toename van het aanbod door Simandou de ijzerertsprijzen de komende jaren zal terugbrengen van ongeveer 100 naar 70 dollar per ton. Rio Tinto trok uit de Chinese betrokkenheid de conclusie dat het project hoe dan ook zou doorgaan, dus werd het van strategisch belang geacht om aan boord te blijven. ‘Waarde meet je niet altijd alleen af aan je brutowinst,’ zegt Chris Aitchison, algemeen directeur van het Rio-Chinalco consortium.

    De Chinese overheid wordt over het algemeen beschouwd als de drijvende kracht achter het project.

    De Chinese vicepremier Liu Guozhong woonde in november een inhuldigingsceremonie bij. De Guinese autoriteiten benadrukken echter dat China slechts een van de vele partners in de mijn is. Simandou combineert ‘de voortvarendheid van de Chinese spelers met de normen die we graag zien bij de westerse spelers,’ zegt Djiba Diakité, stafchef van generaal Doumbouya.

    De Guinese autoriteiten hopen dat de ervaring met de bouw van Simandou hen zal helpen bij hun volgende grote uitdaging: het beheer van de meevaller. In de aanloop naar de verkiezingen zijn overal in Conakry posters te zien ter aanprijzing van ‘Simandou 2040’, het plan van de regering om haar inkomsten uit het project te herinvesteren, dikwijls naast een afbeelding van generaal Doumbouya in uniform. ‘We hebben de kans om het volume van onze economie en de levensstandaard van onze bevolking wezenlijk te veranderen,’ zegt Bouna Sylla, de minister van Mijnbouw.

    Dat is geen grootspraak: tegen 2030 zal Simandou naar verwachting 120 miljoen ton ijzererts verschepen, wat neerkomt op een toename van ongeveer 6 procent van het internationaal verhandelde aanbod. De export van Guinee zou met ongeveer 12 miljard dollar per jaar toenemen, bijna een verdubbeling van de huidige handelsinkomsten. In 2030,  zo schat het IMF, kan het bbp dankzij het project 26 procent hoger liggen dan nu. S&P Global, een ratingbureau, publiceerde in september zijn eerste waardering van Guinese staatsobligaties.

    Dutch disease

    De nieuw verworven rijkdom brengt ook grote risico’s met zich mee. Ambtenaren vrezen voor een ‘Dutch disease’, een economisch fenomeen waarbij de nationale munt weliswaar wordt versterkt door de ontdekking en export van een grote natuurlijke hulpbron (zoals gas of olie), maar andere sectoren (zoals industrie en landbouw) juist krimpen, wat leidt tot de-industrialisatie en economische kwetsbaarheid op de lange termijn. Net zoals in Nederland gebeurde na de ontdekking van gas in de jaren zestig.

    De mijnbouwsector van Guinee is nu al goed voor een vijfde van het bbp en voor meer dan 90 procent van de export. Een sterke toename van de ijzerertsexport kan de munt ten goede komen, maar de export van andere producten schaden. Zonder ingrijpende beleidswijzigingen verwacht het IMF dat de mijn vrijwel geen effect zal hebben op de armoede, die in 2024 rond de 43 procent lag. Ook rijst de vraag wat er moet gebeuren met de vijftigduizend bouwvakkers van Simandou zodra de bouw van de mijn is voltooid.

    Veel hangt af van hoe de inkomsten uit Simandou worden besteed. De junta van Guinee is van plan om de komende vijftien jaar 200 miljard dollar te investeren om banen te creëren en de economie te diversifiëren. Ze wil een combinatie van leningen, inkomsten uit ijzererts en geld uit de particuliere sector gebruiken om honderden infrastructurele projecten te financieren, een staatsinvesteringsfonds op te richten en scholen te verbeteren (de helft van de bevolking kan niet lezen of schrijven). Het geld mag niet ‘in allerlei zakken verdwijnen’, zegt Sylla, wijzend op het reële gevaar van corruptie.

    De junta van Guinee is van plan om de komende vijftien jaar 200 miljard dollar te investeren om banen te creëren en de economie te diversifiëren.

    Diakité stelt dat het investeringsplan ook de toeleveringssector zal stimuleren, zoals de verwerking van erts tot pellets. De overheid dwingt mijnbouwbedrijven om te investeren in verwerkingsfabrieken, anders riskeren ze hun vergunning te verliezen, zoals in augustus gebeurde met een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten. Guinese functionarissen beweren dat Rio Tinto ook heeft ingestemd met de bouw van een pelletfabriek. Rio Tinto zegt dat het alleen heeft toegezegd het idee te overwegen. Een conflict zou de investering van Rio Tinto kunnen dwarsbomen.

    Door deel te nemen aan de verkiezingen heeft generaal Doumbouya zijn belofte gebroken om de macht over te dragen nadat hij die in 2021 via een staatsgreep in handen had gekregen. De junta heeft oppositiepartijen uitgesloten van de verkiezingen en de pers gekneveld. Op de vraag waarom de generaal geen eerlijke verkiezingen kan accepteren, zegt Diakité dat Guinee ‘economische en sociale ontwikkeling’ boven politieke rechten stelt. 

    Ondanks een vreeswekkende militaire aanwezigheid in Conakry is de machtspositie van generaal Doumbouya niet rotsvast. Hij was nog maar een jonge militair toen hij president werd. Verdeeldheid binnen de strijdkrachten blijft een risico voor zijn bewind. Een electoraal mandaat zou potentiële uitdagers in toom kunnen houden. Maar naarmate de productie van Simandou toeneemt, zal er een steeds hogere prijs moeten worden betaald voor het behoud van de macht in Guinee. Een plotselinge stroom van middelen heeft in het verleden vaker conflicten veroorzaakt in Afrika, en Simandou staat mogelijk aan de vooravond van een van de grootste ooit.

    Mamady Doumbouya

    Junta-leider Mamady Doumbouya is sinds 17 januari president van Guinee, nadat het hooggerechtshof zijn verkiezingsoverwinning met 86,7 procent van de stemmen heeft goedgekeurd.
    Voor en tijdens de verkiezingen werd de persvrijheid zwaar onderdrukt en werd het merendeel van de oppositie gearresteerd of het land uitgezet, aldus Daily Post of Nigeria. Doumbouya is benoemd voor een termijn van zeven jaar, die eenmaal kan worden verlengd.
    Sinds Doumbouya’s aantreden heeft de Commissie van de Afrikaanse Unie opgeroepen tot het opheffen van de sancties die aan Guinee zijn opgelegd. Volgens de Commissie zou het opheffen van deze sancties de economische ontwikkeling van het land bevorderen, onder meer in de mijnbouwsector.
    Het Winning Consortium Simandou (WCS), een van de mijnbouwbedrijven die betrokken zijn bij de projecten in Simandou, zegt inmiddels te hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van Guinee, onder meer door de opening van scholen. Investeren in maatschappelijke ontwikkeling is volgens het consortium een prioriteit.

  • Europa moet zich grondig bezinnen op zijn omgang met grondstoffen

    Europa moet zich grondig bezinnen op zijn omgang met grondstoffen

    Voor zeldzame aardmetalen is Europa bijna volledig aangewezen op Chinese export. Dat is een haast absurd economisch risico, schrijft Torben Kassler in Süddeutsche Zeitung. Maar er is een uitweg voorhanden: stoppen met het verspillen van die waardevolle grondstoffen.

    Wanneer je met politici of vertegenwoordigers van de industrie spreekt over zeldzame aardmetalen – toegegeven, dat zal een niet-journalist zelden overkomen – volgt al snel een even zeldzame teneur. De importsituatie is ‘gespannen’, zegt een vrouwelijke expert van het Bundesverband van de Duitse industrie. De exportlicenties uit China zijn ‘niet toereikend’, zegt het verbond van de Duitse auto-industrie. Minister van economische zaken Katharine Reiche zei onlangs zelfs dat ‘op sommige plekken de productielijnen al stil liggen’. Als niet-journalist zou je dat waarschijnlijk zo samenvatten: We zijn de klos.

    Wat het thema van de zeldzame aardmetalen betreft staat Europa voor een trilemma: in de eerste plaats is daar de industrie, die gevangen lijkt te zitten tussen een extreem stijgende vraag en de massieve afhankelijkheid van één enkele aanbieder. Dan is er ten tweede de uitzichtloze positie van Europa tussen de imperialistische kemphanen USA en China, en in de derde plaats een industriepolitiek van de EU die er op papier goed uitziet, maar waarvan de uitvoering op zich laat wachten. 

    Toch is er een oplossing die de bevoorradingssituatie weliswaar niet volledig oplost, maar naast het strategische probleem ook de ecologisch impact van de winning en raffinage van zeldzame metalen zou verminderen: Europa moet zijn omgang met de grondstoffen grondig overdenken.

    De omschakeling op hernieuwbare energie zouden zonder zeldzame aardmetalen slechts utopische gedachte-experimenten zijn

    De zeventien stoffen die het begrip ‘zeldzame aardmetalen’ omvat worden wel de metalen van de toekomst genoemd. Geen high-tech industrie kan zonder. Of het nu Yttrium en Europium zijn in de lichtgevende stoffen van moderne beeldschermen of neodymium en praseodymium die onmisbaar zijn in de legeringen van straaljagermotoren. Maar de grootste behoefte aan zeldzame metalen bestaat bij de vervaardiging van permanente magneet: neodymium, samarium, praseodymium, dysprosium, terbium en gadolinium staan hier bovenaan de lijst. Zonder deze permanente magneten zouden bijna alle belangrijke industrieën hun productie moeten staken. 

    Want ook al worden ze steeds in relatief geringe hoeveelheden gebruikt – in de batterij van een mobieltje bijvoorbeeld zit maar 0,4 gram neodymium en in de motor van een elektrische auto slechts ongeveer drie kilo – de zeldzame metalen zijn onmisbaar voor het functioneren van deze producten. Geen windmolen zou zonder nog stroom opwekken, geen elektromotor een carrosserie aandrijven, geen geleide raket zijn doel vinden. De omschakeling op hernieuwbare energie zouden zonder zeldzame aardmetalen slechts utopische gedachte-experimenten zijn.

    In het afgelopen jaar hebben Duitse ondernemingen ongeveer 12.300 ton van die metalen en daaruit bestaande permanentmagneten geïmporteerd, volgens de Duitse Rohstoffagentur (Dera), bijna 8000 ton meer dan pas vijf jaar geleden. En op langere termijn gaat de trend nog verder omhoog. Experts van het internationale energieagentschap (IEA) verwachten dat de vraag tot 2040 met drie- tot zevenmaal toeneemt, alleen al voor het halen van de Europese klimaatdoelen. De universiteit Löwen komt in een studie tot 2050 zelfs uit op zeven tot zesentwintig keer zo veel.

    Helemaal niet zo zeldzaam

    Op zich zou deze stijgende vraag geen groot probleem zijn: die zeldzame metalen zijn feitelijk helemaal niet zo zeldzaam, sommige komen vaker in de aardkorst voor dan lood of goud. Het probleem ontstaat door de dominantie die een enkele staat bezit op de wereldmarkt van zeldzame metalen: meer dan 70 procent van het wereldwijde aanbod en rond de 90 procent van de verdere verwerking zijn momenteel in Chinese handen. En terwijl dit laatste cijfer weliswaar volgens schattingen van de IEA tot 2040 zal dalen tot ‘slechts’ 76 procent, kan niemand die deze felbegeerde metalen wil bemachtigen op dit moment om de volksrepubliek heen.

    Al vroeg heeft China de toekomstige relevantie van zeldzame aardmetalen onderkend: ‘Het Midden-oosten heeft olie, wij hebben zeldzame aardmetalen,’ zou de toenmalige regeringsleider Deng Xiaoping al in 1987 gezegd hebben. In de volgende decennia breidde China zijn monopoliepositie uit, in eigen land – ongeveer 40 procent van de wereldwijde reserves van zeldzame metalen bevindt zich in China –, maar ook in de rest van de wereld. Inmiddels staat de volksrepubliek China relatief alleen aan de top wat know-how en techniek betreft; experts schatten hun voorsprong in ontwikkeling op tien tot vijftien jaar.

    Lange tijd heeft deze dominantie nauwelijks iemand verontrust. China was weliswaar politiek omstreden, maar zolang de Chinese mijnbouw- en raffinagebedrijven de milieuonvriendelijke bewerkingsprocessen binnen de eigen landsgrenzen hielden en voordelige grondstoffen leverden aan de Europese bedrijven – tja, waarom zouden we daar bezwaar tegen maken? Deze zorgeloosheid veranderde pas toen China in 2010 zijn monopolie als drukmiddel tegen buitenlandse ondernemingen inzette en exportbeperkingen oplegde. In de handelsoorlog tussen de VS en China vanaf 2018 gebruikte de volksrepubliek haar monopoliepositie opnieuw om in geopolitieke kwesties druk uit te oefenen.

    Europa bevindt zich nu in een tamelijk hopeloze positie

    Europa werd zich pijnlijk bewust dat zijn hightech-economie weinig waard is zonder toegang tot grondstoffen, en dat vrije wereldhandel, als het erop aankomt, minder betrouwbaar is dan gehoopt. Tegelijk werd duidelijk dat de Volksrepubliek China allang geen opkomend ontwikkelingsland meer is, maar een volwaardige rivaal voor de Amerikaanse hegemonie.

    Dat zou in een coöperatieve wereldorde geen onoverkomelijk probleem zijn. Maar op zijn laatst sinds Trumps aantreden is helder dat die tijd voorbij is. Zijn protectionisme kwam niet uit de lucht vallen; het is mede een reactie op de economische uitdaging vanuit Oost-Azië. In de Süddeutsche Zeitung schetste politicoloog Ulrich Menzel een komende fase van imperialistische krachtmetingen tussen de VS en China – inclusief handels- en afgeleide oorlogen. Verrassend is dat niet: de strijd om dominantie is de kern van een wereldwijd economisch systeem met globaal concurrerende actoren. Economische dominantie als voltooiing van de concurrentie: het basisprincipe van economisch imperialisme.

    Europa bevindt zich nu in een tamelijk hopeloze positie. Aan de ene kant, zuiver economisch gezien, moeten we goede relaties met China zien te behouden om de toekomst van de eigen industrie te verzekeren. Aan de andere kant staan we, historisch en politiek gezien, aan de kant van de VS. Om dat zo te houden grijpt de president van de VS graag naar middelen die we eigenlijk alleen kennen uit maffiafilms. Neem het voorbeeld van Huawei: toen Trump het gebruik van Chinese hardware in federale overheidsinstanties verbood en Europa zich daar niet bij aan wilde sluiten, dreigde de VS met een herziening de samenwerking tussen de geheime diensten van de VS en de EU-landen – uitgerekend een jaar na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne, waarin data van de Amerikaanse geheime diensten onmisbaar zijn voor de Oekraïense verdediging.

    Recycling

    Wat kan Europa nu doen? Welnu, blijkbaar had Brussel na het begin van de Amerikaans-Chinese handelsoorlog in 2018 toch iets geleerd en is er in 2024 met de Critical Raw Materials Act (CRM Act) ten minste een basis gelegd. De Europese soevereiniteit qua grondstoffen moet berusten op drie pijlers: winning, raffinage en verdere bewerking binnen Europa; diversifiëring van de landen waaruit geïmporteerd wordt; en het opbouwen van recyclecapaciteit.

    Op minstens twee punten lopen we al snel tegen harde grenzen aan. Ten eerste zijn de Europese vindplaatsen van zeldzame aardmetalen bij lange na niet toereikend. Zelfs met de twee jaar geleden ontdekte reserves in Zweden – waarvan de winning overigens pas over tien tot vijftien jaar kan beginnen – zal de Europese mijnbouw niet meer dan 10 procent van de Europese vraag bedragen. Bovendien bemoeilijken EU-milieuregels en de afwijzende houding van de bevolking de uitvoering van verder mijnbouwplannen. Ook de diversificering van aanvoerketens kan slechts een klein deel voor zijn rekening nemen. Zelfs bij ‘slechts’ 76 procent van de verwerking in Chinese handen in het jaar 2040, volgens de schatting van de IEA, moeten de overige 24 procent tussen alle westerse industrieën worden verdeeld.

    Dan blijft dus alleen nog massale uitbreiding van de recycling over. Momenteel wordt minder dan 1 procent van de zeldzame metalen uit schroot teruggewonnen. Hierin schuilt de grootste kans voor Europa: want alleen uit recycling kan volgens de studie van de Universiteit Löwen vanaf 2040 tot wel 65 procent van de Europese behoefte gedekt worden. De technologieën om deze cijfers te halen zijn in experimenteel stadium al voorhanden. Maar voor de realisering op industriële schaal is een radicale koerswijziging in de politiek nodig, want lange tijd zal het recyclen van zeldzame aardmetalen een verliesgevende zaak blijven.

    Zolang zeldzame aardmetalen als heel normale grondstoffen behandeld worden, gebeurt er niets

    Voor de opbouw van de benodigde recyclecapaciteit moeten er drie dingen gebeuren. Eerst moet de EU een kader scheppen dat ondernemingen in staat stelt om snel, gecoördineerd en ongecompliceerd te investeren in onderzoek en ontwikkeling van recycling. Daarvoor moeten we bureaucratische drempels wegnemen en EU-breed ruimte creëren waarin onderzoek en bedrijfsleven samen sneller vooruitgang boeken. Op andere strategisch belangrijke gebieden bleken zulke EU-inspanningen mogelijk, bijvoorbeeld op het gebied van cyber security of defensievraagstukken. En al heeft de EU met de CRM Act al enige politieke wil in deze richting getoond, we zijn er nog niet. 

    In de tweede plaats moeten de ondernemingen deze investeringen ook daadwerkelijk doen, om onderzoek en ontwikkeling zo snel mogelijk te kunnen vertalen in industriële realiteit. Om een voorsprong als die van de Chinezen in te halen moeten reusachtige hoeveelheden kapitaal en personeel worden vrijgemaakt. Gezien de strategische relevantie is dat niet alleen een opgave voor het bedrijfsleven, er is een mix van subsidies, garanties en fiscale prikkels nodig om de aanlooprisico’s te overbruggen. Want vrijwel geen enkele onderneming zal miljarden aan startkapitaal investeren om over tien, misschien pas twintig jaar te kunnen zeggen: ‘Nou, nu zijn we toch mooi strategisch belangrijk geworden!’

    Daarom is voor punt een en punt twee vooral punt drie nodig: een ommezwaai in het denken van politici en industriebazen. Zolang zeldzame aardmetalen als heel normale grondstoffen behandeld worden, gebeurt er niets. Beslissers in politiek en bedrijfsleven moeten beseffen dat het bij kritieke grondstoffen zoals zeldzame aardmetalen niet draait om korte- en middellangetermijnwinsten, maar om het veiligstellen van de Europese industriële toekomst op de lange termijn. Zo’n besluiteloos en aarzelend optreden als na 2010 of 2018 kan Europa zich, gezien de verscherping van het conflict tussen de VS en China, niet langer permitteren. Anders is het straks niet alleen een provocatieve economiejournalist, maar de top van VW, Rheinmetall en Siemens die ronduit zegt: ‘We zijn de klos.’

  • De Zwitserse grondstoffenbazen achter Trumps diepzeemijnbouw

    De Zwitserse grondstoffenbazen achter Trumps diepzeemijnbouw

    Machtige Zwitserse concerns beheersen voor een groot deel de handel in koper, kobalt en nikkel. Nu willen ze ook de bodemschatten op de diepzeebodem exploiteren.

    In de chaos van zijn grillige beleid, met elke dag nieuwe dreigementen, bekendmakingen en decreten, dreigde een voor de aarde belangrijke beschikking van Donald Trump uit het zicht te raken. Eind april gaf de president de betreffende instanties opdracht ervoor te zorgen dat door de VS gelicentieerde ondernemingen zo snel mogelijk strategisch belangrijke grondstoffen uit de zeebodem kunnen halen, zowel in Amerikaanse als in internationale wateren. Daar, duizenden meters onder het oppervlak, liggen op veel plaatsen enorme voorraden koper, kobalt, mangaan en nikkel. Diepzeemijnbouw is zeer omstreden en door internationale verdragen grotendeels verboden. Sommige deskundigen achten het wel mogelijk en zinvol, mits op terughoudende en voorzichtige wijze. Veel anderen waarschuwen echter voor de onvoorspelbare en dramatische gevolgen voor de oceanen en de mariene ecologie en wijzen diepzeemijnbouw categorisch af.

    Zoals bekend laat Donald Trump zich weinig gelegen liggen aan internationale regels en helemaal aan ecologische argumenten. Hij wil zakendoen. De onderneming die naar het zich laat aanzien het meest profiteert van zijn decreet is The Metals Company (TMC), een vanwege zijn manier van zakendoen omstreden Canadees bedrijf. Maar de grote profiteurs op de achtergrond zitten midden in Europa: in Zwitserland, en hun reputatie is niet minder dubieus.

    Zonder overheidsregulering of enig toezicht controleren en dirigeren zij de wereldwijde handel in bodemschatten. Met name die waar door digitalisering, energietransitie en klimaatbescherming steeds meer vraag naar is. Als je nu op een willekeurige plaats een straatenquête zou houden met de vraag wat de grootste Zwitserse concerns zijn, hoor je waarschijnlijk de namen van UBS, voedingsmiddelenmultinational Nestlé en van farma-giganten als Novartis, Sandoz en Roche. Vrijwel niemand zou Glencore, Trafigura of Mercuria noemen. Terwijl die een branche van in totaal zo’n duizend grondstoffenbedrijven domineren, die samen meer aan het Zwitserse bbp bijdragen dan het toerisme of de financiële sector.

    Grote bazen

    Ongeveer de helft van de grondstoffenbedrijven is gevestigd in het belastingparadijs Zug. De Zwitserse federale autoriteiten gaan ervan uit dat 60 procent van de wereldhandel in grondstoffen via dit kanton loopt, hoewel ze daar – met uitzondering van goud – bijna nooit fysiek terechtkomen. Deze concerns zijn ‘achter de schermen de grote bazen van de wereldeconomie’, schreef het Zwitserse economische tijdschrift Bilanz. In 2024 haalde alleen al marktleider Glencore een omzet van € 202,8 miljard, evenveel als Nestlé, Novartis en Roche bij elkaar. 

    De omvang op zich is echter niet het probleem, wel de dominante marktpositie en methodes die concerns als Glencore hanteren. Vanuit Zwitserland orkestreren en controleren de grondstofreuzen de gehele toeleveringsketen via een ondoorzichtig web van ontelbare, niet zelden in offshore belastingparadijzen gevestigde dochterondernemingen.

    Het begint al bij de mijnen, meestal gelegen in afgelegen streken van politiek instabiele landen in Latijns-Amerika of Afrika waar de rechtsstaat een sluitpost is. Zoals Espinar in de hooglanden van het grondstofrijke Peru, waar zonder enige consideratie met mens en natuur op grote schaal koper wordt gewonnen. De voornamelijk inheemse lokale bevolking wordt verjaagd. Degenen die blijven, hebben gevaarlijke concentraties zware metalen en andere giftige stoffen in hun bloed, veroorzaakt door verontreinigd drinkwater. Dat is vastgesteld door de nationale gezondheidsdienst maar heeft niets veranderd. Ook in andere landen zijn de werkwijzen en de toestanden bij de winning van grondstoffen rampzalig voor de mensenrechten en het milieu. Kerkelijke en andere ngo’s bekritiseren dat zonder resultaat al jaren.

    De Zwitserse grondstoffenreuzen hebben meer schepen op zee dan de complete Amerikaanse marine

    Niet alleen de mijnen zelf, ook het daaropvolgende transport en de verwerking van de grondstoffen zijn stevig in handen van de Glencores van deze wereld. Zij bezitten de wegen, de transportbedrijven, de spoorlijnen en de havens; de Zwitserse grondstoffenreuzen hebben meer schepen op zee dan de complete Amerikaanse marine. Zij zorgen voor de veredeling en het verhandelen van de grondstoffen. En bovendien zijn zij door hun enorme opslagcapaciteit in staat de felbegeerde goederen vast te houden en zo de prijzen op de wereldmarkt kunstmatig op te drijven. De rekening is voor de verwerkende industrie – en dus uiteindelijk voor de consument, aangezien energiecentrales, smartphones en elektronische apparaten onnodig duurder worden.

    Het is gezien hun macht en betekenis verbazingwekkend dat de grondstoffenreuzen zo goed onder de radar van de publieke waarneming weten te blijven. En dat willen ze maar al te graag zo houden. Als je de schitterende gebouwen van de Zwitserse banken en de financiële sector aan de Paradeplatz in Zürich ziet, verbaas je je hoe onopvallend het kantoor van de economische wereldmacht Glencore is: een kleurloos kantorencomplex aan Baarermattstraße 3 in de gemeente Baar in kanton Zug.

    Door een fusie met zijn Zwitsers-Britse concurrent Xstrata twaalf jaar geleden stond Glencore in één keer aan de top van de bedrijfstak. De oprichter van het concern was een man die zijn leven lang een reputatie van meedogenloosheid heeft genoten, waar hij zelf helemaal niet mee zat: Marc Rich. In 1934 in België geboren, werd hij later ook Spaans en Israëlisch staatsburger en begon hij in 1974 als zelfstandig oliehandelaar. In zaken had Rich geen morele of politieke scrupules, en dat kostte hem in 1983 de kop. De FBI vaardigde een wereldwijd opsporingsbevel tegen hem uit, officieel wegens belastingfraude. In werkelijkheid werd het Rich in de VS buitengewoon kwalijk genomen dat hij ongegeneerd doorging met zijn oliehandel met de Iraanse moellahs toen die in de Amerikaanse ambassade in Teheran tweeënvijftig Amerikaanse diplomaten en medewerkers 444 dagen lang gegijzeld hielden. Waarom Bill Clinton hem op de laatste dag van zijn ambtstermijn in 2001 verrassenderwijs gratie verleende en het arrestatiebevel introk, is sindsdien onderwerp van veel speculatie.

    Slinks

    Marc Rich, die voor fotografen bij voorkeur poseerde met een dikke sigaar en open overhemd, was in de jaren zeventig ook in de metaalhandel gestapt. Zijn belangrijkste man werd een vrijwel onbekende Duitser, in de Zürichse Tagesanzeiger ooit kort en krachtig ‘de machtigste manager van Zwitserland’ genoemd: Willy Strothotte. Geboren in 1944 in Borken, Westfalen, gold hij in de grondstoffenbusiness als de Metal Man en rechterhand van Rich. In de jaren negentig, toen Rich door zijn eigen managers was afgezet en zij het bedrijf hadden omgedoopt tot Glencore, werd Strothotte de baas van het concern. Ook bleef hij aandeelhouder. Tegenwoordig woont hij in Zwitserland waar hij van zijn miljarden geniet.

    Maar waarom vindt dit alles uitgerekend in Zwitserland plaats? Zolang de kas klopt, blijft men discreet. Politiek en instanties tonen geen noemenswaardige interesse in het reguleren of controleren van de activiteiten van de grondstoffengiganten. Daar hebben ook de herhaalde corruptieschandalen, zoals die bij Glencore, niets aan veranderd. In Congo had het concern met hulp van een dubieuze tussenpersoon en smeergeldbetalingen aan de clan van dictator Joseph Kabila op slinkse wijze exploratierechten weten te bemachtigen. Dat werd in 2017 door de Süddeutsche Zeitung en andere internationale media aan het licht gebracht in de Paradise Papers. Aan het onderzoek door Zwitserse en Amerikaanse autoriteiten wist Glencore in 2022 elegant een einde te maken door € 180 miljoen aan de Republiek Congo over te maken.

    In 2020 is in Zwitserland een poging gedaan de concerns in elk geval op het gebied van mensenrechten en milieunormen aan banden te leggen. Een referendum over de invoering van normen en voorschriften naar het voorbeeld van de EU-richtlijn inzake de toeleveringsketens, mislukte toen nipt. Het initiatief was afkomstig van negentig kerkelijke en maatschappelijke organisaties; inmiddels bereidt deze ‘coalitie voor verantwoord ondernemen’ een nieuwe poging voor.

    Deze coalitie stelt momenteel ook de zogenaamde Zwitserlandconnectie aan de kaak die zou profiteren van Donald Trumps plannen om grondstoffen uit de diepzeebodem te winnen. Want de in het begin genoemde Canadese onderneming TMC, die hiervoor al in de startblokken staat, is grotendeels in Zwitserse handen. Glencore en het in het kanton Fribourg gevestigde Allseas, dat is gespecialiseerd in voor dit doel ontworpen bijzondere vaartuigen, zijn grote investeerders en ‘strategische partners’ van TMC. Bovendien verzekerde Glencore zich al in 2012 contractueel van vijftig procent van de metalen die TMC ooit uit de bodem onder de Stille Oceaan wil gaan halen.